22-105 Bijlage 1 - Bestemmingsplan Gagelstraat 15
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN GAGELSTRAAT 15 MOLENSCHOT Toelichting
Titel: Gemeente: Status: IMRO: Project: Datum: Opgesteld door: In opdracht van:
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot Gilze en Rijen Ontwerp NL.IMRO.0784.Gagelstraat15-ON01 20-268 17 november 2022 Van Kerkhoff Maatwerk in RO Eigenaren plangebied
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 2
INHOUDSOPGAVE H1. Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Vigerende planologische situatie 1.3 Plangebied 1.4 Opbouw
5 5 5 6 6
H2. Planbeschrijving
7
H3. Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
9 9 10 13 13
H4. Toetsing 4.1 Aardkunde 4.2 Archeologie 4.3 Cultuurhistorie 4.4 Bodem 4.5 Water 4.6 Ecologie 4.7 Verkeer en parkeren 4.8 Milieuzonering 4.9 Geluid 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Lichthinder 4.13 M.e.r.-plicht
15 15 15 16 18 18 20 21 21 22 22 23 25 25
H5. Juridische vormgeving 5.1 Plansystematiek 5.2 Gehanteerde bestemmingen
26 26 27
H6. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
28 28 28
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1. Landschappelijke inpassing Bijlage 2. Lichthinderonderzoek
30 31 32
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 3
Figuur 1. Ligging plangebied
Figuur 2. Begrenzing plangebied
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 4
H1. Inleiding 1.1 Aanleiding Bij verkoop van het perceel aan gelegen aan de Gagelstraat 15 is gebleken dat de vigerende bestemming niet overeenkomt met de bestaande situatie. Om de bestaande functies van een juiste bestemming te laten voorzien is bij de gemeente Gilze en Rijen een principeverzoek ingediend. Dit principeverzoek ziet op het veranderen van de vorm van het bouwvlak met bestemming 'Wonen’, ook is gevraagd om de paardenbak te reguleren. De gemeente heeft hierop positief gereageerd en is in principe bereid planologische medewerking te verlenen aan het initiatief, mits voldaan kan worden aan de door de gemeente gestelde voorwaarden, te weten: • Voor het te maken bestemmingsplan gelden de relevante regels uit van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’; • De paardenbak moet met een specifieke functieaanduiding worden toegestaan in de woonbestemming; • Het bouwvlak mag niet worden vergroot; • Als randvoorwaarde dient er te worden opgenomen dat bedrijfsmatig gebruik van de paardenbak en de mestopslag niet is toegestaan; • De initiatiefnemer dient middels een lichtplan aan te tonen dat er geen sprake is van lichthinder voor omliggende woon- en bedrijfsfuncties; • De locatie dient landschappelijk ingepast te worden. Extra aandacht dient aan de paardenbak te worden geschonken.
Voor wat betreft de landschappelijke inpassing dient aanvrager een inrichtingsplan op te stellen waarin sprake is van streekeigen/inheemse beplanting conform de STIKA-methode. De landschappelijke inpassing dient te worden geborgd op de verbeelding met de bestemming Groen-Landschappelijke inpassing en middels een voorwaardelijke verplichting in de regels; • De initiatiefnemer voert een omgevingsdialoog met omwonenden en belanghebbenden; • Initiatiefnemer en gemeente sluiten een planschadeverhaalsovereenkomst vóór de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; • Initiatiefnemer dient in de toelichting van het bestemmingsplan te motiveren dat voldaan kan worden aan de Interim Omgevingsverordening en de afspraken uit de 'Kwaliteitsverbetering van landschap in de regio West-Brabant’. Om de vormverandering en de functie paardenbak binnen de woonbestemming mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure gestart, waarin de herbestemming juridisch-planologisch wordt verankerd.
1.2 Vigerende planologische situatie Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van toepassing. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 1 juli 2013. Het plangebied kent de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’ met de bouwaanduiding ‘karakteristiek’. Ook zijn de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone - geluidsgevoelige functie – 2’, ‘ihcs – 1’, ‘overig - agrarisch verbredingsgebied’ en ‘vrijwaringszone - ils – 5’ op het plangebied van toepassing. De verbeelding van het vigerend bestemmingsplan is opgenomen in figuur 3. De huidige bestemming Wonen heeft een oppervlakte van 5.862 m².
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 5
Figuur 3. Vigerend bestemmingsplan
Om de bestaande situatie in te passen, wordt een nieuwe op de situatie toegesneden juridischplanologische regeling opgesteld. In de toelichting wordt aangetoond dat voldaan wordt aan een goede ruimtelijke ordening en dat de vormverandering van de woonbestemming en de paardenbak ter plaatse passend is.
1.3 Plangebied Het plangebied ligt aan de zuidzijde van de kern Molenschot in de gemeente Gilze en Rijen en ten noorden van de A58. Aan het einde van de Gagelstraat is het betreffende perceel gelegen. De Gagelstraat is een doodlopende straat dat aan weerszijden begrensd wordt door agrarische gronden. De woonbestemming reikt over meerdere kadastrale percelen, terwijl er alleen op het hoofdperceel sprake is van bewoning. Het hoofdperceel (woonperceel) betreft Gagelstraat nr. 15, kadastraal nummer: Gilze P 750 met een oppervlakte van 11.770 m². Figuur 1 en 2 tonen de ligging en de begrenzing van het plangebied. Het plangebied bestaat uit het kadastrale perceel Gilze P 750, aangevuld met die delen die nu nog een woonbestemming hebben.
