ap 10 rapport Brabantse Milieufederatie inzake overlast door mestfabrieken
Tekst van het document
Tilburg, 16 november 2020
Aan: de gemeenteraadsleden van de Brabantse gemeenten
Kenmerk: LB 05.05-1845-yo Betreft: aanbieding rapport ‘Overlast door mestfabrieken: ervaringen van omwonenden’
Geachte gemeenteraadsleden, Hierbij biedt de Brabantse Milieufederatie u het rapport ‘Overlast door mestfabrieken: ervaringen van omwonenden aan. Het rapport is gemaakt in het kader van het locatiebeleid mestverwerking wat op dit moment door Brabantse gemeenten en de provincie wordt ontwikkeld. Via een enquête hebben hier 80 omwonenden aan meegewerkt, en vervolgens hebben we acht casussen van bestaande mestverwerkingsinstallaties verder uitgediept met de omwonenden daarvan. Aanleiding voor het rapport was onze constatering dat er in het (PlanMER) proces om te komen tot een gezamenlijk locatiebeleid mestverwerking tot nu toe nauwelijks aandacht was voor de zorgen en ervaringen van omwonenden met betrekking tot overlast van mestfabrieken. Met dit rapport bieden we enig inzicht in de overlast die momenteel wordt ervaren en de maatschappelijke gevolgen daarvan, evenals aanbevelingen hoe de gemeenten met de provincie en het rijk tot een meer maatschappelijk gedragen beleid kunnen komen rond het thema veehouderij en mest. We zijn graag bereid tot het geven van een nadere toelichting op dit rapport. Met duurzame groet, <<handtekening>> Femke Dingemans, directeur Brabantse Milieufederatie
Spoorlaan 434 | 5038 CH Tilburg 013-535 6225 | bmf@brabantsemilieufederatie.nl | www.brabantsemilieufederatie.nl Kamer van Koophandel: 41095498 | Triodosbank: NL22 TRIO 0212 4972 51
Overlast door mestfabrieken
Overlast door mestfabrieken ervaringen van omwonenden
Inhoud |
4
Brabantse Milieufederatie
Inhoud 1
Inleiding 07
2
Uitkomsten 09
3
Interpretatie & conclusie 15 Aanbevelingen aan overheden 17
Brabantse Milieufederatie
5
1 | Inleiding
6
Brabantse Milieufederatie
Inleiding De Brabantse Milieufederatie (BMF) heeft op basis van ervaringen van omwonenden onderzocht of de verwachting dat de toekomstige mestfabrieken ‘nagenoeg emissieloos en de risico’s zeer gering zijn’ reëel is. Brabantse gemeenten en de provincie Noord-Brabant zijn bezig met de ontwikkeling van een gezamenlijk locatiebeleid mestverwerking. Hiermee willen ze, op basis van een PlanMER, onderling tot afspraken komen waar nieuwe mestfabrieken kunnen worden gebouwd. Aanleiding is mede dat een aantal gemeenten de wens heeft uitgesproken de voorwaarde dat mestfabrieken alleen op bepaalde industrieterreinen mogen worden gebouwd los te laten; ze willen deze ook in het landelijk gebied kunnen laten bouwen. Mensen die in de directe omgeving wonen van mogelijk toekomstige vestigingslocaties maken zich zorgen over overlast en veiligheidsrisico’s bij de komst van een mestfabriek en willen deze daarom op bedrijventerreinen en niet pal naast woningen gebouwd zien. Hun oproep in zienswijzen1 om minimumafstanden tussen woningen en mestfabrieken te hanteren, werd in de nota van zienswijzen door het Kernteam planMER mestbewerkingslocaties echter steevast verworpen met het argument dat “de toekomstige mestfabrieken nagenoeg emissieloos en de risico’s zeer gering zijn”.
In de PlanMER wordt daarom alleen het aantal woningen binnen een bepaalde straal rond de mestfabriek geteld, maar een mestfabriek binnen 250 meter van een woning wordt niet bij voorbaat uitgesloten.
