14. Bijlage 10 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
RAPPORT Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen (Gemeente Gilze en Rijen)
AM24235
RAPPORT Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase door middel van boringen Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen (Gemeente Gilze en Rijen) Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum
: AM24235 : Definitief : 2214-5656 : 4 juni 2025
Opdrachtgever
: Ordito Postbus 94 5126 ZH Gilze
Opsteller rapport Actorregistratienrs.
: drs. D. Hagens : 26962666
Paraaf
:
Redactie Actorregistratienrs. Paraaf
: drs. D. Hagens : 26962666 :
Vrijgave Actorregistratienr. Paraaf
: drs. M.A.K. Vroomans : 46061268 :
| L. Kruithof MSc. | P. Derikx BSc. | 68991569 |
| drs. M.A.K. Vroomans | 46061268
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
4002 + 4003
Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie. Pagina | 2
AM24235
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ......................................................................................................................................................... 4 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ............................................................................................................................. 6 1. INLEIDING ......................................................................................................................................................... 7 2. WERKWIJZE ................................................................................................................................................... 10 2.1 2.2
3.
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................. 10 Verkennend veldonderzoek door middel van boringen ................................................................................................................... 10
BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................ 12 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
4. 5.
Landschappelijke situatie - geomorfologie .......................................................................................................................................... 12 Landschappelijke situatie - bodem.......................................................................................................................................................... 13 Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht .................................................................................................................................. 14 Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden ........................................................................................................................ 15 Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal ....................................................................................................................... 17
VERWACHTINGSMODEL ........................................................................................................................... 19 VELDWERKZAAMHEDEN .......................................................................................................................... 22 5.1 5.2 5.3 5.4
6.
Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 22 Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw .............................................................................................................. 23 Interpretatie ..................................................................................................................................................................................................... 24 Archeologische indicatoren ........................................................................................................................................................................ 25
CONCLUSIE.................................................................................................................................................... 26 6.1 6.2
Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 26 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................................................................... 27
7. AANBEVELINGEN ........................................................................................................................................ 28 LITERATUURLIJST................................................................................................................................................... 30
Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8
Topografische ligging onderzoeksgebied Boorpuntenkaart Archeologische gegevens cf. Archis 3 Archeologische Beleidskaart gemeente Gilze en Rijen Overzicht geomorfologische kaart Overzicht bodemkaart Reliëfkaart Boorkernbeschrijvingen
Pagina | 3
AM24235
SAMENVATTING In de periode september – november 2024 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen (gemeente Gilze en Rijen). Binnen het plangebied zal de huidige bebouwing worden gesloopt en zal er een appartementencomplex worden gebouwd. Over het hele oppervlakte zal de nieuwbouw worden voorzien van een ondergrondse, half verdiepte parkeergarage. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend, maar uitgaande van de aanleg van bouwputten voor de voorgenomen half verdiepte parkeergarage zal de bodem waarschijnlijk tot circa 2,5 meter beneden maaiveld verstoord worden. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen (2022) in een zone met beleidscategorie 3. Binnen het paraplubestemmingsplan Gilze en Rijen (vastgesteld 2023) geldt de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3a. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt. Het plangebied bevindt zich binnen een zone van terrasafzettingswelvingen bedekt met een dekzandpakket. Het plangebied ligt daardoor relatief hoog, maar is enigszins ver gelegen van watervoorzieningen.
Op 650 meter ten oosten van het plangebied ligt het beekdal van de Groote Leij. Er is dus geen sprake van een gradiëntzone binnen of in de directe omgeving van het plangebied. In de omgeving zijn enkele vuursteenvondsten bekend. Om deze redenen wordt een middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. De ligging van het plangebied in een relatief hooggelegen gebied relatief ver van het beekdal van de Groote Lei zal voor latere landbouwende samenlevingen geen aantrekkelijke vestigingsplaats zijn geweest. De aanwezigheid van enkeerdgronden in het plangebied duidt op langdurig landbewerking in het plangebied. Voor het plangebied geldt daarom een middelhoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de ijzertijd als voor nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het plangebied sinds tenminste circa 1800 onbebouwd was en grotendeels in gebruik is als bouwland en weiland. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een lage verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd.
Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Vanwege de verwachte aanwezigheid van enkeerdgrond en daarmee een eerddek zijn archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Bij hoge enkeerdgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een (deels) intact bodemprofiel of een scherp AC-bodemprofiel. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (middelhoog voor laat-paleolithicum – vroege middeleeuwen blijft deels gehandhaafd. De archeologische verwachting (laag late middeleeuwen - nieuwe tijd) blijft overal gehandhaafd met uitzondering van de zone rond boringen 1 en 2.
Pagina | 4
AM24235
In het oostelijk deel van het plangebied waar graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit geldt niet voor het westelijke deel en de zone van de huidige bebouwing. Hier is sprake van een diepgaande verstoring. Op basis van de bestudeerde bouwtekeningen is ter plaatse sprake van een bodemverstoring van minimaal 80 centimeter beneden maaiveld. Gezien de verstoringen in de direct langs het gebouw gezette boringen 1 en 2 (verstoord tot tenminste 130 centimeter beneden maaiveld) zal ook onder de bebouwing tot dit niveau zijn verstoord. Selectiebesluit1 Het advies aan de gemeente Gilze en Rijen is om het advies van Aeres te volgen en een vervolgonderzoek uit te voeren in het oostelijke deel van het plangebied, maar ook om, in afwijking van het advies van Aeres, het bebouwde deel van het terrein mee te nemen in het vervolgonderzoek. Het vervolgonderzoek wordt bij voorkeur als volgt uitgevoerd: -
Een proefsleuvenonderzoek in het oostelijke, onbebouwde deel van het plangebied.
-
Een aanvullend verkennend booronderzoek ter plaatse van de bebouwing. Op basis van de resultaten hiervan wordt bekeken of het noodzakelijk is om ook op deze locatie proefsleuven aan te leggen.
Van belang is dat de bestaande bebouwing voorafgaand aan het archeologisch onderzoek niet ondergronds gesloopt wordt. Funderingen mogen dus pas verwijderd worden als het plangebied is vrijgegeven, of onder archeologische begeleiding als blijkt dat een vindplaats aanwezig is. Bij voorkeur wordt de omgevingsvergunning pas verleend nadat de resultaten van het proefsleuvenonderzoek bekend zijn, en dus de archeologische waarde van het terrein in kaart is gebracht. Dat is niet het geval op basis van alleen een archeologisch bureau- en booronderzoek, op basis waarvan alleen een verwachting wordt uitgesproken. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat er al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging, dan wel vernietiging, als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt.
