Meicirculaire gemeentefonds 2024
Tekst van het document
Vanaf dit jaar zullen de fondsbeheerders er strenger op toezien dat alleen de gemeentelijke kosten en/of die van een particuliere vondst, in de aanvraag worden meegenomen, Dit zal fasegewijs worden gehandhaafd. Dit jaar wordt gehandhaafd op of de ingediende aanvragen niet de kosten van waterschappen en provincies bevatten. Vanaf volgend jaar zullen ook de kosten van andere derden, met uitzondering van particuliere vondsten, niet langer voor vergoeding in aanmerking komen. Bovendien moet vanaf volgend jaar expliciet in het raadsbesluit worden verklaard dat de kosten alleen de kosten, exclusief btw, van gemeenten en/of particuliere vondsten betreffen. Er hoeft geen verdere onderbouwing te worden overlegd. Voor meer informatie hierover zie, Bommenregeling gemeentefonds | Brochure | Rijksoverheid.nl. Bijlage 2.4.1 vermeldt de gemeenten die in 2024 op basis van de ingediende aanvraag een uitkering ontvangen, inclusief de bijbehorende bedragen. Het totaalbedrag van de bommenregeling 2024 bedraagt circa € 19,5 miljoen. Dit bedrag is inclusief het bedrag voor berging van vliegtuigwrakken (zie hieronder). Binnen het nationaal programma Berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog zijn eind 2018 locaties vastgesteld waar zich mogelijk te bergen vliegtuigwrakken bevinden. De afgelopen jaren hebben in verschillende gemeenten bergingen plaatsgevonden.
In 2023 heeft, in dit kader de berging plaatsgevonden van de Britse Lancaster ED603 bommenwerper in het IJsselmeer. Hierbij zijn alle drie vermiste bemanningsleden aangetroffen. Het proces om te komen tot hun formele identificatie en begrafenis door de Britse overheid is gestart. Daarnaast vond eind juni 2023 op de Duitse militaire begraafplaats Ysselsteyn de begrafenis plaats van de in 2022 in Lingewaard geborgen
20 Meicirculaire gemeentefonds 2024
piloot. Voor bergingen die onderdeel uitmaken van het nationaal programma ontvangen de betreffende gemeenten via de bommenregeling een bijdrage van 100 procent aan de door hen gemaakte kosten. Op basis van het ingediende raadsbesluit met daarin de gemaakte kosten ontvangt de gemeente Súdwest-Fryslân in 2024 een bedrag van € 1 miljoen. In het najaar van 2024 staan twee bergingen gepland, die van een Britse Wellington bommenwerper in Holwerd met nog vijf vermiste bemanningsleden en die van een Duitse Messerschmitt Bf109 in de Noarderleech. Beide locaties vallen onder de gemeente Noardeast-Fryslân, die nu volop aan beide projecten werkt. Voorbereidingen en gesprekken over potentiële bergingen in 2025 vinden momenteel plaats op ambtelijk niveau. 2.5
Veranderingen in het verdeelstelsel
2.5.1
Maatstaf OZB: WOZ-waardering en aanpassing rekentarieven
De jaarlijkse aanpassing van de gewichten (rekentarieven) van de verdeelmaatstaf onroerendezaakbelasting (OZB) is doorgevoerd. De uitkomst van de verdeelmaatstaf OZB wordt bepaald door de omvang van de WOZ-waarde en een daaraan gekoppeld gewicht, het zogenaamde rekentarief. Er worden drie WOZ-waarden onderscheiden: voor eigenaren woningen, eigenaren niet woningen en gebruikers niet-woningen. Er zijn daarom drie rekentarieven. Door marktontwikkelingen kan de WOZ-waarde sterk fluctueren. Het is staand beleid om voor het effect van deze marktontwikkelingen te corrigeren, door middel van een aanpassing van de rekentarieven van de verdeelmaatstaf OZB. De correctie is op nationaal niveau. De aanpassing van de rekentarieven van de verdeelmaatstaf OZB is afgestemd op de WOZtijdvakken. Op 1 januari 2024 begint een nieuw WOZ-tijdvak met waardepeildatum 1 januari 2023. Bij de aanpassing van de rekentarieven is de vaste werkwijze toegepast: het rekentarief wordt naar beneden (of naar boven) bijgesteld om de stijging (of daling) van de OZB-maatstaf als gevolg van de stijging (of daling) van de WOZ-waarde van woningen en niet-woningen ongedaan te maken. De maatstaf groeit alleen met de inflatie mee (prijs Nationale Bestedingen, pNB). De marktontwikkeling tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024 bij woningen wordt, op basis van informatie van de Waarderingskamer, geschat op 3,5%.
Voor niet-woningen wordt de waardeontwikkeling over dezelfde periode geschat op 1,25%. De inflatie (pNB) in die periode bedraagt volgens de ramingen van het CPB 6,3%. Het rekentarief voor eigenaren woningen komt na aanpassing op 0,0914%, voor eigenaren niet-woningen op 0,3079% en voor gebruikers niet-woningen op 0,2342%. De aangepaste rekentarieven zijn ook opgenomen in bijlage 2.1.3. 2.5.2
Maatstaven, gewichten, uitkeringsfactor en overige uitkeringsonderdelen
De berekening van de algemene uitkering bestaat uit de vermenigvuldiging van het aantal
21 Meicirculaire gemeentefonds 2024
eenheden van alle maatstaven met het bijbehorende gewicht per maatstaf (bedrag per eenheid). De som van deze producten, de zogenaamde uitkeringsbasis, wordt vervolgens vermenigvuldigd met de uitkeringsfactor (zie uitleg verderop). De verkregen uitkomst moet daarnaast worden opgehoogd met enkele uitkeringsonderdelen binnen de algemene uitkering die buiten het format van aantal eenheden en bedragen per eenheid vallen. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de maatstaven, de bedragen per eenheid, de uitkeringsfactor en de overige uitkeringsonderdelen. Maatstaven Voor uitkeringsjaar 2024 is geen sprake van wijzigingen in de definities van de verdeelmaatstaven. Meer informatie over de berekeningswijze van de verdeelmaatstaven van de algemene uitkering voor dat uitkeringsjaar kunt u vinden in de toelichting op de berekening van de uitkering uit het gemeentefonds 2024. 4 Voor wat betreft de maatstaven Huishoudens met lage inkomens met drempel en Loonkostensubsidie is het volgende van belang; Huishoudens met lage inkomens met drempel In december 2023 is de maatstaf huishoudens met een laag inkomen geactualiseerd. Aan de hand van deze actualisatie zijn toen veel vragen van gemeenten ontvangen. AEF is door ons gevraagd om een analyse te maken van de ontwikkeling van deze maatstaf over de tijd (2015 – 2022).
