ap 6 toegankelijkheid Spoorzone Rijen - plantoetsing huidig ontwerp - Stichting Zet- november 2020
Tekst van het document
SPOORZONE RIJEN PLANTOETSING HUIDIG ONTWERP NOVEMBER 2020
2-34
COLOFON Toegankelijkheid Spoorzone Rijen is een uitgave van Stichting Zet. Datum
November 2020
Auteur
Ing. B.A. Kaelen (Ben)
Referentie
Beka-00000228
Zet Postbus 271 5000 AG Tilburg T 013 5441440 info@wijzijnzet.nl www.wijzijnzet.nl
Zet – 2020 Overname van artikelen is toegestaan, mits voorzien van bronvermelding
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3
Inleiding ............................................................................................ 4 Toelichting ......................................................................................... 5 Toetsingskader .................................................................................... 6 Conclusie ........................................................................................... 7
2 2.1 2.2
Stationsplein noord .............................................................................. 8 Looproutes ......................................................................................... 8 Inrichting .......................................................................................... 13
3
kiss & ride zone .................................................................................. 15
4 4.1 4.2
Onderdoorgang .................................................................................. 16 trappen naar onderdoorgang ................................................................. 16 liften ................................................................................................ 18
5
auto- en fietstunnel ............................................................................ 19
6 6.1 6.2 6.3 6.4
voetgangersgebieden .......................................................................... 20 voetpaden ......................................................................................... 20 Routegeleiding ................................................................................... 21 trap perron zuid ................................................................................. 23 hellingbaan perron zuid ....................................................................... 25
4-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
1 INLEIDING Dit advies beschrijft de integrale toegankelijkheid van de openbare ruimte van het schetsontwerp van de Spoorzone te Rijen . Het advies is opgesteld in opdracht van gemeente Gilze en Rijen. Dit advies is gebaseerd op onderstaande gegevens en tekeningen: - 221 Uitsneden openbare ruimte Stationsomgeving - 20520.1-HRT01-A routering langzaam verkeer - 20520.1-HRT01-A routering gemotoriseerd verkeer
5-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
1.1 TOELICHTING Het te toetsen plangebied bestrijkt het blauw gearceerde gebied aangegeven op onderstaande tekening.
De (aansluiting op de) aangrenzende infrastructuur valt buiten het toetsingskader. Waar mogelijk worden hier voor wel algemene attentiepunten aangegeven. De verschillende onderdelen van het plan worden op een zo logisch mogelijke volgorde behandeld. Per onderdeel worden de toegankelijkheidsaanbevelingen vermeld, waarna alternatieve oplossingen of advies inzake de functionaliteit wordt uitgewerkt. Volledigheidshalve worden de adviespunten zo veel mogelijk per plandeel opgenomen. Het kan daarom voorkomen dat onderdelen, wellicht ten overvloede, meerdere keren worden vernoemd. Bijgevoegde figuren zijn slechts ter verduidelijking opgenomen. Deze zijn schematisch bedoeld en niet op schaal. Aan de afbeeldingen kunnen geen rechten worden ontleend. Voor de exacte invulling wordt verwezen naar de bijbehorende tekst. Gewijzigde situaties dienen ter controle aan Zet te worden voorgelegd.
6-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
1.2 TOETSINGSKADER Het algemene uitgangspunt bij de beoordeling van het project is dat het uiteindelijk zo bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar (BTB) mogelijk is voor iedereen. Hierbij wordt gekeken naar gebruikers met én zonder beperking. Dat betekent dat niet alleen gekeken wordt naar de mate van ‘rolstoeltoegankelijkheid’ en de aanwezigheid van geleidevoorzieningen voor blinden/slechtzienden, maar naar een zo breed mogelijke gebruikskwaliteit en functionaliteit. Op basis van de huidige wet- en regelgeving is het discrimineren of anderszins buitensluiten op basis van een handicap strafbaar gesteld. Als toetsingskader worden onder meer het Handboek voor Toegankelijkheid (BIM Media, 7 e druk), Handboek Routegeleiding (PBT-Consult, versie 2013) en NEN 1814 gebruikt.