Methode
De BMF heeft voor het onderzoek in juni 2020 een enquête uitgezet onder omwonenden van bestaande mestfabrieken over hun ervaringen met die mestfabriek. De enquête is door 80 omwonenden ingevuld. Vervolgens is op basis van de enquête met aanvullende vragen aan een aantal omwonenden ingezoomd op acht casussen waar door meerdere respondenten overlast wordt of tot voor kort is ervaren. Ook heeft de BMF zelf de vergunningen doorgenomen. De acht casussen betreffen mestfabrieken in de gemeenten Asten (Kovemi), Bergeijk (Houbraken), Deurne (Gebr. Aldenzee en Biemans op bedrijventerrein Kranenmortel), Heeze-Leende (VIC Sterksel), Helmond (Den Ouden), Landerd (cluster mestfabrieken van Albers, Peters en Smits), Roosendaal/ Bergen op Zoom (Biomoer Moerstraten) en Sint Anthonis (Cleanergy). In deze samenvatting zijn concrete citaten uit de enquête opgenomen. Mede ter bescherming van de respondenten benoemen we niet op welke specifieke casus het citaat betrekking heeft.
1 Zienswijzen op de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau planMER, die ten grondslag ligt aan de PlanMER van het locatiebeleid mestverwerking en in najaar 2019 ter inzage lag.
Brabantse Milieufederatie
7
2 | Uitkomsten
Brabantse Milieufederatie
9
2 | Uitkomsten
10
Brabantse Milieufederatie
Uitkomsten Eerdere beloften rond emissieloosheid niet nagekomen
Bij elk van de mestfabrieken waar overlast wordt ervaren, was in de vergunning door het bevoegde gezag aangegeven dat er geen overlast zou komen. Bij de meeste casussen werd dat onderbouwd door te wijzen op de toe te passen (‘best beschikbare’) technieken, wat er in de meeste gevallen uit bestond dat de activiteiten ‘inpandig plaatsvinden’, er sprake zou zijn van een ‘volledig gesloten systeem’ en/ of dat er luchtwassers of -filters (in een luchtreinigingsinstallatie) worden gebruikt. Ook wordt er steeds verwezen naar het in opdracht van de mestfabriek uitgevoerde geurrapport. Zo staat er in de beschikking van de casus in Helmond: “Wij komen tot de conclusie dat uit het bij de aanvraag gevoegde geurrapport blijkt dat de geurbelasting (…) voldoet aan het acceptabele geurhinderniveau zoals vastgelegd in ons provinciaal geurbeleid.” Om de vergunning te kunnen verlenen, is waarschijnlijk bij alle vergunningen de aanname geweest dat er geen stankoverlast veroorzaakt zou worden. Toch is er in de praktijk overlast ontstaan. Volgens 71% van de respondenten zorgt de mestfabriek in hun omgeving vaak voor overlast. Zo geeft 36% van hen aan ‘regelmatig overlast’ te ervaren en 35% ‘heel erg overlast’.
Aard van de overlast: vooral stank
Stankoverlast wordt in de enquête door 85% van de respondenten genoemd en in alle nader onderzochte casussen is er bij elke locatie sprake van stankoverlast. De weersomstandigheden en windrichting worden in vrijwel alle casussen genoemd als van grote invloed op de frequentie waarmee de overlast wordt ervaren (voornamelijk dagelijks of wekelijks). De stank is het hevigst als de wind richting de woningen waait en wanneer de stank juist blijft hangen bij windstil of mistig weer. Een respondent: “Als de wind niet draait zit ik in de stank. Het is niet zonder ergernis om de tuin te onderhouden. Je leeft er 365 dagen 24 uur per dag mee in je hoofd. Het beïnvloedt je sociale leven, zo plan je in het zomerseizoen geen bezoek of bbq buiten omdat het ieder moment kan stinken.” De stank wordt door sommige respondenten beschreven als een ‘misselijkmakende’, ‘weeïge geur’. Andere respondenten beschrijven dat zij vanwege de stank de ramen en deuren zoveel mogelijk gesloten houden, de was niet meer buiten laten drogen, niet meer genieten van het zitten in de tuin en het ontvangen van bezoek beperken vanwege de stankoverlast en de schaamte daarvoor. Ze geven aan dat de aanwezigheid van de mestfabriek in de buurt het woongenot en de kwaliteit van de leefomgeving ernstig aantasten.