1 Selectiebesluit versie 2, 22 mei 2025. Pagina | 5
AM24235
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Administratieve gegevens onderzoekgebied Projectnaam
AM24235
OM-nummer
5652856100
Soort onderzoek
Bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen
Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Gilze en Rijen
Plaats
Gilze en Rijen
Adres
Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen
Toponiem
Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen
Kadastrale registratie
Gemeente Gilze en Rijen, sectie B, nummers 4626 en 4627
x, y-coördinaten
Centrum:
123.178 ; 399.615
NW:
123.121 ; 399.657
NO:
123.254 ; 399.624
ZW:
123.107 ; 399.599
ZO:
123.243 ; 399.578
Aanleiding onderzoek
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Oppervlakte plangebied
Circa 7.500 m²
Huidig grondgebruik
Deels bebouwd, deels parkeerplaats met groenstrook
Opdrachtgever
Ordito
Bevoegde overheid
gemeente Gilze en Rijen
Archeologisch adviseur
L. Korthorst, regioarcheoloog Regio West Brabant
Opslag documentatie en materiaal Datum uitvoering veldwerk
Noordhoven 4 te Roermond tot deponering bij provinciaal depot bodemvondsten Noord-Brabant te s’-Hertogenbosch/E-depot 14 oktober 2024
Pagina | 6
AM24235
1. INLEIDING In opdracht van Ordito heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen
Gemeente
: Gilze en Rijen
Oppervlakte
: Circa 7.500 m2
Huidig gebruik van de locatie
: Bedrijfspand met parkeerplaatsen
Toekomstig gebruik
: (her)ontwikkeling van de locatie
Dit archeologische onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de BRL SIKB 4000 (protocol 4002 en 4003), KNA 4.1. Het archeologische onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie. Aanvullend hierop is een verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen op het perceel uitgevoerd. De werkzaamheden in het veld zijn uitgevoerd onder leiding van een senior KNA-prospector.
Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek betreft een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) ten behoeve van de (her)ontwikkeling van de locatie (Figuur 1). De huidige bebouwing zal worden gesloopt en er zal een appartementencomplex met circa 147 woningen worden gebouwd. Over de hele oppervlakte zal de nieuwbouw worden voorzien van een ondergrondse, half verdiepte parkeergarage. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend, maar uitgaande van de aanleg van bouwputten voor de voorgenomen half verdiepte parkeergarage zal de bodem waarschijnlijk tot circa 2,5 meter beneden maaiveld verstoord worden. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen (2022) in een zone met beleidscategorie 3.2 Binnen het paraplubestemmingsplan Gilze en Rijen (vastgesteld 2023) geldt de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3a.3 Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m 2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt.
Doel Het doel van het archeologische bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Het doel van het aansluitende verkennend booronderzoek is het toetsen van het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel.
2 Gemeente Gilze-Rijen. Archeologische verwachtings- en beleidskaart, een actualisatie. BAAC Rapport V-20.0260. 3 www.omgevingswet.overheid.nl Pagina | 7
AM24235
Specifiek voor de onderzoekslocatie Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: •
Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten?
•
In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten?
•
Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen?
Plangebied Het plangebied ligt aan de Mary Zeldenrustlaan, in de bebouwde kom van Rijen. De ligging van het plangebied is weergegeven in Figuur 2. Momenteel is het plangebied in gebruik als bedrijfslocatie (Praxis en Raven) met parkeerplaatsen en groenstrook. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de Mary Zeldenrustlaan, in het oosten door bebouwing aan de Mary Zeldenrustlaan (nummer 22), in het zuiden door bebouwing aan de Venneweg (nummers 12a t/m 28) en in het westen door parkeerplaatsen aan de Anne Frankplein.
Figuur 1. Impressie van de toekomstige situatie binnen het plangebied. Het plangebied is aangegeven met het rode kader (Bron: Aangeleverd door de opdrachtgever).
Pagina | 8
AM24235
Figuur 2. Topografische ligging van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is weergegeven met het rode kader. (Bron: PDOK-viewer).
Pagina | 9
AM24235
2. WERKWIJZE 2.1
Inleiding
Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten, archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn deze bronnen van belang voor het opstellen van de landschapsgenese.
Archeologische bronnen •
Archeologische Monumentenkaart (AMK)
•
Archeologisch Informatiesysteem (Archis3)
•
Archeologische Beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen
•
Archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Gilze en Rijen
•
Specifieke lokale informatie (heemkundekring, amateurarcheologen)
Bodem- en geomorfologische kaarten •
Bodemkaart (Alterra)
•
Geomorfologische kaart (Alterra, uit Archis3)
•
Archeolandschappelijke eenhedenkaart gemeente Gilze en Rijen
•
Bodemkaart gemeente Gilze en Rijen
•
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4)
Historische kaarten •
Historisch kadastraal minuutplan (1800-1832)
•
Historische topografische en militaire kaarten (1830 tot 1978)
•
Moderne topografische kaart (tot 2023)
De Heemkundekring Molenheide, is op 25 september 2024 per e-mail gecontacteerd met de vraag om aanvullende informatie betreffende het plangebied. Tot op heden is hierop nog geen reactie ontvangen.
2.2
Verkennend veldonderzoek door middel van boringen
Aan de hand van het Plan van Aanpak (PvA) en de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek 4 wordt een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is verkennend voor alle perioden. Het plangebied heeft een oppervlakte van 7.500 m2. Bij het verkennend veldonderzoek zal daarom uitgegaan worden van zes boringen welke gelijkmatig over het plangebied worden verdeeld, zie Bijlage 2. De boorlocaties worden uitgezet ten opzichte van de hoekpunten van de perceelsgrenzen, straten, en aanwezige bebouwing. Vervolgens wordt de hoogte van deze punten bepaald met het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).
4 Tol et al. 2012. Pagina | 10
AM24235
Alle boringen worden gezet met een Edelmanboor met een boorkop van 7 centimeter en de boorkernen worden beschreven conform de ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2), zie Bijlage 8. Hoewel niet het doel van een verkennend onderzoek, zal worden gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals fragmenten keramiek, fosfaatvlekken, houtskoolresten, en verbrande leem. Om deze reden worden de opgeboorde monsters, waar nodig, verbrokkeld.