Deze resultaten zijn besproken in de begeleidingscommissie stapeling problematiek sociaal domein van 3 april jl. De conclusie van AEF is dat het aantal huishoudens met een laag inkomen ten tijde van het herijkingsonderzoek bij 44 procent van de gemeenten minder dan 1 procent fluctueerde. Bij in totaal 71 procent van de gemeenten was de fluctuatie ten tijde van het herijkingsonderzoek 2 procent of minder. Uit de analyse van AEF blijkt dat voor de periode van 2015 t/m 2022 geldt dat bij gemiddeld 52 procent van de gemeenten sprake was van een jaarlijkse fluctuatie van 1 procent of minder en als wordt gekeken naar fluctuaties van 2 procent of minder, dan gaat het om 68 procent. Beide percentages zijn volgens AEF goed vergelijkbaar met de fluctuaties die ten tijde van het herijkingsonderzoek zijn bepaald. Gedurende dat onderzoek is geconcludeerd dat deze variaties geen belemmering waren voor het gebruik van deze maatstaf. Aangezien deze variaties in de praktijk (over de periode 2015 t/m 2022) slechts weinig lijken af te wijken van de variaties ten tijde van het herijkingsonderzoek, zou volgens AEF dan ook deze conclusie dus nog steeds moeten gelden. Verder is in de begeleidingscommissie stapeling problematiek sociaal domein en de expertgroep onderzoeksagenda van 16 april jl. gesproken over wat gedaan kan worden om de maatstaf in de toekomst stabieler te maken.
Het is gebleken dat een driejarig gemiddelde de maatstaf stabieler maakt. In het belang van stabiliteit in de gemeentelijke begroting is daarom besloten om over te stappen op een meerjarig gemiddelde. Voor het jaar 2023 en 2024 zal er geen aanpassing plaatsvinden op de maatstaf huishoudens laag
4
Toelichting op de berekening van de uitkeringen uit het gemeentefonds, Rijksoverheid.nl
22 Meicirculaire gemeentefonds 2024
inkomen met drempel. De data voor 2023 en 2024 worden niet bevroren, maar de definitie van de maatstaf zal voor deze jaren niet gewijzigd worden. Voor 2025 zal worden uitgegaan van een tweejarig gemiddelde en voor 2026 en verder van een driejarig gemiddelde van de maatstaf huishoudens laag inkomen met drempel. Nadere informatie over de definiëring van dit meerjarig gemiddelde, waaronder welke tijdsperiode en exacte berekeningswijze, volgt naar verwachting in de septembercirculaire. Loonkostensubsidie Op dit moment levert het CBS in het kader van de Fvw het aantal lopende loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet (LKSP, type voorziening 10) ultimo 31 december aan. Het CBS heeft echter geconstateerd dat sinds kalenderjaar 2022 meerdere gemeenten de LKSP per 31 december afsluiten en een LKSP per 1 januari per cliënt starten, terwijl het eigenlijk gaat om een doorlopende voorziening. Het advies van het CBS is daarom om voortaan 22 december als peildatum te nemen. De fondsbeheerders hebben dit advies voor de uitkeringsjaren 2023 (gebaseerd op december 2022) en verder overgenomen. Toelichting: Deze nieuwe loonkostensubsidies bevatten een nieuw registratienummer en begindatum. Als voorzieningen bij het CBS met een nieuw registratienummer worden aangeleverd, ziet het CBS de desbetreffende voorziening als een nieuwe voorziening.
Ultimo van de dag van beëindiging van de voorgaande voorziening telt het CBS geen lopende voorziening. Alle LKSP die per 31 december wordt afgesloten, tellen niet mee voor de vergoeding uit het Gemeentefonds. Maatstaf medicijngebruik Bij deze circulaire worden de definitieve gegevens van de maatstaf medicijngebruik met drempel voor uitkeringsjaar 2022 gepubliceerd. Bedragen per eenheid •
De zogenaamde rekentarieven 2025 van de maatstaf OZB zijn ten opzichte van 2024 aangepast.
•
De informatie uit de tabellen 2.2.1 en 2.3.1 is verwerkt.
Bijlagen 2.1.1 en 2.1.3 bevat het overzicht van bedragen per eenheid 2024 en 2025. Uitkeringsfactor De uitkeringsfactor is de voor alle gemeenten gelijke vermenigvuldigingsfactor die wordt berekend door de som van de algemene uitkering, de OZB-maatstaven en de overige uitkeringsonderdelen (circa € 38,5 miljard in 2024) te delen door de uitkeringsbasis (circa € 30 miljard). De – landelijke – uitkeringsbasis is berekend door van alle maatstaven de aantallen te vermenigvuldigen met het bijbehorende bedrag per eenheid; er is ook een uitkeringsbasis voor elke gemeente (het product van de gemeentelijke aantallen en de
23 Meicirculaire gemeentefonds 2024
bedragen per eenheid). De uitkeringsfactor verschilt per uitkeringsjaar. Zie voor meer toelichting op het begrip uitkeringsfactor bijlage 2.5.1 van deze circulaire. De volgende aspecten zijn bij de raming van de uitkeringsfactor van belang: •
De informatie uit de tabellen 2.2.1 en 2.3.1 met betrekking tot de mutaties in het gemeentefonds en de verdeling van deze mutaties.
•
De ontwikkeling van de uitkeringsbasis als gevolg van nieuwe aantallen. Bijlage 2.5.2 bevat informatie over de raming van de maatstaven met een groot aandeel in de uitkeringsbasis.