1.4 Opbouw De toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vijf hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het plan toegelicht. Vervolgens wordt het plan in hoofdstuk 3 getoetst aan het beleid en in hoofdstuk 4 aan alle aspecten van ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 5 wordt de wijze waarop het plan juridisch wordt verankerd, weergegeven met een beschrijving van verbeelding en regels. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aangetoond. Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 6
H2. Planbeschrijving Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Gilze en Rijen, ten zuiden van de kern Molenschot. Direct aangrenzend liggen agrarische gronden. Aan de zuidzijde en aan de westzijde worden de agrarische gronden als akker bewerkt. Aan de noord- en oostzijde ligt een gebied van Staatsbosbeheer die ter plaatse natuurinclusieve landbouw stimuleert. Heijning en Hoef heeft ter plaatse bomen en struiken aangeplant en ook een aantal velden waar huttentut wordt geteeld, een duurzaam gewas (familie van vlas) met een korte groeitijd. In de verdere omgeving van het plangebied bevindt zich aan de noordzijde het bungalowpark ‘Park Brabantse Weelde’ en aan de zuidzijde de A58 met de verzorgingsplaats ‘Hooge Aard’. Het meest nabijgelegen bedrijf betreft een africhtingsbedrijf voor paarden aan de zuidwestzijde van het plangebied. Zoals in figuur 4 is te zien bestaat het plangebied uit drie zones. Een zone met de woonboerderij met aangebouwde schuur, erf en privétuin aan de zuidzijde. Een zone met een grote voormalige ligboxenstal, die nu in gebruik is als paardenstal en een buitenrijbaan met verlichting aan de noordzijde. En een zone met paardenweiden aan de oostzijde. De paardenstal heeft vijf boxen. Er worden geen paarden gefokt.
Er worden tijdelijk pensionpaarden gestald en enkele individuele lessen gegeven, maar daaruit wordt bij lange na geen volledig inkomen gegenereerd. Er is daarmee sprake van een hobbymatig gebruik.
Figuur 4. Indeling van het erf
Het gehele plangebied is recent omheind met een enkelvoudig eenvoudig hekwerk. Door de indeling van het erf, heeft het plangebied vanaf de toegang aan het einde van de Gagelstraat eerst het karakter van een agrarisch erf en krijgt het naar het oosten toe steeds meer een open karakter door de paardenbak en de paardenweiden. De paardenbak ligt relatief diep en is niet voorzien van een Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 7
hekwerk, zodat de landschappelijke impact beperkt is. De lampen rond de paardenbak zijn enkelvoudige masten met lampen die beperkt in gebruik zijn (hobbymatig).
Figuur 5. Foto’s van het plangebied ten tijde van verkoop van het perceel (Bron: verkoopbrochure StaalMakelaars)
De beoogde situatie zal gelijk zijn aan de bestaande situatie. Er worden geen nieuwe gebouwen opgericht of nieuwe voorzieningen aangelegd. De vigerende planologische situatie doet echter geen recht aan de bestaande situatie. In de loop der tijd is de functie van het perceel veranderd, van agrarisch naar wonen. Ten tijde van de meest recente verkoop van het perceel is naar voren gekomen dat de bestemmingen niet overeenkomen met de vorm en het gebruik van het perceel. Met het voorliggende bestemmingsplan worden de bestemmingen zodanig gerangschikt dat alle bestaande functies passen en van een juiste bestemming zijn voorzien. De bestaande paardenbak met verlichting zal daarbij worden gereguleerd en onder de bestemming Wonen worden gebracht. De nieuwe bestemming Wonen heeft een oppervlak van 5.839 m² en is dus iets kleiner dan de huidige woonbestemming (was 5.862 m²). Om de veranderingen van de afgelopen jaren op het perceel passend te maken in de omgeving (dit geldt met name voor de paardenbak) is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit plan is opgenomen in bijlage 1.
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 8
H3. Beleidskader 3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI dient op regionaal niveau uitgewerkt te worden zodat een gebiedsgerichte aanpak en maatwerk mogelijk is. Deze uitwerking heeft nog niet plaatsgevonden en is bovendien op een schaalniveau die het onderhavig plangebied overstijgt. Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. Ingezet wordt onder meer op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. Het plangebied maakt zelf geen deel uit van een gebied dat direct is aangewezen als nationaal ruimtelijk belang, maar is wel gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro een ruimtereservering geldt ten aanzien van de militaire vliegbasis Gilze-Rijen. Ter hoogte van het plangebied is een geluidszone en een obstakelbeheergebied van toepassing.
Ten aanzien van de activiteiten op de militaire vliegbasis gelden voor de omliggende gebieden bouw- en gebruiksbeperkingen ten aanzien van het oprichten van woningen en de toegestane bouwhoogte. Deze beperkingen zijn vertaald in de algemene aanduidingsregels van het vigerende bestemmingsplan. Met onderhavige ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd. Tevens vindt geen uitbreiding plaats van bebouwing. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen het beleidskader zoals vastgesteld in het Barro.
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 9
Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening staat een aantal regels met betrekking tot de inhoud van ruimtelijke plannen. Een van de relevante regels daarbij is de zogeheten ladder voor duurzame verstedelijking. Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op maximaal vier opeenvolgende rechtsvragen in. De eerste vraag is of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een woning is een stedelijke functie, waarop de ladder in beginsel van toepassing is. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient echter voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. De Afdeling ( uitspraak: ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) hecht er aan de volgende uitgangspunten te noemen, die zij hanteert voor de beoordeling of een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel is om als stedelijke ontwikkeling te kunnen gelden. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. De beoogde ontwikkeling ziet niet op het toevoegen van woonbebouwing of het vergroten van de bouwmogelijkheden.
Op deze wijze wordt niet voorzien in een woningbouwlocatie of andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro. Toepassing van de ladder is derhalve niet nodig.