In de casussen in gemeenten Heeze-Leende en Landerd ging het niet alleen om overlast bij woningen, maar ook om hinder bij het passeren van de mestfabriek. Een respondent: “Met een beetje pech en verkeerde windrichting fiets je minutenlang door een deken van viezigheid, waarbij het soms gewoonweg op je luchtwegen slaat.”
Aard van de overlast: ook gezondheidsklachten
Gezondheidsklachten worden door 31% van de respondenten genoemd als vorm van overlast. Waar het gaat over de specifieke casussen zijn er onder andere bij de mestfabrieken in drie gemeenten gezondheidsproblemen beschreven zoals misselijkheid, hoofdpijn, keelpijn, vermoeidheid, rode ogen en ademhalingsproblemen. Een respondent: “Mijn vrouw werd ziek, zo ziek dat ze niet meer kon werken en 100 meter lopen een
Brabantse Milieufederatie
11
2 | Uitkomsten te grote opgave was; continu moe, continu keelpijn en rode ogen. Na tal van medische onderzoeken kwamen we uiteindelijk in contact met de GGD en het Urgentieteam. De betrokken arts kwam tot de conclusie dat het aannemelijk was dat de klachten veroorzaakt werden door de uitstoot van irriterende- en toxische stoffen door [de mestfabriek, red.].” Bij de andere mestfabrieken leven er zorgen bij respondenten over de mogelijke gezondheidsrisico’s. Voor beleving van de gezondheidsrisico’s verwijzen we ook naar het GGD-onderzoek1 van najaar 2019. Daarin wordt onder andere geconcludeerd dat omwonenden bezorgd zijn over de gezondheidseffecten van mestbewerkers, doordat ze nu gezondheidseffecten als (geur)hinder, stress en ademhalingsklachten ervaren. De GGD roept daarin overheden op deze klachten serieus te nemen.
Ook bedrijven ervaren stankoverlast
De overlast raakt niet alleen omwonenden, maar soms ook bedrijven die nabij de mestfabriek gevestigd zijn. Een respondent: “Ook andere bedrijven op dit bedrijventerrein klagen over stank. Producenten van voedingsmiddelen krijgen van afnemers te horen dat ze twijfelen of ze wel voedingsproducten willen blijven afnemen van een bedrijf waar het zo stinkt. Ook autohandelaren en andere bedrijven willen vanwege de klandizie graag van de stank af.”
Aard van de overlast: toename hinderlijk en gevaarlijk verkeer, geluid en uitstoot
‘Hinderlijk of gevaarlijk extra (vracht)verkeer’ en ‘toename van uitstoot van stikstof of andere stoffen’ worden elk ook door 31% van de respondenten aangevinkt als vorm van ervaren overlast. Ook geven sommige respondenten als spontaan antwoord aan dat er sprake is van geluidsoverlast. Een ander spontaan antwoord van respondenten is dat ook de woningwaarde van huizen daalt in de omgeving van mestfabrieken als gevolg van overlast.
Berekende afstanden van overlast komen niet overeen met de praktijk
De overlast reikt vaak tot op grotere afstand dan de berekeningen die onder een vergunning liggen voorspellen. Volgens 47% van de respondenten staat de mestfabriek in hun omgeving op <250 meter van een woning, en volgens 20% tussen de 250 en 500 meter. 500 tot 1.000 meter en 1.000 tot 2.000 meter worden relatief vaak genoemd als de afstanden tot waar de overlast wordt ervaren. In het geval van gemeente Helmond reikt de stank volgens respondenten zelfs tot 3.000 meter. Een respondent: “Het gevolg is dat tussen de 80 en 100 dagen per jaar de stank zo hevig is (op 1,5 kilometer afstand van de fabriek) dat ramen en deuren gesloten moeten worden en buiten zitten uiterst onaangenaam is.”