Items die in deze rapportage gemerkt zijn met dit symbool kunnen aangehouden worden als richtlijn/aanbeveling, bovenop de geldende normen van o.a. het ASVV en de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR), om te komen tot een hoger niveau van integrale toegankelijkheid wat bijdraagt aan de inclusieve samenleving. De gehele tekst, behorende tot dit item, wordt sterk aanbevolen voor een toegankelijkere openbare ruimte.
Items welke in deze rapportage gemerkt zijn met dit symbool zijn niet vereist, maar gelden als adviespunten voor een optimale functionaliteit, bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid (BTB). Deze items kunnen aangehouden worden als wenselijke aanpassingen.
7-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
1.3 CONCLUSIE Het huidig ontwerp van het plangebied ‘Spoorzone’ is onderworpen aan een toegankelijkheidstoets om te bepalen of het huidig ontwerp voldoet aan de minimaal te behalen toegankelijkheidseisen. Dit is het geval. In het huidig ontwerp is voldoende rekening gehouden met de toegankelijkheid voor mensen met en zonder beperking. In de basis is het huidig ontwerp integraal toegankelijk. Er is één knelpunt geconstateerd: dat is het hellingspercentage van de Zuidzijde helling van de auto- en fietstunnel. Deze bedraagt 5% wat te steil is. Dit hellingspercentage moet dan ook worden aangepast. Het toegankelijkheidsniveau kan verder worden vergroot door het (zo veel als mogelijk) opvolgen van de hieronder genoemde richtlijnen en aanbevelingen. Dit naar redelijkheid en billijkheid.
8-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
2 STATIONSPLEIN NOORD 2.1 LOOPROUTES Algemeen gelden onderstaande normen voor de uitvoering van looproutes. Waar zich mogelijke knelpunten voordoen zijn deze nader gespecificeerd: Looproute vrij van obstakels. Alle oppervlakken vast, vlak, aaneengesloten en blijvend stroef (voldoende antislip) zijn, ook in natte situaties. Bestraten met minimale voeg en zonder hoogteverschillen. Tussen overgangen van verschillende straatmaterialen in de looproute (‘klik’) hoogteverschil maximaal 5mm. Openingen en sleuven in en tussen roosters, putdeksels, tegels en dergelijke ≤ 20mm. Dwarshelling looproute maximaal 1:50 (afwatering). Hoogteverschillen ≤ 20mm (drempels en andere oneffenheden). Hoogteverschillen > 5mm haaks op looprichting accentueren of markeren (contrast). De verschillende gebruikers dienen zich onbeperkt door de openbare ruimte te kunnen begeven, waar nodig te kunnen keren en elkaar te kunnen passeren. Looproute vrij van obstakels. Vrije hoogte ≥ 2.300mm. Standaardbreedte loopruimte ≥ 1.500mm. Vrije breedte loopruimte publieke zones, voor frequent gebruik ≥ 1.800mm. Minimaal per 75m 1 een obstakelvrije keerruimte ≥ Ø 2.100mm (scootmobielen). Plaatselijk mag de route versmald zijn. Vrije breedte loopruimte incidenteel gebruik of bij versmalling ≥ 1.200mm over maximaal 20m 1 . Vrije breedte loopruimte plaatselijke vernauwing ≥ 900mm over maximaal 500mm.
Haakse bochten geschikt voor scootmobielen: Som vrije doorgangsbreedten ≥ 2.350mm (waarvan één minimaal 900mm). 2.1.1
BESTRATING Er is niet bekend welk type bestrating gebruikt wordt.
9-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
Op basis van de beschikbare gegevens gelden voor de bestrating de volgende eisen/attentiepunten: Grote tegels zijn, zeker in rasterverband, erg gevoelig voor ongelijkheden. Minimale verzakkingen resulteren in grote oneffenheden. Met name op plaatsen waar (al dan niet incidenteel) zwaardere belasting optreedt (bevoorrading, onderhoud, waardetransport, containertransport, et cetera) wordt deze combinatie afgeraden.
