ap 8 toelichting, bijlage, bp Alphenseweg ong. te Gilze
Tekst van het document
AERIUS berekeningen ontwikkeling Ruimte-voor-Ruimte woningen Alphenseweg te Gilze De depositie van stikstof ten gevolge van de ontwikkeling aan de Alphenseweg ong. te Gilze is berekend met AERIUS calculator. Voor deze ontwikkeling zijn twee berekeningen uitgevoerd. Eén voor de realisatiefase waarin de ruimte-voor-ruimte woning wordt gebouwd en één voor de gebruiksfase. AERIUS berekening gebruiksfase Gasloos bouwen Vanaf medio 2018 is het verplicht om nieuwe woningen ‘gasloos’ te realiseren. De emissie (NOx) van de nieuwe woning zal derhalve nihil zijn en om die reden niet meegenomen in de berekening. Verkeersaantrekkende werking. De verkeersgeneratie voor dit plan is bepaald aan de hand de kentallen van het CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. In deel A van deze publicatie zijn kentallen opgenomen met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking voor onder andere verschillende typen woningen. Voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied wordt de verkeersaantrekkende werking voor op maximaal 8,6 per weekdaggemiddelde geschat. Deze verkeersgeneratie is ingevoerd in het AERIUS berekeningsprogramma. Conclusie gebruiksfase Uit de uitgevoerde AERIUS berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden zijn. Derhalve zijn er voor dit initiatief geen belemmeringen in de gebruiksfase.
Invoergegevens AERIUS gebruiksfase + rekenresultaat
AERIUS berekening realisatiefase De bouw van een nieuwbouwwoning duurt gemiddeld één jaar. Een bouwproces doorloopt een aantal fases; van ruwbouwfase, naar afwerkingsfase tot de oplevering. Met name gedurende de ruwbouwfase zullen de meeste vervoersbewegingen door machines plaatsvinden. In de afwerkingsfase gaat het voornamelijk om kleinere en specifiekere werkzaamheden binnen de ruwbouw. De bouw van de nieuwe ruimte-voor-ruimte woning genereert een toename in verkeersbewegingen, onder andere door bouwbedrijven en de aanvoer van bouwmaterialen. Binnen het plangebied zal tijdens de bouwfase op enige momenten sprake zijn van het gebruik van machines, bijvoorbeeld voor het uitgraven van de bouwplaats en het zetten van spanten en dergelijke. In de ruwbouwfase zijn de meeste verkeersbewegingen, in de afwerkingsfase zal het enkel nog het afleveren van materialen betreffen en het op- en afrijden van bouwbedrijven. De totale emissie van de realisatiefase is opgebouwd uit twee te onderscheiden onderdelen: 1. Verkeersbewegingen van alle personeel en bouwbenodigdheden. 2. Inzet materiaal t.b.v. bouwrijp maken en ondersteuning. Bij de verkeersbewegingen zijn de volgende invoergegevens gehanteerd: 1. Licht verkeer; 1 voertuig per etmaal (totaal 2 verkeersbewegingen per etmaal) 2. Middelzwaar verkeer; 2 voertuigen per etmaal (totaal 4 verkeersbewegingen per etmaal) 3.
Zwaar verkeer; 1 voertuig per week (totaal 8 verkeersbewegingen per maand). Licht verkeer Één personenauto zal zich naar de bouwplaats bewegen, bijvoorbeeld de toekomstige eigenaar van de woning. Deze verkeersbeweging blijft de gehele realisatiefase aanwezig. Middelzwaar verkeer Twee werkbussen (bouwbedrijven) zullen zich naar de bouwplaats bewegen, het personeel van deze bouwbedrijven bouwt de woning. Deze verkeersbeweging blijft de gehele realisatiefase aanwezig. Zwaar (vracht)verkeer Niet iedere dag zullen materialen en goederen op locatie worden afgeleverd. Dit zal beperkt blijven tot enkele keren per maand (geschat op 4x per maand). Eén vrachtwagen zal zich naar de bouwplaats bewegen, deze vrachtwagen (of dergelijke) levert materialen en goederen en/of haalt op. Opgemerkt wordt dat dit zwaar verkeer voornamelijk plaatsvindt tijdens de ruwbouwfase, maar i.h.k.v. de worstcase scenario is hier nu geen onderscheid in gemaakt. Bij het inzet van materiaal t.b.v. bouwrijp maken en ondersteuning zijn de volgende invoergegevens gehanteerd: 1. Een graafmachine / mobiele kraan zal circa 3 dagen operationeel zijn binnen de bouwplaats. Eén graafmachine zal zorgen dat de bouwplaats bouwrijp is, denk hierbij aan het afgraven van grond.
Daarnaast zal een mobiele kraan enkele keren zorgen voor ondersteuning bij het plaatsen van zware en grote materialen (zoals wanden, spanten, balken, etc).
Conclusie realisatiefase Uit de uitgevoerde AERIUS berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden zijn. Derhalve zijn er voor dit initiatief geen belemmeringen in de realisatiefase.
Invoergegevens AERIUS realisatiefase + rekenresultaat
quick scan flora en fauna onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen
ijzerman advies ruimtelijke ordening & ecologie
locatie Alphenseweg ongenummerd, Gilze rapportnummer 2020592
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
quick scan flora en fauna locatie Alphenseweg ongenummerd, Gilze rapportnummer 2020592
rapportnummer:
2020592
datum:
9 december 2020
opdrachtgever:
Van Dun Advies B.V.
contactpersoon:
Dhr. M. Gerards
uitvoerder:
© IJzerman advies Postbus 6035 5002 AA Tilburg Tel. 013-5821401 GSM 06-38506432 Mail sander@landschappers.nl www.ijzermanadvies.com
projectleider:
S.J. IJzerman
IJzerman advies is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
ijzerman advies
|
2
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
Inhoudsopgave Inleiding
4
Beleidskader
5
Wet natuurbescherming
5
Werkwijze quick scan
6
Veldinspectie
6
Deskstudie
6
Expert judgement
6
Gebiedsbeschrijving
7
Huidige situatie
7
Beschermde natuurwaarden
9
Gebiedsbescherming
9
Beschermde soorten
10
Flora
10
Ongewervelden
10
Amfibieën, vissen en reptielen
10
Broedvogels
10
Zoogdieren
11
Advies
12
Bronnen
13
ijzerman advies
|
3
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
Inleiding
In opdracht van Van Dun Advies BV heeft IJzerman advies een quick scan flora en fauna uitgevoerd voor de planlocatie Alphenseweg ongenummerd te Gilze. De quick scan is uitgevoerd in het kader van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Bij ruimtelijke ingrepen dient in kaart te worden gebracht of actuele beschermde natuurwaarden van de locatie worden bedreigd. In deze quick scan flora en fauna wordt vooraf een inschatting gemaakt van de effecten die toekomstige ruimtelijke ingrepen op de actuele beschermde natuurwaarden zullen hebben. Daarnaast wordt ook vanuit het oogpunt van planologische gebiedsbescherming naar de locatie gekeken. De quick scan flora en fauna is een toetsingsinstrument en levert een aantal duidelijke adviezen die betrekking hebben op de te volgen procedures en handelingen (zoals bijvoorbeeld, een aanvullend onderzoek, vergunning, ontheffing of een goedgekeurde gedragscode). IJzerman advies is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en hanteert de door deze brancheorganisatie opgestelde gedragscode.
