CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

ap 11g beantwoording vragen fractie GGR over omgevingsvergunning Mosstraat 23a

Raadscommissie Ruimte 9 maart 2021, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Ter kennisname stukken:1.716 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MEMO -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Aan

fractie van Groen Gilze en RIjen

Van

college van burgemeester en wethouder

Onderwerp

beantwoording vragen fractie Groen Gilze en Rijen over Mosstraat 23A

Datum

17 februari 2021

Zaak Green Valley

317065

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Uw fractie heeft vragen gesteld over de ontwerp omgevingsvergunning Mosstraat 23A Rijen. De vragen (cursief) en antwoorden zijn hieronder weergegeven. Bij sommige vragen is een inleidende tekst opgenomen door Groen Gilze en Rijen, die ook in cursief is weergeven. 1. Op pagina 11 van het Ontwerp wordt gesproken over een ‘reeds bewezen technisch concept’ Op welke grond van welk bewijs wordt deze stelling beweerd? We hebben inmiddels geconstateerd dat dit een foutieve passage is in het ontwerpbesluit. Deze passage wordt bij definitieve publicatie van de omgevingsvergunning verwijderd. 2. Op pagina 20 spreekt u over ‘een reeds bewezen technisch concept’ . Op grond van welk bewijs (peer review) wordt aangenomen dat het hier gaat om duurzame verwerking van mest- en (groen)afvalprodukten? De aangehaalde passage is niet opgenomen op pagina 20 van het gepubliceerde ontwerpbesluit en ook niet op pag. 20 van de ruimtelijk onderbouwing. 3. Op pagina 20 wordt aangenomen dat de ‘ruimtelijke impact van het plan relatief klein is’. Dat mag wellicht zou lijken als men enkel de focus enkel richt op het bouwvlak. Maar dat geldt niet voor de bebouwde ruimte die in Rijen-oost ligt.

In het kader van de komende omgevingswet dient het omgevingsplan een bredere reikwijdte in te nemen, ook in de overgangsfase tot eind 2029 dient eerder te worden voldaan aan ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties.’, dat is wat anders dan ‘goede ruimtelijk ordening’ uit Wro. (Wet ruimtelijke ordening) Het geldende planologische kader kent gebruiks- en bouwregels. Het besluit richt zich op het afwijken van de geldende bouwregels van het bestemmingsplan. Omdat het gaat om een beperkte afwijking van deze bouwregels en omdat de loods ver van de weg is gelegen, is de ruimtelijke impact van het plan relatief klein. 4. Waarom kiest het college voor de zeer beperkte uitleg van ‘goede ruimtelijke ordening’, terwijl u bekend bent met de ontwikkeling van een nabij gelegen woonwijk (Tussen de Leijen)? Zie antwoord vraag 3. Omdat het gaat om een relatief kleine afwijking van de bouwregels is er geen sprake van een belemmering voor Tussen de Leijen.

5. Uit de lopende aanvragen van gerelateerde vergunningen, valt te destilleren dat Smits bezig is met het ontwikkelen van een agro-industrieterrein. Is het wenselijk dat naast de geplande nieuwbouwwijk een dergelijk agrocomplex sluipenderwijs ontwikkeld wordt? Voor deze aanvraag is voldoende aangetoond dat de ontwikkeling voldoet aan wet- en regelgeving en dat de ontwikkeling past binnen de ruimtelijke kaders. Andere ontwikkelingen dan opgenomen in de omgevingsvergunning en al reeds zijn toegestaan in het bestemmingsplan, zijn op dit moment niet mogelijk. Bij een volgend verzoek moet opnieuw worden getoetst of de ontwikkeling past binnen wet- en regelgeving én de ruimtelijke kaders. In de ontwerp omgevingsvergunning wordt verwezen naar Europese regelgeving. U noemt in de ontwerp omgevingsvergunning de richtlijn 2010/75/EU of the European Parliament and of the Counsel ‘for the intensive rearing of poultry or pigs.’ 6. Waarom kiest u voor deze verwijzing, terwijl een latere Richtlijn over deze materie bestaat? De genoemde Europese richtlijn 2010/75/EU betreft de Richtlijn industriële emissies en is de meest recente (geldende) versie. 7. Wat is het verschil tussen de oude en de nieuwere Richtlijn? U verwijst (mogelijk) naar de BBT (best beschikbare technieken) conclusies en de BREF (referentiedocument BBT) Intensieve pluimvee en varkenshouderij en.