2.1.2
FIETSROUTE OVER PLEIN Waar de looproute en fietsroute samengaan wordt een afwisselende steen toegepast om het gedeelde gebruik aan te duiden. Het is iet duidelijk of er een fysieke scheiding tussen beide wegdelen wordt toegepast. Een dergelijk fietspad heeft geen duidelijke status. Zowel juridisch niet, maar ook voor de gebruiker is het niet duidelijk of de fiets of juist de voetganger te gast is. Gezien de gebruiksintensiteit 1 rondom het station is het te verwachten dat beide stromen hinderlijk zullen zijn voor elkaar. Dit maakt de openbare ruimte voor beide gebruikers niet prettig of zelfs onveilig. Dit geldt met name op de stukken waar de fiets- en voetgangersroute parallel lopen. Waar beide routes haaks op elkaar staa n zal dit mogelijk minder het geval zijn. Net als bij een trap werkt een contrasterende band als waarschuwing. Dit geldt, ongemerkt, óók voor onoplettende gebruikers. Bij voorkeur de afwisselende bestrating (gedeeld gebruik) omkaderen met een gelijke bandkleur. Geleidelijnen blinden/slechtzienden ruim buiten de fiets suggestiestrook houden. Plaatsen waar beiden elkaar kruisen uitvoeren als oversteekplaats. Zie Geleidelijnen.
1
P ublicatie 8 Fietsberaad ‘Fietsers in voetgangersgebieden’ .
10-34
2.1.3
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
OVERSTEEKPLAATSEN EN TROTTOIRVERLAGINGEN De (primaire) oversteekplaatsen en trottoirverlagingen zijn niet op de aangereikte gegevens te zien en behoeven waarschijnlijk nadere uitgewerking. Hiervoor gelden specifieke eisen met betrekking tot geleidelijnen. Zie Geleidelijnen. Algemeen aandachtspunt is dat een inritband niet geschikt is als trottoirverlaging. Voor trottoirverlagingen bij oversteekplaatsen geldt: Hoogteverschillen tot 100mm (trottoirverlagingen) overbruggen met een helling niet steiler dan 1:10. Hoogteverschillen tot 250mm niet steiler dan 1:1 2. Trottoirverlagingen logisch tegenover elkaar liggend. Volgens opgave is het hoogteverschil zeer minimaal, en zou in theorie iedereen op willekeurige plaatsen over kunnen steken. In de praktijk zullen met name kwetsbare verkeersdeelnemers toch kiezen voor een duidelijke oversteekplek, aangezien hiervan verwacht mag worden dat hier een veilige en comfortabele oversteek biedt. Minimaal de oversteek ter plaatse van de geleidelijn (zi e Geleidelijnen) volledig volgens norm uitvoeren, voorzien van een VRI met akoestische signalering (rateltikker).
Goten / kolken
De maaswijdte van de kolken is niet bekend. De maximale maaswijdte bedraagt 20mm
Kolken zo veel mogelijk buiten de looproute. Sleuven haaks op de looprichting. Eventuele lijngoten haaks op de looprichting. Onnodige hoogteverschillen, sleuven en kolken zorgen voor struikelgevaar, zeker wanneer deze onopvallend in de bestrating zijn verwerkt. . Geleidelijnen vrij houden van lijngoten, aangezien deze verstorend werken. De afwatering voor de stationstoegang (lijngoot) valt binnen de ontwerpopgave van het station. Het verdient sterk de aanbeveling de detaillering van deze afwatering te controleren/af te stemmen. Géén roosters met een maaswijdte > 20mm toepassen.
2.1.4
GELEIDELIJNEN De geleidelijn aan de linkerkant van het stationsgebouw, richting het perron, ligt niet aaneengesloten en stopt abrupt aan de straatzijde. Er is geen (correcte) trottoirverlaging / oversteekplaats aanwezig.
11-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
Voor iemand met een visuele beperking is dit punt onlogisch en gevaarlijk.
Geleidelijnen dienen één aaneengesloten route te vormen. Correcte oversteekplaats realiseren dan wel bij herinrichting stationsplein dit opnemen in plan. Oversteekplaatsen dienen recht tegenover elkaar te liggen.
