CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Aangepaste zienswijzennotitie ontwerpbestemmingsplan Stationsomgeving Rijen.docx

Raadscommissie Ruimte 15 februari 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel gewijzigd vaststellen bestemmingsplan "Stationsomgeving Rijen"30.052 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Geluidluwe gevel een gevel waarop de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai en de geluidbelasting vanwege spoorweglawaai de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder juncto het Besluit geluidhinder niet overschrijdt. Onder 15.2.2 wordt de volgende planregel toegevoegd: Woningen waarvoor een hogere waarde vanwege spoorweglawaai is vastgesteld en woningen die op grond van het bepaalde onder g worden uitgevoerd met een dove gevel, een geluidwerende vliesgevel of een daarmee vergelijkbare constructie mogen uitsluitend worden gebouwd als

26

deze woningen, al dan niet na het treffen van geluidwerende maatregelen, beschikken over ten minste één geluidluwe gevel; g. Reclamant maakt zich zorgen over de verstoring op deze diepte op de Gilze Rijenbreuk. Zij achten dat het aspect waterhuishouding onvoldoende onderzocht is.

h. Reclamant mist informatie over hoe vrachtwagens ten behoeve van bevoorrading kunnen keren ter hoogte van de tunnel.

i.

j.

Naar aanleiding van het bodemonderzoek moet er een andere bouwtechniek met onderwaterbeton worden toegepast. Dit kost vele malen meer. Reclamant stelt de vraag of het plan nog binnen het huidige budget past. Reclamant verzoekt om een toelichting waarom het college vindt dat het plangebied onder de categorie innovatieve ontwikkeling valt (in het kader van de regeling uitvoering Crisis en Herstelwet).

In de notitie over de Gilze-Rijenbreuk wordt geconcludeerd dat door maatregelen te treffen, wordt voorkomen dat de waterkerende werking van de breuk wordt weggenomen. Hiermee wordt het bestemmingsplan, op dit punt, uitvoerbaar geacht. In het kader van het realiseren van de onderdoorgang dient inderdaad nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de exacte aard van de te nemen maatregelen in relatie tot de Gilze-Rijen breuk. Dit onderzoek is noodzakelijk in het kader van de manier van realisatie en heeft geen invloed op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Uitvoeringsaspecten komen over het algemeen niet aan bod in bestemmingsplannen. Toetsing van de uitvoeringsaspecten gebeurt in het kader van de omgevingsvergunning. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is aangegeven op welke gronden de bestemming ‘Verkeer’ rust. Binnen de gronden met deze bestemming is voldoende ruimte aanwezig om een goede inrichting te maken van dit gebied waarbij ook ruimte geboden wordt voor de bevoorrading van bedrijven. Met duurdere bouwmethodes is rekening gehouden in de exploitatie. Ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid staan de gemeente Gilze en Rijen, het Rijk en de Provincie Noord-Brabant garant voor de uitvoering van het project. Het bestemmingsplan is hiermee economisch uitvoerbaar.

In het kader van de aanmelding van het bestemmingsplan bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en het verzoek om het bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen toe te voegen aan het experiment van artikel 7c Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet is gemotiveerd hoe het project bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen. Uit jurisprudentie volgt dat het daarbij niet gaat om de vraag of het project zelf bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen maar of de specifieke mogelijkheid om af te wijken van wettelijke bepalingen bijdraagt aan

27

k. Reclamant mist de voorlopige bestemming voor de brandweer.

l.

Volgens reclamant is de begrenzing van het plangebied niet goed gedefinieerd. Er dient een nieuwe begrenzing te worden vastgesteld. De procedure van de ter visielegging moet opnieuw gebeuren voor het nieuw vastgestelde plangebied waarin dit gehele plangebied is meegenomen in de onderzoeken.

innovatieve ontwikkelingen. Daarvan is hier onder meer sprake omdat de mogelijkheid van toekenning van een voorlopige bestemming voor maximaal 7 jaar betekent dat de wet effectiever wordt ingezet bij infrastructurele projecten waarbij het aspect ‘tijd’ een belangrijk beheersaspect is. De motivatie is door het ministerie beoordeeld en akkoord bevonden hetgeen heeft geleid tot toekenning van het verzoek. Op dit punt wordt ook nader ingegaan onder punt d van deze zienswijze. De tijdelijke route voor de brandweer bij calamiteiten tijdens de realisatiefase van de spoortunnel dient functioneel geschikt te worden gemaakt, zodat de brandweer vrij van obstakels toegang krijgt tot het beoogde gebied. Het opnemen van een (voorlopige) bestemming is hiervoor niet noodzakelijk, omdat het functioneel geschikt maken van de tijdelijke route binnen het vigerende bestemmingsplan mogelijk is. Het plangebied zoals weergegeven in de verbeelding van het bestemmingsplan is leidend. Binnen deze grenzen zijn bestemmingswijzigingen voorzien. De begrenzingen zoals aangehouden in de diverse afbeeldingen in de toelichting zijn indicatief ingetekend. De afbeeldingen en tekst in de toelichting zijn niet juridisch bindend. De oostelijke uitloper van het plangebied omvat inderdaad niet het volledige wachtspoor. Dit komt omdat daar geen planologische wijzigingen noodzakelijk zijn.

Aan de westzijde wordt ruimte die beschikbaar komt na verwijdering van het wachtspoor, deels ingezet voor de snelfietsroute. De tekst in de inleiding van de toelichting dat het plangebied de hele lengte van het goederenwachtspoor omvat wordt in de toelichting van het bestemmingsplan, naar aanleiding van deze zienswijze, genuanceerder beschreven. De zin wordt als volgt aangepast: Hierbij gaat het om het grootste deel van het goederenwachtspoor, in het westen tot aan de Vincent van Goghstraat en in het oosten tot iets voorbij de Nijverheidslaan, de ten noorden van het spoor liggende infrastructuur en de omgeving van de Stationsstraat en de Julianastraat tussen de

28

Constance Gerlingsstraat in het noorden tot net voorbij de Karel Doormanstraat in het zuiden.

m. Reclamant stelt dat voor een ruimtelijk goede inpassing (en niet alleen functionele inpassing) ruimte nodig is Het knelpunt bij de versmalling van het stedenbouwkundige profiel ter hoogte van de Karel Doormanstraat wordt, indien er geen aanvullende maatregelen worden genomen, met de uitvoering van dit plan alleen maar groter. Er wordt aangedragen dat met het aanpassen van de stedenbouwkundige structuur aan de westzijde van de tunnel een vloeiende verbindende route kan worden ingepast in het doorgaande wegprofiel. Hiermee vervalt de opmerkelijke knik in de weg. Het raadsbesluit van 1 november 2018 wordt volgens reclamant teniet gedaan door een knik van 2,5 meter ter hoogte van de Julianastraat 86. Reclamant wordt als belanghebbende sterk benadeeld en kan zich niet verenigen met de voorgestane sloop van het eigendom.

n. Reclamant vraagt zich af of de kosten voor de ongelijkvloerse voetgangersoversteek zijn meegenomen in het budget.