Wantrouwen jegens de overheid
Een respondent: “Feitelijk stoot het bedrijf een factor 8 tot 16 meer uit dan in de vergunning bedoeld was. Maar door een illegale correctie toe te passen en door een Hedonische weging alsof de mestfabriek een koekjesfabriek is, wordt deze mestverwerker iedere keer gematst.” De onjuiste stellingname over emissieloosheid door het bevoegd gezag, maar ook de omgang met de klachten die daarop volgen, hebben bij deelnemers aan het onderzoek geleid tot wantrouwen richting de overheid. In veel van de casussen beschrijven respondenten het gevoel dat de overheid (gemeente en/of provincie) meer op de hand is van de ondernemer dan van de omwonenden. Een voorbeeld daarvan is de mestfabriek in de gemeente Asten. Hier is de vergunning al tweemaal 1 Hout, K. van den & Vermeulen, L. 2019. Risicoperceptie en mestbewerking: Een kwalitatieve verkenning van beleving bij omwonenden. Academische Werkplaats Milieu en Gezondheid. URL: https://www.academischewerkplaatsmmk.nl/ projecten/afgeronde_projecten/2019/onderzoek_risicoperceptie_en_mestbewerking
Brabantse Milieufederatie
12
vernietigd door de Raad van State, en hoewel het bedrijf nu al jaren opereert zonder geldige vergunning weigert de provincie Noord-Brabant om te handhaven. De provincie probeert zelfs alsnog de situatie te legaliseren. Een respondent: “Het vertrouwen in politiek is ernstig geschaad. (...) Een ‘betrouwbare’ overheid geldt alleen voor bedrijven (die dreigen met schadeclaims), niet voor burgers die opkomen voor een gezonde, leefbare leefomgeving.” Uit de reacties van de respondenten blijkt ook dat het veel vergt van omwonenden om de overlast vervolgens opgelost te krijgen, als dit überhaupt lukt. Het kost jaren en zij moeten keer op keer klachten indienen. Een respondent: “Enorm vervelend om steeds maar weer te bellen. Te melden. Steeds hetzelfde verhaal. En soms terug te horen dat klacht niet terecht is.” Het wordt door respondenten beschreven als een frustrerend en moeizaam proces. Ook voelen zij zich soms niet serieus genomen, of is het niet duidelijk of er iets met de klacht wordt gedaan. Een respondent: “Het heeft jaren van ons leven gekost. Fysieke klachten waren ook het gevolg. De burgers zijn zwaar de pineut met een lakse overheid die op alles gewezen dient te worden. De omgeving moest constant overal bovenop zitten. (...) Het kost zoveel tijd en energie en de overheid put mensen uit, met als gevolg dat velen onderweg uit ellende maar opgeven.
Ook is het niet iedere burger gegeven om juridisch gezien de juiste wegen te bewandelen. Het is een zware en oneerlijke strijd.”
