agendapunt 5 - beantwoording vragen fracties
Tekst van het document
Agendapunt 5: ontwerp-raadsvoorstel inzake het vaststellen van het plan van aanpak transitievisie warmte gemeente G&R D66
1.
In de startnotitie wordt gesproken over een verkennende fase voorafgaand aan het schrijven van een plan van aanpak. a. Voor Gilze en Rijen geven de Regionale Structuur Warmte (REKS) en de kansenkaart van CE Delft (Gilze en Rijen) al een eerste technische analyse op warmtebronnen en –vraag. In de verkennende fase zou worden ingezoomd op wijkniveau. Is dit gebeurd? Zo ja, dan ontvangen wij graag deze informatie. Antwoord: CE Delft heeft een technische analyse uitgevoerd op de warmtebronnen en warmtevraag in de gemeente. De Regionale Structuur Warmte brengt de bovenregionale bronnen in kaart. In opdracht van de provincie Noord-Brabant hebben de Warmte Transitie Makers een eerste verkenning gedaan naar de warmtevraag per gebouw in alle Brabantse gemeenten met de warmteprofielentool. Deze verkenning is in te zien via https://atlas.odzob.nl/portal/apps/webappviewer/index.html?id=d5833551aadd4b738bfc360be8a2f094. b. Tevens zou er een aanvullende analyse van de wijken worden opgesteld met de warmteprofielentool van De Warmte Transitie Makers. Graag willen wij ook deze analyse ontvangen. Antwoord: In opdracht van de provincie Noord-Brabant hebben de Warmte Transitie Makers een eerste verkenning gedaan naar de warmtevraag per gebouw in alle Brabantse gemeenten met de warmteprofielentool.
Deze verkenning is in te zien via https://atlas.odzob.nl/portal/apps/webappviewer/index.html?id=d5833551aadd4b738bfc360be8a2f094. In een latere fase maken we, o.a. op basis van deze informatie, wijkprofielen. c. Op welke manier gaan we de wijken onderscheiden? Is dit al helder? Zo ja, op basis van welke criteria gaan we onderscheid maken? Antwoord: We starten met de wijkindeling op basis van de technische kenmerken van de wijk. Woningen met vergelijkbare kenmerken (als het gaat om bouwjaar, isolatieschil en energielabel) zullen naar alle waarschijnlijkheid ook vergelijkbare route kennen naar een aardgasvrije woning. We letten daarnaast ook op de schaal van de wijk, de wijken zullen groot genoeg moeten zijn om in aanmerking te komen voor (financiële) schaalvoordelen, maar compact genoeg zodat samenwerking mogelijk blijft. d. Hebben er al stakeholdergesprekken plaatsgevonden over de belangen, inzichten, projecten en de eigen rol van de stakeholders bij het proces? Zou ja dan ontvangen wij hier graag de uitkomsten van. Antwoord: Conform de planning in het Plan van Aanpak starten we in Fase 1 (april 2021) met interne en externe stakeholders in gesprek om de wijkprofielen op te stellen. Zij zullen ook, in het verdere verloop naar de Transitievisie Warmte, betrokken blijven bij het proces. e.
Is het communicatie- en participatieplan gereed? Zo ja dan ontvangen wij daar graag een beknopte versie van. Antwoord: In het Plan van Aanpak is een communicatie- en participatieplan opgenomen. Dit plan is opgesteld in samenwerking met een communicatieadviseur.
De eerste stap is dat de gebouwen goed worden geïsoleerd. Ligt hier al een plan van aanpak voor klaar? Antwoord: Met betrekking tot het stimuleren en motiveren van woningeigenaren en huurders voor het verduurzamen van woningen zijn we al enige jaren geleden gestart. Met (bewustwordings-) campagnes in combinatie met vouchers vanuit subsidieregelingen RRE en RREW, het Energieloket als digitale vraagbaak en de inkoopactie spouwmuur- en vloerisolatie, acties vanuit EGR zoals de energieadviezen en wijkaanpak energiebesparing, de wijkaanpak Molenschot Groen en de Week van de Duurzaamheid worden woningeigenaren aangespoord om aan de slag te gaan met energiebesparing. Verder maakt het isoleren van woningen en gebouwen onderdeel uit van de transitie. Na het vaststellen van de Transitievisie Warmte wordt per wijk een Wijkuitvoeringsplan (WUP) gemaakt. Indien een WUP is vastgesteld hebben woningeigenaren nog 8 jaar de tijd om zich voor te bereiden op het afkoppelen van het gas. De keuze waarop zij dit willen doen heeft mede te maken met de mate van isolatie van de woning. De gemeente krijgt de regie over hoe zij hun gemeente aardgasvrij maken. De invulling van deze regierol is vormvrij. Binnen het Programma Aardgasvrije Wijken is een aantal mogelijke rollen benoemd.