Ten opzichte van de decembercirculaire 2023 is de uitkeringsfactor voor het jaar 2022 ongewijzigd op 1,824. De uitkeringsfactor voor uitkeringsjaar 2023 wijzigt met 3 punten naar 1,307. De stijging wordt veroorzaakt door de actualisatie van de volumina van meerdere maatstaven, waaronder de actualisatie van de gegevens over bijstandontvangers, laag opleidingsniveau met drempel en de OZB-maatstaven. De nieuwe raming van de uitkeringsfactor in de jaren 2024-2029 is vermeld in tabel 2.5.1. Tabel 2.5.1 Uitkeringsfactor 2024-2029
Uitkeringsfactor één punt uitkeringsfactor (in miljoenen)
2024
2025
2026
2027
2028
2029
1,414 29.933
1,457 30.224
1,459 29.309
1,504 29.561
1,548 29.765
1,593 30.032
De uitkeringsfactoren in tabel 2.5.1 zijn in lopende prijzen. 5 Gemeenten die in constante prijzen ramen dienen zelf de loon- prijsontwikkeling te verwerken. Om gemeenten hierbij te faciliteren, is in de gemeentefondsrubriek op internet zoals gebruikelijk een rekenmodel in constante prijzen gepubliceerd. In dit rekenmodel is een hulpmiddel opgenomen waarin gemeenten hun eigen prijsindexen kunnen invullen en/of loon- en prijsindicatoren die het CPB onderscheidt. Op basis van het Centraal Economisch Plan 2024 zijn in het rekenmodel en in paragraaf 4.2 ook, als service, de ramingsgegevens van een aantal indicatoren van het CPB gepresenteerd. Na het invullen van de indexatiecijfers berekent het model automatisch de uitkering in het gemeentefonds in constante prijzen. Om gemeenten inzicht te geven in de ontwikkeling van de uitkeringsfactoren volgt hieronder de tabel, waarin voor ieder afzonderlijk jaar de ontwikkeling is opgenomen ten opzichte van de septembercirculaire 2022 (verticale toelichting).
De algemene uitkering is via het accres afhankelijk van de ontwikkeling van de totale rijksuitgaven (accresrelevante uitgaven; ARU) waarin rekening is gehouden met loon- en prijsontwikkelingen. Daarmee is de algemene uitkering uitgedrukt in het prijspeil van het betreffende jaar ofwel in lopende prijzen. 5
24 Meicirculaire gemeentefonds 2024
Verticale toelichting ontwikkeling uitkeringsfactor Tabel 2.5.2 Ontwikkeling uitkeringsfactor 2024-2029 2024
2025
2026
2027
2028
1,406
1,480
1,441
1,489
1,532
0,004 0,004
-0,032 0,008
0,007 0,010
0,004 0,010
0,005 0,010
overig
0,000
0,001
0,001
0,001
0,001
uitkeringsfactor stand deze circulaire
1,414
1,457
1,459
1,504
1,548
stand septembercirculaire 2023
mutaties deze circulaire algemene mutaties uitkeringsbasis/OZB
2029
1,593
Tabel 2.5.2 laat de ontwikkeling van de uitkeringsfactor zien ten opzichte van de stand septembercirculaire 2023. De uitkeringsfactor valt voor de jaren 2024 tot en met 2028 hoger uit, met uitzondering van het jaar 2025. De impact van de vervroegde overgang naar de nieuwe bbp-systematiek per 2024 wordt gecompenseerd voor de jaren 2024-2029, met uitzondering van 2025 waar sprake is van gedeeltelijke compensatie. Dit heeft een effect van -32 punten bij de algemene mutaties in 2025 ten opzichte van de septembercirculaire 2023. Het structureel afschaffen van de oploop van de opschalingskorting vanaf 2026 heeft voor de jaren vanaf 2026 een opwaarts effect op de uitkeringsfactor. Verder zijn de uitkeringsfactoren per saldo ook gestegen als gevolg van aanpassingen in (de ramingen van) de volumina van de maatstaven. Hierbij spelen onder andere de actualisatie van de raming van de maatstaven huishoudens met een laag inkomen met drempel, laag opleidingsniveau met drempel, landelijke en regionale centrumfunctie, omgevingsadressendichtheid, de OZB-maatstaven en de neerwaartse bijstelling van de ramingen van het aantal bijstandontvangers (zie tabel 2.5.3) een rol. Bij de huishoudens met lage inkomens met drempel gaat het om een neerwaarts effect van circa 3,6 punten in 2024.
De volumina-aanpassingen van de overige genoemde maatstaven hebben een positief effect op de uitkeringsfactor, waarbij met name het effect van de aanpassing van de maatstaf bijstandontvangers een relatief grote bijdrage heeft van circa 4 punten in 2024. In latere jaren zorgen de prognoses voor de OZB-maatstaven voor een verdere oploop van de uitkeringsfactor van jaarlijks circa 5 punten. De bijdrage van de volumina-aanpassingen van de overige maatstaven aan de ontwikkeling van de uitkeringsfactor loopt in latere jaren op van per saldo 3 punten in 2024 naar circa 5 punten in 2028. Tabel 2.5.3 Bijstandsontvangers Stand septembercirculaire 2023 Stand meicirculaire 2024
2024 2025 400.647 406.297 384.006 386.097
2026 2027 416.586 425.111 394.479 401.984
2028 2029 433.252 411.390 419.753
25 Meicirculaire gemeentefonds 2024
Overige uitkeringsonderdelen Onder de algemene uitkering vallen ook de volgende uitkeringsonderdelen, die niet de vorm hebben van maatstafaantallen die met een bedrag per eenheid worden vermenigvuldigd: •
Een beperkt aantal gemeenten ontvangt middelen op grond van de maatstaf herindeling of ontvangt een artikel 12-uitkering.
•
Eveneens ontvangt een beperkt aantal gemeenten een suppletie-uitkering Bommenregeling vanwege de kosten die zij hebben gemaakt met betrekking tot het opsporen en ruimen van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog (zie paragraaf 2.4.1).