Per (milieu)onderzoek is het onderzoeksgebied afgewogen en afgebakend ten aanzien van de impact van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die in het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Indien noodzakelijk zijn ook woningen die buiten het plangebied zijn gelegen onderzocht. Reclamant gebruikt in de zienswijze een uitsnede van een tekening die afkomstig is uit een concept uitwerkingsontwerp voor de Julianastraat. Deze tekening is niet opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan. Dit concept uitwerkingsontwerp is inmiddels achterhaald. Dit deel van de Julianastraat valt ook niet binnen de grenzen van het ontwerpbestemmingsplan Stationsomgeving Rijen. In het raadsbesluit van 12 november 2018 is gekozen voor het zogenaamde ‘westelijke tracé’ voor de onderdoorgang. Hiermee wordt gedoeld op de keuze die moest worden gemaakt tussen ruimte creëren aan de west- of oostzijde van de Julianastraat voor het inpassen van de onderdoorgang. Hiervoor is door Houtman+Sander een stedenbouwkundige onderbouwing gegeven. Om meerdere redenen is de voorkeur gegeven aan het westelijke tracé, waaronder de mogelijkheid het historisch lint in de bebouwing te versterken. Dit historisch lint was aan de oostzijde in de rooilijn verder doorgezet dan aan de westzijde van de Julianastraat (na de Karel Doormanstraat ligt de rooilijn aan de westzijde van de Julianastraat verder terug).

De uitgangspunten om te kiezen voor het westelijke tracé zijn met het bestemmingsplan niet verlaten. Er is geen sprake van ‘doorknippen’ van het cultuurhistorisch lint. Met de extra voetgangersbrug is rekening gehouden in de exploitatie. Ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid staan de gemeente Gilze en Rijen, het Rijk en de Provincie Noord-Brabant garant voor de

29

uitvoering van het project. Het bestemmingsplan is hiermee economisch uitvoerbaar. o. Reclamant mist een verkeersaudit of andere rapportage waarin de veiligheid van het kruispunt Constance Gerlingsstraat wordt onderzocht. Dit is onvolledig volgens reclamant.

p. Volgens reclamant voldoet het plan niet aan de beleidsrichtlijn van de CROW. Het voorgestelde gemiddelde hellingspercentage van 4% is gebaseerd op advies van Stichting ZET welke zijn uitgegaan van een hoogteverschil van 4,5 meter, terwijl dit 6 meter bedraagt. Het gemiddelde hellingspercentage is nu 4% terwijl dat volgens de CROW 1,8% mag zijn. Dit wordt door reclamant als onveilig beschouwd.

Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect inrichting gebied en verkeersveiligheid, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. Het kruisingsvlak Stationsstraat/Constance Gerlingsstraat wordt in de uitwerkingsfase nader gedetailleerd, niet in het bestemmingsplan. Er wordt gezorgd voor voldoende ruimte tussen kruisingsvlak StationsstraatConstance Gerlingsstraat en het punt waar de toerit van de onderdoorgang weer op maaiveldniveau komt. Binnen de ruimte die is opgenomen in het bestemmingsplan is een verkeersveilige oplossing te realiseren. In de uitwerking wordt ook een integrale veiligheidsaudit uitgevoerd. Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect hellingspercentage, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. Hierin is onderbouwd op basis van welke gegevens de opgenomen hellingspercentages zijn gebaseerd. Hieruit blijkt dat het hellingspercentage gemiddeld 4% bedraagt. Dit gemiddelde hellingspercentage van 4% is als ontwerpeis opgenomen. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning dient het ontwerp van de onderdoorgang aan deze ontwerpeis te worden getoetst. In de regels van het bestemmingsplan wordt opgenomen dat het hellingspercentage van de onderdoorgang gemiddeld maximaal 4% mag bedragen.

In de planregels worden hiervoor: In artikel 2 ‘Wijze van meten’ het begrip ‘Het gemiddelde hellingspercentage’ als volgt toegevoegd: Het gemiddeld hellingspercentage

30

Een percentage dat wordt bepaald door het hoogteverschil tussen het begin en het eindpunt van een helling (inclusief overgangsbogen) te delen door de horizontale afstand tussen het begin en eindpunt van dezelfde helling, vermenigvuldigd met 100; onder artikel 8.2.2 wordt het volgende toegevoegd. Het gemiddelde hellingspercentage van het wegdek van de tunnel mag niet meer dan 4% bedragen. q. Volgens reclamant is het versterken van het lint alleen mogelijk als in bijlage 2 figuur 1 de linker situatie wordt aangehouden. Verzoek is om de rechter situatie te laten vervallen.

r.

Reclamant stelt dat er voldaan moet worden aan de ‘Ladder voor Duurzame Verstedelijking’. Er is sprake van meerder woningbouwlocaties.

De beide door reclamant aangehaalde herinrichtingsprincipes zijn opgesteld om aan te geven op welke wijze de snelheid kan worden verlaagd op de Julianatraat. Ten opzichte van het moment van het opstellen van deze principes is de ingang van de tunnelbak verder naar het zuiden komen te liggen. Beide principes zijn op basis van het bestemmingsplan nog steeds mogelijk. In de uitvoering wordt beslist welke inrichting er definitief in dit gebied gekozen gaat worden. Het klopt dat er sprake is van meerdere woningbouwlocaties. In paragraaf 3.1.3 van de toelichting van het bestemmingsplan komt toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking aan bod. Hierin zijn de woningbouwlocaties gezamenlijk beschouwd. In deze toetsing is de planologische toename aan woningen, die voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt, beschouwd. Het aantal nieuwbouwwoningen dat met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt bedraagt maximaal 29. Met voorliggend bestemmingsplan worden echter ook 18 bestaande bouwtitels geschrapt. Zodoende is sprake van een toename aan woningen van 11 woningen. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling is ingevolge jurisprudentie bepaald dat vanaf 12 woningen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die getoetst dient te worden aan de Ladder. In het bestemmingsplan worden 11 extra woningen mogelijk gemaakt ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan.

De ontwikkelingen zijn hiermee niet ladderplichtig.

31

s. Reclamant vraagt naar de oplossing van het college om de volgens reclamant ongunstigere uitgangssituatie ten aanzien van ‘sociale aspecten’ door de grotere onderdoorgang vanwege de snelfietsroute te onderbouwen.

t.

Reclamant verzoekt het onderzoek verkeersveiligheid nogmaals uit te voeren omdat het in de huidige situatie onvolledig is. De onderdoorgang is onderzocht exclusief het kruispunt Constance Gerlingsstraat en bijbehorende fietspaden in dat gebied. Hierdoor ontstaat een mogelijk gevaarlijke situatie.

u. Reclamant stelt dat het verkeersonderzoek met een verschillend aantal voertuigen rekent, vanwege het ontbreken van de nieuwbouwwoningen die in het plangebied worden gerealiseerd en de ontwikkeling van Leystromen in de militaire wijk wordt daarom niet betrouwbaar geacht. Het verzoek is om een nieuwe berekening te maken met een reëel aantal verkeersvoertuigen.

Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect inrichting gebied en verkeersveiligheid, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. Hoewel de onderdoorgang ook onder de snelfietsroute door gaat, is het totaal naar de mening van het college wel sociaal veiliger. Tussen de onderdoorgang onder de snelfietsroute en de spooronderdoorgang is een grote opening zichtbaar, waardoor licht en ruimtelijke beleving mogelijk is en niet leidt tot een gevoel van sociale onveiligheid. Een aaneengesloten brede onderdoorgang creëert over het algemeen een gevoel van sociale onveiligheid. Daarvan is in dit geval geen sprake. Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect inrichting gebied en verkeersveiligheid, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. Het kruisingsvlak Stationsstraat/Constance Gerlingsstraat wordt in de uitwerkingsfase nader gedetailleerd als dat nodig is, niet in het bestemmingsplan. Er wordt gezorgd voor voldoende ruimte tussen kruisingsvlak Stationsstraat- Constance Gerlingsstraat en het punt waar de toerit van de onderdoorgang weer op maaiveldniveau komt. Binnen de ruimte die is opgenomen in het bestemmingsplan is een verkeersveilige oplossing te realiseren. In de uitwerking wordt ook een integrale veiligheidsaudit uitgevoerd.

Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect Verkeer Intensiteiten autoverkeer, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. Op basis van de landelijke kencijfers is afzonderlijk van deze ontwikkeling de specifieke verkeersgeneratie van het project Rijen-Zuid van Woonstichting Leystromen berekend. Het gaat in totaal om 19 extra voertuigbewegingen. Deze zijn verantwoord in onderstaande tabel.

32

v. Reclamant is van mening dat er voor de berekening van het fiets parkeren geen rekening is gehouden met de innovaties die hebben plaatsgevonden op het gebied van fietsen. w. Reclamant stelt dat het niet te achterhalen is of het spoor ook is meegenomen in het aspect luchtkwaliteit. Verzoek om een aanvullend rapport waarbij ook de toegenomen spoorcapaciteit is meegenomen.

x. Volgens reclamant is het onderzoek naar externe veiligheid niet compleet. De hogedruk gastransportleiding welke van oost naar west parallel aan het spoort loopt dient te worden verplaatst. Er is volgens reclamant geen onderzoek gedaan naar de effecten voor het milieu als de tunnel de hogedruk transportleiding doorkruist. Reclamant is van mening dat het besluit om geen milieueffectrapportage op te stellen onjuist is.

Extra verkeersbewegingen naar aanleiding van autonome ontwikkelingen zijn in de autonome groei van het verkeersmodel opgenomen en daarmee meegenomen in de uitgevoerde doorrekening voor de stationsomgeving Rijen. Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect Parkeren en fietsparkeren, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn alleen de effecten inzichtelijk gemaakt van de planologische wijzigingen ten opzichte van de achtergrondsituatie/bestaande situatie. De ontwikkelingen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, voorzien onder andere in een spoorwegonderdoorgang, de herinrichting van de stationsomgeving en woningbouw. Er is, als gevolg van de beoogde planologische wijzigingen, geen sprake van een toename aan railverkeer. Bestaande bronnen, inclusief de bijbehorende autonome groei, zoals het railverkeer, zijn in het luchtkwaliteitsonderzoek niet meegenomen. De leiding van Gasunie die bedoeld wordt (met kenmerk Z-520-01) is buiten bedrijf gesteld. Dit is bevestigd in een reactie door de Gasunie. Dat betekent dat deze leiding niet meer gebruikt wordt voor transport van gevaarlijke stoffen. Om deze reden is de leiding niet beoordeeld op eventuele effecten. De leiding is abusievelijk nog wel opgenomen op de verbeelding en in de planregels van het ontwerpbestemmingsplan.

In het vast te stellen bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ verwijderd uit de planregels en de verbeelding.

33

y. Naar aanleiding van verschillende gesprekken met de gemeente is reclamant van mening dat het besluit om geen m.e.r. beoordeling te laten plaatsvinden tegenstrijdig is met de informatie van de gemeente waarbij wordt aangegeven dat er een aanvullend onderzoek nodig is om de invloed van bouwen rondom de Gilze Rijenbreuk te kunnen bepalen.

z. Volgens reclamant zal het nieuwe voorstel waarbij een gescheiden rijbaan wordt gerealiseerd niet voldoen aan de definitie van een veilige erftoegangsweg. Ook de in/uitrit ter hoogte van Julianastraat 110 wordt onveilig geacht.

Tevens is contact geweest met Enexis. Zij zijn leidingbeheerder van gasleidingen in het plangebied. Deze leidingen zijn echter van beperkte omvang en hebben een druk lager dan 16 bar waardoor geconcludeerd dient te worden dat deze leidingen geen relevante leidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. De leidingen zijn daarmee geen relevante risicobronnen vanuit het aspect externe veiligheid. In de notitie over de Gilze-Rijenbreuk wordt geconcludeerd dat door enkele relatief eenvoudige maatregelen te treffen, wordt voorkomen dat de waterkerende werking van de breuk wordt weggenomen. Hiermee wordt het bestemmingsplan op dit punt uitvoerbaar geacht. In het kader van het realiseren van de onderdoorgang dient inderdaad nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de exacte aard van de te nemen maatregelen in relatie tot de Gilze-Rijen breuk. Dit onderzoek is noodzakelijk in het kader van de manier van realisatie en heeft geen invloed op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Uitvoeringsaspecten komen over het algemeen niet aan bod in bestemmingsplannen. Toetsing van de uitvoeringsaspecten gebeurt in het kader van de omgevingsvergunning.

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan worden opgemaakt dat er geen significante negatieve milieueffecten te verwachten zijn en dat het doorlopen van een m.e.r.-procedure niet noodzakelijk is. Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect inrichting gebied en verkeersveiligheid, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. Het op 3 november 2021 gepresenteerde inrichtingsprincipe van de Julianastraat is een ontwerpschets en ziet op de uitvoering. De wijze van uitvoering wordt in het bestemmingsplan niet gedetailleerd, het bestemmingsplan maakt de benodigde functies mogelijk. Het ontwerp

34

aa. Volgens reclamant heeft het verkeersonderzoek van Antea Group 393 voertuigen minder in de berekeningen zitten. De ingevoerde verkeersstromen komen in verschillende onderzoeken niet overeen. Het is voor reclamant onduidelijk of de tunnel van de ene niet de andere beïnvloedt. Het onderzoek wordt onzorgvuldig geacht.

wordt binnen de begrenzingen van het bestemmingsplan nader uitgewerkt in overleg met bewoners en betrokken partijen. Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect intensiteiten autoverkeer, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. In 2018-2019 is door Accent een verkeerstelling uitgevoerd. Door reclamant wordt het modelcijfer vergeleken met deze telling. Het cijfer uit het model is echter van het prognosejaar 2026. Dit prognosejaar bevat ook de gevolgen van de aan te leggen onderdoorgang bij de N631. Voor het onherroepelijke bestemmingsplan N631 is ook een berekening uitgevoerd over de verkeerseffecten van de onderdoorgang van de N631. Uit dit onderzoek en uit het onderzoek van Accent blijkt dat de onderdoorgang bij de N631 ervoor zorgt dat de Julianastraat/Stationsstraat rustiger wordt. Het onderzoek van de N631 gaat uit van een afname van ongeveer 18%. Wanneer de verkeerstelling en het onderzoek van de stationsomgeving Rijen naast elkaar worden gelegd, rekening houdend met de autonome groei en de afname door de N631, kan gesteld worden dat de verkeerscijfers van het onderzoek stationsomgeving Rijen in lijn liggen met de daadwerkelijke situatie op straat.