3.2 Provinciaal beleid Brabantse Omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld door de Provinciale Staten. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. In de Omgevingswet staan waarden als veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De provincie Noord-Brabant heeft ambities op gebied van energietransitie, wil klimaatproof zijn, wil uitgroeien tot een slimme netwerkstad en wil een top kennis- en innovatieregio blijven. De doelstelling voor de energietransitie is tweedeling: het verminderen van energieverbruik en de verduurzaming van energie om in 2050 energieneutraal te zijn. Voor 2030 is de doelstelling om uitstoot van broeikasgassen met ten minste 50 procent te verminderen ten opzichte van de uitstoot in 1990. Daarnaast dient 50 procent van de energie duurzaam opgewekt te worden. De provincie kiest voor een richtinggevende en stimulerende rol. De hoofdrol voor de realisering wordt ingevuld door gemeenten en initiatiefnemers. De provincie blijft intensief in gesprek met de regio’s om tot een gezamenlijk beeld van de kansen en koers voor een regio te komen en de opgave te realiseren. Klimaatproof betekent dat beter omgegaan moet worden met de gevolgen van toenemende extremen in temperatuur en neerslag. Dit heeft gevolgen voor de fysieke leefomgeving.
De doelstelling is om in 2050 klimaatbestendig te zijn met een waterrobuuste inrichting. Dit wil zeggen dat de risico’s vanwege deze weerextremen in 2050 aanvaardbaar, draagbaar en beheersbaar zijn. Een slimme netwerkstad bestaat uit het versterken van het centrale stedelijke netwerk en het zorgdragen voor vitaliteit van krimpgebieden. De provincie wil een actieve rol spelen bij de verstedelijkingsopgave, gericht op een zorgvuldig ruimtegebruik.
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 10
De provincie wil een top kennis- en innovatieregio blijven. Daarvoor is een omslag nodig naar een verregaande circulaire economie waarin digitalisering steeds belangrijker wordt. De omslag is op de eerste plaats een opgave voor de sector en hangt af van gezamenlijke acties met partijen. Regels moeten daarin geen belemmering vormen. Er zijn geen directe relaties vanuit de voorgaande doelstellingen met de planvorming. Structuurvisie ruimtelijke ordening Na het vaststellen van de Brabantse Omgevingsvisie zal een doorvertaling gemaakt moeten worden in een Omgevingsverordening en programma’s. Tot die zijn vastgesteld blijven bestaande beleidsplannen voor natuur, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer en milieu en water van kracht. Daarmee is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO), die op 19 maart 2014 in werking is getreden, nog steeds van belang. De SVRO schetst de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De provincie stuurt door middel van vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Binnen deze structuren worden de belangrijkste, maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen en kiest de provincie voor een bepaalde ordening van functies.
Hiermee wil de provincie een gevarieerd en aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat ontwikkelen waarin een kennisintensieve economie centraal staat voor een duurzaam Brabant. Het principe van 'behoud en ontwikkeling' staat hierin centraal. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Een van deze instrumenten is de Interim omgevingsverordening. Interim omgevingsverordening In de Interim omgevingsverordening, een beleidsneutrale overstap vanuit de eerdere Verordening ruimte, zijn de kaderstellende elementen uit de structuurvisie vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Sowieso moet voldaan worden aan de algemene zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit uit artikel 3.5 tot en met 3.8. In artikel 3.5 is opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6). Hiervan is sprake, want: 1. de toedeling van functies vindt plaats binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing.
De vormverandering zorgt niet voor uitbreiding van ruimtebeslag, maar door de verkleining van het bouwvlak juist voor een vermindering van de mogelijkheden; 2. de ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing, omdat het initiatief geen stedelijke ontwikkeling betreft, zie ook paragraaf 3.1; 3. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen zijn en blijven geconcentreerd binnen een bouwperceel. b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7). De beoordeling vindt plaats in hoofdstuk 4 met aandacht voor mogelijke effecten op ondergrond, netwerken en milieu. Hieruit blijkt dat de waarden door het initiatief niet geraakt worden. c. Meerwaardecreatie (artikel 3.8). Een bestaand agrarisch erf aan het einde van een doodlopende weg wordt als woonruimte gebruikt en het erf is ingericht voor het hobbymatig houden van paarden. Deze combinatie van wonen en hobbymatig houden van paarden is niet mogelijk in of direct grenzend aan het stedelijk gebied. Het is een goede invulling van een bestaand agrarisch erf, waarvan er in de afgelopen decennia veel aan de agrarische functie zijn onttrokken vanwege de schaalvergroting in de agrarische sector. Door het initiatief wordt gebruik gemaakt van een Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 11
bestaand erf en bestaande bebouwing, zodat sprake is van een goede vernieuwde balans tussen people, planet en profit. Er is geen sprake van combinaties met andere opgaven en ontwikkelingen. Het plangebied ligt buiten het bestaand stedelijk gebied dat in de linker afbeelding in figuur 6 rood en paars is afgebeeld. Het ligt in gemengd landelijk gebied (gele kleur in rechter afbeelding).
Figuur 6. Uitsnede kaarten Interim omgevingsverordening met indicatie ligging plangebied
Op ontwikkelingen in het landelijk gebied is artikel 3.9 van toepassing. Artikel 3.9 bepaalt dat een een ruimtelijke ontwikkeling in Landelijk Gebied gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving en dat het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. De toetsing van de kwaliteitsverbetering wordt uitgevoerd met behulp van de werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant in paragraaf 3.3.
Op grond van artikel 3.68 bepaalt een bestemmingsplan in het Landelijk gebied dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan en dat zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. In dit geval is sprake van een bestaande woonbestemming, waarin de bestaande woning bewoond blijft. In de regels is uitgesloten dat de voormalige stal zelfstandig bewoond kan worden. Daarmee wordt voldaan aan dit artikel. Andere aanduidingen die voortvloeien uit de Interim omgevingsverordening zijn niet van toepassing op het plangebied.