Pagina | 11
AM24235
3. BUREAUONDERZOEK 3.1
Landschappelijke situatie - geomorfologie
Het plangebied ligt in het Kempisch zandgebied5 van Brabant aan de westgrens van de Roerdalslenk. De ondergrond ten oosten van het plangebied wordt doorsneden door noordwest-zuidoost georiënteerde geologische randbreuken, waaronder de GilzeRijenbreuk die bijna direct ten westen van het plangebied ligt en de Feldbissbreuk/Vessem op circa vijf kilometer afstand van het plangebied. In het Vroeg-Pleistoceen (circa 2.6 miljoen tot 850.000 jaar geleden) tot aan het begin van het Midden-Pleistoceen (circa 380.000 tot 130.000 jaar geleden) vond op het Kempisch Hoog slechts een beperkte depositie plaats van voornamelijk afzettingen van lokale oorsprong, onder andere als gevolg van verplaatsing door de wind en sneeuwsmeltwater, maar ook door rivieren en beken uit midden-België. Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Stramproy. De Formatie van Stramproy is in deze regio overwegend fijnzandig, met leem- en of kleilagen die bleek, lichtgrijs, lichtbruin en grijswit van kleur zijn. De zandfractie is 63 tot 420 µm.6 Er kunnen ook veenlagen of grindlagen voorkomen in de Formatie. Deze afzettingen hebben vervolgens relatief langdurig aan het oppervlak gelegen, want er kunnen oude bodems in voorkomen. De afzettingen van Stramproy zijn later bedekt met een laag dekzand (Formatie van Boxtel).
Het dekzand is gevormd tijdens de laatste ijstijd (Weichselien; circa 115.000 – 11.700 jaar geleden), aan het eind van het Pleistoceen. Het huidige landschap is in die periode voor een groot deel gevormd. Er ontstond een steeds kouder en droger klimaat.7 In deze periode (circa 115.000 – 11.700 jaar geleden) breidde het landijs zich sterk uit in Europa. Gedurende het grootste deel van het Weichselien was de bodem bevroren. Tijdens perioden dat er sprake was van dooi, werd door sneeuwsmelten regenwater veel sediment verspoeld, waarbij fluvioperiglaciale afzettingen zijn gevormd en dalen ontstonden. De fluvioperiglaciale afzettingen zijn zeer divers in textuur. Ze bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend.6 Deze afzettingen zijn in het plangebied in de diepere ondergrond aanwezig. De fluvioperiglaciale afzettingen zijn later bedekt geraakt met dekzand. In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name tijdens het Laat-Pleniglaciaal (circa 26.000 – 14.700 jaar geleden) en in sommige perioden van het Laat-Glaciaal (circa 14.700 – 11.700 jaar geleden), is de vegetatie grotendeels verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving optrad. Hierbij werd dekzand afgezet.7 Dit dekzand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm) en arm aan grind.
Het dekzand wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend. Het reliëf dat tijdens de dekzandafzetting is ontstaan, wordt gekenmerkt door vlaktes met depressies en dekzandruggen of dekzandkoppen. Het dekzand kan onderverdeeld worden in het Oud Dekzand en Jong dekzand, waarbij het Oud Dekzand kan opgedeeld worden in Oud Dekzand I en II. Hiertussen ligt de laag van Beuningen, een grindrijke laag die ook wel als ‘desert pavement’ wordt aangeduid. Tegenwoordig worden alle dekzandafzettingen tot de Formatie van Boxtel gerekend, Laagpakket van Wierden en wordt het onderscheid tussen Jong en Oud dekzand niet meer gemaakt.
5 Rensink et al., 2019. 6 Stouthamer et al. 2020: 155. 7 Berendsen 2008, 183; Stouthamer, Cohen en Hoek 2019, 205. Pagina | 12
AM24235
Het klimaat werd tijdens het Holoceen warmer en vochtiger. Door het warmere klimaat smolten de in het Weichselien gevormde ijskappen en steeg de relatieve zeespiegel snel. Als gevolg van de snelle relatieve zeespiegelstijging in het Atlanticum (8.000 – 5.000 jaar geleden), vond er veenvorming plaats op het dekzand. Aanvankelijk vond veenvorming met name plaats in de lagere delen, zoals beekdalen. Omstreeks 600 voor Chr. raakten grote delen van west-, noordwest- en het noorden van Noord-Brabant bedekt met veen. Ter hoogte van de lijn Breda – Hulten komt een uitloper van deze veenbedekking voor. 8 Volgens de Paleogeografische kaarten van Nederland heeft alleen op enkele kilometers ten oosten en zuidwesten veenvorming plaatsgevonden. 9 Vanaf de late middeleeuwen en nieuwe tijd (circa 1.250-1.750) is een groot deel van de veenbedekking verdwenen (afgegraven) door de turfwinning. Volgens de Turfdatabank van de Provincie Antwerpen is het onzeker of er in het plangebied veenvorming heeft plaatsgevonden.10 Als gevolg van ontbossingen door menselijke activiteiten heeft vanaf het neolithicum opnieuw verstuiving plaatsgevonden van het dekzand. Systematische ontbossingen vanaf de (late) middeleeuwen heeft grootschalige verstuivingen veroorzaakt. Hierdoor ontstonden landduinen.
Deze jonge stuifzanden worden tot het Laagpakket van Kootwijk van de Formatie van Boxtel gerekend en worden gekenmerkt als reliëfrijke zones in het landschap. Op circa 1,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied is een dergelijke lage landduin aanwezig. Volgens de geologische kaart komen in het plangebied Rijn- en Rijn-Maasafzettingen (code ST) voor.11 Deze afzettingen zijn onderdeel van de Formatie van Sterksel. Volgens de geomorfologische kaart (Bijlage 5) is het grootste deel van het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Rijen. Een strook in het noorden en oostelijk deel van het plangebied ligt op een terrasafzettingswelving bedenkt met een dun laagje dekzand (code 3L41d). Vermoedelijk ligt de rest van het plangebied ook op een terrasafzettingswelving. Volgens de Archeolandschappelijke Eenhedenkaart van de gemeente Gilze en Rijen ligt het hele plangebied binnen terraswelvingen (al dan niet bedekt met een dun pakket dekzand). 12 Op het kaartbeeld van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4, Bijlage 7) is duidelijk de overgang tussen het hooggelegen dekzandplateau ten westen van het plangebied en de lager gelegen dalvormige laagten ten oosten van het plangebied. Volgens het AHN varieert de maaiveldhoogte binnen het plangebied is nagenoeg gelijk 8,70 tot 8,80 meter +NAP.
3.2
Landschappelijke situatie - bodem
Volgens de bodemkaart (Bijlage 6) worden in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand (code zEZ21) verwacht. Bij enkeerdgronden is sprake van een eerdlaag of plaggendek. Dit (plaggen)dek is ontstaan doordat in sommige gevallen al vanaf de late middeleeuwen op grote schaal het systeem van potstalbemesting werd toegepast. Om de grond vruchtbaarder te maken, werden plaggen met de mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid. In de loop der tijd is hierdoor een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. De totale dikte van het plaggendek is bij de enkeerdgronden meer dan 50 centimeter. De bouwvoor (Aap-horizont) is grijsbruin tot zwart van kleur.