ijzerman advies
|
4
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
Beleidskader Wet natuurbescherming
Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt 3 bestaande wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Boswet en de Flora- en faunawet (bescherming van soorten). Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000- gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Ook gemeenten hebben een belangrijke rol bij de uitvoering van de Wet natuurbescherming.
Als sprake is van locatie gebonden activiteiten met gevolgen voor wettelijk beschermde dier- en plantensoorten, moet ofwel een natuurtoets deel uitmaken van de procedure bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning, ofwel er wordt voorafgaand aan het aanvragen van de omgevingsvergunning apart een ontheffing aangevraagd. In het eerste geval geeft de initiatiefnemer bij de aanvraag omgevingsvergunning aan dat er sprake is van handelingen met gevolgen voor beschermde dieren plantensoorten. Deze werkwijze staat bekend als vrijwillig aanhaken. Het is aan de gemeente (als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning) om te controleren of de aanvraag voor een omgevingsvergunning volledig is, of dat de aanvrager al apart ontheffing heeft aangevraagd. Essentieel is dat de gemeente toetst of de initiatiefnemer al dan niet terecht heeft aangegeven of de handeling gevolgen heeft voor beschermde soorten. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1) 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5) 3. Beschermingsregime andere soorten (artikel 3.10) Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Dit kan eveneens verschillen per provincie. Landelijk zijn er van een aantal vogelsoorten bovendien de nesten jaarrond beschermd.
Daarnaast zijn er een aantal soorten landelijk vrijgesteld bij specifieke activiteiten.
ijzerman advies
|
5
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
Werkwijze quick scan
De quick scan flora en fauna is een oriënterend onderzoek naar de actuele beschermde natuurwaarden van een locatie in relatie tot de geplande ingrepen. De quick scan flora en fauna is een momentopname in tegenstelling tot een volledig ecologisch onderzoek dat uitgebreider is wat betreft omvang en tijdsduur. Een volledig ecologisch onderzoek bestaat uit soortgerichte, uitgebreide inventarisaties, die meestal in diverse opnamerondes en volgens standaardmethodes worden uitgevoerd. De quick scan flora en fauna bestaat uit een veldinspectie, een deskstudie en een beoordeling op basis van expert judgement. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is de quick scan een veelgebruikt instrument dat inzicht geeft in de consequenties van de ingrepen ten aanzien van de natuurwetgeving.
Veldinspectie
De veldinspectie heeft plaats gevonden op 25 september, 16 november en 4 december 2020. Hierbij werd de ecologische potentie van de locatie in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten (ook in de directe omgeving) onderzocht. Er is gezocht naar sporen van zoogdieren en vogels (uitwerpselen, nesten, holen, haren, veren, krabsporen en pootafdrukken). Daarnaast is er gezocht naar plantenresten of beginnende vegetaties.
Deskstudie
De deskstudie richt zich op bekende ruimtelijke plannen (lokaal, provinciaal, nationaal en Europees) die relevant zijn voor deze locatie. Daarnaast is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd voor de locatie specifiek en de directe omgeving ervan.
Expert judgement
Op basis van expert judgement wordt een uitspraak gedaan over de actuele beschermde natuurwaarden van de locatie in relatie tot geplande ontwikkelingen. Voor de expert judgement kan gebruik worden gemaakt van een netwerk van specialisten. Als de deskstudie en de veldinspectie onvoldoende houvast bieden om tot een onderbouwde beoordeling te komen, zal worden aangegeven dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is om de effecten op de aanwezige natuurwaarden te kunnen beoordelen.
ijzerman advies
|
6
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
Gebiedsbeschrijving Huidige situatie
Het plangebied is gelegen aan de Alphenseweg te Gilze, in het buitengebied zuidelijk van de bebouwde kern van Gilze. Het plangebied, een ongenummerd, onbebouwd perceel is gelegen tussen de huisnummers 10 en 12. De oostzijde van het perceel wordt begrensd door de gronden van golfbaan Wellenseind. Het perceel bestaat uit een grasperceel zonder overige structuren. Waterstructuren of opgaande groenstructuren ontbreken op de planlocatie zelf. Langs de Alphenseweg staan enkele eiken. Men is voornemens een woonhuis te realiseren op de planlocatie.
Afbeelding 1: globale ligging plangebied blauw (bron: Google Earth)
ijzerman advies
|
7
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
ijzerman advies
Gilze
|
8
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
Beschermde natuurwaarden Gebiedsbescherming
Het plangebied is niet gelegen in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden zullen geen negatieve effecten ondervinden van de geplande ontwikkelingen, ten opzicht van het huidige gebruik. Er vinden geen verhoogde emissies van licht, geluid of stoffen plaats die van negatieve invloed zouden kunnen zijn op Natura 2000 gebieden. Een vergunning Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
Afbeelding 3: Natuurnetwerk Brabant in groen, Natura-2000 in rood (bron: provincie Noord-Brabant)
ijzerman advies
|
9
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
Beschermde soorten Flora
Bij de veldinspectie is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Op en langs de randen van de percelen zijn enkel vrijgestelde soorten en zijn er geen beschermde soorten aangetroffen. Het plangebied is met nadruk geïnspecteerd op potentiële groeiplaatsen voor beschermde soorten. Deze soorten of hun groeiplaatsen zijn niet aangetroffen in het plangebied. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.
Ongewervelden
Beschermde ongewervelden, zoals bepaalde vlinders, libellen en kevers, zijn niet aangetroffen op de planlocatie. De locatie bevat geen natuurlijk ontwikkelde oevervegetaties of arme- of matig-voedselrijke vegetaties. Beschermde soorten zijn vaak zeer specifiek in hun biotoopkeuze en afhankelijk van de aanwezigheid van (vaak zeldzame en kwetsbare) waardplanten of vegetaties. Op de planlocatie ontbreken deze omstandigheden, waardoor ook geschikte biotopen voor deze beschermde ongewervelden ontbreken. Op basis van de aangetroffen omstandigheden kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten voorkomen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.