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 12
3.3 Regionaal beleid Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Deze werkafspraken voor de regio West Brabant zijn gericht op het toepassen van de verplichting tot kwaliteitsverbetering in het landschap zoals verlangd in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. Om duidelijkheid te verschaffen over welke mate van kwaliteitsverbetering nodig is, worden drie categorieën ruimtelijke ontwikkeling onderscheiden: • Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor geen extra kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist). • Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist). • Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist). Voorliggend initiatief valt vanwege de vormverandering van het bouwvlak en de aanleg van een paardenbak (zonder gebouwen) binnen categorie 2. Landschappelijke inpassing is in dit geval dan ook noodzakelijk.
Aanleg, uitvoering en instandhouding zijn geborgd in de planregels door middel van een voorwaardelijke verplichting. In bijlage 1 bij de toelichting is weergegeven op welke wijze de inpassing heeft plaatsgevonden c.q. plaats zal vinden.
3.4 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Gilze en Rijen 2025 De ruimtelijke ambities van de gemeente Gilze en Rijen zijn uitgewerkt in een drietal documenten, het betreft de Toekomstvisie 2025 ‘Wij zijn Gilze en Rijen’, het ambitiedocument ‘Ambitie Gilze en Rijen – nieuwe kansen!’ en de structuurvisie ‘Stedelijk Gebied Gilze en Rijen’. De basis voor de structuurvisie wordt gevormd in de voorgaande toekomstvisie en ambitiedocument. De structuurvisie concretiseert de ruimtelijke ambities en is daarmee het uitvoeringsdocument die als onderlegger dient bij toekomstige projecten en bestemmingsplannen. De pijlers die de gemeente dragen zijn: 1. dorpen in het groen tussen twee steden; 2. wonen en leven met oog voor elkaar; 3. ruimte voor bedrijvigheid; 4. een mooi en duurzaam buitengebied; 5. verbindend bestuur dicht bij de inwoners. De 4e pijler is van toepassing op het plangebied. De structuur van het buitengebied is een open agrarisch landschap, afgewisseld met bossen. De gemeente wil de economische draagkracht van het buitengebied en van de belevingswaarde van dat buitengebied versterken. Om dit te bereiken stimuleert de gemeente onder andere particulieren tot verbetering, beheer en onderhoud van het landschap en de cultuurhistorische waarden daarin. De gemeente wil verrommeling van het landschap voorkomen.
Landschappelijke inpassing van bouwwerken en van (nieuwe) bedrijfsactiviteiten heeft hoge prioriteit. De voorliggende ontwikkeling ziet niet op nieuwbouw, enkel op het reguleren van wat reeds aanwezig is. Door de vormverandering van het bestemmings- en bouwvlak worden geen Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 13
bouwmogelijkheden toegevoegd. De locatie van de paardenbak wordt vastgelegd binnen de oppervlakte van de bestaande woonbestemming. Het erf is ingepast in de landschappelijke structuur. Structuurvisie buitengebied Gilze en Rijen Het vigerende bestemmingsplan Buitengebied verankert juridisch de beleidsmatige kaders voor de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden in het buitengebied, zoals die zijn neergelegd in de Structuurvisie buitengebied. Daarin is een zonering opgenomen met per zone beleidsuitgangspunten. Het plangebied ligt in de zone ‘agrarisch verbredingsgebied’. Dit agrarisch verbredingsgebied vormt de buffer tussen het agrarische gebied enerzijds en de natuuren bosgebieden en de kernen anderzijds. In de zone gelden de volgende beleidslijnen: • Behoud en ontwikkeling van de verschillende karakteristieke landschappen; • Het verplaatsen dan wel reduceren van het aantal intensieve veehouderijbedrijven; • Behoud en ontwikkeling van de duurzame, grondgebonden landbouw, binnen de context van natuur en landschap; • Het onder voorwaarden bieden van agrarische neven- en vervolgfuncties, zoals kleinschalige dagen verblijfsrecreatie. • Realisatie van de ecologische verbindingszones in combinatie met beekherstel.
In dit geval wordt het bouwvlak op een bestaand voormalig agrarisch erf, waaraan in het vigerende bestemmingsplan al de bestemming Wonen is gegeven, verkleind en logischer rond de bestaande bebouwing geclusterd en wordt het hobbymatig houden van paarden geregeld met een aanduiding voor de rijbak. Dat heeft weinig relatie met de bovenstaande beleidslijnen, immers: • Het karakteristieke landschap wordt in beperkte mate versterkt door de landschappelijke inpassing van het erf; • Er was en is geen sprake van intensieve veehouderij; • Er was en is geen sprake van duurzame, grondgebonden landbouw; • Er was en is geen sprake van agrarische neven- en vervolgfuncties; • Er was en is geen sprake van ecologische verbindingszones.
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 14
H4. Toetsing 4.1 Aardkunde Beleid Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Verordening ruimte is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. Plangebied De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Verordening Ruimte. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke waarden gelden. Het plangebied is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. Conclusie Het aspect aardkunde vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.2 Archeologie Beleid Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet. Op grond van de Erfgoedwet mag de gemeente haar eigen beleidsinhoudelijke en financiële afwegingen maken. Voorwaarde is dat het selectie- en vrijstellingsbeleid archeologisch-inhoudelijk is onderbouwd en bestuurlijk is vastgesteld. Daarenboven dient op grond van Bro art. 3.1.6 sub 2a de toelichting (van het bestemmingsplan) een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden’ te bevatten.
Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. De gemeente Gilze-Rijen heeft recent een nieuwe archeologische waarden- en beleidskaart en een nieuwe cultuurhistorische waardenkaart laten opstellen. Deze kaarten moeten wel nog worden
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 15
vastgesteld, maar vooruitlopend hierop wordt de archeologische waarde in dit bestemmingsplan al wet vertaald in een dubbelbestemming. Plangebied In figuur 7 is een uitsnede van de nieuwe archeologische beleidskaart opgenomen. Het plangebied valt in een zone met een hoge verwachting. Dit betekent dat er voorzien wordt in de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’. Dit houdt in dat bij ingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld een waardestellend archeologisch rapport moet worden overlegd. De dubbelbestemming is in de regels en op de verbeelding opgenomen.
Figuur 7. Uitsnede archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied
Conclusie Dit bestemmingsplan wordt gemaakt om de bestemmingen te laten aansluiten bij het bestaande gebruik. Er worden geen bouwwerkzaamheden voorzien. Met de archeologische dubbelbestemming is het aspect archeologie geborgd.
4.3 Cultuurhistorie Beleid Cultuurhistorie dient meegewogen te worden bij nieuwe ontwikkelingen. In 2016 zijn bestaande wetten en regelingen gebundeld in de Erfgoedwet. Daarin staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en te behouden. Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 16
De bescherming is gestoeld op drie pijlers: − Pijler 1: Cultuurhistorische belangen meewegen in ruimtelijke ordening. Hierbij vindt een verschuiving plaats van objectgerichte bescherming naar een gebiedsgerichte aanpak. De omgeving van het monument gaat een belangrijker rol spelen. − Pijler 2: Krachtiger en eenvoudiger regelgeving. Minder, kortere en eenvoudiger procedures, afstand tussen expert en leek kleiner, meer vrijheid en keuzemogelijkheden voor monumenteneigenaren. − Pijler 3: Bevorderen van herbestemmingen. Het toekennen van een andere bestemming kan bijdragen aan het behoud van historische gebouwen en terreinen. De Provincie Noord- Brabant heeft in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) regels voor het veiligstellen van het Brabantse cultureel erfgoed opgesteld. In de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 (herzien 2016) is de meest recente erfgoedinformatie voor de bebouwde en onbebouwde omgeving weergegeven. De belangrijkste Brabantse cultuurhistorische waarden zijn vastgelegd binnen de Interim Omgevingsverordening. De provincie maakt onderscheid tussen cultuurhistorische landschapswaarden en cultuurhistorische panden en objecten.
Figuur 8: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Provincie Noord-Brabant
Plangebied Het plangebied is gelegen binnen het cultuurlandschap van de Baronie. De cultuurhistorische waarden binnen de Baronie bestaan uit oudere en jongere zandontginningen. De oude dorpen en buurtschappen met omliggende akkercomplexen, groenlanden, voormalige heidevelden en groenstructuren vormen de dragende structuren van het gebied. De oude kern van Molenschot en de omliggende graslanden hebben het historische karakter behouden. Nieuwe ontwikkelingen dienen de landschappelijke karakteristiek te versterken. Aan een aantal historische wegen in de omgeving van het plangebied, waaronder Lijndonk en Lage Aard, is in de CHW een redelijk hoge cultuurhistorische waarde toegekend. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumentale gebouwen aanwezig. Wel heeft de woonbebouwing in het vigerende bestemmingsplan de aanduiding ‘karakteristiek’.
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 17
De omschrijving van de cultuurhistorische waarden van het plangebied ziet op de ligging en de architectuur van het ensemble. Met name de topgevels van het woonhuis en de schuren zijn karakteristiek te noemen. In 1927 is door Architect A.C. Meeuwissen uit Bavel (Dossier 1927-351, Archief Openbare Werken gemeente Gilze-Rijen) het hoveniershuis ontworpen en gebouwd. In 1964 en 1969 zijn links van het hoveniershuis een schuur en loods opgericht. Deze staan met lange zijden tegen elkaar en met kopse zijden naar de straat. Alle bouwdelen hebben een zadeldak. Uiteindelijk wordt gesteld dat het object een beperkte cultuurhistorische waarde heeft. In het bestemmingsplan is ter bescherming van de nog aanwezige waarden een aanduiding opgenomen waaraan omgevingsvergunning aanzien van de sloop van gebouwen is gekoppeld. Conclusie Er vinden geen wijzigingen plaats ten aanzien van de bebouwing. Het erf is ingepast in de landschappelijke structuur. De ontwikkeling heeft dan ook geen nadelige invloed op de cultuurhistorische waarden.
4.4 Bodem Beleid Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij de het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het gemeentelijk bodemkwaliteitsbeleid volgt de kaderwet Wet bodembescherming en daaruit voortvloeiende regelgeving. Uitgangspunten zijn dat de bodem duurzaam geschikt moet zijn voor de beoogde functie en dat de bodemkwaliteit zeker niet mag verslechteren. Ook verontreinigingen in stabiele eindsituaties worden niet vanzelfsprekend geaccepteerd. Bij functiewijzigingen wordt daarom getoetst of de bodemkwaliteit voldoende is voor de nieuwe functie. De oppervlakte van het plangebied en de conclusie van een vooronderzoek (historisch onderzoek) zijn bepalend voor het uitvoeren van eventueel veld- en laboratoriumonderzoek. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan maakt bestaand gebruik mogelijk. Hiervoor wordt het bouwvlak aangepast. Er worden geen nieuwe gebouwen opgericht. De functie paardenbak wordt toegevoegd. Dit betreft geen gevoelige functie. Een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
4.5 Water Waterbeleid Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat landelijk in de belangstelling. Het landelijk waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan. Dit plan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon zoet water en diverse vormen van gebruik van water. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 18
De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Kort gezegd gaat het PMWP voor: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap Brabantse Delta is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het gronden oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterbeheer is gericht op het duurzaam beheren van het watersysteem, waarbij uitgegaan wordt van een watersysteembenadering.
