22-108 Bijlage 1 - Toelichting
Tekst van het document
Beoordeling Het gemeentelijk archeologisch beleid is opgenomen en verwerkt in het vigerende bestemmingsplan “Woongebied Rijen”. De archeologische waarden zijn vastgelegd in dubbelbestemmingen. Ter plaatse van het besluitgebied zijn geen archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Archeologisch onderzoek is derhalve niet aan de orde. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
28
Gemeente Gilze en Rijen
4.6
Ecologie
4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling en conclusie Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, het ‘Ulvenhoutse Bos’, bevindt zich op circa 6,9 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.
Gezien aard, omvang en effectbereik van het voornemen en daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake. Op het aspect stikstofdepositie wordt in navolgende paragraaf ingegaan. Uit de Quickscan soortbescherming, uitgevoerd door idverde Advies in mei 2021, volgt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het NNB. In provincie Noord-Brabant is de externe werking van het NNB van toepassing. Dat betekent dat een activiteit (buiten de NNB) alleen is toegestaan als deze geen aantasting heeft op de ecologische waarden en kenmerken van het aanwezige natuurbeheertype (binnen de NNB). Het gaat hier om een naald-productiebos met als natuurbeheertype: N16.03 Droog bos met productie. Dit naald-productiebos is gelegen aan de overzijde van het spoor. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNB, waardoor ruimtebeslag op voorhand is uitgesloten. Middels externe werking kunnen de werkzaamheden als gevolg van verstoring door licht, geluid en beweging een tijdelijk negatief effect hebben op de ecologische waarden en kenmerken van het aanwezige natuurbeheertype N16.03. Hierdoor kan een beperkt deel van het bosgebied tijdelijk minder geschikt zijn voor (algemeen) voorkomende fauna, zoals broedvogels en zoogdieren.
Uit de uitgevoerde Quickscan soortbescherming is gebleken dat de werkzaamheden nabij natuurbeheertype N16.03, aan de overzijde van het spoor, geen negatieve effecten heeft op (algemeen) voorkomende fauna, zoals broedvogels en zoogdieren. Aangenomen kan worden dat er geen aantasting van het Natuur Netwerk Brabant plaatsvind en een nadere beoordeling is niet aan de orde. De volledige rapportage Quickscan soortbescherming is als bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
29
Uitsnede kaartlaag Natuur uit de kaartbank van de provincie Noord-Brabant met de ligging van het plangebied aangeduid met blauwe contour. Bron: Provincie Noord-Brabant, 2021.
4.6.2 Stikstof Toetsingskader Het plangebied is gelegen op circa 6,9 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Ulvenhoutse Bos’. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. Beoordeling Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet voegt artikel 2.9a toe aan de Wet natuurbescherming waarin staat dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw (van woningen) veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. In de realisatiefase wordt materieel ingezet dat slechts zeer tijdelijk stikstofemissie veroorzaakt.
De fossiele brandstoffen die vrijkomen tijdens de realisatiefase zullen in een korte tijd tot stikstofdepositie leiden. Het materieel dat ingezet wordt in de realisatiefase is sinds de inwerkingtreding van de gebiedsbescherming (de Europese referentiedatum) al in gebruik en steeds op een wisselende plek. Daardoor is in beginsel geen sprake van een structurele toename van de belasting op een specifieke locatie. Dit leidt ertoe dat het geheel aan deze activiteiten, in combinatie met de verspreidingseffecten van NOx, per jaar tot een bepaalde stikstofemissie leidt die onderdeel is van de landelijke achtergrondposities die altijd al aanwezig was.