Amfibieën, vissen en reptielen
Potentiële geschikte water- en oeverstructuren voor beschermde soorten ontbreken op de planlocatie zelf. Beschermde amfibieën- of vissoorten zullen hierdoor geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied. De ontwikkeling is landgebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie is het mogelijk dat er in het plangebied enkele algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn (artikel 3.10), worden zij niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (hier van toepassing). Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op de planlocatie zijn geen overig beschermde soorten aangetroffen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.
Broedvogels
Alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van de nieuwe Wet natuurbescherming. U dient daarom gedurende de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Op de planlocatie zelf ontbreken opgaande groenstructuren zoals bomen en struiken die groot genoeg zijn om als broedlocatie te dienen.
ijzerman advies
|
10
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
Er is daarom met nadruk in de directe omgeving van de planlocatie gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van nestlocaties van uilen, roofvogels, gierzwaluwen en huismussen, soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd kunnen zijn. Er zijn geen nesten, prooiresten of uitwerpselen van deze groepen aangetroffen in de rij zomereiken langs de Alphenseweg en de andere groenstructuren rondom de locatie. Mogelijk broeden in deze structuren wel algemene broedvogels. Gezien de voorgenomen ontwikkelingen (bouw van een woonhuis) zullen de effecten op deze broedvogels minimaal zijn, tenzij nesten worden beschadigd of verwijderd. Geluid- en lichtverstoring van bouwwerkzaamheden heeft op broedende vogels doorgaans een verwaarloosbaar effect. Initiatiefnemer dient rekening te houden dat de ontwikkelingen geen fysieke verstoring van nestlocaties van broedvogels (zoals vernietiging, verplaatsing of bewuste verjaging) tot gevolg heeft. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.
Zoogdieren
Het is mogelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de locaties kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, konijn, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Brabant tot de vrijgestelde soorten. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor deze soorten geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. In de provincie Noord-Brabant zijn de das, bunzing, hermelijn en wezel eveneens beschermd. De locatie is uitvoerig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van deze soorten. Ook is gekeken of er op de locatie potentieel geschikt habitat aanwezig is. Er zijn geen sporen zoals prooiresten, pootafdrukken, wissels, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen. Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep beschermde soorten. Op de planlocatie staan geen bomen of bebouwing. Potentiële vaste verblijfslocaties voor vleermuizen ontbreken op de locatie. Als foerageergebied heeft het gebied geen substantiële functie voor vleermuizen.
In de omgeving kunnen in theorie algemene soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) voorkomen. Deze dieren zijn cultuurvolgers en maken vaak gebruik van lijnvormige groen- en bebouwingsstructuren en straatverlichting. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen, worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. Eventuele vliegroutes worden niet onderbroken. De geplande ontwikkeling heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties of het ontbreken van een gebruiksfunctie (foerageergebied of vliegroute) geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie.
ijzerman advies
|
11
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
Advies
• Vrijgestelde soorten kunnen mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het voorkomen van deze soorten wordt door de geplande ontwikkelingen niet in gevaar gebracht. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. • Voor overige beschermde soorten is nader onderzoek niet noodzakelijk door het ontbreken van geschikte biotopen en vaste verblijfslocaties. • Op de planlocatie zelf ontbreken geschikte structuren voor broedvogels om als nestlocatie te fungeren (struiken/bomen). Initiatiefnemers dienen zorg te dragen dat in de omliggende groenstructuren geen fysieke verstoring van in gebruik zijnde nestlocaties plaatsvindt. Doorgaans vindt het broedseizoen plaats tussen half maart en half juli. Buiten deze periode is de kans op aanwezigheid van broedgevallen klein.
ijzerman advies
|
12
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
Bronnen
http://www.brabant.nl/ www.vogelbescherming.nl www.ravon.nl www.sovon.nl https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/wetgeving-voor-natuurbescherming-in-nederland https://www.ndff-ecogrid.nl/
Boye, P. et al., Fledermäuse und Fledermausschutz in Deutschland, Bundesambt für Naturschutz, Bonn, 1999. Broekhuizen, S., et al., Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, KNNV, Utrecht, 1992. Diepenbeek, A. van, Veldgids diersporen, KNNV, Utrecht, 1999. Diepenbeek, A. van & J. van Delft, Het waarnemen van amfibieën en reptielen, RAVON, Nijmegen, 2006. Diepenbeek, A. van & R. Creemers, Herkenning amfibieën en reptielen, RAVON, Nijmegen, 2006. Dietz, C. et al., Handbuch der Fledermäuse Europas und Nordwestafrikas, Kosmos, 2007. Dietz, M. et al. Von Fledermäusen und Menschen, Bundesambt für Naturschutz, Bonn, 2002. Kapteyn, K., Vleermuizen in het landschap, Schuyt & Co, 1995. Lenders, H.J.R. en C.C.H. Marijnissen, Waarnemen en herkennen van amfibieën en reptielen in het veld, Stichting RAVON, Nijmegen, 1993. Limpens, H., et al., Atlas van de Nederlandse vleermuizen, KNNV, Utrecht, 1997. Mebs, T. et al., Uilen van Europa, Tirion, Baarn, 2004. Meijden, R. van der, Heukels' Flora van Nederland, Wolters-Noordhoff, 1996. Nie, H. de, Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen, Media Publishing Int BV, Doetinchem 1996. Simon, M, et al. Ecology and Conservation of Bats in Villages and Towns, Bundesambt für Naturschutz, Bonn, 2004. Sinsch, U., Biologie und Ökologie der Kreuzkröte, Laurenti, 1998. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Atlas van de Nederlandse broedvogels; verspreiding,
ijzerman advies
|
13
quick scan flora en fauna
Alphenseweg ongenummerd
Gilze
aantallen, verandering - Nederlandse Fauna 5. Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland, Leiden, 2002. Spikmans, F. & J. Kranenbarg, Herkenning zoetwatervissen, RAVON, Nijmegen, 2006. Spikmans, F. & T. de Jong, Het waarnemen van zoetwatervissen, RAVON, Nijmegen, 2006. Stumpel, T en H. Strijbosch, Veldgids Amfibieën en reptielen, KNNV, Utrecht, 2006. Twisk, P., et al., Zoogdieren van West-Europa, KNNV, Utrecht, 1994. Weeda, E.J. et al., Nederlandse Oecologische Flora, KNNV, Leiden, 1999.