Zo is onderscheid gemaakt tussen een sturende regisseur, die gaat voor maximale resultaten en tempo, een afwachtende regisseur, waarbij prioriteiten liggen bij andere opgaven, een 4 integrale regisseur, die zoveel mogelijk koppeling zoekt met andere opgaven, en een procesregisseur die stuurt op zoveel mogelijk participatie. Het is aan de gemeente zelf om de kaders te bepalen waarbinnen de TVW wordt opgesteld. 2. Graag ontvangen wij de voor-en nadelen van de hierboven genoemde verschillende regievormen. Antwoord: De verschillende regierollen zijn een handreiking vanuit het Programma Aardgasvrije Wijken om aan de hand van de ambitie en het doel, de gemeentelijke rol in te vullen. De voor en nadelen van de verschillende rollen komen in het proces nog ter sprake. 3.
Op bladzijde 5, 1e alinea staat dat we in dit plan van aanpak “We zullen hierin de ambities van de gemeente Gilze en Rijen formuleren middels uitgangspunten.” a. Welke ambities betreft dit? Graag een opsomming hiervan. Antwoord: Het betreft hier de ambities uit het koersdocument Duurzaam Gilze en Rijen. In het koersdocument staat voor 2030 de ambitie om ten opzichte van 1990 onze CO²-uitstoot met 49% te verminderen. Daarnaast staat in het koersdocument dat we in 2030 in beeld hebben hoe we de woningen in Gilze en Rijen op een duurzame manier gaan verwarmen en dat de warmtetransitie voor woningen in volle gang is. b. Welke uitgangspunten worden hier gehanteerd? Antwoord: Inclusief, flexibel en toekomstgericht, werk met werk maken, samen en geen gebruik van verbranding van biomassa. Deze uitgangspunten vindt u op bladzijde 6 en 7 van het Plan van Aanpak. 4.
Transitievisie Warmte. 1. Fase 1: Het opstellen van wijkprofielen (april 2021) Met collega’s en stakeholders. Welke collega’s worden hier bedoeld en welke stakeholders betreft het hier? Voor dit belangrijke proces staat 1 maand gepland. Is dit wel realistisch? Antwoord: Voor deze fase organiseren we in april verschillende sessies waarin we in ieder geval om tafel gaan met beleidsmedewerkers van ruimtelijke ordening, leefomgeving en de buitendienst. Parallel aan deze sessie hebben we gesprekken met externe stakeholders, zoals de netbeheerder, woningcorporatie en energiecoöperatie. We gebruiken voor het opstellen van de wijkprofielen daarnaast bestaand beleid en de eerdere onderzoeken en verkenningen van de REKS, CE Delft en de Warmte Transitie Makers. Op die wijze stellen we de wijkprofielen efficiënt op.
5.
Fase 2: Participatie (mei – juli 2021) Met behulp van de wijkprofielen gaan we in gesprek met inwoners van de meest kansrijke wijken. We halen informatie op en kijken naar aanknopingspunten om de visie te versterken. Wat wordt er bedoeld met meest kansrijke wijken? En waarom wordt ervoor gekozen juist daar te beginnen? Welke criteria? Antwoord: Kansrijke wijken zijn de wijken waarmee we zoveel mogelijk synergie hebben in relatie tot bijvoorbeeld woningbouw of grootschalig onderhoud. Deze koppelkansen vormen de aanleiding om in deze wijken de overstap naar een alternatieve warmtebron eerder te verkennen dan in andere wijken. Hierbij zullen we kijken naar de technische kenmerken van de wijk en daarnaast letten we ook op de bijpassende kosten. Tevens is hierbij de schaal van de wijk belangrijk, de wijken zullen groot genoeg moeten zijn om in aanmerking te komen voor (financiële) schaalvoordelen, maar compact genoeg zodat samenwerking mogelijk blijft. Het is logisch om met kansrijke wijken te starten om zo ervaring op te doen en te leren. Wijken die ingewikkelder zijn kunnen dan beter ondersteund worden. Is er dan al in kaart gebracht welke consequenties dit heeft voor wijken die “minder” kansrijk worden geacht? Antwoord: Aan de hand van wijkprofielen wordt een prioritering opgesteld waarbij per wijk wordt ingeschat wat de beste periode is om met een betreffende wijk te starten.
Het aardgasvrij maken van wijken loopt tot 2050, gemeenten zijn niet verplicht om voor 2030 al in één of meerdere wijken klaar te zijn. Daarnaast wordt een TVW elke vijf jaar herijkt met nieuwe ervaringen en inzichten. Oftewel, de warmtetransitie is een langdurig maar vooral fluide proces. 6.