•
Vanaf 2023 geldt voor gemeenten een ingroeipad als gevolg van de invoering van het nieuwe verdeelmodel van de algemene uitkering. Dit ingroeipad wordt zoals gebruikelijk verwerkt in een suppletie‐uitkering (zie paragraaf 2.5.2 van de meicirculaire 2022). De bedragen voor 2026 en verder voor de suppletie-uitkering zijn afhankelijk van verdere besluitvorming. In afwachting hiervan is ervoor gekozen om voor 2026 en verder uit te gaan van de stand 2025 en dus de suppletie-uitkering door te trekken.
26 Meicirculaire gemeentefonds 2024
3
Decentralisatie- en integratie-uitkeringen
3.1
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat mededelingen over de decentralisatie- en de integratie-uitkeringen. Deze uitkeringen maken net als de algemene uitkering deel uit van het gemeentefonds, maar hebben een eigen verdeling over de gemeenten. Decentralisatie- en integratie-uitkeringen zijn net als de algemene uitkering beleids- en bestedingsvrij en er vindt geen verantwoording naar het Rijk plaats, zoals bij specifieke uitkeringen wel het geval is. Eventuele opmerkingen die over decentralisatie- en integratieuitkeringen gemaakt worden in deze circulaire, zijn niet meer dan voorbeelden die illustreren met welke kosten gemeenten geconfronteerd worden. Dit inzicht is ook van belang voor de Tweede Kamer. Met de betreffende teksten wordt niet beoogd het bestedingsdoel nader te omschrijven, of op welke wijze dan ook de middelen te oormerken. Paragraaf 3.2 informeert over de decentralisatie- en integratie-uitkeringen en over de omvang en de verdeling ervan. Paragraaf 3.3 bevat overige mededelingen over de decentralisatie- en integratie-uitkeringen. 3.2
Omvang en verdeling decentralisatie- en integratie-uitkeringen
Tabel 3.2.1 bevat de mutaties in de decentralisatie- en integratie-uitkeringen ten opzichte van de decembercirculaire 2023 over de periode 2024 tot en met 2029. De mutaties hebben betrekking op 2024 en verder en worden onder de tabel toegelicht. Tabel 3.2.1 Mutaties decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2024-2029 (bedragen in duizenden euro's)* 2024 stand decembercirculaire 2023
2025
2026
2027
2028
2029
4.473.430 4.380.628 4.297.186 4.219.603 4.146.029 4.146.029
1
Uitvoeringskosten omgevingswet
71.535
2a
Nationaal Actieplan dakloosheid
55.000
2b
Dakloze EU burgers
7.000
3
Landelijke beeindigingsregeling veehouderijbedrijven
2.224
4
Bodembescherming
5
Regionale doelgroepspecifieke aanpak
6
Gemeentelijke antidiscriminatie voorzieningen
2.500
7
Faciliteitenbesluit opvangcentra
2.165
8
Maatschappelijke begeleiding
1.373
9
Einde lening inburgeringsplichtig
840
10
Social Labs
700
11
Behoud sociale voorzieningen Groningen
629
12
LHBTI beleid Regenboogsteden
533
13
Outreachend werken
508
14
Veilige steden
315
15
Ex Ante Impact Analyse NPLV
223
16
Weerbare gemeenschappen tegen ondermijnende criminaliteit
210
17
Versterking arbeidsmarkt regio's
10
18
Knelpunten verdeelproblematiek
19
DU Jeugd
20
Compensatieregeling niet beoogde kosten jeugdzorg (IU)
21
Vrijval reservering Compensatieregelingen voogdij 18+ (IU)
22
Tegemoetkoming sociaal ontwikkelbedrijven (IU)
63.908
23
Verhoging rijksbijdrage beschut werk (IU)
23.092
24
WSW extrapolatie (IU)
25
Beschut werk extrapolatie (IU)
26
Loon- en prijsbijstelling 2024 Participatie (IU)
113.318
109.325
105.387
101.453
97.552
93.657
27
Loon- en prijsbijstelling 2024 Beschermd wonen (IU)
88.987
89.021
89.058
89.058
89.058
89.058
stand deze circulaire
55.000
55.000
55.000
55.000
55.000
8.636
8.636
8.636
8.636
8.636
8.636
4.784
4.784
4.784
533
533
315
315
11
11
11
11
11 102
-21.700
-21.700
-21.700
-21.700
-21.700
-32.124
-32.124
-32.124
-32.124
-32.124
24.870
26.645
28.418
30.197
-32.124
31.974 -71.235 7.677
4.889.796 4.619.299 4.533.731 4.448.355 4.372.659 4.307.085
*Alle bedragen betreffen decentralisatie-uitkeringen (DU) tenzij in de tabel vermeld dat het een integratie-uitkering (IU) betreft.