ijzerman advies
|
14
Transect-rapport 2793 Gilze, Alphenseweg (ong.) Gemeente Gilze en Rijen (NB)
Een Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. Proefsleuven, karterende en waarderende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl
Colofon Titel
Rapportnummer
Gilze, Alphenseweg (ong.). Gemeente Gilze en Rijen (NB). Een Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. Proefsleuven, karterende en waarderende fase. Transect-rapport 2793
Auteurs
A. Pels-Ouweneel MA, E. Mol MA
Versie
Definitief
Datum
14-07-2020
Projectnummer Onderzoeksmelding
20040081 4863657100
Opdrachtgever
Van Dun Advies Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Bevoegde overheid Adviseur bevoegde overheid Toetsing bevoegde overheid
Gemeente Gilze en Rijen Regioarcheologen Programmabureau RWB Goedgekeurd
Beheer en plaats documentatie
Transect b.v., Nieuwegein
Omslagafbeelding
Foto van het plangebied
Autorisatie Naam Drs. A.A. Kerkhoven Senior KNA Archeoloog
Datum 14-07-2020
Paraaf
ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van Van Dun Advies heeft Transect b.v. in juni 2020 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Alphenseweg te Gilze (gemeente Gilze en Rijen). De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om een woning te realiseren. De nieuwe woning zal een oppervlakte hebben van circa 200 m2. Ook wordt een bijgebouw gebouwd van circa 100 m2. De funderingen voor de nieuwe woning zullen tot 80 cm - peil worden aangelegd. Op de beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting (Berkvens 2010). In het bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie (Buitengebied 2013). Hierbij zijn bodemingrepen archeologisch onderzoeksplichtig wanneer deze groter zijn dan 100 m 2 en dieper dan 40 cm -Mv. Vanuit het vooronderzoek gold een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m de Late-Middeleeuwen, gezien de gunstige, landschappelijke ligging voor bewoning en het feit dat de bodemopbouw niet geheel was verstoord, zoals bleek uit het booronderzoek en aanvullende kijkgaten. Deze hoge verwachting kon echter niet worden bevestigd op basis van het proefsleuvenonderzoek. In de drie aangelegde werkputten zijn slechts twee natuurlijke verstoringen en een recente verstoring aangetroffen.
Van archeologische sporen is geen sprake. Ook is slechts één grijsbakkende randscherf gevonden in de bouwvoor tijdens de aanleg van werkput 2. Met deze magere resultaten is in het plangebied geen vindplaats aanwezig. Op basis van de bestudeerde profielen is in het plangebied vooral sprake van een AC-profiel, waarbij de C-horizont (natuurlijke ondergrond van matig fijn en matig siltig dekzand) met gleyverschijnselen (licht) is afgetopt door verploeging. Restanten B-horizont her en der in het plangebied en een Cghorizont geven aan dat de bodemopbouw in delen van het plangebied nog intact is en niet verstoord is door moderne / recente verstoringen. Vanuit het Programma van Eisen (Magdelijns 2020) moet het onderzoek de vraag beantwoorden of in het onderzoeksgebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Samenvattend is in het plangebied geen sprake van een archeologische vindplaats. Selectieadvies voor het plangebied Het selectieadvies betreft het vervolgtraject, bestaande uit ofwel (1) het vrijgeven van het onderzoeksgebied; (2) het behoud (fysiek beschermen); of (3) opgraven. Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen.
Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek is geen sprake van een (behoudenswaardige) archeologische vindplaats in het plangebied. Daarom wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. De archeologische verwachting uit het vooronderzoek is met de resultaten van het proefsleuvenonderzoek niet bevestigd. Voor het Laat-Paleolithicum t/m de Late-Middeleeuwen kan de verwachting binnen het plangebied worden bijgesteld naar laag. Voor de Nieuwe tijd kan de lage verwachting gehandhaafd blijven. Tot slot wordt algemeen vermeld dat de initiatiefnemer bij het aantreffen van archeologische waarden in het plangebied de bevoegde overheid moet inlichten volgens de Erfgoedwet. Een proefsleuvenonderzoek is immers een steekproef.
Inhoud 1.
Aanleiding.............................................................................................................................. 6
2.
Resultaten vooronderzoek .................................................................................................... 8
3.
Doel en onderzoeksvragen .................................................................................................. 14
4.
Onderzoeksmethodiek ........................................................................................................ 15
5.
Resultaten veldonderzoek ................................................................................................... 19
6.
Conclusie, waardestelling en selectieadvies ....................................................................... 25
7.
Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 26
Bijlage 1.
Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 28
Bijlage 2.
Allesporenkaart en overzichtskaart .................................................................................... 29
Bijlage 3.
Vlaktekeningen .................................................................................................................... 31
Bijlage 4.
Sporen- en lagenlijst ............................................................................................................ 34
Bijlage 5.
Vondstenlijst........................................................................................................................ 35
Bijlage 6.
Beantwoording van de onderzoeksvragen .......................................................................... 36
1. Aanleiding Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Gilze en Rijen
Plaats
Gilze
Toponiem
Alphenseweg (ong.)
Kaartblad
50E
Perceelnummers
O1383
Coördinaten
124.297 / 393.879
CMA/AMK-status
Nee
Oppervlakte plangebied
ca. 1.800 m²
Oppervlakte onderzoeksgebied
ca. 1.800 m²
Huidig grondgebruik
Akker
Uit: Programma van Eisen (Magdelijns 2019). In opdracht van Van Dun Advies heeft Transect b.v.1 in juni 2020 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Alphenseweg te Gilze (gemeente Gilze en Rijen; figuur 1). De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om een woning te realiseren. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1.800 m 2. De nieuwe woning zal een oppervlakte hebben van circa 200 m2. Ook zal een bijgebouw gebouwd worden van circa 100 m2. De funderingen voor de nieuwe woning zullen tot 80 cm - peil worden aangelegd (bron: opdrachtgever). Op de beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting (Berkvens 2010). In het bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie (Buitengebied 2013). Hierbij zijn bodemingrepen archeologisch onderzoeksplichtig wanneer deze groter zijn dan 100 m2 en dieper dan 40 cm -Mv. In juli 2019 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied (Rap 2019, Transectrapport 2309). Hieruit bleek dat het plangebied een hoge verwachting heeft op het aantreffen van intacte archeologische waarden uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen, gebaseerd op de ligging van het plangebied op een dekzandplateau, waarop mogelijk een esdek aanwezig is.
Ook ligt het plangebied in de nabijheid van de kern van een historisch buurtschap. Uit het booronderzoek bleek echter dat de ondergrond in het plangebied verstoord is geraakt. Circa 50 cm van het oorspronkelijke dekzand ontbreekt. In april 2020 zijn vervolgens vier kijkgaten gegraven in het plangebied, omdat de verstoring van de natuurlijke bodem in grote delen van Brabant voorkomt en niet perse duidt op verstoring van een vindplaats.