Uit dit onderzoek blijkt dat de inzet van hybride warmtepompen op groengas resulteren tot de laagste nationale kosten. Wat is warmtepompen op groen gas? Antwoord: Groengas is biogas dat is opgewaardeerd naar aardgaskwaliteit. Groengas kan middels een hybride warmtepomp geleverd gaan worden aan woningen. Een hybride warmtepomp is een elektrische warmtepomp die de basislast levert van de warmtevraag. Deze elektrische warmtepomp zal gecombineerd wordt met een HR-ketel. De warmtepomp zal hierbij warmte uit de buitenlucht halen. Bij een grote warmtevraag kan de HR-ketel bijspringen, waarbij groengas gebruikt zal worden. 7.
De beschikbare hoeveelheid groengas in 2050 is echter niet toereikend om alle buurten te verwarmen op groengas. Om deze reden moet een afweging gemaakt worden in welke buurten er zal worden overgegaan op een alternatief. Welke groengasbronnen zijn meegenomen in de bepaling dat er te weinig groen gas is? Antwoord: Het landelijke Expertise Centrum Warmte (ECW) heeft in 2020 een tweede versie van de Startanalyse voor gemeenten uitgebracht, met daarin berekeningen over de kosten van de verschillende strategieën naar aardgasvrij. In deze tweede versie is de beschikbaarheid van groengas in de toekomst berekend op basis van de ambitie van de groengassector zelf en verschillende landelijke haalbaarheidsstudies. Op basis van deze informatie geeft ECW aan dat de hoeveelheid groengas niet toereikend zal zijn om alle woningen mee te verwarmen. -
Wat wordt er bedoeld met een afweging maken welke buurten overgaan op een alternatief, immers alle wijken moeten toch over? Antwoord: Groengas is waarschijnlijk beperkt beschikbaar in de toekomst. We moeten dan ook een afweging maken in waar we groengas zullen inzetten. Het streven is om groengas enkel in te zetten in buurten waar de andere aardgasvrije strategieën veel duurder of technisch niet haalbaar zijn. In deze buurten kunnen er veel kosten worden bespaard als wordt gekozen voor groengas in plaats van een van de andere warmteopties.
Dit zal in het bijzonder het geval zijn in stadscentra met oude en monumentale bebouwing en voor de pieklast van warmtevoorziening in warmtenetten. De overige wijken zullen over moeten gaan op een ander alternatief voor aardgas. 8.
In het plan van aanpak staat “1 Uitzondering voor Bedrijventerrein Broekakkers. CE Delft noemt hier een hogetemperatuurwarmtenet als goede optie”. Wij ontvangen graag de de onderbouwing waarop deze redenering gebaseerd is? Antwoord: CE Delft heeft een onderzoek gedaan naar de warmtevraag en het warmteaanbod in de gemeente. Uit het onderzoek dat zij gedaan hebben blijkt bovenstaande. We nemen deze aanbeveling van CE Delft over. Een separate onderbouwing hebben wij niet. 9.
Om te bepalen in welke wijken als eerste in aanmerking zullen komen om van het gas af te gaan, zullen naast de beschikbare technieken en bijpassende kosten ook nog andere factoren verkend worden. Welke factoren zijn dit? Graag specificeren. Antwoord: We starten met de wijkindeling op basis van de technische kenmerken van de wijk. Woningen met vergelijkbare kenmerken (als het gaat om bouwjaar, isolatieschil en energielabel) zullen naar alle waarschijnlijkheid ook vergelijkbare route kennen naar een aardgasvrije woning. We letten daarnaast ook op de schaal van de wijk, de wijken zullen groot genoeg moeten zijn om in aanmerking te komen voor (financiële) schaalvoordelen, maar compact genoeg zodat samenwerking mogelijk blijft. En we kijken naar mogelijke koppelkansen en ideeën vanuit de wijken zelf. 10. Flexibel en toekomstgericht: “In de komende jaren zullen er wat betreft de beschikbare technieken nog veel innovaties plaatsvinden”. Dit zal zo wellicht zijn, maar is bekend wat dit betekent voor de bestaande woningvoorraad? Antwoord: De beschikbare technieken voor verduurzaming van de bestaande woningvoorraad zullen toenemen, daarom hebben we als uitgangspunt opgenomen dat we flexibel en toekomstgericht naar de warmtetransitie in Gilze en Rijen kijken. Het is niet mogelijk om de bestaande woningvoorraad te toetsen op te verwachten innovaties.