8 Leenders 1998. 9 Vos et al. 2018. 10 Vos et al. 2018; Berkvens (2011. 11 Geologische kaart Nederland, TNO. 12 Archeolandschappelijke eenhedenkaart, BAAC, project V-20.0260, 2021. Pagina | 13
AM24235
Hieronder liggen oudere niveaus/lagen van het plaggendek (Aa-horizont), die meestal wat lichter van kleur zijn. Dergelijke cultuurdekken kunnen een beschermende werking hebben voor de potentieel aanwezige archeologische lagen. De hoge enkeerdgronden betreffen de oudste opgehoogde gronden, die over het algemeen op de hogere dekzanden liggen. De lage enkeerdgronden werden pas later in gebruik genomen vanwege de lagere ligging in het beekdal. Door de hogere grondwaterstand was de sterke ophoging met plaggen niet alleen noodzakelijk voor de bemesting maar ook om de nattere gronden toegankelijk te maken. De kans bestaat dat er onder het eerddek nog een restant van het oorspronkelijke bodemprofiel wordt aangetroffen. Dit hoeft echter niet zo te zijn zoals vaker blijkt bij archeologisch onderzoek. Indien sprake is geweest van een snelle ophoging, dan zou men onder het eerddek nog een intacte A-horizont kunnen vinden. Deze laag onderscheidt zich door een hoger humusgehalte en een meer donkere kleur. Echter, door verploeging zijn vaak de oorspronkelijke A- en E-horizont meestal reeds opgenomen in het plaggendek. Indien de oorspronkelijke bodem bestaat uit een podzolbodem kunnen op een dieper niveau nog (restanten van) een B- en/of BC- horizont voorkomen. Grondwatertrap De mogelijk aanwezige gronden worden gekenmerkt door een gemiddeld lage grondwaterstand, te weten grondwatertrap VII.
Dit zijn de gemiddelde grondwaterstanden die op de bodemkaart staan aangegeven. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 80 en 140 centimeter beneden maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 160 centimeter beneden maaiveld. Deze lage grondwaterstand zorgt voor slechte bewaringsomstandigheden voor eventuele organische resten.
3.3
Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht
De bestudeerde en beschikbare bronnen hebben het volgende beeld kunnen schetsen over de geschiedenis van Rijen. De eerste vermelding in historische bronnen van Rijen dateert uit 1404, als ten Ryden.13 In 1464 werd in Rijen een kapel gesticht waarna in 1524 een zelfstandige parochie is gesticht. Rijen is als een straatdorp ontstaat aan de huidige Hoofdstraat en het zuidelijke verlengde de Stationsstraat. Deze straat ligt ten westen van het plangebied. Direct ten westen-noordwesten van het plangebied ligt ook het gehucht Laagstraat, gelegen aan de huidige, gelijknamige straat.14 In de buurtschap de Vijf Eiken, ten westen van Rijen, werd in 1732 militaire oefening van het leger van de Republiek gehouden. In 1830 werden de Nederlandse troepen gestationeerd die konden worden ingezet bij de Belgische opstand. Tot in de Eerste Wereldoorlog werd dit kamp gebruikt. Op het AHN4 zijn de resten van dit kamp nog steeds zichtbaar.15 Begin 19e eeuw vestigden de eerste leerlooierijen in Rijen. Vanaf de 20e eeuw werden de eerste leer/schoenfabrieken opgericht. De leer/schoenfabrieken waren een belangrijk onderdeel van de economie. De spoorlijn tussen Breda en Tilburg in 1863, gelegen direct ten zuiden van het plangebied, hing samen met de uitbreiding van de uitbreiding van de leerindustrie in Rijen.
13 Berkel en Samplonius, 2006, 377; Berkvens, Bosman, Leenders en Schotten 2010, 43. 14 Berkvens, Bosman, Leenders en Schotten 2010, 50. 15 RAAP 2024. Pagina | 14
AM24235
De omgeving Gilze en Rijen werd tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar getroffen. De vliegvelden Molenheide en Nerhoven werden door de Duitsers samengevoegd tot één groot vliegveld Fliegerhorst Gilze-Rijen (de latere vliegbasis Gilze-Rijen, gelegen tussen beide kernen). Door het belang en de grootte van dit vliegveld en de dichtbij de bebouwde kom gelegen hangars en opslagplaatsen werd het regelmatig gebombardeerd.16 In 1944 werd Gilze door de Duitsers voor een aanzienlijk deel verwoest. De omgeving van het station werd op 14 mei 1940 gebombardeerd. Op 10 mei wordt het hoofdspoor van het station Gilze-Rijen geraakt door een vliegtuigbom. In 1942 ontplofte bij het station Gilze-Rijen in 1942 een munitietrein. De huizen aan de Venneweg werden meerdere woningen vernield of geraakt. Deze weg ligt parallel aan de spoorlijn en direct ten zuiden van het plangebied. Om deze redenen kan niet worden uitgesloten dat binnen of directe omgeving van het plangebied oorlogsgerelateerde verwoestingen of crashes hebben plaatsgevonden. Op basis van bestudering van de relevante kaarten bestaat binnen of in de directe omgeving van het plangebied echter geen concrete verwachting dat oorlogsgerelateerde verwoestingen of ontplofbare oorlogsresten (OO) aanwezig zijn.17
3.4
Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden
Volgens de leidende Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Gilze en Rijen ligt het plangebied voor de periode Jager-verzamelaars in een zone waarbinnen geen resten van jager-verzamelaars worden verwacht.18 Voor de periode Boeren- en Staatse samenlevingen ligt het plangebied in een zone waarin resten van Boeren- en Staatse samenlevingen worden verwacht. 19
De leidende Archeologische Beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen (Bijlage 4)20 is gebaseerd op deze archeologische verwachtingskaarten en het plangebied behoort tot Categorie 3. De gebieden behorende tot categorie 3 betreffen gebieden waaraan op basis van de modellen een verwachting is toegekend op het voorkomen van archeologische resten zoals weergegeven op de verwachtingskaart voor Boeren- en Staatse samenlevingen. In de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 500 meter) zijn volgens de gegevens uit Archis3 geen archeologisch monument bekend. Er zijn wel meerdere archeologische waarnemingen en onderzoeksmeldingen bekend (Bijlage 3 en Tabel 1).
Onderzoeks- en vondstmeldingen in de omgeving van het plangebied Zaakidentificatie 5278896100
Afstand Direct ten westen
Soort onderzoek IVO-o door
Omschrijving Op basis van het veldonderzoek is vast te stellen dat vanaf maaiveld tot
van het plangebied
Transect in 2022
een diepte van 130-160 cm - maaiveld (7,5-7,8 m +NAP) sprake is van een modern pakket humeus ophoogzand, dat op basis van de aanwezigheid van puin, glas en steenkool geenszins aan te merken is als oud bouwlanddek. De moderne ophooglaag ligt op de C-horizont, die tot een zodanig grote diepte geroerd is geraakt dat geen sprake meer is van een intact relevant niveau. In het plangebied is vastgesteld dat sprake is van een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten.