1
Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
6
Bij twee kijkgaten was sprake van een lichte omwerking van de top van het dekzand. Deze verstoring zou te maken kunnen hebben met het rooien van bomen. De andere twee kijkgaten toonden een intacte bodemopbouw. Zodanig was het plangebied niet als volledig verstoord te beschouwen. Op basis hiervan heeft de bevoegde overheid besloten dat een vervolgonderzoek moest worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (Kooi, 22-11-2019). In onderhavig rapport zijn de resultaten van het proefsleuvenonderzoek beschreven. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen van de bevoegde overheid en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).
Figuur 1. Topografische kaart met de locatie van het plangebied.
7
2. Resultaten vooronderzoek Bureauonderzoek en Veldonderzoek (IVO, verkennende fase) Uitvoerder Transect b.v. Uitvoeringsperiode 2019 Uitvoeringsmethode Bureauonderzoek, boringen Rapportage Rap, J., 2019. Een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Gilze, Alphenseweg (ong.), gemeente Gilze en Rijen (NB), Nieuwegein (Transect-rapport 2309). Onderzoeksmeldingsnummer Vondsten/monsters/documentatie
4724036100 Digitaal: E-depot, Archis3 Vondstdocumentatie: geen vondsten
Landschappelijke achtergronden2 Het plangebied ligt in het Zuid-Nederlandse zandgebied en maakt deel uit van het Kempisch plateau. Dit gebied is een tektonisch stijgingsgebied ten westen van de Centrale Slenk (Schokker 2003; Tebbens 2016). Op de geomorfologische kaart is het plangebied gekarteerd als dekzandplateau met of zonder oud bouwlanddek. De toevoeging van het bouwlanddek op de geomorfologische kaart duidt op de mogelijke aanwezigheid van een esdek in het plangebied, een humeus dek dat is ontstaan vanaf de Late-Middeleeuwen door het opbrengen van potstalmest of plaggen. Rondom het plangebied komen groeves en laagtes voor die zijn ontstaan door afgraving. Vlak ten westen van het plangebied komen terrasafzettingswelvingen met dekzand voor, waarin ook kleine dekzandkopjes te herkennen zijn. Ten oosten van het plangebied komen daarentegen terrasafzettingsvlaktes met dekzand voor, doorsneden door een beekdal. Dit maakt dat het plangebied een gunstige locatie inneemt op een gradiënt tussen hoog en droog dekzand en het grondstoffenrijke beekdal. Dit zijn locaties die vanaf het LaatPaleolithicum al bewoond werden. De ligging op de dekzandrug is ook zichtbaar op het Actueel Hoogtebestand Nederland in de maaiveldhoogtes. Hierop is te zien dat het plangebied een maaiveldhoogte van circa 17,5 m +NAP heeft.
Ten oosten van het plangebied, richting het beekdal, daalt het maaiveld relatief snel naar 12,0 13,0 m +NAP. Op de bodemkaart zijn in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig in zwak lemig fijn zand. Hoge enkeerdgronden zijn gronden met een minstens 50 cm dik plaggendek, dat vanaf de LateMiddeleeuwen is ontstaan door potstalbemesting. Archeologisch gezien zijn enkeerdgronden bijzonder, omdat ze oudere archeologische niveaus kunnen afdekken en beschermen tegen verstorende bodemingrepen (Bakker / Schelling 1989). In het plangebied is sprake van grondwatertrap VII, waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 en 80 cm -Mv ligt en de gemiddeld laagste grondwaterstand beneden 1,2 m -Mv. Archeologische waarden In het plangebied is, afgezien van het vooronderzoek, niet eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. In de omgeving zijn enkele archeologische onderzoeken bekend. De meldingen die representatief zijn voor het plangebied, worden hier beknopt besproken. Tevens is vlak ten zuiden van het plangebied een historische waarde bekend, in de vorm van een steenoven (Berkvens 2010).
2
Teksten in dit hoofdstuk zijn grotendeels overgenomen uit PvE (Magdelijns 2020) en vooronderzoek (Rap 2019).
8
•
•
•
•
•
Ongeveer 475 m ten westen van het plangebied, aan de Alphensebaan 34-36, is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat er sprake is van een intacte bodemopbouw bestaande uit een B-horizont in de top van het dekzand vanaf een diepte van 45 cm -Mv (Veen / Hagens 2016). Uit het vervolgonderzoek bleek dat er sprake is van een oud bouwlanddek uit de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd A. Tevens zijn enkele greppels aangetroffen uit genoemde perioden. Er zijn echter geen concrete of behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aangetroffen (Mol 2017; onderzoeksmelding 4559859100). Ten noorden van het plangebied, in een wijde straal rondom Gilze, is een bureauonderzoek uitgevoerd. Het zuidelijk deel hiervan, op ongeveer 800 m ten noorden van het plangebied, heeft een hoge verwachting op het aantreffen van intacte archeologische waarden, gebaseerd op de aanwezigheid van esdekken, historische bebouwing uit 1832 en historische wegen (Jager 2005). Ongeveer 300 m ten zuiden van het plangebied ter plaatse van de voormalige steenfabriek is een vooronderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn overwegend verstoorde bodemprofielen aangetroffen. Verwacht wordt dat eventuele archeologische resten grotendeels zijn verdwenen (Keijers / Moonen 2004). Ongeveer 450 m ten noordwesten van het plangebied, aan de Alphensebaan 67, is een vooronderzoek uitgevoerd.
Hieruit bleek dat op het dekzand een oud bouwlanddek aanwezig is van 40 tot 120 cm dikte. In één boring is nog een restant van een podzolbodem aanwezig. De oorspronkelijke podzolbodem is binnen het grootste deel van het plangebied afgetopt. Op basis van het onderzoek kan niet worden vastgesteld of dit bij de aanleg van het oud bouwlanddek is gebeurd of bij de bouw van de boerderij. Het zuidelijk deel van het plangebied is in het verleden waarschijnlijk vrij nat geweest en hierdoor minder aantrekkelijk voor bewoning (Wullink 2017). Vanaf ongeveer 450 m ten noordwesten van het plangebied aan de Bolberg is een vooronderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat de bodemopbouw, bestaande uit een oud bouwlanddek op dekzand, vrijwel overal intact is (Kramer 2010).