In het ‘Waterbeheerprogramma 2022-2027 Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap’ beschrijft het waterschap de hoofdlijnen van haar beleid aan de hand van zes keuzes: • Beleidskeuze 1 - Water als drager voor een vitale regio • Beleidskeuze 2 - Evenwicht in het water- en bodemsysteem • Beleidskeuze 3 - We werken samen • Beleidskeuze 4 - We werken duurzaam • Beleidskeuze 5 - We werken veerkrachtig en vernieuwend • Beleidskeuze 6 - We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP). De eisen ten aanzien van de berging van hemelwater bij verbouwing of bijbouwen zijn daarin strenger dan in het beleid van het waterschap. Onderzoek Op basis van de Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied is gelegen. In de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de legger van het Waterschap (figuur 9) een aantal sloten die aangemerkt zijn als B watergang. Deze hebben geen specifieke beschermingsregeling. Bij het voorliggende plan vinden geen wijzigingen plaats in de omgang met afvalwater en hemelwater. Het hemelwater vloeit oppervlakkig af naar de aangrenzende sloten. Het afvalwater van de bestaande bebouwing is aangesloten op een septic tank.
Het voorliggende plan leidt niet tot toevoeging van bebouwing en derhalve niet tot een toename van het verhard oppervlak. Aanvullende maatregelen voor retentie of berging zijn daarom niet vereist. Conclusie In het plangebied zijn geen directe waterschapsbelangen in het geding. Wel zal het plan in het kader van de watertoets ter beoordeling voorgelegd worden aan het Waterschap.
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 19
Figuur 9. Uitsnede kaart Legger Waterschap Brabantse Delta
4.6 Ecologie Natura 2000 Het plangebied ligt niet in of nabij een Beschermd Natuurmonument of Natura 2000 gebied. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied bedraagt meer dan 4 kilometer. De bouwvlakwijziging ten behoeve van het vastleggen van bestaand gebruik en het reguleren van de bestaande paardenbak zullen geen significant effect hebben door verstoring of via grondwaterstromen. Alleen externe werking door stikstofdepositie (door de lucht) zou aan de orde kunnen zijn. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) beslist dat de Programmatische Aanpak Stikstof niet ten grondslag mag worden gelegd aan de toestemmingverlening voor activiteiten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Voor nieuwe bestemmingsplannen geldt de verplichting voor de gemeenteraad om te beoordelen of als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen relevante stikstofdeposities kunnen optreden ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Daarbij speelt de huidige staat van stikstofbelasting een belangrijke rol. Bij (woningbouw)projecten kan stikstof vrijkomen op grond van drie mogelijke bronnen: a.
De toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie met gemotoriseerd vervoer in de gebruikssituatie (door de bewoners van de woning); b. De verwarming en koeling van woningen en/of gebouwen met gas (of olie) in de gebruikssituatie; c. Bouwwerkzaamheden, bijvoorbeeld aan- en afvoer van materiaal of grondverzet, tijdens de bouwfase.
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 20
Vanuit de Wet natuurbescherming is het verschil tussen de beoogde en de bestaande (of onherroepelijk vergunde) situatie relevant. Per saldo is er in het voorliggende plan geen verschil tussen de beoogde en bestaande situatie omdat de bestaande situatie wordt gereguleerd. Er worden geen bouwmogelijkheden of gebruiksmogelijkheden toegevoegd die voor een toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt. Het aantal gebouwen blijft ongewijzigd en er zijn geen bouwwerkzaamheden die plaats zullen vinden. Een Aeriusberekening is derhalve dan ook niet noodzakelijk en er zal dan ook geen sprake zijn van een significant negatief effect op een Natura 2000-gebied. Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is derhalve niet nodig. NatuurNetwerk Brabant Het plangebied is niet gelegen binnen of aangrenzend aan een onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het dichtstbij gelegen onderdeel van het Natuur Netwerk Brabant bevindt zich op een afstand van circa 300 m ten zuidoosten van het plangebied. Gezien de aard en de kleine schaal van de ontwikkeling is het redelijkerwijs uit te sluiten dat er enig effect zal optreden binnen het NNBgebied. Flora en fauna Vanwege het vastleggen van de bestaande situatie is er geen natuurtoets noodzakelijk.
Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van beschermde soorten in omliggende NNB of Natura 2000-gebieden. Er is geen mogelijke aantasting van beschermde soorten in het geding. Ecologie vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.7 Verkeer en parkeren In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd. De ontsluiting van en naar het plangebied vindt plaats via de Gagelstraat. Deze ontsluitingsweg betreft een doodlopende weg en wordt op dit moment door een viertal woningen/bedrijven gebruikt. Er zullen geen wijzigingen optreden aan deze weg. Het bouwvlak gelegen in het plangebied wordt van vorm veranderd. De bestaande functies worden opnieuw ingedeeld. De functies groenlandschappelijke inpassing en een paardenbak worden toegevoegd. De paardenbak valt binnen de woonbestemming en is enkel voor privégebruik. Er zal dan ook geen toename van verkeersbewegingen zijn. Voor de parkeerbehoefte geldt ook dat er geen veranderingen optreden. Het kaveloppervlak is dermate groot dat op eigen terrein meer dan voldoende ruimte is om in de noodzakelijke behoefte te kunnen voorzien. Conclusie Verkeer en parkeren is op voorhand afdoende georganiseerd en vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.8 Milieuzonering Door afstand te houden tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen kan de milieuhinder ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Milieuzonering wordt veelal Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 21
afgewogen met behulp van de uitgave Bedrijven en milieuzonering. Aan elke bedrijfsactiviteit is een minimaal aan te houden afstand gekoppeld. In het bestemmingsplangebied is en blijft de bestemming Wonen van kracht, een milieugevoelige functie. De specifieke aspecten rond lichthinder van de paardenbak op het perceel worden afgewogen in paragraaf 4.12. Rondom het plangebied zijn twee bedrijven en/of voorzieningen aanwezig, die milieuhinder zouden kunnen veroorzaken. Aan de Donkstraat 23 is een africhtingsbedrijf voor paarden gevestigd. Op grond van de uitgave Bedrijven en milieuzonering moet bij een paardenfokkerij de richtafstand van 50 meter in acht genomen worden. De werkelijke afstand tussen de grens van deze bedrijfsbestemming en de woonbestemming in het plangebied bedraagt meer dan 170 meter. Het recreatiepark Brabantse Weelde wordt in de uitgave Bedrijven en milieuzonering benoemd als ‘kampeerterrein, vakantiecentra e.d. (met keuken). De bijbehorende richtafstand bedraagt 50 meter. De werkelijke afstand tussen de grens van deze recreatiebestemming en de woonbestemming in het plangebied is als gevolg van dit bestemmingsplan vergroot van circa 90 naar circa 100 meter. Milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.9 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Ten aanzien van de beoordeling van geluid afkomstig van luchtvaartactiviteiten geldt de Wet luchtvaart. Deze wet is ook van toepassing van militaire vliegvelden zoals de Vliegbasis Gilze-Rijen. Het plangebied bevindt zich binnen de 35-45 KE-zone van de militaire vliegbasis Gilze-Rijen. Binnen deze zone is het oprichten van nieuwe geluidgevoelige objecten niet toegestaan. De maximaal toelaatbare geluidhinder voor vliegtuiglawaai is vastgesteld op 35 KE. Ter hoogte van het plangebied zal enige vorm van geluidshinder als gevolg van de vliegverkeersbewegingen optreden. In het plangebied is reeds een geluidsgevoelig object in de vorm van een woning aanwezig. Als gevolg van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Geluid vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.10 Luchtkwaliteit Elke ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 uit de Wet Milieubeheer) zijn opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof worden beleidsmatig relevant geacht. Eventueel onderzoek beperkt zich dan ook veelal tot deze twee stoffen. Het bestemmingsplan kan worden vastgesteld indien aannemelijk kan worden gemaakt dat: − door de vaststelling (van het bestemmingsplan), al dan niet in combinatie met maatregelen, de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert (maximaal 1,2 μg/m³), ofwel dat; − de luchtkwaliteit door de vaststelling (van het bestemmingsplan), al dan niet in combinatie met de maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, ofwel dat;
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 22
− −
bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de vaststelling (van het bestemmingsplan), de luchtkwaliteit in een gebied rondom het plangebied per saldo verbetert, ofwel dat; er geen grenswaarden worden overschreden. In het Besluit en de Regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Hierin is bepaald dat de concentratiebijdragen voor NO2 en fijn stof (PM10) als NIBM mogen worden beschouwd wanneer deze jaargemiddeld maximaal 1,2 μg/m³ bedragen.
Uit raadpleging van de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland (RIVM) blijkt dat de concentraties van de relevante stoffen NO2, PM10 en PM2,5 ver onder de grenswaarden zitten. Onderstaand een overzicht voor de locatie Gagelstraat: Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Eenheid μg/m³ μg/m³ μg/m³
Jaar 2021 2021 2021
Waarde (2021) 17,19 16,76 9,37
Grenswaarde
40 40 20/25
Ook de monitoringstool (https://www.nsl-monitoring.nl/viewer) laat zien dat op alle relevante stoffen ruim onder de grenswaarde zit, zodat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gelet op de beperkte omvang van het plan, er vind geen nieuwbouw plaats, ligt de bijdrage ver onder de genoemde concentratiebijdragen en is derhalve sprake van een NIBM-project. Luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. Voor bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen van belang. In dit besluit wordt externe veiligheid in artikel 1 omschreven als ‘de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof betrokken is’. Voor transport is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang, samen met het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Hierin is het basisnet van hoofd(vaar/spoor) wegen vastgelegd waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Daarnaast is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing op onder andere aardgastransportleidingen. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen gelden bovenstaande kaders om veiligheidsafstanden tussen risicobronnen en personen of (beperkt) kwetsbare objecten te bepalen en daarmee het veiligheidsrisico zo laag mogelijk te houden. De te hanteren afstanden worden gebaseerd op het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die zich continu onbeschermd op een zekere afstand van de risicovolle activiteit bevindt, komt te overlijden als gevolg van die activiteit.
De wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt 10-6. Het groepsrisico (GR) geeft de kans per jaar dat een groep mensen van een zekere omvang (10, 100 of 1.000 mensen) binnen het invloedsgebied tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hiermee is het een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in het geval dat er zich een ramp voordoet. Het groepsrisico wordt weergegeven in een curve waarin het aantal personen is afgezet tegen de kans per jaar op (gelijktijdig) overlijden. Ten aanzien van het groepsrisico bestaat er voor gemeenten een verantwoordingsplicht .
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 23
Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1. Woningen vallen daaronder. De Risicokaart van Noord-Brabant geeft aan dat binnen het plangebied geen risicovolle bedrijven aanwezig zijn die de externe veiligheid beperken. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: 1. In het buurtschap Lage Aard zijn diverse inrichtingen aanwezig. Het betreffen bovengrondse propaantanks ten behoeve van de glastuinbouwbedrijven. De terreingrens van deze inrichtingen ligt op de perceelsgrens. De richtafstand zoals benoemd in het Activiteitenbesluit ( maximaal 2550 meter) ten opzichte van gevoelige activiteiten wordt niet overschreden. 2. De locatie is nabij de snelweg A58 gelegen. Over deze snelweg vindt mogelijk vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Voor een autosnelweg geldt een invloedsgebied van 200 meter. De locatie is op een afstand van ongeveer 100 meter van de snelweg A58 gelegen en is daarmee binnen het invloedsgebied daarvan gelegen. 3. Direct ten zuiden van de locatie is op circa 40 meter afstand ook een buisleiding gelegen. Het betreft een buisleiding (Z-528-01) van de Gasunie Transport Services. Het plaatsgebonden risico van 10-6 bedraagt 0 meter. Het invloedsgebied is 140 meter en overlapt het plangebied.