30
Gemeente Gilze en Rijen
Als gevolg van de Wet stikstofreductie en natuurherstel hoeft de aanlegfase derhalve niet langer doorgerekend te worden. Om de uitvoerbaarheid van het plan aan te tonen wordt een stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase, gezien de aard van het initiatief, niet relevant geacht. Conclusie Het plan voldoet aan de richtlijnen voor gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming. 4.6.3 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Beoordeling In mei 2021 is door idverde Advies een Quickscan soortbescherming uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het rapport is toegevoegd als bijlage 3 bij onderhavige toelichting. De resultaten hiervan worden onderstaand besproken. Uit de bevindingen van het onderzoek blijkt dat voor de soortgroepen beschermde vaatplanten, jaarrond beschermde nesten, reptielen en ongewervelden negatieve effecten zijn uitgesloten. Voor vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, amfibieën en overige broedvogels kan niet zondermeer worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden. Voor deze soortgroepen moeten voorzorgsmaatregelen of vervolgstappen worden genomen. Uit de effectbeoordeling van de soortenbescherming blijkt dat aanvullende specifieke beschermende maatregelen noodzakelijk zijn om negatieve effecten te voorkomen of te beperken. Deze mitigerende maatregelen zijn navolgend opgenomen: 1a. De kapwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd /opgestart; 1b. Indien dit niet mogelijk is, kijken of het plangebied (de te kappen bomen) ongeschikt kan worden gemaakt voorafgaande aan het broedseizoen om de kans te verkleinen dat broedvogels tot broeden komen; 1c.
Indien de kapwerkzaamheden gedurende het broedseizoen (15 maart- 15 augustus) van start gaan, wordt (eventueel ook als stap 2 is uitgevoerd) gecontroleerd (door ter zake kundig ecoloog) of het plangebied vrij is van broedvogels. Wanneer
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
31
broedvogels in de bomen een nest hebben is de kap niet mogelijk totdat het nest verlaten is. 2. Indien algemeen voorkomende amfibieën of grondgebonden zoogdieren tijdens de kapwerkzaamheden worden aangetroffen dienen deze de mogelijkheid te krijgen om te kunnen vluchten door in één richting te werken, of als dit nodig is ze te verplaatsen buiten de invloedssfeer (zorgplicht). 3. Indien werkzaamheden in de avond plaatsvinden dient ten behoeve van verstoring van vleermuizen rekening te worden gehouden met het gebruik van verlichting. De te plaatsen verlichting dient naar beneden geschenen te worden om zo lichtverstrooiing naar het foerageergebied en vliegroutes in de directe omgeving te voorkomen. 4. Indien er langs het snelfietspad gebruik wordt gemaakt van kunstlicht: a. Inzet van armaturen die ervoor zorgen dat lichtbundels alleen naar de grond laten stralen, waarbij zijdelingse lichtvervuiling wordt voorkomen. b. Bovenstaande geldt alleen voor de actieve periode van vleermuizen (maart/oktober). Buiten de actieve periode van vleermuizen (actieve periode is maart t/m oktober) zijn de dieren in winterslaap en is van verstoring door licht vanzelfsprekend geen sprake. c. In overleg met een ecoloog dient te worden bepaald op welke wijze verlichting vleermuisvriendelijk kan worden ingezet. Te allen tijde geldt daarnaast voor alle soortgroepen de algemene zorgplicht.
Nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt tot slot niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het initiatief is aanvaardbaar in het kader van de Wet natuurbescherming 4.7
Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Navolgende tabel geeft hier een overzicht van:
32
Gemeente Gilze en Rijen
Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
1 of 2
200 m
250 m
3 of 4
350 m
400 m
5 of meer
350 m
600 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling en conclusie Aangezien in onderhavige situatie geen nieuwe gevoelige functies worden toegestaan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai in het kader van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Indien in een bestemmingsplan de bestemming ‘Verkeer’ voor de aanleg van een nieuwe weg wordt opgenomen is de Wgh van toepassing. In onderhavige situatie wordt echter enkel de bestemming ‘Verkeer’ toegekend om een snelfietspad ter plaatse van het plangebied mogelijk te maken. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor dit plan. 4.8
Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen rekening met elkaar te worden gehouden. Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). In de brochure zijn (indicatieve) richtafstanden opgenomen. Beoordeling en conclusie Onderhavig initiatief voorziet in het aanleggen van een snelfietspad tussen Breda en Tilburg. Onderdeel van het plangebied zijn die gronden waarop op grond van het vigerend bestemmingsplan de aanleg niet mogelijk is. De beoogde functie is geen milieugevoelige functie daar het geen verblijfsruimte is waar personen langer dan twee uur per dag aanwezig zijn.
Derhalve behoeft geen rekening gehouden te worden met zonering van omliggende hinde gevende functies. Andersom levert het fietspad geen belemmering op voor omliggende hinder gevende functies daar het fietspad geen verblijfsruimte is.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
33
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn onder andere standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
Uitsnede van de risicokaart. Met de blauwe contour is globaal het plangebied geduid. Bron: Risicokaart.nl, 2021.