16 www.heemkringmolenheide.nl; Van Blankenstein 2006, 106. 17 Indicatieve kaart militair erfgoed (www.ikme.nl); BeoBom Ruimingskaart (www.beobom.maps.arcgis.com); VEO Bommenkaart www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart). 18 BAAC 2021, Archeologische verwachtingskaart Gemeente Gilze en Rijen, Jagers en verzamelaars, BAAC Rapport V-20.0260. 19 BAAC 2021, Archeologische verwachtingskaart Gemeente Gilze en Rijen, Boeren- en Staatse samenlevingen, BAAC Rapport V-20.0260. 20 BAAC 2021, Gemeente Gilze-Rijen. Archeologische verwachtings- en beleidskaart, een actualisatie. BAAC Rapport V-20.0260. Pagina | 15
AM24235
Zaakidentificatie
Afstand
Soort onderzoek
Omschrijving Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig. Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven.
5508619100
Circa 80 m ten
IVO-o door BAAC
Op basis van het verkennend booronderzoek blijkt dat binnen het
zuiden van het
BV in 2024
plangebied een natuurlijke ondergrond van rivierafzettingen (Formatie
plangebied
van Sterksel) aanwezig is. De top van de intacte C-horizont ligt op 40-70 cm -mv. Acht boorprofielen bevatten (sub-)recente verstoringslagen. De verstoringen reiken tot diep in de C-horizont en hebben eventuele archeologische lagen verstoord (120-200 cm -mv). Bij het veldonderzoek geboorde zone vrij te stellen van een archeologisch vervolgonderzoek. Voor de rest van het plangebied blijft de in het bureauonderzoek gestelde (middel)hoge archeologische verwachting gehandhaafd.
5624157100
Circa 100 m ten
BO door BAAC BV
Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied op een
zuidwesten van het
in 2024
terrasafzettingswelvingen ligt. De terrasafzettingswelvingen kunnen
plangebied
lokaal zijn afgedekt door een dun pakket dekzand. De oorspronkelijke bodemtypen in het plangebied bestonden uit enkeerdgronden en/of veldpodzolgronden. Het plangebied lag op minstens 500 meter ten zuiden van de historische kern van Rijen en is lange tijd onbebouwd gebleven. In 1830 lag het plangebied net ten noorden van het Kamp Rijen van Koning Willem I, maar hier worden geen sporen van verwacht in het plangebied. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
2909783100
2909694100
2070435100
Circa 200 m ten
Vondstmelding
Registratie archeologische vondstmelding in 2015 van keramiek
zuidwesten van het
(aardewerk, handgevormd) en complextype uit het laat neolithicum –
plangebied
Romeinse tijd.
Circa 270 m ten
Vondstmelding
Registratie archeologische vondstmelding in 2015 van keramiek
westen van het
(aardewerk, handgevormd: 3-ledig hoge vorm) en complextype uit de
plangebied
ijzertijd.
Circa 210 m ten van
BO door BAAC BV
Project: diverse woningbouwlocaties in de gemeente. Er zijn geen
het noorden van het
in 2005
verdere gegevens bekend in Archis en DansArchaeology.
Circa 200 meter ten
IVO-o door
Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansArchaeology.
noordoosten van het
Vestigia BV in
plangebied
2005
Circa 200 meter ten
IVO-p door
Er
noordoosten van het
BILAN in 2007
perceelsgreppels aangetroffen die alle een oost-westelijke oriëntatie
plangebied 2073554100
2169831100
plangebied
waren
hadden.
De
geen
nederzettingssporen
greppels
werden
aan
aanwezig.
de
hand
Wel
van
werden
dateerbaar
vondstmateriaal en de aard en karakter van de sporen gedateerd in de periode late middeleeuwen - nieuwe tijd. Tabel 1. Overzicht van Archismeldingen binnen een straal van 500 meter rond het plangebied.
Pagina | 16
AM24235
3.5
Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal
In het kader van het bureauonderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 3)21 is de situatie op kadastraal niveau te zien. Het plangebied en de directe omgeving is onbebouwd. De bebouwing concentreert zich ten westen van het plangebied, aan de huidige Laagstraat. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT)22 behorende bij het minuutplan, zijn alle percelen als bouwland in gebruik. Deze zijn onderdeel van het De Laagstraatsche Hoek en Rijensche Haansberg. De kern van Rijen lag in het begin van de 19e eeuw op circa 300 meter ten westen van het plangebied. Op de kaarten uit 1901 en 1930 (Figuur 4) is eveneens geen bebouwing aanwezig. Ten zuiden is de spoorlijn Breda-Tilburg aanwezig. Deze spoorlijn is in 1865 aangelegd. Op de kaart van 1950 is te zien dat ten zuiden en westen van het plangebied meer bebouwing aanwezig is, gelegen aan de Laagstraat en aan de Venneweg, direct langs het spoor. In de loop van de jaren vijftig van de vorige eeuw breidt de kern van Rijen flink uit. Het plangebied en directe omgeving blijft onbebouwd. In de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw raakt de directe omgeving en het plangebied bebouwd. Volgens BAG Viewer dateert de huidige bebouwing uit 1995.23
Figuur 3. Uitsnede van het kadastraal minuutplan uit 1811-1832, met in het rood bij benadering het plangebied aangegeven (Bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
21 www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Gemeente Reusel, sectie B, blad 3. Minuutplans zijn de oorspronkelijke kadastrale kaarten die zijn vervaardigd vanaf 1811 en 1812 in navolging van de Fransen o.l.v. Napoleon Bonaparte. Het zijn grondbeschrijvingen (kadasters) van de gemeenten met hierop aangegeven de percelen, perceelnummers en gebouwen. 22 OAT = Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel. Dit is een register uit 1832 waarin diverse gegevens in vermeld staan die betrekking hebben op de betreffende percelen, zoals de eigenaar, beroep en woonplaats, alsmede het grondgebruik en de oppervlakte. 23 www.bagviewer.nl Pagina | 17
AM24235
Figuur 4. Uitsneden van historische kaarten uit de perioden 1901, 1930, 1950 en 1970. Het plangebied is aangegeven met het rode kader (Bron: www.topotijdreis.nl).