Historische achtergronden Het plangebied ligt in het buitengebied van Gilze in het historische buurtschap Weilenseind. Vlak ten westen van het plangebied ligt de Alphenseweg, één van de uitvalswegen vanuit Gilze richting het dorp Alphen. Deze weg heeft waarschijnlijk een middeleeuwse oorsprong. In de omgeving van het plangebied zijn op de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant verschillende waarden aangegeven, zoals de steenfabriek ten zuiden van het plangebied. Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811 - 1832 is te zien dat het plangebied nog onbebouwd is (figuur 2). Het plangebied valt op dat moment binnen een cluster van kleine percelen, die in gebruik zijn als akkerland. Pas op kaarten uit de jaren ’50 van de 20e eeuw is te zien dat bebouwing ten zuiden van het plangebied aanwezig is. Deze situatie blijft tot op heden ongewijzigd. In de Tachtigjarige oorlog heeft het plangebied in sterke mate te lijden gehad onder plundering. Of dit heeft geleid tot archeologische verstoringen of waarden is vooralsnog niet bekend. Ten slotte zijn in het plangebied geen geregistreerde verstoringen aanwezig. Voor zover bekend is het plangebied nooit bebouwd geweest. Ook zijn geen milieuonderzoeken bekend voor het plangebied, waardoor het onwaarschijnlijk is dat een sanering van de ondergrond reeds heeft gezorgd voor een aantasting van de bodem.
De enige vastgestelde ingrepen bestaan uit het gebruik als landbouwgebied. Uit een gesprek met de initiatiefnemer blijkt dat de grond is geploegd tot een diepte van 25 - 30 cm -Mv.
9
Figuur 2. Het plangebied (rood omlijnd) op de Kadastrale Minuut uit 1811 - 1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl.
Verkennend booronderzoek In het plangebied zijn vijf boringen gezet met een Edelmanboor (diameter 7 cm) tot een maximale diepte van 70 cm -Mv. Twee bodemlagen zijn aanwezig:
•
Bouwvoor Tot een diepte van 25 - 40 cm -Mv (17,04 - 17,29 m +NAP) is een pakket zwak humeus, zwak siltig zand aangetroffen. Het is donkerbruingrijs van kleur. Vanwege de beperkte dikte van het pakket is het niet geïnterpreteerd als esdek (zoals vooraf verwacht), maar als een moderne bouwvoor. De ondergrens van het pakket is scherp tot erosief. Het pakket is sterk homogeen en vertoont geen brokken van oorspronkelijke bodemhorizonten. Mogelijk heeft een ontzanding plaatsgevonden, waarna een humeus pakket is teruggestort. De bouwvoor bevatte geen archeologische indicatoren.
•
Dekzand Onder de bouwvoor tot onder in de boringen (70 cm -Mv; 16,64 - 17,04 m +NAP) is een pakket zwak siltig zand aanwezig. Het zand is matig fijn, maar goed gesorteerd en geelgrijs van kleur. Het is hierom geïdentificeerd als dekzand. In geen van de boringen zijn sporen van bodemvorming waargenomen. Alleen in boring 3 is sprake van een dun restant van een roestige Cg-horizont (gleyverschijnselen.
Vier aanvullende kijkgaten (figuren 2a t/m 2d) zijn vervolgens gegraven in april 2020 door Transect om de bodemopbouw nader te bestuderen, omdat de verstoring van de natuurlijke bodem in grote delen van Brabant voorkomt en niet persé duidt op verstoring van een vindplaats.
10
Bij twee kijkgaten was sprake van een lichte omwerking van de top van het dekzand. Deze verstoring zou te maken kunnen hebben met het rooien van bomen. De andere twee kijkgaten toonden een intacte bodemopbouw, dat wil zeggen, niet verstoord door moderne / recente verstoringen. Zodanig was het plangebied niet als volledig verstoord te beschouwen. Er is geen intacte podzol aangetroffen. In kijkgat 4 (figuur 2d) zijn restanten van een B-horizont aanwezig. Rechts onderin duikt de B-horizont snel en diep de grond in, kenmerkend voor een zogenaamde ‘basket’ podzol. Ter plekke heeft een boom gestaan die met zijn wortels voedingsstoffen en dergelijke heeft opgenomen. Hierdoor is langs de wortels podzolering opgetreden. Via historische kaarten uit ca. 1900 is bekend geworden dat in het plangebied sprake was van een boomsingeltje, wat aangeeft dat bomen inderdaad in het plangebied aanwezig zijn geweest in vroeger tijden (communicatie met T. Nales).
Figuur 2a. Kijkgat 1.
11
Figuur 2b. Kijkgat 2.
Figuur 2c. Kijkgat 3.
12
Figuur 2d. Kijkgat 4 met een natuurlijke verstoring rechts onderin in de C-horizont, hier heeft vermoedelijk een boom gestaan, waarbij langs de wortels podzolering is opgetreden.
Figuur 2e. Kaart met locaties van de kijkgaten (beige rondjes = kijkgaten 1 t/m 4).
Gespecificeerde archeologische verwachting Het onderzoeksgebied heeft een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode LaatPaleolithicum - Late Middeleeuwen vanwege de landschappelijk gunstige ligging in het plangebied. Een lage verwachting geldt op archeologische resten uit de Nieuwe tijd - met uitzondering van sporen van landgebruik - vanwege de afwezigheid van historische bebouwing. Het archeologisch niveau wordt naar aanleiding van het booronderzoek verwacht in de top van het dekzand op circa 25 - 40 cm -Mv. 13
3. Doel en onderzoeksvragen Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (KNA 4.1, protocol 4003 Inventariserend veldonderzoek, proefsleuven). Het doel van dit onderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting uit het vooronderzoek door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering van de mogelijk aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet de vraag beantwoorden of in het onderzoeksgebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Deze vraagstelling, afkomstig uit het Programma van Eisen (Magdelijns 2020) wordt beantwoord aan de hand van de volgende onderzoeksvragen in bijlage 6 van dit rapport: 1.
Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten? 2. Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? 3. Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? 4. Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? 5. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? 6. Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? 7. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? 8. Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? 9. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). 10.
Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze? 11. Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? 12. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)?
14
4. Onderzoeksmethodiek Het veldwerk heeft plaatsgevonden op 2 juni 2020 en is uitgevoerd door Ewan Mol (senior KNA archeoloog MA) en Maaike Hartog (archeoloog MSc) van Transect b.v. Drie werkputten zijn aangelegd conform het Programma van Eisen (Magdelijns 2020). Daarmee is in totaal 180 m2 opgegraven (10 % van de totale oppervlakte van het plangebied = ca. 1.800 m2). Tijdens de laagsgewijze aanleg van de werkputten zijn het vlak en de putwanden geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische lagen, sporen, vondsten c.q. vondstconcentraties en eventuele structuren. Hierbij is gebruik gemaakt van een metaaldetector. Ook is de uitgegraven grond, de stort, visueel en met de metaaldetector geïnspecteerd op vondstmateriaal. Vondsten zijn per spoor en/of per laag verzameld. Vlakvondsten zijn in vakken van maximaal 4 x 5 m verzameld. Het archeologisch vlak (vlak 1) is aangelegd in de top van het dekzand, de natuurlijke ondergrond. De vlakken in de werkputten zijn gefotografeerd, sporen zijn ingekrast, maar betroffen enkel twee natuurlijke en een recente verstoring. Het selectief afsteken van de putwanden is gedaan om inzicht te krijgen in de bodemopbouw. Per werkput zijn twee profielkolommen van 1 m breed afgestoken, gedocumenteerd en ingemeten met een dGPS.