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De beoogde ontwikkeling heeft echter geen betrekking op een (beperkt) kwetsbaar object of een vergunningplichtig risicovol
34
Gemeente Gilze en Rijen
bedrijf. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Het standaardadvies ten aanzien van het groepsrisico is van toepassing. Dit advies is als bijlage aan dit rapport toegevoegd. 4.9.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar.
Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage I van de Regeling basisnet de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied direct grenst aan een spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Overige transportassen zijn niet aanwezig of op ruime afstand gelegen (A58). Met het onderhavige voornemen worden echter geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Het standaardadvies ten aanzien van het groepsrisico is van toepassing. Dit advies is als bijlage aan dit rapport toegevoegd. 4.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011.
Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
35
ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat op korte afstand (circa 65 meter) van het plangebied een risicorelevante buisleiding is gelegen. Met het onderhavige voornemen worden echter geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Het standaardadvies ten aanzien van het groepsrisico is van toepassing. Dit advies is als bijlage aan dit rapport toegevoegd.
4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
36
Gemeente Gilze en Rijen
Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; ▪ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling Het onderhavige initiatief voorziet in de realisatie van een snelfietsroute langs het spoor tussen Breda en Tilburg. De verbinding is uitsluitend gericht op fietsverkeer. Gemotoriseerd verkeer is hier niet toegestaan. Er is daarmee geen toename aan gemotoriseerde voertuigbewegingen ten gevolge van dit initiatief, vergeleken met de voorgaande functie. Gezien de aard en omvang van het initiatief en gelet op de ondergrens van NIBM kan het onderhavige besluit als NIBM worden aangemerkt. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor het onderhavige initiatief. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer 1. 1
'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
37
a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling In het kader van de uitgevoerde Projectgebonden Risicoanalyse Niet Gesprongen Explosieven (zie hiervoor paragraaf 4.12 en bijlage 3) is reeds een KLIC-melding gedaan. Op navolgende afbeelding zijn de kabels en leidingen weergegeven, inclusief een legenda die aangeeft om welk type kabel of leiding het gaat en wat daarvan de minimale legdiepte is. Hieruit blijkt dat ter plaatse geen sprake is van planologisch relevante kabels en leidingen binnen het plangebied.
KLIC: kabels en leidingen. Bron: REASeuro, 2021.
Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen.
geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
38
Gemeente Gilze en Rijen
4.12 Niet-gesprongen explosieven Toetsingskader De omgeving van het vliegveld Gilze en Rijen is in de Tweede Wereldoorlog veelvuldig gebombardeerd. Als gevolg hiervan is er nog veel niet geëxplodeerde munitie in de bodem aanwezig. Het risico bestaat dat bij het uitvoeren van bodemwerkzaamheden op een dergelijk explosief gestuit wordt. Niet uitgesloten kan worden dat in deze situatie het explosief alsnog explodeert. Beoordeling en conclusie Uit het Historisch Vooronderzoek Niet Gesprongen Explosieven (NGE-Risicokaart gemeente Gilze en Rijen, kenmerk 71644/RO-130100, REASeuro van 30 september 2013) blijkt dat binnen het werkgebied voor de snelfietsroute NGE-risicogebieden liggen. Voor het tracé van de fietsroute is door REASeuro in 2019 reeds een Projectgebonden Risicoanalyse Niet Gesprongen Explosieven (NGE) uitgevoerd. Nadat de ligging van het beoogde tracé is aangepast naar een ligging direct ten noorden van de spoorlijn is hiervoor een nieuwe PRA opgesteld. Deze PRA is als bijlage 4 gevoegd bij deze toelichting.
Aanduiding werkgebied PRA. Bron: REASeuro, 2021.