Deze zijn in 2017 laatst gewijzigd. De BBT conclusies gaan vooral over de volgende processen en activiteiten: beheer van voeding voor pluimvee en varkens, bereiding van voeder, huisvesting, verzameling en opslag van mest, verwerking van mest, uitrijden van mest, opslag van dode dieren. Deze Europese richtlijnen zijn opgenomen in de Nederlandse milieu wet- en regelgeving. De BREF/ BBT conclusies zijn in de overwegingen van de vergunning meegenomen. Bijlagen In bijlage ‘aanvullend toetsingsinstrument: ontvankelijkheid voor gezondheidstoets.’ Nummer 15 De toets is niet als adequaat te bestempelen. In het algemene gedeelte wordt in de vragen 3, 4 en 4a een situatie beschreven die achterhaald is. Bij de verspreiding van zoönosen worden grotere cirkels gebruikt ter bescherming van de bevolking (1,5 - 2 km). In die cirkels liggen drie basisscholen, tw de Kring, de Brakken en de St. Jozefschool. De afstand tot de kern van Rijen is 1800 meter. Zeker nu wij weten dat er op korte afstand basisscholen (3) liggen, en de gemeente voornemens is een nieuw te bouwen woonwijk Tussen de Leijen aan te leggen. 8. Waarom heeft BenW toegestaan dat in de Mosstraat een Agro-bedrijventerrein ontwikkeld kan worden, dat op nog geen 700 a 900 meter van de nieuwbouwwijk komt te liggen? Zie antwoorden op vraag 4 en 5. 9.

Waarom worden de bredere gezondheidscirkels, ook vanwege de huidige onzekerheid (VGO 3 ) niet gebruikt? De genoemde mogelijke verspreiding van zoönose en endotoxinen komt voort uit het houden van dieren. Ten aanzien van deze gezondheidsaspecten is er geen wettelijk toetsingskader. Deze veehouderij heeft een rechtsgeldige onherroepelijke vergunning waarin het is toegestaan om de in die vergunning genoemde dieren te mogen houden in de daar genoemde huisvestingsystemen. De bestaande rechten moeten worden gerespecteerd. De lopende aanvraag betreft een veranderingsvergunning. In deze aanvraag worden niet meer dieren aangevraagd dan eerder is vergund. Er wordt ook geen extra stalruimte aangevraagd.

Als gevolg van deze aanvraag worden in de bestaande pluimveestallen extra emissie reducerende technieken toegepast om de toename in de emissie (van ammoniak en fijnstof) van de ketelinstallatie te kunnen compenseren, zodat er op bedrijfsniveau geen toename plaatsvindt van deze emissies ten opzichte van de verleende vergunning. Voor wat betreft het houden van dieren zullen hierdoor de emissies van ammoniak en fijnstof uit de stallen dalen ten opzichte van de vergunde situatie. Hierdoor zal ook het risico op mogelijke verspreiding van zoönose en endotoxinen dalen. Deze aanvraag zal hierdoor, ten opzichte van de onherroepelijke vergunde situatie, niet leiden tot een toename van de gezondheidsrisico’s. 10. Bij de geurcriteria worden de gevoelige bestemmingen binnen 2 kilometer niet genoemd door de ondernemer. Waarom is dat niet gecorrigeerd? ( zie de nummers 1, 2, 1a, 1b ) Ten aanzien van de genoemde geurgevoelige objecten binnen een straal van 2 km, wordt opgemerkt dat er in deze aanvraag geen wijzigingen worden aangevraagd t.a.v. de geuremissie uit de stallen. In deze veranderingsvergunning mogen enkel de aangevraagde wijzigingen en de effecten hiervan, ten opzichte van de vigerende vergunning, worden beoordeeld.

De geuremissie van het bedrijf en de geurbelasting bij gevoelige objecten wijzigt derhalve niet ten opzichte van de verleende onherroepelijke vergunning en hierdoor hoeft dit niet getoetst te worden in deze vergunning. Om deze reden zijn er bij de aanvraag geen voorgrond geurberekeningen en geen achtergrond geurberekeningen overlegd. Bij de onherroepelijke vergunning werd voldaan aan de geurnormen.