Hoge sociale prijs voor gemeenschappen en klachtindieners
Daarnaast komt het aankaarten van de overlast sociaal gezien soms met een hoge prijs. De overlast van de mestfabriek leidt volgens sommige respondenten namelijk tot polarisatie binnen en ontwrichting van Brabantse gemeenschappen. Een respondent: “De sfeer in de buurt veranderde ook totaal. Het dorp werd uiteengereten. In een dorpsgemeenschap in Brabant kun je ergens wel iets van vinden, maar er echt tegenin gaan is wat anders.” Ook ervaren de mensen die overlast aankaarten soms persoonlijk negatieve gevolgen hiervan, als terugslag vanuit een deel van de (aan landbouw gerelateerde) gemeenschap. In sommige andere dorpen wordt gevreesd voor deze sociale gevolgen, waardoor omwonenden zich niet altijd durven uit te spreken. Een respondent, geboren en getogen in deze gemeenschap: “Vanaf dat moment werden wij niet meer begroet door het deel van de gemeenschap dat agrarische connecties had. Sommige boeren durfden alleen een vriendelijk gesprek te voeren als ze zeker wisten dat niemand ze daarop kon betrappen. Pesterijen begonnen. Vriendschappen werden verbroken. Onze directe familie en vrienden werden zelfs lastig gevallen.”
Gemeenten die uiteindelijk wel het goede voorbeeld geven
Toch zijn er uit de casussen ook gemeenten naar voren gekomen die volgens respondenten wel gehoor geven aan de zorgen en klachten en daarmee weer vertrouwen terugwinnen. Gemeente Sint Anthonis bestemt de mestfabriek die overlast veroorzaakt weg en ook in Helmond ‘gloort er weer hoop’ volgens de respondenten doordat zij het gevoel hebben dat het gemeentebestuur nu in ieder geval haar best doet om de overlast aan te pakken.
Brabantse Milieufederatie
13
3 | Conclusies & aanbevelingen
Brabantse Milieufederatie
15
3 | Conclusies & aanbevelingen
16
Brabantse Milieufederatie
Conclusies & aanbevelingen Er is eerder gesteld in vergunningen dat mestfabrieken emissieloos zouden zijn, maar dit is in onder andere de onderzochte casussen niet waargemaakt. In de praktijk is er toch sprake van grote (stank)overlast en soms ook van andere gezondheidsproblemen. Vervolgens kost het omwonenden jaren aan klachten indienen en actieve inzet om de overlast weer opgelost te krijgen. Als dit überhaupt lukt. Deze omwonenden worden daarvoor soms ook nog bestraft met grote sociale repercussies binnen hun (agrarische) gemeenschap. Dat leidt tot frustratie, stress, verbittering en wantrouwen richting een overheid die hen hierin onvoldoende beschermt. Claims dat de nieuwe mestfabrieken nagenoeg emissieloos zijn en daarom geen bepaalde afstand tot woningen hoeft te worden gehanteerd, stroken dus niet met deze praktijkervaringen. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom deze nieuwe mestfabrieken fundamenteel anders en beter zouden presteren qua overlast dan de huidige. De huidige mestfabrieken zouden immers ook al vrijwel emissieloos zijn door ‘inpandig’ te werken, ‘in een gesloten systeem’ of met ‘luchtreiniging’. Vanuit deze praktijkervaringen en vanuit het voorzorgsprincipe is het dan ook zaak niet uit te gaan van een theoretisch rooskleurig ‘best case’ scenario qua overlast, maar van een realistisch en een ‘worst case’ scenario.
En hierbij voldoende afstand tot woningen te waarborgen. Op die manier kunnen overlast en gezondheidsrisico’s beter voorkomen worden, als de emissies in de praktijk inderdaad tegenvallen.
Aanbevelingen aan overheden
Om het vertrouwen van burgers te herstellen en nieuwe overlast te voorkomen, doen wij daarom negen aanbevelingen. 1. Zorg dat mestfabrieken overbodig worden door de omvang van de veestapel in balans te brengen met de beschikbare grond. Dit is onder respondenten de vaakst geopperde oplossing. Stimuleer via provinciaal beleid, gemeentelijk beleid en Omgevingsplannen grondgebondenheid, trek actief lege vergunningen van intensieve veehouderijen in, koop dierrechten op en faciliteer niet langer uitbreidingen van intensieve veehouderijen. 2. Zorg voor een veilige afstand (qua geuroverlast maar ook qua calamiteiten, explosies, fijnstofemissie, endotoxinen verspreiding) tussen mestfabrieken en woningen en houd daarbij ook rekening met de overheersende windrichting. Bedrijventerreinen voor zware categorie industrie zijn in principe het meest geschikt voor mestfabrieken qua omgang met verkeer en veiligheidsrisico’s. Houd vast aan de vereiste dat mestfabrieken alleen op industrieterreinen gebouwd mogen worden. Wel bevinden deze zich soms ook alsnog binnen 250 meter afstand tot woonwijken, zoals in Deurne. Een veilige afstand tot woningen (afhankelijk van de grootte bijvoorbeeld minimaal 500 tot 1.000 meter) is daarbij een belangrijke en effectieve aanvullende maatregel.