2.1.5
TRAPPEN STATIONSZIJDE Aan de stationszijde ligt een trap bestaande uit drie treden om in het stationsgebouw te komen. De trap is voorzien van een leuning, aan beide kanten van de deur.
Maatvoering
Optrede ≤ 185mm, bij voorkeur 150mm (akkoord) . Aantrede ≥ 240mm. Som aantrede en tweemaal optrede moet tussen 600 en 650mm liggen. Gesloten stootborden toepassen met welhoek van 15 O . Trap moet ook bij nat weer voldoende stroef blijven: Stroefheid loopoppervlak ≥ 65 (NEN 2873). De leuning voldoet qua ontwerp/maatvoering. Ten behoeve van kleine personen en kinderen is een tweede leuning op circa 600mm gewenst.
Markering
Routing
Er is geen tredenmarkering aanwezig op de trap. De treden voorzien van stippenmarkering.
Voor bezoekers (met en zonder beperking) is de route vanaf onder andere het stationsplein een logisch vertrekpunt verder de stad in. Het verdient sterk de aanbeveling om, in samenspraak met bijvoorbeeld Binnenstad en/of Citymarketing, te kijken naar de mogelijkheden om deze route (sterker) visueel te accentueren. Gedacht kan worden aan het aanbrengen van belijning, logo’s of iets dergelijks die de route/richting benadrukken.
12-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
Dit kan eventueel gecombineerd worden met de geleidelijnen, bijvoorbeeld door deze een kleurstelling mee te geven die aansluit op de bewegwijzering. Zie ook hoofdstuk 6.1 Routegeleiding
13-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
2.2 INRICHTING 2.2.1
ZITELEMENTEN Het aantal zitelementen en de uitvoering is niet bekend. Voor integraal toegankelijke zitelementen geldt: Verspreid over het plein meerdere zitelementen creëren welke voldoen aan onderstaande normen: Zithoogte tussen 450 en 500mm+, bij voorkeur 470mm+. Zitdiepte minimaal 400mm. Zitbreedte ten minste 600mm. Zitelement voorzien van rugleuning (of ander steunpunt aan de achterzijde). Zitelement voorzien van ten minste één armleuning (of ander grijppunt om op te staan opstaan), bij voorkeur aan beide zijden. Zitelementen buiten looproute plaatsen. Zitelementen buiten de looproute plaatsen, ≥ 600mm buiten geleidelijnen én natuurlijke gidslijnen. Naast zitelement een verharding zodat rolstoel/hulpmiddel buiten de looproute naast het zitelement kan staan.
In overleg zijn afwijkende ontwerpen mogelijk, zo lang de zitelementen functioneel invulling geven aan bovenstaande normen. 2.2.2
VERLICHTING Voor een goede oriëntatie en een veilig gevoel is voldoende verlichting noodzakelijk. Enkele aandachtspunten. Algemene oriëntatieverlichting op het loopoppervlak ≥ 10lux . Extra verlichting ter plaatse van beslispunten, oversteekplaatsen, bewegwijzering, trappen et cetera ≥ 50lux. Verlichtingssterkte bij een gebruiksobject ≥ 200lux . Verlichting zodanig aanbrengen dat verblinding, hinderlijke/ verwarrende schaduwen en spiegelingen worden voorkomen.
2.2.3
INRICHTINGSELEMENTEN EN OBSTAKELS Voor alle overige inrichtingselementen en obstakels in en om de looproute (zoals afzetpalen, kolommen, lichtmasten, afvalbakken et cetera) geldt: Uitvoeren in duidelijk contrast met de bestrating/achtergrond.
2.2.4
BEPLANTING
Bij de toepassing van bloemen en planten rekening houden met hun aantrekkingskracht op insecten. Onder andere Salvia (Salie) en Achillea (Duizendblad) zijn aantrekkelijke
14-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
bloemen voor onder andere bijen en worden derhalve best op grotere afstand van looproutes, bankjes et cetera toegepast. Bij zitbanken of rustelementen onder bomen rekening houden met de aantrekkelijkheid van deze bomen voor vogels. Dit om vervuiling van de zitplaatsen te voorkomen.
