Beantwoording openstaande vragen met betrekking tot het raadsvoorstel tot vaststelling Inspraakverordening gemeente Gilze en Rijen 2024
Tekst van het document
Beantwoording openstaande vragen met betrekking tot het raadsvoorstel tot vaststelling Inspraakverordening gemeente Gilze en Rijen 2024 Inleiding Voordat de vragen worden beantwoord is het goed eerst wat meer uitleg te geven over de Inspraakverordening. Allereerst is het belangrijk om te weten dat er een verschil zit in de procedure van de inspraakverordening en de wettelijke procedure als bedoeld in afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zo kan de procedure van de inspraakverordening worden gezien als een gemeentelijke inspraakprocedure en is de procedure van afdeling 3.4. Awb een wettelijke inspraakprocedure. Dit betekent dat beide inspraakprocedures juridisch gezien ook verschillende gevolgen hebben. Het ‘resultaat’ van een gemeentelijke inspraakprocedure is in juridische zin bijvoorbeeld niet gericht op rechtsgevolg, waardoor er geen bezwaar of beroep tegen worden ingesteld. Het ‘resultaat’ van de wettelijke inspraakprocedure is in juridische zin juist weer wel gericht op rechtsgevolg en daar staat dan ook (rechtstreeks) beroep tegen open. In de Inspraakverordening is echter bepaald dat op inspraak als bedoeld in de Inspraakverordening (in beginsel) de procedure van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.
Wat wordt daarmee precies bedoeld? Daarmee wordt bedoeld dat met de gemeentelijke inspraakprocedure dezelfde procedurele stappen worden doorlopen als die van afdeling 3.4. Awb. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de wijze waarop bekendgemaakt wordt dat het indienen van een zienswijze mogelijk is en op welke wijze en binnen welke termijn dat indienen dan moet gebeuren. Afdeling 3.4. Awb bepaalt dus feitelijk welke spelregels hebben te gelden voor de inspraakprocedure. Dit staat er echter niet aan in de weg dat de juridische consequentie van de gemeentelijke inspraakprocedure onder de streep dus anders is dan de wettelijke inspraakprocedure. Dubbele procedures Tijdens de commissievergadering is gevraagd of een voorbeeld kan worden gegeven van de in het voorstel bedoelde dubbele procedures. Als voorbeeld kan worden gegeven de procedure rondom de wijziging van een bestemmingsplan. Op dit moment ‘verlangd’ de Inspraakverordening dat er eerst door het bestuursorgaan een besluit moet worden genomen over het al dan niet toepassen van inspraak als bedoeld in de Inspraakverordening. Dit is het eerste besluit dat moet worden genomen en vormt daarmee de eerste procedure. Ongeacht of wel of niet tot gemeentelijke inspraak wordt besloten, volgt daarna de wettelijk voorgeschreven inspraakprocedure volgens afdeling 3.4. Awb. Dit is daarmee de tweede procedure die moet worden doorlopen.
Daarmee moet het bestuursorgaan dus altijd een beslissing nemen over het toepassen van, in feite, twee procedureel identieke inspraakrondes. De voorgestelde wijziging zorgt ervoor dat het uitgangspunt is dat slechts de wettelijke inspraakprocedure van toepassing is, en alleen dan, aanvullend daarop, kan worden besloten om een gemeentelijke inspraakprocedure te volgen als dit ook daadwerkelijk een meerwaarde heeft of kan hebben. Inspraaktermijn van vier weken Tijdens de commissievergadering is voorts gevraagd waarom een inspraaktermijn van vier weken wordt toegepast in plaats van de
(standaard)termijn van zes weken zoals bij de wettelijke inspraakprocedure. Zoals hiervoor is aangegeven is in de Inspraakverordening bepaalt dat het uitgangspunt is dat de spelregels van artikel 3.4. Awb op de inspraakprocedure van toepassing zijn. Echter voor wat betreft de inspraaktermijn wordt voorgesteld af te wijken van de zeswekentermijn omdat een vierwekentermijn in de praktijk veelal ruimschoots voldoende blijkt te zijn. Dit biedt inwoners en belanghebbenden namelijk de gelegenheid om na de bekendmaking van de terinzagelegging van het beleidsvoornemen gedurende vier weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen is dat voldoende en passend voor de inspraak. Mocht dat in voorkomende gevallen toch niet het geval zijn, dan biedt de Inspraakverordening de ruimte om de termijn van de inspraakprocedure alsnog aan te passen. Daarbij kan de vierwekentermijn overigens desgewenst worden verlengd of juist worden bekort.