CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

ap 13 beantwoording vragen fracties mbt vaststellen sloopkwaliteitsregeling buitengebied, eerste fase

Gemeenteraad 29 maart 2021, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake het vaststellen van de "Sloopkwaliteitsregeling Buitengebied, eerste fase"1.926 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Agendapunt 13: raadsvoorstel inzake het vaststellen van de "Sloopkwaliteitsregeling Buitengebied, eerste fase" D66 1. Zijn er voorbeelden van gemeentes van soortgelijke omvang van Gilze-rijen die een “sloopbank” hebben, wat zijn hiervan de resultaten en heeft hier een evaluatie plaatsgevonden? Zo ja kunt u deze resultaten delen? Antwoord: De gemeente Someren heeft een vergelijkbare regeling. Daar is sinds de invoering in 2016 ruim 8.000 m2 ingezet vanuit de sloopbank. Daarbij wordt het meest gebruik gemaakt van de uitwisselmogelijk van m2 over verschillende locaties (gelijk aan de mogelijkheid die wij ook bieden). 2. Fase1 behelst zich tot het opzetten van een sloopbank. Is dit als een los element te zien zonder dat de overige fases zijn uitgewerkt? Antwoord: De sloopbank kan opzichzelfstaand functioneren zonder dat daar vervolgfasen voor nodig zijn. 3. Op pagina 2 van het raadvoorstel noemt u percentages bij een analyse van de principeverzoeken (2016 – 2020). Hierin zijn percentages genoemd. Kunt u de absolute aantallen aangeven? Antwoord: Gemeente Gilze en Rijen - totaal: 12 aanvragen

25%

67%

8%

4. “Uit de praktijk blijkt ook dat dit initiatiefnemers er van weerhoud om door te zetten en de vraag naar meer vierkante meters groot is”, in hoeveel van gevallen van de hierboven genoemde analyse hebben inwoners aangegeven minder te willen behouden als de huidige regels voorschrijven? Antwoord: Geen van deze initiatiefnemers willen minder m2 behouden. En in het geval dit wel zo is, dan past dit binnen de al geldende bouwregels en is een principeverzoek ook niet noodzakelijk. Driekwart van de initiatiefnemers willen meer behouden. Daarbij is het noemenswaardig dat dit om grotere aantallen gaat dan de bovengenoemde 12 omdat veel mensen niet de stap zetten een principeverzoek in te dienen als men de huidige voorwaarden (sloop tot 100-200 m2) te horen krijgt. 5. “het opzetten en (laten)beheren van een databank/lijst waarin bijgehouden wordt wie welke meters gesloopt heeft of wil gaan slopen. Deze lijst kan opgevraagd worden door een initiatiefnemer die ‘extra meters’ wil verkrijgen/laten staan zodat deze kan zien waar deze ‘extra meters’ verkregen kunnen worden.” Op welke manier gaat deze informatie aan de gemeente aangeboden worden? Wordt deze informatie gecontroleerd door de gemeente? Wie is er verantwoordelijk voor foute registratie, meting of doorgifte van de gegevens en kan de gemeente hier aansprakelijk voor worden gesteld?

Antwoord: Degene die de sloopmeters aanbiedt moet aantoonbaar maken dat dit sloopmeters betreffen die legaal verkregen zijn. Bijvoorbeeld op basis van vergunningen. Op basis daarvan werken we als gemeente mee (of niet mee) aan het inbrengen van de betreffende sloopmeters in de sloopbank. Voor de daadwerkelijke sloop zal een sloopmelding of sloopvergunning aangevraagd moeten worden die we als gemeente controleren. De verwachting is niet dat daar grote aansprakelijkheidsrisico’s aan verbonden zijn. Deelname is op vrijwillige basis en het handelen volgens de geldende voorwaarden is de verantwoordelijkheid van de deelnemers. Indien nodig kunnen we als gemeente handhavend optreden als blijkt dat in strijd met de sloopmelding of sloopvergunning gehandeld is. Daarmee sluiten we aan op de huidige manier van werken als we nu in de dagelijkse praktijk doen voor wat betreft sloopwerkzaamheden. 6. “De gemeente werkt de databank bij na afronding van de transactie” Op welke manier gaat deze informatie aan de gemeente aangeboden worden? Wordt deze informatie gecontroleerd door de gemeente? Wie is er verantwoordelijk voor foute registratie, meting of doorgifte van de gegevens en kan de gemeente hier aansprakelijk voor worden gesteld? Antwoord: Voor de transactie zijn formulieren ontwikkeld waarin beide partijen hun overeenkomst kenbaar kunnen maken aan de gemeente.