11. Zie punt 8. Indien er voor legkippen geen goed werkende technieken beschikbaar zijn om de emissie van geur te reduceren. Waarom worden er dan aan de hoeveelheid te houden legkippen of pluimvee geen strengere eisen gesteld om de geuremissie te beteugelen? Er worden in deze aanvraag, ten opzichte van de onherroepelijke vergunning, geen veranderingen aangevraagd in de aantallen dieren, extra stalruimte of huisvestingsystemen die geur reduceren. In de onherroepelijke vergunning wordt voldaan aan de geurnormen. Een aanvraag wordt getoetst aan alle wet- en regelgeving. De grondslag van de aanvraag mag door de gemeente niet worden verlaten en de bestaande rechten dienen te worden gerespecteerd. De aangevraagde huisvestingsystemen voldoen aan de wet- en regelgeving. In bijlage 16 en 17 bij het besluit worden 2 adviezen aangehaald. In beide adviezen worden standpunten weergegeven inzake de gezondheidskundige beoordeling. Specifiek over fijnstof in advies 17 wordt opgemerkt dat de GGD niet beschikt(e) over relevante informatie, zodat ‘het niet mogelijk is aan te geven in hoeverre de situatie wijzigt ten opzichte van de vergunde situatie.’ 12. Waarom heeft u geen nader onderzoek gelast om de ontbrekende informatie alsnog aan te vullen? Na het aangehaalde GGD advies is de aanvraag nog aangepast en gewijzigd.

Deze wijzigingen, de extra emissie reducerende technieken in de pluimveestallen, hebben tot gevolg een verdere daling van de emissies uit de stallen, waaronder de fijnstofemissie. In de aanvraag is inzichtelijk gemaakt wat de fijnstofemissie in de vergunde situatie en ook in de beoogde situatie is. Als gevolg van deze aanvraag daalt de emissie uit de pluimvee stallen met 1.521 kg/jr. De toename in fijnstofemissie als gevolg van de aangevraagde ketelinstallatie wordt hiermee gecompenseerd. Totaal vindt er als gevolg van deze aanvraag, ten opzichte van de vergunde situatie, ondanks de ketelinstallatie, een afname plaats in de fijnstofemissie. Daarnaast is middels een berekening aangetoond dat in de boogde situatie wordt voldaan aan de wettelijke normen voor fijnstof. Er zijn derhalve voldoende gegevens beschikbaar om dit aspect te kunnen beoordelen.

In de conclusies van advies 17 wordt het volgende vastgesteld: De gezondheidskundige advieswaarde voor de voorgrondgeurbelasting wordt op ‘een aantal locaties overschreden, zowel in de woonkern als in het buitengebied. De voorgrondgeurbelasting verandert door de aangepaste aanvraag niet.’ De gezondheidskundige advieswaarde voor de achtergrondgeurbelasting in het buitengebied wordt overschreden. In hoeverre dit geldt voor de woonkernen is op basis van de huidige gegevens niet te beoordelen. De concentratie PM10 op de hoogst belaste locatie boven de WHO-norm van 20 ug/m3 ligt. Door het ontbreken van gegevens over de huidige situatie, is het niet mogelijk aan te geven of er sprake is van een toe- dan wel afname van de fijnstofconcentratie op leefniveau.’ 13. Waarom zijn de ontbrekende gegevens niet opgevraagd en opgenomen in deze omgevingsvergunningaanvraag? Zie de antwoorden op vragen 10 en 12. 14. Wanneer kunnen we de precieze gegevens en beantwoording verwachten? Alle relevante gegevens om een besluit te kunnen nemen op deze aanvraag maken onderdeel uit van het ontwerpbesluit. 15. Welke locaties is de woonkern mbt de voorgrondgeurbelasting worden hiermee bedoeld? Gaarne de precieze locaties op te geven! Zie het antwoord op vraag 10. 16. Dezelfde vraag over de achtergrondgeurbelasting. (Zie hierboven) Zie het antwoord op vraag 10. 17.

Waarom wordt de WHO-norm (World Health Organisation) bij de PM10 concentratie niet aangehouden? De door de GGD genoemde WHO-norm en de gezondheidskundige advieswaarde zijn geen wettelijke normen. Een aanvraag om vergunning moet getoetst worden aan de wettelijk voorgeschreven normen. Hieraan is getoetst en hieraan wordt voldaan. Dan moet een vergunning worden verleend. -0-0-0-0-0-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9809731/2