27 Meicirculaire gemeentefonds 2024
Tabel 3.2.2 bevat het complete overzicht van de decentralisatie- en integratie-uitkeringen en de daarmee gemoeide bedragen. Tabel 3.2.2 Decentralisatie-en integratie-uitkeringen 2024-2029 (in duizenden euro's)* Uitkeringsjaar
2024
2025
2026
2027
2028
2029
- IU Participatie 2.070.911 1.939.597 1.873.178 1.806.824 1.741.028 1.675.352 - IU Beschermd wonen 1.730.992 1.731.665 1.732.370 1.732.370 1.732.370 1.732.370 - IU Voogdij/18+ - Maatschappelijke opvang 385.057 385.057 385.057 385.057 385.057 385.057 - Vrouwenopvang 230.829 230.843 210.970 210.937 210.937 210.937 Armoedebestrijding kinderen 85.000 85.000 85.000 85.000 85.000 85.000 - Uitvoeringskosten Omgevingswet 71.535 - Nationaal Actieplan Dakloosheid 55.000 55.000 55.000 55.000 55.000 55.000 - Vergunningverlening, toezicht en handhaving 46.700 46.700 46.700 46.700 46.700 46.700 - Voorschoolse voorziening peuters 30.000 30.000 30.000 30.000 30.000 30.000 - Jeugd 21.700 - Begeleiding jongeren naar werk 14.895 - Versterking arbeidsmarktregio's 14.593 14.593 14.593 14.593 14.593 14.593 - Beeldende kunst en vormgeving 13.500 13.500 13.500 13.500 13.500 13.500 - Extra capaciteit BOA's 13.000 13.000 13.000 13.000 13.000 13.000 - Wet kwaliteitsborging bouw 10.076 10.076 10.000 - Versterking dienstverlening gemeenten: personen met verwa 10.000 10.000 10.000 10.000 0 0 - RES regio's 8.781 8.781 8.781 8.781 8.781 8.781 - Bodembescherming 8.636 8.636 8.636 8.636 8.636 8.636 - Veiligheidshuizen 7.699 7.699 7.699 7.699 7.699 7.699 - Aanpak laaggeletterdheid 7.300 - Dakloze EU burgers 7.000 - Uitstapprogramma prostituees 6.000 6.000 6.000 6.000 6.000 6.000 - Jeugdhulp aan kinderen in een
AZC 5.100 5.100 5.100 5.100 5.100 5.100 - Regionale doelgroepen specifieke aanpak 4.784 4.784 4.784 - BRP: centralisering inschrijving vergunninghouders 4.731 4.731 4.731 4.731 4.731 4.731 - Knelpunten verdeelproblematiek 4.047 4.140 4.235 4.332 4.432 4.534 - Versterking omgevingsveiligheidsdiensten 3.825 - Gemeentelijke antidiscriminatie voorzieningen 2.500 - Veilig wonen 2.415 2.415 2.415 - Uitvoeringskosten Lbv en Lbv-plus 2.224 - Faciliteitenbesluit opvangcentra 2.165 - Experiment gesloten coffeeshopketen 1.378 - Maatschappelijke begeleiding 1.373 - LHBTI beleid Regenboogsteden 1.212 1.212 1.212 - Slavernijverleden 958 - Einde lening inburgeringsplichtig (ELIP) 840 - Social Labs 700 - Veilige steden 675 675 675 - Behoud sociale voorzieningen Groningen 629 - Outreachend werken 508 - Ex Ante Impact Analyse NPLV 223 - Weerbare gemeenschappen tegen ondermijnende criminaliteit 210 - Verkeersveiligheid 95 95 95 95 95 95
Vindplaats mei 2024, § 3.2-22 t/m 26 mei 2024, § 3.2-27 mei 2024, § 3.2-20 t/m 21 december 2022, § 3.2-21 september 2023, § 3.2-3 mei 2020, § 3.3.8 mei 2024, § 3.2-1 mei 2024, § 3.2-2a mei 2017, § 4.2 september 2022, § 3.2-4 mei 2024, § 3.2-19 september 2023, § 3.2-8 mei 2024, § 3.2-17 september 2015, § 4.2-1 mei 2022, § 3.2-11 september 2022, § 3.2-3 mei 2023, § 3.2-19 september 2023, § 3.2-6 mei 2024, § 3.2-4 juni 2012, § 6.11 september 2019, § 3.2-7 mei 2024, § 3.2-2b september 2022, § 3.2-6 december 2019, § 3.3.1 mei 2024, § 3.2-5 mei 2020, § 3.3.7 mei 2024, § 3.2-18 september 2020, § 3.2-15 mei 2024, § 3.2-6 september 2023, § 3.2-9 mei 2024, § 3.2-3 mei 2024, § 3.2-7 december 2023, § 3.2-19 mei 2024, § 3.2-8 mei 2024, § 3.2-12 mei 2021, §3.2-15 mei 2024, § 3.2-9 mei 2024, § 3.2-10 mei 2024, § 3.2-14 mei 2024, § 3.2-11 mei 2024, § 3.2-13 mei 2024, § 3.2-15 mei 2024, § 3.2-16 september 2023, § 3.2-13
Totaal 4.889.796 4.619.299 4.533.731 4.448.355 4.372.659 4.307.085 *Alle bedragen betreffen decentralisatie-uitkeringen (DU) tenzij in de tabel vermeld dat het een integratie-uitkering (IU) betreft.
Toelichting decentralisatie-uitkeringen 1.
Uitvoeringskosten Omgevingswet
De financiële middelen vanuit het Coalitieakkoord (CA) van het kabinet-Rutte IV worden ingezet voor het bereiken van de doelen van de Omgevingswet. Met het uitkeren van deze € 71,5 miljoen in 2024 kunnen de ontvangende partijen in hun transitie ervoor zorgdragen dat ze aangesloten, geoefend en ingeregeld zijn en voldoen aan de in de Omgevingswet gestelde eisen. Er volgt nog een stelselevaluatie, waarbij de daadwerkelijk gemaakte kosten in kaart worden gebracht. Op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën staat nog een reservering van in totaal ruim € 80 miljoen in 2025 voor gemeenten. Deze middelen zullen naar verwachting in een volgende circulaire worden toegevoegd aan het gemeentefonds. De gemeenten ontvangen een uitkering op basis van een vast bedrag (15 procent van het totaal), het aantal inwoners (60 procent) en landoppervlak (25 procent).
28 Meicirculaire gemeentefonds 2024
De verdeling van de middelen is opgenomen in bijlage 3.2-1 van deze circulaire. 2.
Voorkomen van dakloosheid
Het kabinet zet in op het voorkomen van dakloosheid, om- en afbouw van de maatschappelijke opvang en het realiseren van woonplekken met passende ondersteuning voor (dreigend) dakloze jongeren en volwassenen. Het kabinet heeft daarvoor structureel € 65 miljoen extra beschikbaar gesteld vanuit de coalitieakkoord maatregel dak- en thuislozen. Hiervan staat € 3 miljoen op de begroting van het ministerie van VWS. Deze middelen worden ingezet voor landelijke monitoring, subsidies, opdrachten en apparaatskosten. Zie ook paragraaf 3.2-10 van de meicirculaire 2023. 2a.
Nationaal actieplan dakloosheid
Vanaf 2024 wordt structureel € 55 miljoen aan het gemeentefonds toegevoegd en verstrekt aan centrumgemeenten maatschappelijke opvang/beschermd wonen via de decentralisatieuitkering Nationaal Actieplan Dakloosheid. Voor de verdeling aan centrumgemeenten wordt het objectieve verdeelmodel van de decentralisatie-uitkering Maatschappelijke Opvang (DUMO) gehanteerd. Zie ook paragraaf 3.2-10a van de meicirculaire 2023. De verdeling van de middelen is opgenomen in bijlage 3.2-2a. 2b.