Hoewel uit de casus Helmond blijkt dat een afstandscriterium alleen niet genoeg is, helpt het wel overlast te beperken voor omwonenden die dichtbij wonen. 3. Stel het eerst oplossen van bestaande overlast van mestfabrieken als voorwaarde voor er nieuwe mestfabrieken vergund mogen worden. Vergun ook geen mestfabriek in overbelaste gebieden waar door veehouderijen en mestfabrieken cumulatief de geurnormen nu al worden
Brabantse Milieufederatie
17
3 | Conclusies & aanbevelingen overschreden, maar stel hier het oplossen van die cumulatieve stankoverlast als voorwaarde waaraan eerst voldaan moet worden. Hiermee krijgen ook de belanghebbenden van de nieuwe mestfabriek, zoals de mestverwerkingsindustrie en omliggende intensieve veehouderijen, een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de huidige overlast en overschrijding van geurnormen mee op te lossen. 4. Zorg in de vergunning dat er ook altijd handhavend kan worden opgetreden bij overlast wanneer dit wordt geconstateerd en de situatie in de praktijk niet met de vergunde situatie overeen blijkt te komen. Er zijn nu soms onvoldoende mogelijkheden voor overheden om in te grijpen als eenmaal de vergunning is verstrekt en papier en werkelijkheid niet met elkaar overeen blijken te komen. Dit bleek volgens respondenten onder andere in de gemeenten Deurne, Helmond en Sint Anthonis een probleem. In Helmond is er volgens respondenten een te ruime vergunning verleend qua stank, het huidige bestuur probeert van alles om de situatie te verbeteren, maar dit blijkt juridisch nog niet zo eenvoudig. Dit kan voorkomen worden door bijvoorbeeld vergunningen tijdelijk te verlenen, waarbij deze na vijf jaar automatisch vervallen en opnieuw aangevraagd moeten worden, tot een maximum van drie keer in totaal.
Ook kan onderzocht worden of er monitorbare doelvoorschriften in plaats van middelenvoorschriften kunnen worden gesteld, zodat er meer verantwoordelijkheid bij de mestverwerker komt te liggen om te voldoen aan de emissienormen. 5. Sluit in gemeentelijke Omgevingsplannen dezelfde gebieden uit voor mestfabrieken als in de PlanMER van het locatiebeleid mestverwerking.1 Voor een consistent beleid betekent dat ook dat de mestfabrieken die nu al in de uitgesloten gebieden gevestigd zijn, niet verder mogen uitbreiden en de komende jaren wegbestemd worden. 6. Intensiveer en verbeter onafhankelijk toezicht en handhaving. Verbeter het onafhankelijk toezicht en de handhaving, onder andere door hier meer in te investeren. Bereid (ontwerp) beschikkingen onafhankelijk en zorgvuldig voor en stel daarbij de kwaliteit van de leefomgeving en de belangen van omwonenden centraal. Wacht niet op klachten, maar monitor proactief en effectief de emissies, en treed krachtig op tegen bedrijven die de emissiewaarden overschrijden. Trek de vergunning bij aanhoudende overlast en/of herhaalde overtreding van de regels in, en sluit de mestfabriek. Als dit niet mogelijk is, leg dan waar mogelijk dwangsommen en boetes ter hoogte van de kosten van het treffen van overlastbeperkende maatregelen op.