Omdat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de A58 en de gasleiding dient er een afweging plaats te vinden ten aanzien van het groepsrisico. Er is geen sprake van een toename van het aantal mensen binnen het plangebied op basis van de bestemmingswijziging. Door de wijziging van het bouwvlak komt de woonbestemming ook niet dichter bij de A58 of de buisleiding te liggen zodat er geen effect op het groepsrisico optreedt en een berekening achterwege kan blijven.
Figuur 10. Uitsnede Risicokaart (Provincie Noord-Brabant, 2022) (Plangebied is met een blauwe lijn weergegeven)
Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 24
4.12 Lichthinder De bescherming van de duisternis en het donkere landschap valt onder de Wet milieubeheer (Wm). Namelijk onder de gevolgen voor het fysieke milieu gezien vanuit het belang van de bescherming van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden (artikel 1.1 lid 2 Wm). Het beschermen van de duisternis en het donkere landschap valt daarmee ook onder de zorgplicht. Het bevoegd gezag kan met de zorgplicht maatregelen of voorzieningen voorschrijven. Dat kan alleen, als de inrichting in een aangewezen gebied ligt. Dat wil zeggen: een gebied waarvoor het bevoegd gezag eisen heeft opgesteld om de duisternis of het donkere landschap te beschermen. Het plangebied ligt niet in een speciaal door de gemeente aangewezen gebied. Vanwege de aanwezigheid van verlichting bij de paardenbak binnen het plangebied is het echter wel mogelijk dat er lichthinder richting de omgeving optreedt. In dit kader is er onderzoek gedaan naar de mogelijke gevolgen van de paardenbakverlichting op de omgeving. Hierbij is gekeken naar het omgevingstype, de verlichtingssoort, het aantal lampen en stand van de lampen. Deze rapportage is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. De conclusie uit de lichthinderrapportage luidt: − “Het plan voldoet ruim aan eisen die worden gesteld voor E2 Landelijk gebied mits deze niet gebruikt wordt tussen 23:00 en 07:00.
Indien de groenstroken als E1 natuurgebied zou worden aangemerkt voldoet het plan ook mits het niet tussen 23:00 en 07:00 zou worden gebruikt.” E1 natuurgebied betreft het meest gevoelige omgevingstype waarmee gerekend kan worden. Er wordt gelet op het hobbymatige gebruik geen gebruik van de buitenbaan gemaakt in de nachtelijke uren. Het aspect lichthinder vormt dan ook geen belemmering, met inachtneming van de genoemde tijden, voor aanwezigheid van de in de rapportage genoemde verlichting bij de paardenbak.
4.13 M.e.r.-plicht Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Sinds 7 juli 2017 zijn gemeenten verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (MER). Het besluit behoeft niet separaat te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan. Mede op basis van de bevindingen in hoofdstuk 4 van deze toelichting kan worden geconcludeerd dat er geen passende beoordeling en geen MER behoeft te worden opgesteld.
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 25
H5. Juridische vormgeving 5.1 Plansystematiek De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vormen het wettelijk kader voor het bestemmingsplan. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten digitaal, uitwisselbaar en vergelijkbaar zijn. Tevens worden deze plannen en verordeningen digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en medeoverheden. In het Bro is verankerd dat een vergelijkbaar ruimtelijk plan is opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan is opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP 2012. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming geldt voor de betreffende gronden en waar bebouwing is toegestaan. Door middel van hoofdletters wordt de bestemming aangeduid. Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Tevens wordt in een onderhoek op de analoge verbeelding de naam van het bestemmingsplan aangegeven, de datum van terinzagelegging, vaststelling en (eventueel) van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook is het identificatienummer van het bestemmingsplan en het kaartblad aangegeven. De analoge verbeelding bestaat uit 1 kaartblad en renvooi op een schaal van 1:1.000.
Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde: - In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald. - In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven. - Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel, een procedureregel, dan wel regels die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene afwijkingsregel of wijzigingsbevoegdheden. - Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels) ten slotte geeft overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd: - bestemmingsomschrijving; - bouwregels (onderverdeeld in toelaatbaarheid van bouwwerken en bouwhoogte, oppervlakte en inhoud); - afwijken van de bouwregels; - specifieke gebruiksregels; - afwijken van de gebruiksregels; - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - wijzigingsbevoegdheden. Een bestemmingsartikel behoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming.
Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
Bestemmingsplan Gagelstraat 15 Molenschot - Toelichting - 26
5.2 Gehanteerde bestemmingen Inleidende regels (hoofdstuk 1) Hoofdstuk 1 bestaat uit begripsbepalingen en de wijze van meten. Voor de begripsbepalingen is waar mogelijk gebruik gemaakt van de standaardbepalingen uit de SVBP2012. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Hoofdbestemmingen (hoofdstuk 2) In het plangebied zijn meerdere hoofdbestemmingen van toepassing, te weten Agrarisch, Groen – Landschappelijke inpassing en Wonen. De bestemmingen zijn gebaseerd op in de gemeente Gilze en Rijen gangbare bestemmingen. Verder is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 van toepassing op het plangebied. Algemene regels (hoofdstuk 3) In dit hoofdstuk zijn algemene regels opgenomen. Artikel 7 bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld in geval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Deze bepaling is conform artikel 3.2.4 van het Bro in het bestemmingsplan opgenomen. De artikelen 8 tot en met 12 bieden duidelijkheid over de bestaande maten en het gebruik, alsmede de ruimte voor afwijking en wijziging.