Pilot dakloze EU-burgers
In 2024 wordt € 7 miljoen beschikbaar gesteld voor de specifieke aanpak voor dakloze EUburgers, conform het plan van aanpak dakloze EU-burgers. Dit bedrag wordt beschikbaar gesteld aan de 6 pilotgemeenten: Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Den Haag, Eindhoven en Venlo. Dit bedrag wordt ook via het objectieve verdeelmodel van DUMO over de 6 pilotgemeenten verdeeld. Zie ook paragraaf 3.2-10b van de meicirculaire 2023. De verdeling van de middelen is opgenomen in bijlage 3.2-2b. 3.
Uitvoeringskosten Lbv en Lbv-plus
Decentralisatie uitkering uitvoeringskosten Lbv en Lbv-plus (fase 1) Sinds 3 juli 2023 zijn de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) opengesteld, waarmee ondernemers subsidie kunnen ontvangen om hun veehouderijlocatie(s) te beëindigen. De doelstelling van deze subsidieregelingen is om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te verminderen. De subsidieregelingen brengen werkzaamheden voor gemeenten, als het bevoegd gezag, met zich mee. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wil deze gemeenten daarin ondersteunen. In totaal is een bedrag van € 7 miljoen beschikbaar voor deze decentralisatie uitkering. De gemeenten kunnen de middelen beleids- en bestedingsvrij inzetten. Deze bijdrage wordt beschikbaar gesteld op basis van door Rijksdienst voor Ondernemend
29 Meicirculaire gemeentefonds 2024
Nederland (RVO) tot en met 2 februari 2024 verleende (positieve) beschikkingen (€ 7.000 per locatie). In totaal gaat het in deze circulaire om € 1,5 miljoen. Het restant van de € 7 miljoen wordt op een later moment uitgekeerd. De kadastrale ligging van de bedrijfslocatie waarop deze (positieve) beschikking betrekking heeft, bepaald naar welke gemeente de bijdrage wordt uitgekeerd. Decentralisatie uitkering uitvoeringskosten Lbv en Lbv-plus (fase 2) Sinds 3 juli 2023 zijn de Lbv en de Lbv-plus opengesteld, waarmee ondernemers subsidie kunnen ontvangen om hun veehouderijlocatie(s) te beëindigen. De doelstelling van deze subsidieregelingen is om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te verminderen. De subsidieregelingen brengen werkzaamheden voor gemeenten, als zijnde het bevoegd gezag, met zich mee. Het ministerie van LNV wil deze gemeenten daarin ondersteunen. In totaal is een bedrag van € 20 miljoen beschikbaar voor deze decentralisatie uitkering. De gemeenten kunnen de middelen beleids- en bestedingsvrij inzetten. Deze bijdrage wordt beschikbaar gesteld op basis van door RVO tot en met 2 februari 2024 geregistreerde ondertekende overeenkomsten tot beëindiging van de veehouderijlocatie (€ 20.000 per locatie). In totaal gaat het in deze circulaire om € 726.000. Het restant van de € 20 miljoen wordt op een later moment uitgekeerd.
De kadastrale ligging van de bedrijfslocatie waarop deze overeenkomst betrekking heeft, bepaalt naar welke gemeente de bijdrage wordt uitgekeerd.
De verdeling van de middelen is opgenomen in bijlage 3.2-3 van deze circulaire. 4.
Bodembescherming
Voor apparaatskosten Wet bodembescherming wordt de decentralisatie-uitkering voor de periode 2024 tot en met 2030 gecontinueerd. Dit maakt onderdeel uit van de bestuurlijke afspraken bodem en ondergrond 2023 tot en met 2030, die eind 2022 zijn gemaakt tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), het IPO, de VNG en de UvW. Het betreft een tegemoetkoming in de kosten van het ambtelijk apparaat dat zorgdraagt voor het uitvoeren van de taken die de Wet bodembescherming toekent aan bevoegde gezagen (gemeenten en provincies). Als gevolg van gemeentelijke herindeling heeft een technische correctie plaatsgevonden in de verdeling tussen de gemeente Leeuwarden en de provincie Friesland en tussen de gemeente Groningen en de provincie Groningen. De decentralisatie-uitkering voor de gemeente Leeuwarden wordt met een bedrag van € 14.868 verhoogd. De decentralisatieuitkering voor de gemeente Groningen wordt met een bedrag van € 38.450 verhoogd, waarvan € 25.215 het jaarlijks bedrag van de technische correctie zelf betreft en € 13.235 een jaarlijks bedrag voor de periode van 2024 tot en met 2030 betreft als compensatie voor de jaren 2021 tot en met 2023, toen (onbewust) geen technische correctie is
30 Meicirculaire gemeentefonds 2024
gehanteerd. De overeenkomstige bedragen worden in mindering gebracht op de algemene uitkering van de provincies Friesland en Groningen. Rekening houdend met de technische correctie bedraagt het structurele bedrag voor apparaatskosten Wet bodembescherming in het gemeentefonds € 8,6 miljoen. Zie ook paragraaf 3.2-9 van de meicirculaire 2023. De verdeling van de middelen is opgenomen in bijlage 3.2-4 van deze circulaire. 5.
Regionale doelgroepspecifieke aanpak
In het kader van het plan van aanpak ‘Statushouders aan het werk’ en de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur van het ministerie van SZW, is in 2023 budget ter beschikking gesteld aan centrumgemeenten van de arbeidsmarktregio’s voor een regionale doelgroepspecifieke aanpak. Het beoogde doel daarvan is om de arbeidsparticipatie van statushouders en andere kwetsbare groepen te vergroten en hen extra te ondersteunen. 6 Om de inzet van de regionale doelgroepspecifieke aanpak te kunnen borgen en continueren wordt voor de periode 2024 tot en met 2026 jaarlijks een decentralisatie-uitkering verstrekt van € 4,8 miljoen waarbij elke centrumgemeente een gelijk bedrag ontvangt. 6.