Voor jet verkrijgen van de planologische basis van de extra meters aan bijgebouwen die met de sloopbank gecompenseerd zijn, is een bestemmingsplanprocedure nodig. In dat bestemmingsplan wordt het nieuwe aantal toegestane oppervlak aan bijgebouwen vastgelegd en daar controleren we als gemeente op. Ook voor bouwactiviteiten zelf is een omgevingsvergunning voor bouwen nodig en ook die controleren we als gemeente. De verwachting is niet dat daar grote aansprakelijkheidsrisico’s aan verbonden zijn. Deelname is op vrijwillige basis en het handelen volgens de geldende voorwaarden is de verantwoordelijkheid van de deelnemers. 7. “het vaststellen van de spelregels/voorwaarden van de sloopbank. Deze zijn opgenomen in de notitie.” Kunt u deze opsommen? Antwoord: 1. Er dient een goede motivatie gegeven te worden waarom behoefte is aan ‘extra’ meters bijgebouwen. 2. Op de locaties waarvoor de sloopkwaliteitsregeling toegepast wordt dient sprake te zijn van een passende (her)bestemming of voorzien te worden in een passende (her)bestemming. 3. Voor de ingebrachte sloopmeters wordt door de gemeente een “Verklaring gesloopte meters in de sloopbank” afgegeven. 4. De in te brengen sloopmeters mogen niet (dubbel)ingezet worden in combinatie met andere saneringsregelingen, subsidieregelingen en andere soortgelijke regelingen. 5.

De slopende partij betaalt zelf de kosten voor de sloopmeters die ingebracht worden in de sloopbank. 6. De ingebrachte sloopmeters mogen afhankelijk van de hoeveelheid ingebrachte meters over meerdere transacties terug verdiend worden. 7. Als basis geldt een oppervlaktemaat van 200 m² waarop de ‘extra meters’ berekend worden. In het geval er minder bijgebouwen aanwezig zijn dan 200 m² geldt het bestaande oppervlak als basismaat. 8. Er geldt een bovengrens van maximaal 400 m² aan bijgebouwen bij de (bedrijfs)woning. 9. Indien sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing dan tellen deze mee in de bovengrens van 400 m². Voor het mogen behouden van deze waardevolle bebouwing hoeft echter geen ‘extra’ compensatie plaats te vinden op basis van de sloopkwaliteitsregeling. 10. Voor de compensatie van de gewenste ‘extra meters’ geldt een ratofactor van 2.

11. De betrokken partijen maken zelf afspraken over de prijs en ingangsdatum van de overdracht. Deze afspraken worden bekrachtigd met een ondertekening van het formulier “Verklaring inzake verkoop vierkante meters”. 12. De provinciale regels ten aanzien van landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap blijven onverminderd van kracht, alsmede de regionale uitwerkingen/afspraken daarvan. 8. Kunt u aangeven wat de kosten zijn van het (laten) opzetten van de sloopbank? Antwoord: Hiervoor zijn geen externe kosten gemaakt. 9. Kunt u aangeven wat de beheerskosten zijn van het (laten) onderhouden van de sloopbank? Antwoord: Hiervoor worden geen externe kosten gemaakt aangezien we als gemeente de sloopbank zelf zullen beheren. Deze beheerskosten vallen onder de reguliere uren. 10. Kunt u aangeven wat de ambtelijke kosten zijn van het invoeren, contoleren en onderhouden van de sloopbank? Worden deze kosten gedragen door onze eigen gemeente of de ABG organisatie en vandaar doorbelast met welke verdeelsleutel? Antwoord: De verwachting is dat per deelname ongeveer 3 stuks aan ambtelijke uren gemoeid zijn met de afhandeling van de betreffende deelname. Deze uren vallen onder de totaal beschikbare uren die de gemeente Gilze en Rijen op basis van de verdeelsleutel gekregen heeft.

Dit staat uiteraard los van de ambtelijke begeleiding van een bestemmingsplanprocedure, waarvoor de kosten betaald worden door de aanvrager. 11. Bij het risico staat beschreven dat de gemeente “de uitgifte van de verklaringen aan de deelnemers” uitgeeft. In de vervolg zin staat dat het risico voor de gemeente nihil is omdat op het gebied van de planvorming en uitvoering van de initiatieven waarbij gebruik gemaakt wordt van de sloopbank, bij de initiatiefnemers zelf ligt. Welke juridische onderbouwing ligt hieraan ten grondslag? Antwoord: Bij de beantwoording van vragen 5 en 6 gaan we al in op rollen en verantwoordelijkheden. De betreffende deelnemers verklaren te zullen voldoen aan de geldende voorwaarden. Over de sloopbank is ook intern juridisch advies gevraagd bijvoorbeeld over de relatie met de AVG. Daarnaast geeft het benodigde bestemmingsplan en omgevingsvergunning de juridische grondslag op basis waarvan we als gemeente eventueel kunnen handhaven. 12. Wordt de sloopbank in fysieke zin 1 instrument wat door de gehele ABG gemeente gebruikt gaat worden of gaat Gilze-Rijen een geheel technische eigen sloopbank opzetten? Antwoord: Elk van de drie gemeenten krijgt een eigen sloopbank.