De PRA is een bureaustudie waarin de risico´s van de reguliere werkzaamheden in relatie tot de mogelijk achtergebleven NGE in kaart worden gebracht. Op basis van de verticale afbakening, input uit de beleidsnota en de uit te voeren civieltechnische werkzaamheden, blijkt dat de meeste werkzaamheden regulier kunnen worden uitgevoerd in het gehele werkgebied. Omdat het aantreffen van NGE nooit helemaal kan worden uitgesloten, wordt geadviseerd om de medewerkers bij de werkzaamheden op de hoogte te stellen van het protocol ‘spontaan aantreffen van NGE’. De enige uitzondering op het bovenstaande vormt het uitvoeren van geotechnisch sondeeronderzoek middels een sondeerwagen in op afwerpmunitie verdacht gebied. Een deel van het werkgebied is verdacht op afwerpmunitie van 1,5 m-mv tot 3 m-mv. Binnen dit gebied dienen sonderingen te worden uitgevoerd met inzet van een conus met metaaldetectie, onder begeleiding van een (Senior) Deskundige OOO. Als
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
39
mitigerende maatregel kan ervoor worden gekozen om sonderingen uit te voeren buiten het op afwerpmunitie verdachte gebied.
4.13 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd.
De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de aanleg van een snelfietspad. Fietspaden maken geen onderdeel uit van de C- en D-lijst van het Besluitm.e.r. De maatregelen zijn hiermee niet direct m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen
40
Gemeente Gilze en Rijen
plicht tot het opstellen van een MER. Bovendien kan de wijziging van het gebruik van de gronden, gelet op de aard en omvang, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daar geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, behoeft geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
41
5
JURIDISCHE PLANTOELICHTING
5.1
Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
5.2
Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan “Woongebied Rijen” van de gemeente Gilze en Rijen. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemming en de situering van het bestemmingsvlak is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en het beoogde tracé ontwerp. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.
5.3
Regels
5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de regels van onderhavig bestemmingsplan moet worden gemeten.
42
Gemeente Gilze en Rijen
5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: ▪ bestemmingsomschrijving; ▪ bouwregels; ▪ nadere eisen; ▪ afwijken van de bouwregels; ▪ specifieke gebruiksregels; ▪ afwijken van de gebruiksregels; ▪ omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; ▪ omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; ▪ wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ omvat de op de afzonderlijke bestemming gerichte regels en omvat bij onderhavig bestemmingsplan de volgende artikelen: Artikel 3 Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor het beoogde snelfietspad, met de daarbij behorende (groen)voorzieningen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. 5.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
Artikel 5 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – IHCS – 1’ opgenomen ten behoeve van een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een hogere bouwhoogte dan 56 m boven NAP in verband met het beschermingsgebied van in- en uitvliegfunnel van vliegtuigen. Artikel 6 Algemene afwijkingsregels De algemene afwijkingsregels bieden de mogelijkheid om, onder voorwaarden, af te wijken van de voorgeschreven maatvoeringseisen, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is opgenomen wat in ieder geval wordt verstaan onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
43
Artikel 8 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van de overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van terreinen. Artikel 9 Algemene procedureregels In dit artikel is een verwijzing naar afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen indien gebruik gemaakt wordt van een wijzigingsbevoegdheid. 5.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 10 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot.
Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 11 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan ‘Snelfietsroute F58 Tilburg – Breda’.
44
Gemeente Gilze en Rijen
6
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
6.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.
6.2
Toepassing Grondexploitatiewet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
6.3
Economische uitvoerbaarheid Het voorliggende initiatief betreft het aanleggen van een snelfietspad. Aangezien geen sprake is van een bouwplan (zoals bedoeld in art. 6.2.1 Bro) hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.
Bestemmingsplan “Snelfietsroute F58 Tilburg - Breda”
45
7
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
7.1
Omgevingsdialoog De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het project maatschappelijk draagvlak heeft. Ten tijde van het vooroverleg wordt de omgevingsdialoog gevoerd. Op 5 april 2022 zijn de direct omwonenden met een brief geïnformeerd. In de brief is het initiatief uitgelegd en verbeeld. De mogelijkheid werd gegeven om schriftelijk te reageren op het voornemen. Er zijn geen reacties bij de gemeente binnen gekomen. Het verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage 7 van deze toelichting.
7.2
Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het vooroverleg is gevoerd met: ▪ Provincie Noord-Brabant. ▪ Waterschap Brabantse Delta. ▪ Brandweer Midden- en West-Brabant. ▪ Prorail. De reacties van het waterschap Brabantse Delta, Brandweer Midden- en West-Brabant en Prorail hebben aanleiding gegeven tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Het verslag van de ingebrachte vooroverlegreacties en de gemeentelijke reactie hierop alsmede de aanpassingen zijn opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting.
7.3
Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige toelichting.
46
Gemeente Gilze en Rijen