Gemeentelijke antidiscriminatie voorzieningen
Gemeenten en hun antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) werken samen als het gaat om preventie van discriminatie op lokaal niveau. Voor de kerntaken van de ADV’s krijgen gemeenten sinds 2009 structureel middelen via het gemeentefonds. Vanaf dit jaar krijgen gemeenten middelen om samen met hun ADV’s méér aan preventie te kunnen doen. De decentralisatie-uitkering maakt het mogelijk om op lokaal niveau maatwerk te kunnen toepassen. De ADV’s kunnen gemeenten aan de hand van hun meldingscijfers adviseren over onderwerpen die hen zijn opgevallen binnen die gemeenten. Hiervoor is in 2024 in totaal € 2,5 miljoen beschikbaar. Het ministerie van BZK werkt momenteel aan een stelselherziening voor de ADV’s en kondigde in een eerdere Kamerbrief en een brief aan alle gemeenten aan dat er vooruitlopende op de stelselherziening extra middelen beschikbaar zijn voor gemeenten. 7 De middelen vanaf 2025 zullen naar verwachting in de komende septembercirculaire worden verwerkt. De verdeling over de gemeenten is bijgevoegd in bijlage 3.2-6 van deze circulaire. 7.
Faciliteitenbesluit opvangcentra
In het faciliteitenbesluit is geregeld dat de gemeenten die een opvangcentrum voor 6 7
Kamerstukken II 2023/24, 32824, nr. 412 Kamerstukken II 2023/24, 30950, nr. 354
31 Meicirculaire gemeentefonds 2024
asielzoekers hebben, uitkeringen krijgen vanuit een decentralisatie-uitkering. Op basis van dit besluit wordt aan een gemeente waarin een opvangcentrum is gevestigd, jaarlijks door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) een uitkering verstrekt. De uitkering wordt gebaseerd op basis van het aantal door asielzoekers permanent te bezetten capaciteitsplaatsen verminderd met het op 1 januari van het uitkeringsjaar in de basisregistratie personen aantal ingeschreven bewoners van het opvangcentrum. Het bedrag van € 2,2 miljoen betreft een nabetaling aan dertien gemeenten over 2023 om hun werkzaamheden in en voor de opvangcentra te kunnen vergoeden. De verdeling van de middelen is opgenomen in bijlage 3.2-7 van deze circulaire. 8.
Maatschappelijke begeleiding
Conform artikel 18 van de Wet inburgering 2013 voorziet het college in de maatschappelijke begeleiding van inburgeringsplichtige asielmigranten en hun gezinsleden. Gemeenten ontvangen hiervoor in 2024 in totaal circa € 1,4 miljoen (579 personen * € 2.370). Zie ook paragraaf 3.2-10 van de septembercirculaire 2022. In de bijlage 3.2-8 van deze circulaire zijn het betreffende aantal personen op peildatum 1 februari 2024 en de uit te keren middelen per gemeente opgenomen. Het betreft personen die vóór 1 januari 2024 inburgeringsplichtig zijn geworden. Voor nadere informatie en vragen over de selectie van personen ten behoeve van de bijdrage voor maatschappelijke begeleiding wordt verwezen naar de website zakelijk van DUO. 8 9.
Einde lening inburgeringsplicht (ELIP)
In het bestuurlijk overleg van april 2020 zijn tussen het ministerie van SZW en de VNG afspraken gemaakt over het ondersteunen van de zogenaamde ELIPs. Dit zijn inburgeraars die hun lening voor de inburgering (vrijwel) volledig hebben uitgeput, maar nog steeds inburgeringsplichtig zijn. De afspraken zijn met ingang van 1 januari 2023 geformaliseerd in de regelgeving. In het besluit Inburgering is nu opgenomen dat gemeenten inburgeraars die onder de ELIP definitie gerekend worden, hulp en begeleiding kunnen aanbieden. Met deze formalisering is een grondslag gecreëerd op basis waarvan informatie-uitwisseling tussen DUO en gemeenten over deze doelgroep mogelijk is. Hiermee is een knelpunt voor gemeenten om deze doelgroep te bereiken weggenomen. Gemeenten gaan zelf over de wijze van invulling van de begeleiding. Via een decentralisatie-uitkering worden hiertoe middelen aan gemeenten beschikbaar gesteld voor begeleiding en het in een beperkt aantal gevallen financieel ondersteunen van ELIPs bij het betalen van extra cursusuren of examengelden. De middelen worden over gemeenten verdeeld op basis van het aantal ELIPS zoals volgt uit deze definitie, gemeten op basis van DUO-cijfers per 1 januari 2024. In 2024 is € 840.000
8
Maatschappelijke begeleiding, duo.nl
32 Meicirculaire gemeentefonds 2024
beschikbaar. Zie ook paragraaf 3.2-2 van de meicirculaire 2023. De verdeling van de middelen is opgenomen in bijlage 3.2-9 van deze circulaire. 10. Social Labs Drie gemeenten ontvangen middelen voor het oprichten van Social Labs in 2023 en 2024. Een Social lab betreft een werkplaats waarin een consortium van wetenschappers, maatschappelijke organisaties en professionals samen met gemeenten als één ‘pedagogische coalitie’ in de praktijk aan het werk gaan om de veerkracht en weerbaarheid te versterken in gebieden waar de leefbaarheid en veiligheid onder druk staat. Jongeren zelf en de behoeften die zij hebben, staan in een Social lab centraal. Met dit project wordt de veerkracht en weerbaarheid van jongeren in kwetsbare omgevingen versterkt zodat zij minder vatbaar zijn om in de criminaliteit betrokken te raken. Het gaat om een totaalbedrag van circa € 700.000 in 2024 dat als volgt is verdeeld: Amsterdam € 215.702, Tilburg € 244.000 en Zoetermeer € 240.000. Zie ook paragraaf 3.2-15 van de decembercirculaire 2023. 11. Behoud sociale voorzieningen Groningen Voor de ontwikkeling van de sociale agenda is in Nij Begun, de Kabinetsreactie op de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen, € 1 miljoen gereserveerd voor 2024.