Pagina | 18
AM24235
4. VERWACHTINGSMODEL Jager-verzamelaars uit het paleolithicum en mesolithicum hebben als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap gekozen. Bij voorkeur in de buurt van (open) water. Nabijgelegen watervoorzieningen waren belangrijk voor drinkwater en de aanwezige biodiversiteit. Dit vergemakkelijkt de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel. Het plangebied bevindt zich binnen een zone van terrasafzettingswelvingen bedekt met een dekzandpakket. Het plangebied ligt daardoor relatief hoog, maar is enigszins ver gelegen van watervoorzieningen. Op 650 meter ten oosten van het plangebied ligt het beekdal van respectievelijk de Groote Leij. Er is dus geen sprake van een gradiëntzone binnen of in de directe omgeving van het plangebied. In de omgeving zijn enkele vuursteenvondsten bekend. Om deze redenen wordt een middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. Binnen het plangebied worden enkeerdgronden verwacht. Deze gronden hebben een opgebracht antropogeen dek (eerdlaag) dat een conserverende werking kan hebben op eventueel aanwezige archeologische resten.
Eventueel aanwezige resten uit de periode laat-paleolithicum en mesolithicum worden onder de verwachte eerdlaag of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen onder andere bestaan uit tijdelijke bewoningssporen, haardkuilen, vuursteenstrooiingen. Vanaf het (laat-)neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door meer sedentaire nederzettingen. Deze nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren, waarbij men een voorkeur had voor hoger en droger gelegen gebieden. De ligging van het plangebied in een relatief hooggelegen gebied relatief ver van het beekdal van de Groote Lei zal voor latere landbouwende samenlevingen geen aantrekkelijke vestigingsplaats zijn geweest. De aanwezigheid van enkeerdgronden in het plangebied duidt op langdurig landbewerking in het plangebied. Deze werden vanaf de late middeleeuwen in gebruik genomen als open akkers. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele vondsten bekend uit de periode neolithicum tot en met Romeinse tijd. Voor het plangebied geldt daarom een middelhoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de ijzertijd als voor nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen.
Resten worden onder de verwachte eerdlaag of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen onder andere bestaan uit cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aardewerk, natuursteen, of gebruiksvoorwerpen. Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het plangebied sinds tenminste circa 1800 onbebouwd was en grotendeels in gebruik is als bouwland en weiland. De omgeving van het plangebied verandert nauwelijks in de loop van de 19 e en 20e eeuw. Het plangebied blijft onbebouwd en is als bouwland en weiland in gebruik. De huidige bebouwing dateert uit 1995. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een lage verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Archeologische resten worden vanaf het maaiveld verwacht en kunnen onder andere bestaan uit onder andere cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, gebruiksvoorwerpen van bijvoorbeeld natuursteen, fragmenten aardewerk en sporen van agrarische activiteiten. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van enkeerdgrond en daarmee een eerddek zijn archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Over het algemeen kunnen (anorganische) vondsten en sporen onder zo’n dek in goede toestand worden aangetroffen.
Mogelijke vuursteenvindplaatsen kunnen echter verstoord zijn geraakt bij de aanleg van het plaggendek en de eerste bewerking ervan. Pagina | 19
AM24235
Hierdoor is vaak de top van de natuurlijk bodem opgenomen in het bovenliggende opgebrachte dek. Wat betreft eventueel aanwezige organische resten is het afhankelijk hoe diep het grondwater zit. Bij hoge enkeerdgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Periode Laat-paleolithicum -
Verwachting Middelhoog
mesolithicum
Verwachte kenmerken vindplaats Resten van kampementen, fragmenten
Diepteligging sporen In de oorspronkelijke bodem, onder het eerddek
vuursteen, natuursteen, gebruiksvoorwerpen
(laat)-neolithicum –
Middelhoog
vroege
Nederzettingsresten, fragmenten aardewerk,
In de oorspronkelijke bodem, onder het eerddek
natuursteen, gebruiksvoorwerpen
middeleeuwen Volle middeleeuwen
Laag
– nieuwe tijd
Cultuurlaag, funderingsresten, natuursteen,
Vanaf het maaiveld
fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen, sporen van agrarische activiteiten, restanten wegen/paden
Tabel 2. Archeologische verwachting per periode.
Bodemverstoring De bodem is ten behoeve van de aanleg van het industrie-/bedrijventerrein afgegraven/geëgaliseerd. Hoeveel precies is niet met nauwkeurigheid te zeggen. Op basis van een archeologisch onderzoek uit 2022 dat werd uitgevoerd direct ten westen van het plangebied, bleek dat deze onderzoekslocatie tot een diepte van circa 130 tot 160 centimeter onder maaiveld ten behoeve van de aanleg van het industrieterrein was afgegraven/verstoord.24 Op basis van de NAP-hoogten direct rondom het plangebied op de topografische kaart uit en na 1970 (zie ook Figuur 4) blijkt dat sprake is van een maaiveldhoogte van 8,1 meter +NAP. De huidige maaiveldhoogte bedraagt 8,7 tot 8,8 meter +NAP. Op basis hiervan lijkt binnen het plangebied sprake van een ophoging van circa 60-70 centimeter. Mogelijk is ook eerst sprake geweest van afgraving met daarna een ophoging. De funderingsdiepte van de huidige, te slopen bedrijfspand (winkelruimte) bedraagt 80 centimeter onder maaiveld, getuige een bouwtekening uit 1994 en 1997 (Figuur 5). Mogelijk is verstoring opgetreden als gevolg van het gebruik als akkerland (diepploegen). Op basis van de KLIC-melding (uitgevoerd op 10 september 2024) zijn binnen het plangebied meerdere kabels/leidingen gegraven die voor een verstoring van de bodem kunnen hebben gezorgd.
24 Hartog en Rap, Transect, 2022. Pagina | 20
AM24235
Figuur 5. Funderingsdetails huidige bedrijfspand (Foto: Aangeleverd door de opdrachtgever).
Pagina | 21
AM24235
5. VELDWERKZAAMHEDEN 5.1
Algemeen
Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is het toetsen van de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied (Hoofdstuk 4). Hiertoe zijn op 14 oktober 2024 in totaal zes boringen gezet (zie Bijlage 2 en 8). De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 centimeter. De boordiepte varieerde van 120 tot 400 centimeter onder maaiveld. De boorkernen zijn conform ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. De hoogteligging van de boorpunten ten opzichte van NAP is afgeleid van het AHN4. 25 De maaiveldhoogte is nagenoeg gelijk binnen het plangebied en varieert tussen de 8,70 tot 8,80 meter +NAP. Er is geen oppervlakte kartering uitgevoerd in verband met de aanwezige begroeiing en verharding.
Figuur 6. Foto van het noordelijk deel van het plangebied, kijkende in westelijke richting (Foto: 14 oktober 2024).