15-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
3 KISS & RIDE ZONE De geplande kiss & ride zone aan de noordzijde van het station(splein) dient aan de volgende (uitvoerings)eisen te voldoen.
Gelijkvloerse toegang op oprit vanaf de rijbaan naar het trottoir Duidelijke markering (bord) ‘kiss & ride’ zone (kruis)Markering, stopplek laden en lossen / in- en uittappen Routegeleiding van en naar kiss & ride zone voor mensen met een visuele beperking
16-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
4 ONDERDOORGANG 4.1 TRAPPEN NAAR ONDERDOORGANG De geplande trappen aan de noord- en zuidzijde van het station, van en naar de onderdoorgang, zijn voor zo ver uit de aangereikte gegevens is op te maken, voldoende toegankelijk en bruikbaar. Er zijn in het ontwerp, per zijde (noord/zuid) twee trap segmenten na elkaar om het hoogteverschil vanaf het maaiveld (niveau perron) te overbruggen. De uit twee trapsegmenten bestaande trap aan de noordzijde is direct vanaf het maaiveld, extra breed ontworpen. Er bevinden zich in het ontwerp, tussen de twee tra psegmenten, horizontale rustplateaus. Ieder trapsegment uitvoeren met fietssleuven aan beide zijden van de trap. Een buitentrap dient aan de volgende uitvoeringsnormen te voldoen:
Stootbord dient gesloten te zijn over de gehele breedte van de trap Treden met aaneengesloten oppervlak niet transparant en met een stroef oppervlak. Optrede ≤ 185mm. Aantrede: 1x aantrede + 2x optrede = 570-670mm Alle aantreden van een trap moeten dezelfde maat hebben, dit geldt ook voor alle optreden Trapbreedte ≥1200mm gemeten tussen de leuningen. Vrije hoogte boven een trap ≥2300mm. Bordes ≥1200x1200mm onder en boven elk trapsegment Niet uit tekeningen op te maken of dit o veral gehaald wordt.
Visuele markering (stippen) over de volle breedte van de eerste en laatste trede zichtbaar vanuit beide looprichtingen en visuele markering (stippen) van de overige treden over minimaal 400mm van de leuning, zichtbaar vanuit beide looprichtingen. Positie leuningen 850-900mm+ trede en tweede leuning aanbrengen op 650-700mm+ Omtrekmaat van de (over de lengte van de leuning) vrij te omvatten deel van de leuning 150mm. In de omtrek van de leuning moet aan de onderzijde ten minste één verjonging aanwezig zijn tussen 50mm t.b.v. een goede grip (klemmen) van de leuning. Leuning steekt ten minste 300mm (horizontaal gemeten) voorbij eerste en laatste trede van ieder trapsegment. Hoogte is hier ook 850-900mm+ vloer en 650-700mm+ vloer. Beëindigingen van de leuningen zodanig detailleren/vormgeven dat haken (bijv. met een mouw van een jas) en er tegenaan lopen (i.v.m. het doorsteken van de leuning) wordt vermeden. Leuning minimaal aan weerszijden van de trap (ieder trapsegment)
17-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
18-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
4.2 LIFTEN De geplande (kooi)liften aan de noord- en zuidzijde van het spoor zijn, voor zo ver uit de aangereikte gegevens is op te maken, voldoende toegankelijk en bruikbaar. Het gebruik van liften voor mensen met een (tijdelijke) (mobiliteits)beperking en onder andere mensen met een kinderwagen, die geen gebruik kunnen maken van de trappen om van de ene kant van het spoor naar de andere kant te komen, is een veilige, praktische en bruikbare oplossing. Bij eventuele, incidentele storing van de lift (die niet binnen korte termijn kan worden opgelost) kan er gekeken worden naar het aanbieden van een volwaardig alternatief. Bijvoorbeeld het laten rijden van een (toegankelijk) pendelbusje. Zowel mensen met als zonder beperking overbruggen nagenoeg gelijkwaardig het hoogteverschil tussen de twee perrons. Bovendien is dit de meest veilige optie en de meest efficiënte. Een kooilift dient aan de volgende uitvoeringsnormen te voldoen:
Doorloopliften voorzien van spiegel (op 1000-2000mm+ vloer) op zijwand, boven of naast de deuren. Vrij vloeroppervlak ≥1050 x 2050mm Vanaf de lifttoegang moet in de liftkooi een inrijddiepte beschikbaar zijn van ≥1500mm. Vrije doorgang liftdeur ≥850 x 2100mm > bij voorkeur breder (900-1000mm) Vrij gebruiksvlak op ieder liftbordes 1500 x 1500mm meteen voor de liftdeur Leuning aan één zijde van de lange zijden op een hoogte van 850-950mm+ vloer Liftbediening tussen 700-1350mm+ vloer en ≥500mm horizontaal uit een inwendige hoek. Functieknoppen van de liftbediening in opliggend reliëf op of naast de knoppen. Geen touch bediening. Verdiepingssignalering in de liftkooi visueel én akoestisch. Akoestische instapsignalering bij opstelplaats voor de lift.