Alle onderzochte, archeologische waarden zijn gedocumenteerd door middel van het maken van foto’s, tekeningen en beschrijvingen in een database. Met een dGPS zijn de putomtrek, maaiveldhoogtes, vlakhoogtes, sporen, coupehaken en profielpennen ingemeten. Figuren 3 t/m 6 geven een impressie van het plangebied en de aangelegde werkputten.
Figuur 3. Impressie van het plangebied voor aanvang van de graafwerkzaamheden.
15
Figuur 4. Overzichtsfoto van vlak 1 in werkput 1.
16
Figuur 5. Overzichtsfoto van vlak 1 in werkput 2.
17
Figuur 6. Overzichtsfoto van vlak 1 in werkput 3.
18
5. Resultaten veldonderzoek Bodemopbouw De bodemopbouw in het plangebied is relatief eenduidig. Het betreft over het algemeen een moderne / recente bouwvoor (spoor 1000) direct gelegen op de (veelal (licht) afgetopte) C-horizont (spoor 3000). De C-horizont (natuurlijke ondergrond) bestaat uit geel, matig fijn en matig siltig dekzand en bevat gleyverschijnselen (Cg-horizont), die zijn veroorzaakt door wisselingen in grondwaterstanden. Spoor 2000 is alleen waargenomen in profiel 1.1 tussen de bouwvoor en de C-horizont in. Deze is geïnterpreteerd als B(C-)horizont. Vanwege het gebrek aan (restanten) B(C-)horizont in de overige bestudeerde profielen wordt gedacht dat de B-horizont hier is gevormd door bomen. Via de wortels hebben bomen voedingsstoffen en humusdeeltjes opgenomen, die uiteindelijk (donker-)bruine vlekken in de C-horizont hebben achtergelaten (bodemvorming langs de wortels). Deze (donker-) bruine vlekken zijn tevens ter hoogte van profiel 1.1 in het vlak aangetroffen en aldaar geïnterpreteerd als natuurlijke verstoringen, oftewel restanten van B-horizont; figuur 8). De restanten B-horizont en de Cg-horizont geven aan dat in het plangebied sprake is van een intacte bodemopbouw; niet in de vorm van een intacte podzol, maar in de zin van niet verstoord door moderne / recente verstoringen.
Ter hoogte van profielkolom 2.2 is een laag aangetroffen die te velde is geïnterpreteerde als ploeglaag (spoor 1500), die op basis van uiterlijke kenmerken (heterogeen, donker en scherpe contouren, e.d.) was gedateerd in de Nieuwe tijd. Uiteindelijk is tot de conclusie gekomen dat spoor 1500 een gebioturbeerde Aa-horizont betreft (figuur 11). Overige figuren 9, 10, 12 en 13 tonen de kenmerkende bodemopbouw in het plangebied (AC-profiel), waarbij de top van de C-horizont (licht) is verploegd. Landschappelijk gezien ligt het plangebied in een dekzandgebied. Resumerend is op het dekzand een moderne / recente bouwvoor aanwezig, waarbij de C-horizont in het plangebied grotendeels (licht) is afgetopt en het archeologische niveau (met daarbij inbegrepen eventueel aanwezige sporen en vondsten) deels kan zijn verdwenen. Getuige de restanten B-horizont plus de aanwezigheid van de Cghorizont geeft aan dat in het plangebied geen sprake is van ontgrondingen en dat een archeologisch niveau nog aanwezig zou kunnen zijn. De C-horizont is vermoedelijk minimaal afgetopt, maar wel vergraven of verploegd door (agrarische) werkzaamheden in het plangebied.
19
Figuur 7. Profiel 1.1 in werkput 1, vlak 104. Bodemlaag S.2000 komt qua uiterlijk overeen met de coupe van de natuurlijke verstoring, waarmee wordt gedacht dat de B-horizont is gevormd langs de wortels van een boom, waarvan in het vlak tevens restanten aanwezig zijn.
20
Figuur 8. De natuurlijke verstoringen in het vlak van werkput 1 hebben hetzelfde uiterlijk als de bodemlaag S.2000, waarmee de bruine vlekken restanten van de B-horizont betreffen, gevormd langs de wortels van bomen.
Figuur 9. Profiel 1.2 in werkput 1, vlak 104.
21
Figuur 10. Profiel 2.1 in werkput 2, vlak 102.
Figuur 11. Profiel 2.2 in werkput 2, vlak 102. Spoor 1500 is vermoedelijk een bioturbatielaag.
22
Figuur 12. Profiel 3.1 in werkput 3, vlak 102.
Figuur 13. Profiel 3.2 in werkput 3, vlak 102.
23
Sporen en structuren Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen archeologische sporen aangetroffen, enkel natuurlijke en recente verstoringen in werkput 1 (zie de vlaktekeningen in bijlage 3). Vondsten Eén vondst is gedaan in de bouwvoor en betreft een randfragment van grijsbakkend aardewerk uit de Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd A.
24
6. Conclusie, waardestelling en selectieadvies Conclusie Vanuit het vooronderzoek gold een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m de Late-Middeleeuwen, gezien de gunstige, landschappelijke ligging voor bewoning en het feit dat de bodemopbouw niet geheel was verstoord, zoals bleek uit het booronderzoek en aanvullende kijkgaten. Deze hoge verwachting kon echter niet worden bevestigd op basis van het proefsleuvenonderzoek. In de drie aangelegde werkputten zijn slechts twee natuurlijke verstoringen en een recente verstoring aangetroffen. Van archeologische sporen is geen sprake. Ook is slechts één grijsbakkende randscherf gevonden in de bouwvoor tijdens de aanleg van werkput 2. Met deze magere resultaten is in het plangebied geen vindplaats aanwezig. Op basis van de bestudeerde profielen is in het plangebied vooral sprake van een AC-profiel, waarbij de C-horizont (natuurlijke ondergrond van matig fijn en matig siltig dekzand) met gleyverschijnselen (licht) is afgetopt door verploeging. Restanten B-horizont her en der in het plangebied en een Cghorizont geven aan dat de bodemopbouw in delen van het plangebied nog intact is en niet verstoord is door moderne / recente verstoringen.