Onafhankelijkheid kan versterkt worden door in de toekomst naar Duits voorbeeld de handhaving onder het strafrecht en daarmee het ministerie van Justitie en Veiligheid te laten vallen. 7. Stel in beleid geurnormen vast voor de optelsom van stankbronnen (cumulatie), die strikt genoeg zijn om burgers te beschermen en aantasting van de kwaliteit van de leefomgeving en gezondheid te voorkomen (cumulatief bijvoorbeeld maximaal 5 Odeur). In bijvoorbeeld gemeenten Deurne en Landerd is er een veelheid aan stankproducerende bedrijven, zoals mestfabrieken en intensieve veehouderijen. De individuele bedrijven zorgen samen voor een deken van stankoverlast. Nu is het volgens de Wet geurhinder en veehouderij in principe (nog) niet toegestaan om een cumulatietoets uit te voeren voor veehouderijen en worden stankproducerende activiteiten als mestverwerking, -opslag en -vergisting apart beoordeeld. Dit moet aangepast worden. Daarnaast wordt nu in de praktijk nog een percentage geurgehinderden acceptabel geacht van 12% (richtwaarde), met 20% als bovenwaarde2. Gemeenten mogen dit percentage zelfs naar eigen inzicht verruimen.
Dit betekent dat het nu nog acceptabel is dat maar liefst 1 op de 8 Brabanders 1 Uitgesloten gebieden: stedelijk gebied exclusief bedrijventerreinen, Gebieden Beperkingen Veehouderij, Groen Blauwe Mantel, Natuurnetwerk Brabant, Attentiezones NNB, grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden). 2 Website Infomil van Rijkswaterstaat. Geurhinder: wat is veel of weinig? URL: https://www.infomil.nl/onderwerpen/ landbouw/geur/handreiking-wgv/bijlagen/bijlage-7-geurhinder/
18
Brabantse Milieufederatie
stankoverlast ervaart. De bovenwaarde komt zelfs neer op 1 op de 5 Brabanders. Dit is een erg hoog percentage. Richt beleid daarom niet op dit hoge percentage, maar werk toe naar het behalen van de streefwaarde van 3%. 8. Help burgers bij het beschermen van de kwaliteit van hun leefomgeving. Bied ook een gebruiksvriendelijke en toegankelijke mogelijkheid om klachten te kunnen indienen, neem klachten serieus en zorg voor een goede en transparante verwerking van en terugkoppeling op die klachten. Maak beschikkingen eenvoudig vindbaar en geef bij publicatie een korte heldere samenvatting van de kern van de aanvraag, zoals ‘opslag van meststoffen’, ‘uitbreiding aantal dierplaatsen’, ‘verplaatsen van emissiepunten’, et cetera. Bied voortvarend extra (aangevraagde) informatie aan over een beschikking. Bied lokale burgergroepen waar nodig ondersteuning bij het doorgronden van complexe (ontwerp)beschikkingen. 9. Evalueer en verbeter de systematiek waarop verwachte geurhinder wordt berekend. Voer berekeningen bovendien onafhankelijk uit, in plaats van in opdracht van de eigenaar van de mestfabriek. Baseer vergunningen niet te veel op aannames en vul berekeningen aan met onafhankelijke, op wetenschappelijke wijze gemeten emissies. Zorg dat de wijze van meten landelijk wettelijk genormeerd en verankerd wordt.
Meet ook de immissie op de gevel bij respondenten om zo ook rekening te kunnen houden met cumulatie van overlast door emissies van meerdere bedrijven. Leg tot slot de onzekerheidsmarge bij metingen vanuit het voorzorgsbeginsel uit ten gunste van de bescherming van respondenten in plaats van de eigenaar van de mestfabriek.
Brabantse Milieufederatie
19
Foto: VisitBrabant
Brabantse Milieufederatie Spoorlaan 434 5038 CH Tilburg www.brabantsemilieufederatie.nl