19-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
5 AUTO- EN FIETSTUNNEL De auto- en fietstunnel onder het spoor door is een veilige, praktische en snelle manier om met gemotoriseerd verkeer , per fiets en per scootmobiel, van de ene kant van het spoor/de straat naar de andere kant te komen. De twee rijbanen in tegengestelde richting zijn in het ontwerp ingericht als shared space gebied voor gemotoriseerd verkeer , fietsers en scootmobielen. In de praktijk werkt shared space goed; wat hierbij wel van belang is dat er zo min mogelijk snelheidsverschil zit tussen de gebruikers . Bij voorkeur wordt de maximale snelheid voor automobilisten dan ook vastgesteld op maximaal 15 km per uur. Om dit beter te kunnen garanderen kan gedacht worden aan het plaatsen van verkeersdrempels of andere snelheidsbeperkende voorzieningen. Hellingspercentage – steilheid Uit de gegevens is op te maken dat de auto- en fietstunnel een hellingspercentage heeft van 4% (Noordzijde) en 5% (Zuidzijde) Over een afstand van circa 100 meter wordt een hoogteverschil van circa 4,5 meter overbrugd. Voor gemotoriseerd verkeer, scootmobielen en elektrische fietsen is dit zonder meer in orde en bruikbaar. Voor natuurlijk aangedreven fietsen is het hellingspercentage van de Noordzijde ook bruikbaar, al zullen sommige ouderen en fietsers met bijvoorbeeld een kind in een fietsstoeltje, dit minder comfortabel vinden.
Echter is dit ook voor die gebruikers zeker geen obstakel. Gelijktijdig is de windhinder minder, een voordeel; het is dus niet enkel minder comfortabel. Het hellingspercentage van de Zuidzijde is te hoog. Streefwaarden Hoewel regelgeving ontbreekt, zijn er wel diverse richtlijnen over hellingen voor fietsers. Streefwaarde bij rijbaan fietsers bij 4,5 meter hoogteverschil, hellingspercentage tussen 1,2% en 4,5%. Binnen deze streefwaarde valt de hellingspercentage van de beoogde auto- en fietstunnel aan de Noordzijde (4%). Het hellingspercentage aan de Zuidzijde (5%) valt buiten de streefwaarde en is te steil; deze helling moet dan ook aangepast worden. Helling dan ook verkleinen naar een waarde binnen de streefwaarde.