We zullen moeten starten met de huidige kennis en expertise. Daarom zal de TVW elke 5 jaar worden herijkt. “Naarmate de expertise en ervaring in de bouwsector toeneemt, zullen de kosten naar verwachting dalen.” Dit kan wel zo zijn, maar hoe verhoudt zich dit tot de al bestaande woningvoorraad? Antwoord: Het is een aanname dat de kosten zullen dalen. Hoe deze aanname zich verhoudt tot de huidige woningvoorraad is niet te bepalen. 11.
Fase 0 - Plan van Aanpak “Het Plan van Aanpak met uitgangspunten wordt op 29 maart 2021 vastgesteld in de raad. Het Plan van Aanpak wordt vastgesteld in de gemeenteraad.” Welke ruimte is er in het proces om aanpassingen vanuit de raad in de plan van aanpak te verwerken? Antwoord: De route naar de Transitievisie Warmte is een pad dat flexibel bewandeld zal moeten worden. Leren en ervaren geven mede sturing aan dit proces. De gemeenteraad heeft hier uiteraard invloed op. Daarnaast kunt u in hoofdstuk 4 planning & proces lezen op welke wijze de gemeenteraad en/of commissie Ruimte wordt betrokken.
PvdA 1.
Er wordt gesteld dat in 2050 alle woningen van het aardgas af moeten zijn. Hoe verhoudt zich dit tot de stelling in ‘koersdocument Duurzaam Gilze en Rijen’ waarin staat dat de gemeente vanaf 2040 CO2-neutraal is? Zolang aardgas gebruikt wordt is er immers geen sprake van een CO2-neutrale gemeente. Antwoord: CO²-neutraal betekent dat er per saldo geen uitstoot is van CO². Dat kan bijvoorbeeld door de uitstoot van CO² geheel te vermijden, maar dat kan ook door de uitstoot van CO² te compenseren. 2.
In de voorstellen is herhaaldelijk sprake van interne- en externe stakeholders c.q. samenwerkingspartners. Graag hiervan een nadere duiding. Antwoord: Interne stakeholders zijn beleidsmedewerkers van ruimtelijke ordening, leefomgeving en de buitendienst. Externe stakeholders zijn o.a. de netbeheerder, woningcorporatie en energiecoöperatie. 3.
Wat kunnen we mogelijk leren c.q. overnemen van andere gemeenten zodat niet onnodig het wiel tweemaal moet worden uitgevonden? Antwoord: Sommige gemeenten zijn al klaar met het opstellen van hun Transitievisie Warmte. Van deze gemeenten kunnen we onder andere leren hoe zij hun Transitievisie Warmte hebben opgesteld en waar zij rekening mee hebben gehouden in het definiëren van hun wijkaanpak. Het opstellen van een Transitievisie Warmte blijft echter een lokale opgave en is erg afhankelijk van de kansen die spelen in de gemeente. Waar mogelijk zullen we echter leren van andere gemeenten. Ook landelijk zijn er met het Programma Proeftuin Aardgasvrije Wijken en het Expertise Centrum Warmte goede voorbeelden waar we naar kijken. In regionaal verband leren we ook van buurtgemeenten door met elkaar ervaringen en kennis uit te wisselen. 4. Op basis van welke factoren c.q. parameters wordt de wijkindeling bepaald? Antwoord: We starten met de wijkindeling op basis van de technische kenmerken van de wijk. Woningen met vergelijkbare kenmerken (als het gaat om bouwjaar, isolatieschil en energielabel) zullen naar alle waarschijnlijkheid ook vergelijkbare route kennen naar een aardgasvrije woning.
We letten daarnaast ook op de schaal van de wijk, de wijken zullen groot genoeg moeten zijn om in aanmerking te komen voor (financiële) schaalvoordelen, maar compact genoeg zodat samenwerking mogelijk blijft.
Groen Gilze en Rijen Er wordt aangegeven dat de raad geen houtige biomassa wil gebruiken in het kader van de warmtetransitie in de gemeente Gilze en Rijen. Dit is niet volledig. De raad wil geen biomassaverbranding in onze gemeente. Dit geldt voor zowel de droge als de natte biomassa. Waarom gebruikt u slechts de beperkte term houtige Biomassa? Antwoord: Verbranding van biomassa voor publieke doeleinden is door de gemeenteraad uitgesloten. Dit had beter geduid kunnen worden. Het is echter bedoeld om aan te geven dat biomassa aan de hand van mest, gras of GFT ook vergist worden. Bij vergisting van biomassa ontstaat biogas. We spreken van groengas als biogas wordt opgewaardeerd naar dezelfde kwaliteit als aardgas. Groengas kan volgens het Expertise Centrum Warmte een belangrijke (en kostenefficiënte) drager worden in de warmtetransitie (bijvoorbeeld door middel van hybride warmtepompen), maar er is op dit moment beperkt inzicht in de toekomstige beschikbaarheid van groengas.