Als er enkel wordt gekeken naar de situatie zonder onderdoorgang Stationsomgeving en onderdoorgang N631 worden in 2022 5.474 motorvoertuigen per etmaal voor een gemiddelde weekdag verwacht op de Stationsstraat/Julianastraat. Dit is ook in lijn met de tellingen en de prognoses. Het verschil tussen de verkeerscijfers van het bestemmingsplan N631 en de stationsomgeving Rijen ontstaan op een aantal verschillende punten. Belangrijk om te constateren is dat voor beide onderzoeken beide projecten zijn opgenomen als autonome ontwikkeling. In de

35

bb. De verkeerscijfers die zijn aangeleverd door de gemeente Gilze en Rijen voor het richtjaar 2026 zijn niet vermeld in het luchtkwaliteitsonderzoek. Reclamant vraagt inzicht in deze gegevens zodat deze geverifieerd kunnen worden. cc. Reclamant stelt dat het stationsgebouw binnen 8 meter vanuit het midden van het spoor is gelegen en dat dit binnen de risicocontour ligt waardoor er niet wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico (Bijlage 7, Toelichting).

dd. Reclamant stelt dat het niet te achterhalen is of het spoor ook is meegenomen in het stikstofdepositieonderzoek. Verzoek om een aanvullende rapportage waarin ook de fijnstof/stikstof van de toenemende capaciteit van het spoor wordt meegenomen.

verkeerscijfers van stationsomgeving Rijen is de onderdoorgang N631 opgenomen en in het onderzoek van de onderdoorgang N631 is de stationsomgeving Rijen meegenomen. In beide memo’s is beschreven in welk prognosejaar het andere project is meegenomen. Het eerste verschil is dat de memo van de N631 weekdaggemiddelde kent en die van de stationsomgeving Rijen werkdaggemiddelde. Werkdaggemiddelden zijn hoger dan weekdaggemiddelden en relevant voor verkeerskundige onderzoeken. Weekdaggemiddelden worden vaak voor milieukundige onderzoeken toegepast. Het tweede verschil is dat er verschillende prognosejaren met elkaar vergeleken worden die door autonome groei en invloeden van andere projecten niet direct met elkaar vergelijkbaar zijn. Wel kan duidelijk de autonome groei in de cijfers teruggelezen worden, namelijk de verkeerscijfers van 2022 zijn lager dan de verkeerscijfers van 2026. De verkeerscijfers zijn als bijlage 1 bij het luchtkwaliteitsonderzoek (bijlage 6 bij de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan) opgenomen.

De contour van 8 meter is gemeten op de wettelijk vastgestelde meetwijze. Deze meetwijze luidt: vanuit het midden tussen de buitenste sporen van de spoorbundel voor het doorgaande verkeer. Gemeten vanuit het midden tussen de buitenste sporen van de spoorbundel, ligt het stationsgebouw (met het bouwvlak) niet binnen deze contour van 8 meter. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico. In het stikstofdepositieonderzoek zijn alleen de effecten inzichtelijk gemaakt van de planologische wijzigingen. De ontwikkelingen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, voorzien onder andere in een spoorwegonderdoorgang, de herinrichting van de stationsomgeving en woningbouw. Er is, als gevolg van de beoogde planologische wijzigingen, geen sprake van een toename van railverkeer. Bestaande bronnen, zoals het railverkeer, zijn in het stikstofdepositieonderzoek niet meegenomen.

36

ee. Reclamant stelt dat de verbeelding strijdig is met de op 4 juni 2020 vastgestelde gebiedsvisie. Hierin wordt de eis gesteld dat in aansluiting op het beeld van het lint de bouwhoogte hier maximaal 2 bouwlagen met (bewoonbare) kap toegestaan is. Er wordt niet aan deze voorwaarde voldaan.

In figuur 2.19 van de toelichting is een mogelijke invulling van de zuidwest kwadrant opgenomen. Hierin is te zien dat de bebouwing parallel langs de Julianastraat bestaat uit twee lagen met een kap. Hiermee wordt dus aangesloten op het bepaalde in de gebiedsvisie d.d. 6 april 2020. Ook in de regels van het bestemmingsplan is rekening gehouden met maximaal 2 bouwlagen met een kap. In de regels is opgenomen dat het betreffend woonblok een maximum bouwhoogte van 11,5 meter mag hebben. In artikel 15.2.2, lid i is de bepaling opgenomen dat ieder hoofdgebouw afgedekt dient te worden door een dakvlak met een helling tussen de 48° en 55°. Dit houdt in dat de maximale invulling van het zuidwest kwadrant bestaat uit twee bouwlagen met een kap. Een hoofdgebouw met drie bouwlagen en een plat dak is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan.

Conclusie: Deze zienswijze leidt vanwege onderdelen d, e, f, l, p en x tot aanpassing van het bestemmingsplan, zie verder onderdeel C van deze nota.

37

7.

Indiener onder 7

Reclamant stelt dat er geen rekening is gehouden met een alternatieve looproute (met name voor mensen met een lichamelijke beperking of anderszins beperkt zijn in het gebruik van trappen) om aan de andere kant van het spoor te komen bij uitval van één of beide perronliften, dan de trappen.

Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect inrichting gebied en verkeersveiligheid, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. Gebruikers van de onderdoorgang die niet met de trap kunnen, maken gebruik van de liften. Voor een andere oplossing (hellingbaan) is fysiek geen ruimte. Het beheer van de liften ligt bij ProRail. Bij het bouwen van liftinstallaties voor stations contracteert ProRail altijd 20 jaar volledig onderhoud mee. In het contract is een uitgebreide eisenset aan hersteltijden en beschikbaarheid, deze is afhankelijk van de aard van de storing en het belang van het functioneren van de lift.

Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

8.

Indiener onder 8

a. Reclamant stelt dat er geen sprake is van goede participatie. De informatie avonden zijn volgens reclamant voor maar weinig mensen toegankelijk. Het delen van de ontwikkelingsplannen loopt via de plaatselijke krant, via mail, via de website en via een gemeentefolder die is niet in de gehele straat uitgedeeld aldus reclamant. De communicatie is niet eenduidig en zeer lastig te vinden.

Reclamant verwijst in de zienswijze naar een bijeenkomst van 3 november 2021. Dit betrof een bijeenkomst – ‘werkatelier’ – met de bewonerswerkgroep Rijen Zuid/ Militaire wijk over de in- en uitrit van de Militaire wijk en de aansluiting op de Julianastraat, waarbij een afvaardiging van twee bewoners uit de Julianastraat Oostzijde aansloten om alvast mee te kijken en input te geven vanuit de oostzijde. Op de persoonlijke uitnodiging van de gemeente hebben twee bewoners gereageerd en aangegeven hieraan deel te willen nemen. Daarna heeft een digitale bijeenkomst op 15 december 2021 plaatsgevonden voor alle bewoners uit de Stationsomgeving waaronder de Julianastraat. Voor het bestemmingsplan ‘Stationsomgeving Rijen’ geldt, dat de omgeving volgens de wettelijk voorgeschreven wijze is betrokken bij de planvorming. In de Nota van inspraak

38

b. Reclamant stelt een vraag over het aantal parkeervakken. De hoeveelheid in de huidige en nieuwe situatie is onduidelijk. c. Ook is er onduidelijkheid over de ontsluiting van het achterliggende verkeer van de Karel Doormanstraat, Atalanta en de West zijde van Rijen.

en vooroverleg is beschreven hoe de gemeente alle bewoners en overige betrokkenen bij het project Stationsomgeving Rijen heeft betrokken en heeft geïnformeerd. Het aspect parkeren wordt getoetst bij de aanvraag van de omgevingsvergunningen aan het op dat moment geldende gemeentelijke beleid ten aanzien van parkeernormen Op dat moment wordt de definitieve parkeerbehoefte en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bepaald conform artikel 26.1 van de planregels. Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect inrichting gebied en verkeersveiligheid, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. Deels betreft dit een uitwerking die plaatsvindt binnen de ontwikkeling van Rijen-Zuid. Om beide ontwikkelingen integraal te beschouwen hebben meerdere werkateliers met de werkgroep Rijen Zuid/Militaire wijk plaatsgevonden o.a. op 8 september en 3 november 2021, zie reactie hiervoor onder a.

d. Reclamant stelt dat de gemeente via voorschriften en verbindingen een beter draagvlak met de bewoners had kunnen realiseren. De vergunning wordt nu goedgekeurd, zonder dat bewoners in hebben kunnen zien wat het voornemen inhoudt.

e. Reclamant stelt dat meer dan 80% van het verkeer van buiten het dorp Rijen komt. f. Reclamant stelt dat de veiligheid niet kan worden geborgd in het huidige plan en roept op de vergunning te weigeren.