25 www.ahn.nl Pagina | 22
AM24235
5.2
Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw
De top van de bodem wordt gevormd door een circa 15 tot 37 centimeter dik pakket zwak siltig, matig grof zand. Dit pakket heeft een (licht) grijsbeige kleur. Hieronder volgt, met uitzondering van boring 2, matig humeus, matig siltig, matig fijn zandpakket. Dit pakket heeft een donker grijsbruine kleur. De dikte van dit pakket varieert van circa 25 tot 70 centimeter. Dit pakket is niet aangetroffen in boring 2. In boringen 4 en 5 volgt hieronder roodbruine zwak siltig, matig fijn zandlaag. De dikte van dit pakket is circa 10 tot 15 centimeter. De top van deze zandlaag is aangetroffen op circa 55 tot 75 centimeter onder maaiveld. Dit komt overeen met circa 8,05 meter +NAP. In boring 5 volgt daaronder een grijsbruine zwak siltige, matig fijne zandlaag. Deze laag wordt gekenmerkt door het voorkomen van licht grijze en roodbruine brokken zand. Deze laag gaat geleidelijk via een geelbeige zandlaag over in een licht geelbeige zandlaag. In boring 4 ligt de roodbruine zandlaag direct op de licht geelbeige zandlaag. In boringen 1 en 6 volgt onder het humeuze zandpakket een matig fijn tot grof zandpakket. Dit pakket heeft een grijsbeige kleur. De dikte van dit pakket varieert van circa 25 tot 60 centimeter. In boring 6 bevat dit pakket sporen baksteen en heeft het een sterk vlekkerig karakter. Hieronder volgt weer een matig humeus, matig siltig, matig fijn zandpakket.
In boring 6 heeft dit pakket een zwak vlekkerig karakter. Het tweede humeuze zandpakket gaat scherp over in een licht geelbeige zwak siltig, matig fijn zandpakket. De top van dit zandpakket is aangetroffen op circa 105 tot 145 centimeter onder maaiveld (circa 7,35 tot 7,65 meter +NAP). De aangetroffen bodemopbouw in boring 2 wijkt sterk af. Hier bestaat de bovenste 140 centimeter uit meerdere lagen zwak siltig, matig fijn zand. Op circa 145 centimeter onder maaiveld (circa 7,35 meter +NAP) is het licht geelbeige zwak siltig, matig fijn zandpakket.
Bs-hor Bhs-hor Ap-hor
(sub-)recent opgebracht
0 cm -mv
C-hor 120 cm -mv Figuur 7. Foto van boring 4. De leesrichting is van linksboven naar rechtsonder (0 – 120 centimeter) (Foto: 14 oktober 2024).
Pagina | 23
AM24235
Aa-hor
(sub-)recent
(sub-)recent opgebracht
opgebracht
0 cm -mv
C-hor Aa-hor
190 cm -mv Figuur 8. Foto van boring 1. De leesrichting is van linksboven naar rechtsonder (0 – 190 centimeter) (Foto: 14 oktober 2024).
5.3
Interpretatie
Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat in het plangebied dat diepe ondergrond bestaat dekzandafzettingen. Het dekzand bestaat uit zwak siltig matig fijn, goed gesorteerd zand. De dekzandafzettingen zijn onderdeel van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een diepte van 70 tot 145 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een diepte van circa 7,35 tot 7,90 meter +NAP. De top van de bodem wordt gevormd door een (sub-)recent opgebracht pakket. Hieronder volgt, met uitzondering van boring 2, een circa 25 tot 30 centimeter dikke moderne ploeglaag (Aap-horizont). Onder de Aap-horizont bevindt zich een circa 15 tot 35 centimeter dik antropogeen opgebracht pakket (Aa-horizont). Ter hoogte van boringen 4 en 5 is een deels intact bodemprofiel aangetroffen. Onder het humeuze (top)pakket is bevindt zich de donkere humusrijk Bh(s)-horizont (inspoeling van humus en eventueel ook sequioxiden) en/of de roestige Bs-horizont (inspoeling van sequioxiden, waarvan het ijzer voor de roestkleuring zorgt). Hieronder volgt in boringen 5 een overgangszone aangetroffen, de BC-horizont. In boring 5 is onder de Bh(s)-horizont brokken E- en Bh(s)-horizont aangetroffen. De top van de Bhorizont is aangetroffen op circa 55 tot 75 centimeter onder maaiveld (circa 8,05 meter +NAP).
In boringen 1 en 6 is de bodemopbouw in meer of mindere mate verstoord. Dit mogelijk als gevolg van ploegactiviteit of als gevolg van de bebouwing. Onder de A-horizont bevindt zich met een scherpe overgang de natuurlijke ondergrond (C-horizont). De diepte van de storing reikt tot circa 7,35 meter +NAP (circa 145 centimeter onder maaiveld). In het overige deel van het plangebied waar een intact bodemprofiel is aangetroffen ligt de top van de natuurlijke ondergrond op circa 7,70 tot 7,90 meter +NAP. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de bodem tot circa 35 centimeter reikt. In boring 2 ontbreekt de A-horizont, dit duidt op een diepe niet nader te specificeren diepgaande verstoring van de bodemopbouw. Pagina | 24
AM24235
Figuur 9. Resultaten van het veldwerk uitgevoerd op 14 oktober 2024.
5.4
Archeologische indicatoren
Alhoewel geen doel van een verkennend veldonderzoek door middel van boringen, is gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die kunnen wijzen op archeologische waarden in de ondergrond. Tijdens het onderzoek zijn dergelijke indicatoren echter niet aangetroffen.
Pagina | 25
AM24235
6. CONCLUSIE 6.1
Algemeen
Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan niet worden gesteld dat er hoge zwarte enkeerdgronden, zoals verwacht op basis van het bureauonderzoek, aanwezig zijn in het plangebied. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). De top van het dekzand bevindt zich op een diepte van circa 70 tot 145 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een diepte van circa 7,35 tot 7,90 meter +NAP. Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem (deels) intact is of uit een scherp AC-bodemprofiel bestaat. Ter hoogte van boringen 4 en 5 met het (deels) intact bodemprofiel blijven de verwachtingen voor alle perioden uit het bureauonderzoek gehandhaafd (middelhoog voor de periode laat-paleolithicum –vroege middeleeuwen en laag voor de periode late middeleeuwen tot en met nieuwe tijd). De top van de B-horizont is aangetroffen op circa 8,05 meter +NAP. De scherpe overgang naar de C-horizont in boringen 3 en 6 is mogelijk het gevolg van een egalisatie voorafgaand aan de ontginning van het gebied en/of mogelijk door opname in het bovenliggend dek middels (diep)ploegen. De top van de C-horizont is in deze boringen aangetroffen op circa 7,75 tot 7,90 meter +NAP.