20-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
6 VOETGANGERSGEBIEDEN 6.1 VOETPADEN De verschillende voetpaden in het plangebied zijn op tekening voldoende toegankelijk en (veilig) bruikbaar. De verschillende voetpaden zijn toegangsroutes naar het station, de perrons en de andere kant van het spoor, als routing tussen meerdere gedeeltes in de openbare ruimte. Het is de meest logische/kortste weg om van A naar B te komen en is bedoeld voor voetgangers (al dan niet met rollators), kinderwagens, rolstoelen en scootmobielen. Rolstoelen, rollatorgebruikers en kinderwagens moeten elkaar kunnen passeren en kunnen keren. Plaatselijk mag het pad zijn versmald (waar passeren op die plek niet mogelijk is). Voor een toegankelijk voetpad gelden de volgende uitvoeringseisen: Uitvoering
Het tracé moet verhard en vrij van obstakels zijn. Oppervlak van de route moet vlak, aaneengesloten en voldoende antislip zijn (ook in natte situaties). Hellingen dwars op de looprichting ≤1:50. Routes moeten goed verlicht zijn (≥10 lux lichtsterkte op het loopoppervlak). Breedte
Standaard ≥1,8m Plaatselijke vernauwing tot 1,2m over maximaal 20m (kinderwagens of rolstoelen kunnen voetgangers passeren) Bij puntvernauwingen: vrije doorgangsbreedte ≥0,9m over maximaal 0,5m (bij lantaarnpalen, bomen, verkeersborden e.d.) Passeerruimte: ≥1,8 x 2,1m (b x l) ten minste 1 stuks per 20m. Keerruimte buiten: ≥ø 2,1m en ten minste 1 stuks per 75m Vrije hoogte
Over de gehele route een vrije doorgangshoogte van 2,3m Niveauverschillen
Indien verhoogd, ligt een voetpad 0,05 tot 0,15m boven het vlak van de rijbaan Niveauverschillen 0,02m worden gezien als trede/trap en moeten daarom worden gecombineerd met een lift of een hellingbaan/trottoiroprit. Helling in de looprichting (hellingbanen) conform ITs.
21-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
6.2 ROUTEGELEIDING Primair bedoeld voor mensen met een visuele beperking die zonder dit hulpmiddel hun weg niet zelfstandig kunnen volgen. Gids - en geleidelijnen zijn geen doel op zich, maar slechts een hulpmiddel voor oriëntatie en gevaarteherkenning. Mensen met een visuele beperking gebruiken gids - en geleidelijnen op twee manieren: - tactiel (door blinde en zeer slechtziende mensen) - Visueel (door slechtziende mensen) - De gids- en geleidelijnen moeten door de wegbeheerder in goede conditie te worden gehouden zodat betekenis en functie gehandhaafd blijven. De tactiele eigenschappen van een geleidelijn, de ribbels, moeten duidelijk onderscheidend van de ondergrond zijn zodat deze duidelijk met de taststok en/of voeten voelbaar zijn. De visuele eigenschappen moeten slechtzienden in staat stellen de aanwezigheid de aanwezigheid en richting van de lijn te onderscheiden van de omliggende bestrating e n/of vloerafwerking. Dit kan gebeuren door de lijnen en/of ribbels in een duidelijke contrasterende kleur uit te voeren ten opzichte van de omliggende bestrating en/of vloerafwerking. De meeste volgers van deze vorm van routegeleiding maken gebruik van zo wel de tactiele als de visuele eigenschappen van geleidelijnen. Eisen
Geleidelijnen liggen alleen in veilige, voor voetgangers bestemde gebieden. Overhangende elementen op minder dan 2,3m+ boven de geleidelijn (en de obstakelvrije stroken links en rechts van de lijn) zijn niet toegestaan Geleidelijnen zijn altijd in twee richtingen te gebruiken (dus geen eenrichtingsverkeer) Een geleidelijn is, vanwege de vindbaarheid en gidsfunctie, contrasterend van kleur en verschillend van textuur ten opzichte van de omliggende bestrating/bevloering. Een geleidelijn bevat zo min mogelijk hoeken, knoop- en beslispunten Daar waar gebruik kan worden gemaakt van gidslijnen in plaats van geleidelijnen moet dit zoveel mogelijk worden gedaan Uitgangspunten van een toegankelijke route (hoogteverschillen): ▪ Geleidelijn (in OV-knooppunten) volgt de hoofdloopstroom route via een trap en een lift van en naar een perron Alle vervoer gerelateerde bestemmingen in een OV-knooppunt worden d.m.v. geleidelijnen met elkaar verbonden (ook als er bijv. een muur als gidslijn beschikbaar is) ▪ OV-chipkaart automaten en kaartautomaten ▪ Bemenste kaart verkooppunten ▪ OV-Info-automaten ▪ SOS en Advies zuilen ▪ Aftakkingen naar winkels, kiosken, toiletten e.d. worden niet gemaakt. Deze onderdelen worden gezien als extra service
22-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
in of in de onmiddellijke nabijheid van een OV-knooppunt en zijn niet noodzakelijk om een reis te kunnen maken.