In algemene zin geldt, dat de wijze van uitvoering in een bestemmingsplan niet wordt gedetailleerd, het bestemmingsplan maakt de benodigde functies mogelijk. Het ontwerp wordt binnen de begrenzingen van het bestemmingsplan nader uitgewerkt in overleg met bewoners en betrokken partijen. Voorliggend bestemmingsplan vormt het kader waaraan omgevingsvergunningen getoetst dienen te worden. Met voorliggend ontwerpbestemmingsplan worden geen omgevingsvergunningen goedgekeurd of verleend. De aanvragen van omgevingsvergunningen doorlopen, na vaststelling van het bestemmingsplan, een eigen procedure. Dat draagvlak voor de onderdoorgang mist, wordt door reclamant niet onderbouwd. Deze stelling wordt door reclamant niet nader geduid of gemotiveerd. Onduidelijk is welk punt reclamant hiermee bedoelt te maken. De wijze van uitvoering wordt is in een bestemmingsplan niet gedetailleerd, het bestemmingsplan maakt de benodigde functies mogelijk. Het ontwerp wordt binnen de begrenzingen van het bestemmingsplan nader uitgewerkt in overleg met bewoners en betrokken partijen. Met voorliggend ontwerpbesluit worden dus geen omgevingsvergunningen goedgekeurd of verleend. De aanvragen van

39

omgevingsvergunningen doorlopen, na vaststelling van het bestemmingsplan, een eigen procedure. Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

9.

Indiener onder 9

a. Reclamant stelt dat een onderbouwing ontbreekt waarom niet alle punten in het nationaal beleid van het Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk (SVIR) van toepassing zijn.

Paragraaf 3.1.1 van de toelichting van het bestemmingsplan wordt met onderstaande tekst aangevuld.

b. Reclamant stelt dat de onderbouwing van het provinciaal beleid te algemeen is, er wordt niet echt aan de beleidsstukken getoetst. Reclamant stelt dat de

Toetsing aan het relevant provinciaal beleid vindt op de gebruikelijke manier plaats. De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant en de Omgevingsvisie NoordBrabant hebben een doorwerking in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

De nationale belangen 5, 6 en 7 in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zien op het verbeteren van de bereikbaarheid: slim investeren, innoveren en in stand houden. De beoogde planologische wijzigingen betreffen geen wijzigingen van de hoofdspoorlijn (hoofdnetwerk), maar zien onder andere in het mogelijk maken van een spoorwegonderdoorgang, de herinrichting van de stationsomgeving en woningbouw. Hierdoor zijn deze nationale belangen niet relevant. Een gelijkvloerse overgang wordt ongelijkvloers gemaakt. Daarnaast wordt het bestaande hoofdnetwerk in stand gehouden. Nationaal belang 8 luidt ‘verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s’. In het kader van dit bestemmingsplan zijn alle relevante milieuaspecten, waaronder luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, water, geluid en externe veiligheid, zorgvuldig onderzocht. In hoofdstuk 4 van de toelichting worden deze onderzoeken nader toegelicht en worden de effecten van de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Nationaal belang 11 luidt ‘ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten’, dit is decentraal geborgd in de Interim omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant. Het plangebied is niet gelegen binnen het Nationaal Natuurnetwerk (NNN)/Natuur Netwerk Brabant (NNB).

40

ontwikkeling niet bijdraagt aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, dat de kwaliteit van de fysieke leefomgeving voor de woningen rondom de tunnel achteruit gaat, terwijl er onvoldoende positieve effecten door de komst van de tunnel hier tegenover staan. c. Het fietsverkeer heeft meer baat bij het handhaven van de huidige situatie dan de aanleg van de tunnel volgens reclamant. d. Volgens reclamant wordt het fiets- en voetgangersverkeer niet gestimuleerd en wordt het een onveiligere en minder toegankelijke situatie. e. Volgens reclamant is er geen gedegen verkeersonderzoek uitgevoerd, de veiligheid wordt hierin onvoldoende besproken. f. Reclamant mist aandacht in de toelichting over de toename in verkeersintensiteit.

g. Reclamant stelt dat de rijbaan onvoldoende breed is voor een menging van verschillende soorten verkeersgebruikers, dit is erg gevaarlijk.

De interim omgevingsverordening heeft tevens ook een doorwerking op de milieuaspecten. Dat er met het voornemen onvoldoende positieve effecten op de fysieke leefomgeving zijn, wordt door de gemeente niet onderschreven. Ook voor de woning van reclamant zijn positieve effecten te benoemen, zoals een afname aan geluidoverlast op de woning en minder doorgaand verkeer langs de woning. De gemeente deelt dit standpunt niet. Door de aanleg van de onderdoorgang heeft het fietsverkeer geen hinder vanwege oplopende dichtligtijden vanwege de autonome ontwikkeling van hoogfrequenter spoorverkeer. Bovendien is ongelijkvloers kruisen van een overweg veiliger dan gelijkvloers. Op dit punt is al ingegaan bij de reactie onder punt c.

Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect inrichting gebied en verkeersveiligheid, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect inrichting gebied en verkeersveiligheid, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. Er is geen toename van verkeer. De toekomstige verkeersgeneratie is meegenomen in de verkeerscijfers in het onderzoek. Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect inrichting gebied en verkeersveiligheid, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. In september 2019 heeft de raad besloten over de voorkeursvariant van de onderdoorgang met als uitgangspunt de inrichting van de onderdoorgang als woonstraat. Daaraan ten grondslag lag onder meer de verkeerskundige beoordeling door Accent Adviseurs. Het rapport van Accent geeft aan dat het verwachte aantal verkeersbewegingen dat door middel van prognoses uit het verkeersmodel komt, passend is bij de functie erftoegangsweg, en dat met de voorgestelde inrichting als woonstraat daaraan wordt voldaan.

41

Het rapport van Accent is getoetst door SWOV. SWOV heeft geadviseerd om géén fietsstraat-profiel toe te passen in de tunnel, maar de tunnel in te richten als een erftoegangsweg. De breedte van een erftoegangsweg met verkeer in 2 richtingen is minimaal 4,80 m en maximaal 5,80 m (bron ASVV 2021). De breedte van de rijbaan zoals mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan voldoet aan deze waarden. Uit verkeersonderzoek op basis van het geactualiseerde verkeersmodel volgt dat de geprognotiseerde aantallen verkeersbewegingen kunnen worden afgewikkeld samen met fietsers. Bij de uitwerking wordt ervoor zorg gedragen dat de inrichting zo optimaal mogelijk is, meerdere detailuitwerkingen dragen daaraan bij, deze zijn op dit moment in het proces nog niet bekend. In de uitwerking wordt ook een veiligheidsaudit uitgevoerd. h. Reclamant geeft aan dat de parkeerbehoefte niet voldoende wordt gewaarborgd, omdat met de ontwikkeling van de onderdoorgang parkeergelegenheid verdwijnt.

Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect Parkeren en fietsparkeren, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. Voor nieuwe ontwikkelingen wordt het aspect parkeren getoetst bij de aanvraag van de omgevingsvergunningen aan het op dat moment geldende gemeentelijke beleid ten aanzien van parkeernormen, conform artikel 26.1 van de planregels. Op dat moment wordt de definitieve parkeerbehoefte en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bepaald. Het aantal parkeerplaatsen dat door de realisatie van de onderdoorgang verdwijnt, zal door de gemeente worden teruggebracht. Vanwege de realisatie van de onderdoorgang zullen 3 parkeerplaatsen in de openbare ruimte vervallen in de Stationsstraat. Deze drie parkeerplaatsen worden teruggebracht op de door de gemeente aangekochte gronden aan de Stationsstraat/Spoorlaan Noord. Hier kunnen ruim voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Reclamant heeft in de bestaande situatie de mogelijkheid twee auto’s te parkeren op eigen terrein. Deze mogelijkheid blijft bestaan na de herinrichting van de Stationsstraat. Niet valt uit te sluiten dat ter plaatse van het perceel van reclamant een beperkte aanpassing in de inrichting van het perceel zal moeten plaatsvinden.