Uit het bureauonderzoek kwam dan ook naar voren dat westelijk grenzend aan het plangebied sprake was van een diepgaande verstoring, terwijl binnen het plangebied (ook) sprake is van een ophoging van het terrein. Dit betekent dat de top van het potentieel archeologisch niveau voor de periode jagerverzamelaars niet meer intact is. Deze vindplaatsen zijn immers erg kwetsbaar en zullen, indien deze aanwezig zijn geweest, alleen nog ex-situ kunnen worden aangetroffen. Op basis hiervan wordt ter hoogte van de boringen (nummers 3 en 6) met een scherp AC-bodemprofiel de verwachting voor deze periode bijgesteld van middelhoog naar laag. Voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen kan worden gesteld dat deze naar verwachting nog goed aangetroffen kunnen worden. Op basis hiervan blijft de middelhoge verwachting voor de periode neolithicum – vroege middeleeuwen gehandhaafd. Voor de periode late middeleeuwen tot en met nieuwe tijd blijft de lage verwachting gehandhaafd. Ter hoogte van boringen 1 en 2 is de bodem diepgaand verstoord en wordt de kans op intacte archeologische vindplaatsen klein geacht. Hier is de top van de C-horizont aangetroffen op circa 7,35 meter +NAP. Ter hoogte van deze boringen wordt de middelhoge verwachting voor de periode laat-paleolithicum – vroege middeleeuwen bijgesteld naar laag.
Voor de periode late middeleeuwen tot en met nieuwe tijd was deze al laag.
Pagina | 26
AM24235
6.2
Beantwoording onderzoeksvragen •
Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Ja. In het noordoostelijk deel van het plangebied (boringen 3 en 6) kunnen eventueel archeologische resten voorkomen vanaf het neolithicum – vroege middeleeuwen. Ter hoogte van de aangetroffen (deels) intacte bodemprofielen (boringen 4 en 5) kunnen daarnaast eventueel ook nog archeologische resten voorkomen uit de periode laat-paleolithicum – mesolithicum. Het opgebrachte (plaggen)dek heeft een conserverende werking op de eventueel aanwezige archeologische resten.
•
In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? Ter plaatse van boringen 4 en 5 is een deels intact podzolbodem aanwezig. De afwezigheid van een E- en B(C)-horizont in de overige boringen kan duiden op een recentere bewerking van de bodem.
•
Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen? Eventueel aanwezige archeologische resten worden verwacht onder de A-horizont (Aap- en Aa-horizont). Deze wordt vanaf 45 centimeter onder maaiveld aangetroffen. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen plantontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben en resulteren in de aantasting van eventueel aanwezige archeologische resten.
Pagina | 27
AM24235
7. AANBEVELINGEN Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een (deels) intact bodemprofiel of een scherp AC-bodemprofiel. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (middelhoog voor laat-paleolithicum – vroege middeleeuwen) blijft deels gehandhaafd. De archeologische verwachting (laag late middeleeuwen - nieuwe tijd) blijft overal gehandhaafd. Dit met uitzondering van de zone rond boringen 1 en 2. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen onder de humushoudende bovengrond (45 centimeter beneden maaiveld) archeologische resten aanwezig zijn in het oostelijk deel van het plangebied. Wanneer er in dit deel van het plangebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan (Figuur 8). Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit geldt niet voor het westelijke deel en de zone van de huidige bebouwing. Hier is sprake van een diepgaande verstoring.
Op basis van de bestudeerde bouwtekeningen is ter plaatse sprake van een bodemverstoring van minimaal 80 centimeter beneden maaiveld. Gezien de verstoringen in de direct langs het gebouw gezette boringen 1 en 2 (verstoord tot tenminste 130 centimeter beneden maaiveld) zal ook onder de bebouwing tot dit niveau zijn verstoord. Doorgaans zal dit vervolgonderzoek bij voorkeur plaatsvinden in een proefsleuvenonderzoek. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Gilze en Rijen). Selectiebesluit26 Het advies aan de gemeente Gilze en Rijen is om het advies van Aeres te volgen en een vervolgonderzoek uit te voeren in het oostelijke deel van het plangebied, maar ook om, in afwijking van het advies van Aeres, het bebouwde deel van het terrein mee te nemen in het vervolgonderzoek. Het vervolgonderzoek wordt bij voorkeur als volgt uitgevoerd: -
Een proefsleuvenonderzoek in het oostelijke, onbebouwde deel van het plangebied.
-
Een aanvullend verkennend booronderzoek ter plaatse van de bebouwing. Op basis van de resultaten hiervan wordt bekeken of het noodzakelijk is om ook op deze locatie proefsleuven aan te leggen.
Van belang is dat de bestaande bebouwing voorafgaand aan het archeologisch onderzoek niet ondergronds gesloopt wordt. Funderingen mogen dus pas verwijderd worden als het plangebied is vrijgegeven, of onder archeologische begeleiding als blijkt dat een vindplaats aanwezig is. Bij voorkeur wordt de omgevingsvergunning pas verleend nadat de resultaten van het proefsleuvenonderzoek bekend zijn, en dus de archeologische waarde van het terrein in kaart is gebracht. Dat is niet het geval op basis van alleen een archeologisch bureau- en booronderzoek, op basis waarvan alleen een verwachting wordt uitgesproken. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende of voorbereidende activiteiten ondernomen kunnen worden.
26 Selectiebesluit versie 2, 22 mei 2025. Pagina | 28
AM24235
Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en de conventionele methoden. Het doel van dit onderzoek is het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging, dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt.
Figuur 8. Advieskaart voor het plangebied.
Figuur 9. Advies RWB Pagina | 29
AM24235
LITERATUURLIJST Auwerda, F./ P. Grimm, 2008: Verliesregister 1939-1945, Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, Den Haag. Bakker, de, H., 1966: ‘De subgroepen van het systeem van bodemclassificatie voor Nederland’, in Boor en spade: verspreide bijdragen tot de kennis van de bodem van Nederland, Wageningen. Bakker, de, H./ J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus. Staring Centrum, Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2010: Fysisch-geografisch onderzoek, Assen. Berendsen, H.J.A., 2011: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en Geomorfologie, Assen. Berendsen, H.J.A., 2005: Landschappelijk Nederland, Assen. Berendsen, H.J.A./E. Stouthamer/K.M. Cohen/W.Z. Hoek, 2019: Landschap in delen. De fysisch-geografische regio’s, Utrecht. Berkel, G. van/ K. Samplonius, 2006: Nederlandse plaatsnamen. Herkomst en Historie, Utrecht (Prisma). Berkvens, R./ J. Bosman/ K.A.H.W. Leenders, 2010: Gilze en Rijen, van onderaf bekeken. Toelichting op de archeologiekaart, gemeente Gilze en Rijen, SRE Milieudienst, Eindhoven. Blankenstein, van, E., 2006: Defensie- en oorlogsschade in kaart gebracht (1939 – 1945), Zeist. Boer, E.A.M./ D.E.C.P.M. Beckers, 2022: Gemeente Gilze en Rijen Cultuurhistorische Waardenkaart, BAAC Rapport V-20.0260, ’sHertogenbosch.