Waardestelling Aan de hand van de gegevens uit het proefsleuvenonderzoek wordt een waardestelling (waardering van vindplaatsen) vervaardigd, zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1; VS06 Waarderen), indien een vindplaats wordt aangetroffen. In het plangebied is geen sprake van een vindplaats, waarmee geen waardestelling gemaakt kan worden. Selectieadvies voor het plangebied Het selectieadvies betreft het vervolgtraject, bestaande uit ofwel (1) het vrijgeven van het onderzoeksgebied; (2) het behoud (fysiek beschermen); of (3) opgraven. Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek is geen sprake van een (behoudenswaardige) archeologische vindplaats in het plangebied. Daarom wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. De archeologische verwachting uit het vooronderzoek is met de resultaten van het proefsleuvenonderzoek niet bevestigd. Voor het Laat-Paleolithicum t/m de Late-Middeleeuwen kan de verwachting binnen het plangebied worden bijgesteld naar laag. Voor de Nieuwe tijd kan de lage verwachting gehandhaafd blijven.
Tot slot wordt algemeen vermeld dat de initiatiefnemer bij het aantreffen van archeologische waarden in het plangebied de bevoegde overheid moet inlichten volgens de Erfgoedwet. Een proefsleuvenonderzoek is immers een steekproef.
25
7. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • • • •
Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl www.sikb.nl www.topotijdreis.nl
Literatuur • • • • •
•
•
•
•
• • • •
SIKB, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Bakker, H., de, J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus, Wageningen. Berkvens, R., 2010. Gilze en Rijen, van onderaf bekeken. Beleidsplan Archeologische monumentenzorg gemeente Gilze en Rijen, Eindhoven. Jager, S. de, 2005. Potentiële woningbouwlocaties in Gilze en Rijen (gemeente Gilze en Rijen), Archeologisch bureauonderzoek karterende fase, Tilburg (BAAC-rapport 05.090). Keijers, D.M.G., B.J. Moonen, 2004. Plangebieden pastoor van de Boschstraat en ‘voormalige steenfabriek’, gemeente Gilze en Rijen; archeologisch vooronderzoek: bureau- en inventariserend veldonderzoek, Amsterdam (RAAP-rapport 1086). Kramer, J., de, 2010. Archeologisch bureauonderzoek & inventariserend veldonderzoek, verkennende fase: Bolberg, Gilze, gemeente Gilze en Rijen, Noordwijk (Becker en Van de Graafrapport 872). Magdelijns, N., 2020. Transect-PvE. Gilze, Alphenseweg (ong.). Gemeente Gilze en Rijen (NB). Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase, Transect b.v., Nieuwegein. Mol, E., 2017. Gilze, Alphensebaan 34-36, gemeente Gilze en Rijen (NB). Een archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-), Utrecht (Transect-rapport 1392). Rap, J., 2019.
Een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Gilze, Alphenseweg (ong.), gemeente Gilze en Rijen (NB), Nieuwegein (Transect-rapport 2309). Schokker, J., 2003. Patterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment (Roer Graben, South-Eastern Netherlands), Utrecht (Nederlandse Geografische Studies 314). Tebbens, L.A., 2016. Westelijk Noord-Brabant in het Malta tijdperk, Amersfoort (RCE Rapport 477). Veen, V., van der, D. Hagens, 2016. Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Alphensebaan 34-36 te Gilze. Wullink, A.J., 2017. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Alphensebaan 67 te Gilze, gemeente Gilze en Rijen, Rotterdam (Econsultancyrapport 3227.002).
Figuren en tabellen • •
Figuur 1. Topografische kaart met de locatie van het plangebied. Figuur 2. Het plangebied (rood omlijnd) op de Kadastrale Minuut uit 1811 - 1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl. 26
• • • • • • • • • •
•
• • • • •
Figuur 2a. Kijkgat 1 (Rap 2020). Figuur 2b. Kijkgat 2 (Rap 2020). Figuur 2c. Kijkgat 3 (Rap 2020). Figuur 2d. Kijkgat 4 (Rap 2020). Figuur 2e. Kaart met locaties van de kijkgaten (beige rondjes = kijkgaten 1 t/m 4). Figuur 3. Impressie van het plangebied voor aanvang van de graafwerkzaamheden. Figuur 4. Overzichtsfoto van vlak 1 in werkput 1. Figuur 5. Overzichtsfoto van vlak 1 in werkput 2. Figuur 6. Overzichtsfoto van vlak 1 in werkput 3. Figuur 7. Profiel 1.1 in werkput 1, vlak 104. Bodemlaag S.2000 komt qua uiterlijk overeen met de coupe van de natuurlijke verstoring, waarmee wordt gedacht dat S.2000 geen B-horizont betreft, maar dezelfde natuurlijke verstoring als waargenomen in het vlak / de coupe. Figuur 8. De natuurlijke verstoringen in het vlak van werkput 1 hebben hetzelfde uiterlijk als de bodemlaag S.2000, waarmee deze laag uiteindelijk is geïnterpreteerd als natuurlijke verstoring in plaats van een restant B-horizont. Figuur 9. Profiel 1.2 in werkput 1, vlak 104. Figuur 10. Profiel 2.1 in werkput 2, vlak 102. Figuur 11. Profiel 2.2 in werkput 2, vlak 102. Spoor 1500 is vermoedelijk een moderne verstoring. Figuur 12. Profiel 3.1 in werkput 3, vlak 102. Figuur 13. Profiel 3.2 in werkput 3, vlak 102.
27
Bijlage 1. Periode
Archeologische periode-indeling voor Nederland Deel-/subperiode
Recent
Van
Tot
1945 na Chr.
2050 na Chr.
Nieuwe Tijd
Nieuwe tijd C Nieuwe tijd B Nieuwe tijd A
1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.
1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.
Middeleeuwen
Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A
1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.
1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.
Romeinse Tijd
Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A
350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.
450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.
IJzertijd
Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd
250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.
12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.
Bronstijd
Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd
1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.
800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.
Neolithicum
Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A
2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.
2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.
Mesolithicum
Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum
6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.
4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.
Paleolithicum
Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum
18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -
8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP
28
Bijlage 2.
Allesporenkaart en overzichtskaart
29
30
Bijlage 3.
Vlaktekeningen
coupehaak
31
32
33
Bijlage 4.
Sporen- en lagenlijst Vulling
Kleur
Textuur
insluitsels
Spooraard
104
1
dgrzw
zs1
-
laag
moderne bouwvoor
02
102
1
gr/gl gevlekt
zs1
-
laag
ploeglaag Nieuwe tijd; later geïnterpreteerd als gebioturbeerde Aa-horizont