42

i.

Reclamant is van mening dat er geen deugdelijk verkeersonderzoek is uitgevoerd en dat de conclusies met betrekking tot luchtkwaliteit nu ook niet goed zijn.

Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect Intensiteiten autoverkeer, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota.

In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn de effecten inzichtelijk gemaakt van de planologische wijzigingen ten opzichte van de achtergrondsituatie/bestaande situatie. De ontwikkelingen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, voorzien onder andere in een spoorwegonderdoorgang, de herinrichting van de stationsomgeving en woningbouw. De verkeerscijfers zijn als bijlage 1 bij het luchtkwaliteitsonderzoek (bijlage 6 bij de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan) opgenomen. Dat er geen sprake is van een deugdelijk verkeersonderzoek wordt niet door reclamant onderbouwd. j.

Met betrekking tot het aspect geluid is reclamant van mening dat het onderzoek niet volledig is omdat er alleen helikopters zijn meegenomen en geen ander vliegverkeer. Hierdoor is de gecumuleerde geluidsbelasting niet vast te stellen.

k. Reclamant stelt dat er een bemalingsadvies moet worden opgesteld voor de aanleg van de tunnel. Op dit moment is het onderzoek nog onvolledig.

l.

Reclamant stelt dat de formulering in artikel 15.5.3. van de planregels te summier is. Dit wordt als onduidelijk en onvoldoende gemotiveerd gezien, mede in relatie tot de geconstateerde bodem- en grondwaterverontreinigingen.

Geluidhinder als gevolg van luchtverkeerslawaai (zowel voor helikopters als het overige luchtvaartverkeer) is alleen relevant indien sprake is van een ontwikkeling binnen de KE-contour van de vliegbasis. Het plangebied ligt buiten de 35 Ke-contour, waardoor vliegbasis Gilze-Rijen voor wat betreft het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Gezien het feit dat de ontwikkeling niet is gelegen binnen de 35 Ke-zone, is het niet noodzakelijk dit bij de cumulatie te betrekken, zoals dit in het akoestisch onderzoek reeds gebeurd is voor weg- en spoorweglawaai. De onderzoeken die in het kader van het bestemmingsplan zijn uitgevoerd, zijn uitgevoerd ten aanzien van de beoogde planologische wijzigingen. Het opstellen van een bemalingsadvies wordt mede door het Waterschap gezien als een uitvoeringsaspect en wordt in een later stadium opgesteld en getoetst door het waterschap. De opgenomen eisen tot waterberging van 7 liter per m2 voor vervanging van verharding en 60 liter per m2 voor de toename in verharding komen uit het gemeentelijk beleid (Gemeentelijk Rioleringsplan, verbreed GRP Gilze en Rijen 20212025). De daadwerkelijke eis tot waterberging wordt bepaald bij de aanvraag van de omgevingsvergunningen voor de woningbouwlocaties.

De opgenomen voorwaardelijke verplichting in artikel 15.5.3 bepaalt dat het realiseren van bebouwing uitsluitend is

43

toegestaan indien wordt voldaan aan een waterbergingsvoorziening van voldoende omvang. Op deze manier wordt gewaarborgd dat voorafgaande aan de realisatie voorzien wordt in voldoende waterberging.

m. Reclamant stelt dat alle aspecten ervoor zorgen dat het woongenot wordt aangetast. Reclamant wordt direct geraakt. Er wordt in het bijzonder gewezen op de ernstige vermindering van de bereikbaarheid van het perceel in de toekomstige situatie en het tijdelijk verdwijnen van de bereikbaarheid van het perceel gedurende de bouwperiode van 7 jaar.

n. Volgens reclamant is er geen sprake van de vermeende positieve invloed van het plan. De ambitie om de stationsomgeving aan de noordzijde te verbeteren wordt niet gerealiseerd. o. Reclamant betwist de uitkomsten van het natuuronderzoek ten aanzien van stikstof op Natura

Voorafgaande aan de realisatie dienen ook aanvullende werkzaamheden te worden verricht ten behoeve van de geconstateerde bodem- en grondwaterverontreinigingen in de vorm van een actualiserend onderzoek en eventuele saneringswerkzaamheden. Op dat moment is duidelijk welke capaciteit de waterbergingsvoorziening dient te hebben en kan de nadere inkadering van eventuele verontreiniging worden bepaald. Op basis van de reeds uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat de planologische wijziging uitvoerbaar is. Op dit punt wordt nader ingegaan in de algemene beschrijving van het aspect inrichting gebied en verkeersveiligheid, zoals opgenomen in onderdeel A van deze nota. De wijze van uitvoering wordt in een bestemmingsplan niet gedetailleerd, het bestemmingsplan maakt de benodigde functies mogelijk. Het ontwerp wordt binnen de begrenzingen van het bestemmingsplan nader uitgewerkt in overleg met bewoners en betrokken partijen. Voor het definitief ontwerp van de onderdoorgang (inclusief de uitvoeringsaspecten) dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Gedurende de realisatiefase zal het perceel van reclamant enkel te voet bereikbaar zijn. In het bestemmingsplan wordt een periode van 7 jaar genoemd.

Dit houdt in dat binnen de periode van 7 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan de werkzaamheden op gronden waarop de tijdelijke bestemming is gelegd uitgevoerd dienen te zijn. Dit betekent dat de werkzaamheden ergens in de periode van 7 jaar plaats zullen vinden. De daadwerkelijk realisatiefase zal aanzienlijk korter zijn, waarschijnlijk 2 jaar. Bij de werkzaamheden wordt overlast tot een minimum beperkt. De gemeente is wel van mening dat de aanleg van de onderdoorgang en de herinrichting van het stationsgebied een positieve invloed heeft op aspecten van veiligheid, leefbaarheid en mobiliteit. Deze opmerking wordt verder voor kennisgeving aangenomen. In het stikstofdepositieonderzoek zijn alleen de effecten inzichtelijk gemaakt van de planologische wijzigingen. Het uitgevoerde onderzoek is in lijn uitgevoerd met de

44

2000-gebieden. Onduidelijk is of de gebruikte rekenmethode juist en zorgvuldig is geweest. p. Reclamant vindt het opmerkelijk dat het flora en faunaonderzoek in de winter is uitgevoerd en geeft aan dat dit geen representatief beeld kan opleveren. Volgens reclamant is een Wnb ontheffing op dit moment niet voorhanden en is onduidelijk of deze daadwerkelijk verkregen kan worden.

handreiking van BIJ12. In hoofdstuk 3 van het onderzoek zijn de uitgangspunten van het stikstofdepositieonderzoek opgenomen. Het uitgevoerde onderzoek sluit aan op de uitgangspunten van het voornemen. Het veldbezoek dat voor de quickscan voor de Wet natuurbescherming is uitgevoerd heeft op 4 en 5 februari 2021 plaatsgevonden. Op het moment dat het veldbezoek is uitgevoerd, zijn inderdaad niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aan- of afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratierouten aan hun leefomgeving stellen, vergeleken met en getoetst aan de situatie in het veld. Daarnaast zijn meerdere gebouwen, in totaal acht gebouwen (zowel woningen als bedrijfspanden) inpandig onderzocht op het voorkomen van gebouwbewonende soorten als vleermuizen en steenmarter. Voor de aanwezige reptielen en amfibieën zijn aanwezige landschapselementen als open plekken, groenstructuren en watergangen bekeken op hun potentie en aanwezigheid van exemplaren. Voor planten is gelet op de vegetatiestructuur en de abiotische omstandigheden van de groeiplaats.

Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied.

q. Reclamant is van mening dat er ten onrechte geen m.e.r. is opgesteld.

Op basis van de quickscan is voor een aantal soorten een aanvullend onderzoek uitgevoerd waarbij per soort gehandeld is conform de daarvoor geldende protocollen en kennisdocumenten. Hiervoor zijn aanvullend diverse bezoeken gebracht aan het plangebied. Voor een ontheffing op grond van de Wnb is een aparte procedure nodig, voor het bestemmingsplan is van belang of op grond van de onderzoeksrapporten de conclusie gerechtvaardigd is dat een ontheffing uiteindelijk verkregen zal kunnen worden. Daarvan is hier sprake. De onderzoeken die in het kader van het bestemmingsplan zijn uitgevoerd, voor onder andere de aspecten ecologie en verkeer, zijn uitgevoerd ten aanzien van de beoogde planologische wijzigingen. Op basis van deze uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat de planologische wijzigingen uitvoerbaar zijn, dat er geen

45

r.

Reclamant stelt dat het cultuurhistorisch lint wordt ‘doorgeknipt’, hierover staat ten onrechte niets vermeld in het plan.

s. Reclamant betwist of de archeologische waarden in de bodem worden aangetast. De impact van het plan is nog niet bekend.

t.

Reclamant stelt dat het ontbreken van de ontheffing om bij de gasleiding te bouwen het plan in de weg staat. Daarnaast is het volgens reclamant onduidelijk welke andere leidingen er in het plangebied liggen.

significante negatieve milieueffecten te verwachten zijn en het doorlopen van een m.e.r.-procedure niet noodzakelijk is. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunningen worden de uitvoeringsaspecten getoetst. In het raadsbesluit van 12 november 2018 is gekozen voor het zogenaamde ‘westelijke tracé’ voor de onderdoorgang. Hiermee wordt gedoeld op de keuze die moest worden gemaakt tussen ruimte creëren aan de west- of oostzijde van de Julianastraat voor het inpassen van de onderdoorgang. Hiervoor is door Houtman+Sander een stedenbouwkundige onderbouwing gegeven. Om meerdere redenen is de voorkeur gegeven aan het westelijke tracé, waaronder de mogelijkheid het historisch lint in de bebouwing te versterken. Dit historisch lint was aan de oostzijde in de rooilijn verder doorgezet dan aan de westzijde van de Julianastraat (na de Karel Doormanstraat ligt de rooilijn aan de westzijde van de Julianastraat verder terug). De uitgangspunten om te kiezen voor het westelijke tracé zijn met het bestemmingsplan niet verlaten. Er is geen sprake van ‘doorknippen’ van het cultuurhistorisch lint. Archeologische waarden worden beschermd door de opgenomen archeologische dubbelbestemming.

Indien uit archeologisch onderzoek, dat in het kader van de vergunningaanvraag wordt uitgevoerd, blijkt dat nader onderzoek of vervolgacties (het opstellen van een Programma van Eisen) ten aanzien van eventuele archeologische vindplaatsen noodzakelijk zijn, dienen deze voor de aanvraag van de omgevingsvergunning te worden uitgevoerd. De archeologische waarden worden hiermee voldoende beschermd. De leiding van Gasunie die bedoeld wordt (met kenmerk Z-520-01) is buiten bedrijf gesteld. Dit is bevestigd in een reactie door de Gasunie. Dat betekent dat deze leiding niet meer gebruikt wordt voor transport van gevaarlijke stoffen. Om deze reden is er geen sprake van verlegging en is de leiding niet beoordeeld op eventuele effecten. De leiding is abusievelijk nog wel opgenomen op de verbeelding en in de planregels van het ontwerpbestemmingsplan. In het vast te stellen bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ verwijderd uit de planregels en de verbeelding. Tevens is contact geweest met Enexis. Zij zijn leidingbeheerder van gasleidingen in het plangebied. Deze leidingen zijn echter van beperkte omvang en hebben een druk lager dan 16 bar waardoor geconcludeerd dient te worden dat deze leidingen geen relevante

46

u. reclamant stelt dat het duidelijk is dat de feitelijke uitvoerbaarheid van het plan niet vaststaat. Er ontbreken nog te veel ontheffingen/kennis. Ook stelt reclamant dat er geen enkel maatschappelijk draagvlak voor het plan is. De feitelijke bruikbaarheid van de onderdoorgang voor hulpverleningsvoertuigen wordt door reclamant tevens in twijfel gebracht.

v. Reclamant stelt dat de tijdelijke verkeersbestemming op het perceel voor een ernstige inbreuk op het eigendomsrecht zal zorgen. Het tijdelijke gebruik van 7 jaar wordt in twijfel getrokken en niet noodzakelijk geacht. Reclamant stelt dat er geen toestemming voor gegeven zal worden. w. Reclamant wijst erop dat de samenwerkingsovereenkomst en de bestuursovereenkomst niet ter inzage zijn gelegd, dit moet wel volgens artikel 3:11 Awb. Zonder deze stukken kan de economische en financiële uitvoerbaarheid niet worden getoetst. x. Reclamant vindt het onduidelijk of er een planschaderisicoanalyse is uitgevoerd. Is er voldoende dekking voor het betalen van de planschade. Er is volgens reclamant nu al sprake van budgetoverschrijding.

leidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. De leidingen zijn daarmee geen relevante risicobronnen vanuit het aspect externe veiligheid. Voorliggend bestemmingsplan vormt het kader waaraan omgevingsvergunningen getoetst dienen te worden. De wijze van uitvoering wordt in een bestemmingsplan niet uitgedetailleerd, het bestemmingsplan maakt de benodigde functies mogelijk. Het ontwerp wordt binnen de begrenzingen van het bestemmingsplan nader uitgewerkt in overleg met bewoners en betrokken partijen. Over het gebruik van de onderdoorgang door de brandweer is overleg met de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant geweest. De Veiligheidsregio heeft aangegeven dat bij de toekomstige verdeling van materieel de Veiligheidsregio rekening houdt met de doorrijhoogte van de onderdoorgang in Rijen. Dat draagvlak voor de onderdoorgang mist, wordt door reclamant niet onderbouwd. De inschatting is dat de tunnel aanzienlijk sneller gerealiseerd wordt dan deze 7 jaar. Er is echter een ruime termijn opgenomen, waarbinnen vast staat dat alles wordt gerealiseerd. De tijd dat daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de strook grond is dus aanzienlijk korter en wordt in de uitvoering zo veel mogelijk beperkt tot het maximaal noodzakelijke. Zie ook reactie onder m.

De bestuursovereenkomst is een openbaar stuk en kan dus voor eenieder worden gevonden.

In opdracht van de gemeente is door SAOZ een risicoanalyse planschade en nadeelcompensatie, op basis van het voorontwerpbestemmingsplan, gemaakt. Deze risicoanalyse is openbaar gemaakt, maar is geen onderzoek dat als bijlage aan het bestemmingsplan wordt toegevoegd. De risicoanalyse is bedoeld om de gemeente globaal inzicht te geven in de bandbreedte van eventuele planschade en/of nadeelcompensatie, waarmee in financiële zin rekening gehouden dient te worden.

47

y. Volgens reclamant zijn alternatieve mogelijkheden onvoldoende onderzocht. Dit duidt op een onzorgvuldige besluitvorming.

Ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid staan de gemeente Gilze en Rijen, het Rijk en de Provincie Noord-Brabant garant voor de uitvoering van het project. Het bestemmingsplan is hiermee economisch uitvoerbaar. Er zijn wel degelijk alternatieven overwogen. De raad heeft op 9 juli 2018 een besluit genomen voor de onderdoorgang in de Julianastraat-Stationsstraat als voorkeursalternatief, naar aanleiding van een integrale planstudie die in 2017 is gestart samen met het ministerie, de provincie en ProRail. Eerder was al de inpassing onderzocht van een onderdoorgang in het verlengde van de Haansbergseweg, deze was op die locatie niet inpasbaar. Met de voorkeursvariant op de huidige locatie kan het beste tegemoet worden gekomen aan de verschillende samenkomende aspecten en belangen waaronder de ambities van de gemeente Gilze en Rijen ten aanzien van het gebied rondom het station en het spoor, het instandhouden van de Rijense as in zowel stedenbouwkundig, ruimtelijk en verkeerskundig opzicht, de effecten voor dichtligtijden vanwege het Programma Hoogfrequent Spoor, het aspect veiligheid vanuit het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen en te treffen geluidmaatregelen langs het spoor vanuit het MJPG.

Conclusie: Deze zienswijze leidt vanwege onderdelen n en t tot aanpassing van het bestemmingsplan, zie verder onderdeel C van deze nota. 9a. Indiener onder 9 De door indiener onder 9 ingediende zienswijze 9a is identiek aan de ingediende zienswijze 9.

Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt derhalve verwezen naar de beantwoording van de zienswijze onder 9.

Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

10. Indiener onder 10 a. Reclamant geeft aan dat er niet zozeer bezwaren zijn tegen de planologische ontwikkeling die mogelijk wordt

Voor het bestemmingsplan zijn trillingsonderzoeken uitgevoerd. In de onderzoeken zijn de effecten inzichtelijk gemaakt die de planologische wijzigingen hebben ten opzichte

48

gemaakt, maar tegen de mogelijke impact die de uitvoering van het project voor de woon- en leefomgeving kan betekenen. Reclamant ervaart namelijk nu reeds hinder (trillingen) vanwege het toegenomen treinverkeer.

van de huidige situatie. De ontwikkelingen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, voorzien onder andere in een spoorwegonderdoorgang, de herinrichting van de stationsomgeving en woningbouw. Er is, als gevolg van de beoogde planologische wijzigingen, geen sprake van een toename aan railverkeer. De problematiek rondom de trillingen van het spoor heeft de uitdrukkelijke aandacht van de gemeente. In dit bestemmingsplan is enerzijds gekeken welke impact een onderdoorgang heeft op deze trillingen voor bestaande woningen en anderzijds welke impact de trillingen hebben op de nieuw te realiseren woningen. Uit het door Level acoustiscs & vibrations uitgevoerde nader onderzoek naar het aspect trillingshinder (rapport 'Detailberekening Spoorzone Rijen' (kenmerk: LA.200507.R02) d.d. 2 september 2021) is gebleken dat bij nagenoeg alle woningen, waaronder de woning van reclamant, als gevolg van de onderdoorgang sprake is van een afname van het trillingsniveau. Ten aanzien van trillingen/hinder in het kader van de uitvoering geldt, dat voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden door de aannemer die de werkzaamheden gaat uitvoeren een nulmeting uitgevoerd zal worden in verband met het na uitvoering van de werkzaamheden kunnen vaststellen van eventuele schade als gevolg van de werkzaamheden.

Schade aan woningen en/of hinder als gevolg van de werkzaamheden wordt zoveel mogelijk voorkomen. Dit wordt gemonitord door de aannemer tijdens de werkzaamheden. Dit betreft verder een uitvoeringsaspect. Uitvoeringsaspecten komen over het algemeen niet aan bod in bestemmingsplannen.

b. Reclamant sluit aan bij de zienswijze van indiener onder 1: - Reclamant is van mening dat de conclusie die wordt getrokken in de vormvrije m.e.r. beoordeling tegenstrijdig is met het feit dat er wordt aangegeven dat er aanvullend onderzoek nodig is om de invloed van bouwen rondom de Gilze-Rijenbreuk te kunnen bepalen. Er wordt gesteld dat dit aspect niet voldoende onderzocht is. Reclamant stelt dat de

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1

49

-

-

economische uitvoerbaarheid niet aangetoond is door het onvolledige onderzoek. Reclamant noemt dat ook de hoge druk gastransportleiding beoordeeld dient te worden volgens de m.e.r. Er is geen onderzoek gedaan naar het verleggen van de hoge druk gastransportleiding, wat als onzorgvuldig wordt benoemd. Reclamant benoemt dat er ten onrechte wordt geconcludeerd dat er geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Er wordt gesteld dat er ten onrechte wordt gesteld dat een nadere beschouwing van de risicobronnen niet nodig is.

Conclusie: Deze zienswijze leidt vanwege onderdeel b (gasleiding) tot aanpassing van het bestemmingsplan, zie verder onderdeel C van deze Nota. 11. Indiener onder 11 a. Reclamant is van mening dat het terugbrengen van het aantal woningen en het aanpassen van het woningtype ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan zowel stedenbouwkundig als volkshuisvestelijk niet gewenst en niet nader onderbouwd is. Dit betreft de hoek tussen de Stationsstraat en het Stationsplein, op de plek waar twee nieuwe woningen voorzien zijn. Reclamant is reeds jaren bezig om in samenspraak met de gemeente tot een ander plan te komen en heeft op dit moment een plan gemaakt waarin zes appartementen en één grondgebonden woning beoogd zijn. Hierbij wordt het parkeren op het achtergelegen terrein opgelost. Reclamant vraagt om het meest recente bouwplan bij de vaststelling van het bestemmingsplan mee te nemen.

Het gaat hier om grond van de gemeente, in de markt zetten ten behoeve van realisatie van nieuwbouw is voorlopig niet aan de orde. Er zijn hierover ook geen afspraken gemaakt met reclamant. De gemeente dient hierbij rekening te houden met hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021;1778, Montferland). Dit betekent dat bij de verkoop van het onroerend goed mogelijke gegadigden gelijke kansen moet bieden. Terzijde: volgens jurisprudentie dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Daarvan is ten aanzien van het bouwplan, zoals geschetst in de zienswijze, geen sprake; het is niet tijdig en voorzien van een ruimtelijke onderbouwing kenbaar gemaakt, maar bovendien wijkt het af van de door de gemeente beoogde invulling.

Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

50

12. Indiener onder 12 a. Reclamant woont tegenover het spoor op korte afstand van de Stationsstraat/Julianastraat. Zij ondervinden hevige hinder van trillingsoverlast in de gehele woning.

Voor het bestemmingsplan zijn trillingsonderzoeken uitgevoerd. In de uitgevoerde onderzoeken zijn de effecten inzichtelijk gemaakt die de planologische wijzigingen hebben ten opzichte van de huidige situatie. De ontwikkelingen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, voorzien onder andere in een spoorwegonderdoorgang, de herinrichting van de stationsomgeving en woningbouw. Er is, als gevolg van de beoogde planologische wijzigingen, geen sprake van een toename aan railverkeer. De problematiek rondom de trillingen van het spoor heeft de uitdrukkelijke aandacht van de gemeente. In dit bestemmingsplan is enerzijds gekeken welke impact een onderdoorgang heeft op deze trillingen bij bestaande woningen en anderzijds welke impact de trillingen hebben op de nieuw te realiseren woningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11176342/2