23-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
6.3 TRAP PERRON ZUID De trap van en naar perron zuid dient aan de volgende uitvoeringeisen te voldoen:
De trap uitvoeren met fietssleuven aan beide zijden van de trap. Stootbord dient gesloten te zijn over de gehele breedte van de trap Treden met aaneengesloten oppervlak niet transparant en met een stroef oppervlak. Optrede ≤ 185mm. Aantrede: 1x aantrede + 2x optrede = 570-670mm Alle aantreden van een trap moeten dezelfde maat hebben, dit geldt ook voor alle optreden Trapbreedte ≥1200mm gemeten tussen de leuningen. Vrije hoogte boven een trap ≥2300mm. Bordes ≥1200x1200mm onder en boven elk trapsegment Visuele markering (stippen) over de volle breedte van de eerste en laatste trede zichtbaar vanuit beide looprichtingen en visuele markering (stippen) van de overige treden over minimaal 400mm van de leuning, zichtbaar vanuit beide looprichtingen. Positie leuningen 850-900mm+ trede en tweede leuning aanbrengen op 650-700mm+ Omtrekmaat van de (over de lengte van de leuning) vrij te omvatten deel van de leuning 150mm. In de omtrek van de leuning moet aan de onderzijde ten minste één verjonging aanwezig zijn tussen 50mm t.b.v. een goede grip (klemmen) van de leuning. Leuning steekt ten minste 300mm (horizontaal gemeten) voorbij eerste en laatste trede van ieder trapsegment. Hoogte is hier ook 850-900mm+ vloer en 650-700mm+ vloer. Beëindigingen van de leuningen zodanig detailleren/vormgeven dat haken (bijv. met een mouw van een jas) en er tegenaan lopen (i.v.m.
het doorsteken van de leuning) wordt vermeden. Leuning minimaal aan weerszijden van de trap (ieder trapsegment)
24-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
25-34
Toegankelijkheid Spoorzone Rijen
6.4 HELLINGBAAN PERRON ZUID De hellingbaan van en naar perron zuid dient te voldoen aan de volgende uitvoeringseisen:
Niveauverschillen die met een hellingbaan worden overbrugd, moeten ook kunnen worden overbrugd d.m.v. een toegankelijke trap binnen 50m van de hellingbaan. Indien de locatie van de hellingbaan bij de trap niet zichtbaar is, dient er een verwijzing te worden aangebracht. Niveauverschil in de bewegingsrichting: ▪ Tot 0,05m helling 1:6 ▪ 0,05-0,10m helling 1:10 ▪ 0,10-0,25m helling 1:12 ▪ 0,25-0,50m helling 1:16 ▪ 0,50-1,00m helling 1:20 Onder niveauverschil wordt verstaan de totale te overbruggen hoogte. Vrije breedte (over de gehele lengte van de hellingbaan) ≥1,2m Boven en onder de hellingbaan een gebruiksvlak van 1,5 x 1,5m Ten minste één stabiele, vrij omvatbare leuning tussen 850 en 950mm+ vloer Een afrijdbeveiliging aanbrengen bij: ▪ Hoogteverschil van 0,05-0,50m: opstaande rand, hoogte 0,05m ▪ Hoogteverschil van 0,50 – 1,00m: borstwering, hoogte ≥900mm+ vloer Uitrustplek (horizontaal vlak met een lengte van ten minste 1,5m) Stroefheid van het oppervlak van de hellingbaan
Zet / Statenlaan 4 / Postbus 271 5000 AG Tilburg / T 013 5441440 www.wijzijnzet.nl / info@wijzijnzet.nl