Groen Gilze en Rijen 1. U schrijft onder ‘De beleidsregel in relatie tot de regels van het geldende bestemmingsplan buitengebied’ over de huidige systematiek met een bonussloopregeling, waarbij de oppervlakte van bijgebouwen tot maximaal 200m2 kunnen oplopen. Waar in het bestemmingsplan buitengebied staat deze bonussloopregeling? (kort antwoord met artikel en lid). Antwoord: Deze is te vinden in de bestemming Wonen, artikel 25.2, sub d onder 4

2. De opsteller van de regeling Sloopkwaliteitsregeling, (Van Dun advies, zie hun eigen website) is ook een partij die diverse partijen in onze gemeente ondersteunt bij ruimtelijke processen (zoals Smits aan de Mosstraat). Is deze belangenverstrengeling wenselijk? Antwoord: Van Dun advies is niet de opsteller van de sloopkwaliteitsregeling. Dis is een gemeentelijke regeling die we zelf opgesteld hebben. Op hun website maakt Van Dun klaarblijkelijk reclame dat bij gebruikmaking van de sloopkwaliteitsregeling, ze kunnen bemiddelen. Van een belangenverstrengeling is dan ook geen sprake. 3. U geeft aan dat ‘Indien niet voldaan kan worden aan één van de onder 3.5 genoemde voorwaarden, kan de hantering van een hardheidsclausule op zijn plaats zijn’. Deze voorwaarde is te ruim opgezet. Er kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt van een hardheidsclausule. Deelt het college deze stelling? Zo niet, waarom denkt het college dat de hardheidsclausule beperkend genoeg is? Wat is de definitie van ‘zeer uitzonderlijke gevallen’ voor het college? Antwoord: Een concrete definitie is lastig te geven aangezien dit juist om maatwerkgevallen gaat. Een voorbeeld waarbij de hardheidclausule toegepast zou kunnen worden is dat op basis van eerdere toezeggingen of wellicht zelfs vergunningen, een afwijkend besluit te rechtvaardigen is.

Het college is niet voornemens om deze hardheidclausule te pas en te onpas te gebruiken.

Kern'75 1. Waarom wordt mogelijke toekomstige ongewenste bebouwing niet meegenomen in de regeling? Hiermee bedoelen we locaties waar nu iets gebouwd kan worden op basis van een huidige bestemming, maar dat het op die locatie ongewenst is. Antwoord: Deze vraag beantwoorden we los van het feit of we dit als college wel of geen goed idee vinden en het lastig is om op voorhand bebouwing die nog niet gerealiseerd is al als ‘ongewenst’ te beschouwen; We kunnen bouwmogelijkheden die op basis van het bestemmingsplan reeds toegestaan zijn/bestaande rechten, niet ‘zomaar’ terugnemen. In dat geval lopen we bijvoorbeeld het risico op planschadeclaims. Ook al zouden de betreffende mensen dit op vrijwillige basis willen doen dan kun je deze ‘niet gerealiseerde meters’, niet gelijk stellen aan daadwerkelijk fysiek gesloopte meters waar ook kosten voor gemaakt zijn.

PvdA 1. Tot welke vermindering van het aantal m2 aan (voormalige) bedrijfsgebouwen, i.c. de nu geïnventariseerde 25.000 m2 op 26 vab-locaties in Gilze en Rijen, zal de regeling naar verwachting leiden? Antwoord: Helaas is hier geen reële inschatting van te geven. Dat heeft onder andere te maken met het feit dat de inzet van de sloopbank ook een opstartfase zal vragen. Elke oppervlakte die we via de sloopbank kunnen saneren is wat ons betreft winst ten opzichte van de huidige situatie. Dat maakt ook dat we onszelf geen doel hebben gesteld van het aantal m2 dat we graag gesaneerd zien met de sloopbank.

2. Hoe wordt voorkomen dat her en der in het buitengebied bij om te vormen voormalige bedrijfswoningen naar woningen foeilelijke en eenvormige loodsen verschijnen met golfplaten zijwanden en daken? Antwoord: Het invoeren van de sloopbank brengt geen verandering in ons uitgangspunt dat kwaliteit een belangrijk afwegingspunt is om ergens wel of geen medewerking aan te verlenen. De sloopbank richt zich juist op die soorten gevallen waarvan we zeggen dat deze gerealiseerd moeten kunnen worden, maar nu vastlopen op de geldende bouwregels over de oppervlakte van bijgebouwen. De afweging is dan ook in die volgorde: Kwaliteit en inpasbaarheid van het betreffende initiatief en daarna de uitwerking van de rekensom. Daarnaast hebben vanuit wellstand ook argumenten om bepaalde bebouwingsvormen niet te accepteren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9912758/1