Deze middelen zijn bedoeld voor de organisatie van de ontwikkeling van de sociale agenda, zoals personele inzet (team onder leiding van de kwartiermaker en locatiekosten) en het organiseren van bijeenkomsten. De gemeente Groningen heeft binnen de regio een coördinerende rol bij de ontwikkeling van de sociale agenda. In december 2023 heeft gemeente Groningen via een decentralisatie-uitkering al een voorschot van € 250.000 ontvangen. Het resterende bedrag wordt nu via een decentralisatie-uitkering beschikbaar gesteld aan de gemeente Groningen (€ 629.000) en € 121.000 wordt toegevoegd aan het BCF. 12. LHBTI-beleid Regenboogsteden Regenboogsteden zetten zich in voor de gezamenlijke doelstelling de veiligheid, weerbaarheid en sociale acceptatie van LHBTI (Lesbische vrouwen, Homoseksuele mannen, Biseksuelen, Transgenderpersonen en Intersekse personen) verder te bevorderen. In totaal ontvangen 55 gemeenten een bijdragen voor de samenhangende aanpak van de Regenboogsteden voor lokaal LHBTI-beleid voor de periode 2023 tot en met 2026. In totaal gaat het in de periode 2024-2026 jaarlijks om € 533.000, welke middelen in deze circulaire worden verdeeld. Zie ook paragraaf 3.2-14 van de decembercirculaire 2023. Een overzicht met de verdeling van de middelen voor 2024 tot en met 2026 is opgenomen in bijlage 3.2-12 van deze circulaire.
33 Meicirculaire gemeentefonds 2024
13. Outreachend werken Het ministerie van SZW draagt bij aan het preventieve deel van het ‘breed offensief tegen ondermijnende criminaliteit’. In het kader van deze aanpak heeft SZW vorig jaar drie gemeenten (Leeuwarden, Heerlen en Schiedam) uitgenodigd om iets extra’s te doen voor kwetsbare jongeren die in kwetsbare wijken wonen. Hiervoor hebben deze gemeenten een decentralisatie-uitkering ontvangen. Deze wordt dit jaar verlengd, waardoor de drie gemeenten hun projecten kunnen voortzetten. De verlenging is eenmalig. Leeuwarden en Heerlen zetten deze decentralisatie-uitkering in voor het begeleiden van jongeren naar werk, inkomen of een opleiding. In Schiedam wordt de decentralisatie-uitkering gebruikt om energiearmoede in kwetsbare wijken tegen te gaan. In totaal gaat het om een bedrag van € 508.100. De decentralisatie-uitkering voor de gemeente Leeuwarden bedraagt € 178.600, voor de gemeente Heerlen € 187.500 en voor de gemeente Schiedam € 142.000. Zie ook paragraaf 3.2-3 van de meicirculaire 2023. 14. Veilige steden De twintig gemeenten die participeren in het programma Veilige Steden van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) ontvangen voor de periode 2023-2026 jaarlijks een bedrag van in totaal € 315.000. Het programma heeft als doel de sociale veiligheid van vrouwen in de publieke ruimte te vergroten.
Zie ook paragraaf 3.2-14 van de septembercirculaire 2023. Een overzicht met de verdeling van de middelen is opgenomen in bijlage 3.2-14 van deze circulaire. 15. Ex ante Impact analyse NPLV Zeventien gemeenten ontvangen in het kader van het interbestuurlijke programma Leefbaarheid en Veiligheid een bijdrage van in totaal € 270.000 voor het uitvoeren van een actualisatie van een eerder uitgevoerde ex ante impactanalyse. Voor elke gemeente is € 15.000 beschikbaar per Stedelijk Focusgebied. Naar verwachting wordt 100 procent van de bijdrage uitgegeven aan de inkoop van de actualisatie. Daarom is een afdracht gedaan aan het BCF. Gecorrigeerd voor deze afdracht gaat het per gemeente om € 12.389 (Amsterdam ontvangt tweemaal dit bedrag). Een overzicht van de betreffende gemeenten is opgenomen in bijlage 3.2-15. 16. Weerbare gemeenschappen tegen ondermijnende criminaliteit Zes gemeenten ontvangen een bijdrage van € 35.000 voor het uitvoeren van activiteiten in het kader van het weerbaar maken van gesloten gemeenschappen tegen ondermijning en het leggen van de verbinding tussen gemeente en gesloten gemeenschappen. De georganiseerde criminaliteit ondermijnt onze rechtsstaat en zet de veiligheid van onze samenleving onder grote druk. Het ministerie van SZW acht het van belang om ondermijnende criminaliteit preventief tegen te gaan vanuit sociale en economische hoek.
34 Meicirculaire gemeentefonds 2024
Lokaal bestuur kan hier een belangrijk rol in vervullen. Betrokken gemeenten spannen zich hiervoor in en hebben verzocht om ondersteuning voor de voorgenomen interventies. Het gaat in totaal om € 210.000. Een overzicht van de betreffende gemeenten is opgenomen in bijlage 3.2-16. 17. Versterking arbeidsmarktregio’s In de septembercirculaire 2023 (paragraaf 3.2-11) zijn middelen toegevoegd aan de decentralisatie-uitkering Versterking arbeidsmarktregio’s. Het vanuit het ministerie van SZW overgehevelde budget was niet in overeenstemming met de aangeleverde verdeling van de middelen over de gemeenten. Met deze structurele aanvulling van € 10.000 in 2024 en € 11.000 voor 2025 en verder sluiten verdeling en budget structureel op elkaar aan. 18. Knelpunten verdeelsystematiek Jaarlijks wordt de decentralisatie-uitkering Knelpunten verdeelproblematiek ten laste van de algemene uitkering geactualiseerd voor het extra jaar dat in de desbetreffende circulaire zichtbaar wordt. In dit geval € 102.000 in 2029. 19. DU Jeugd Het ministerie van OCW heeft afgelopen najaar een actieplan Voortijdig Schoolverlaten (vsv) naar de Tweede Kamer gestuurd. 9 In de vsv-aanpak werken scholen en gemeenten verplicht samen in de Doorstroompuntregio met een regionaal programma. Met een gezamenlijk en ontschot budget stimuleert het ministerie van OCW dat scholen en gemeenten samenwerken.
Hiervoor is niet alleen extra budget beschikbaar gesteld in de Werkagenda mbo, maar zijn ook bestaande middelen geoormerkt specifiek voor dit regionaal programma. Op deze manier kunnen de middelen gericht en herleidbaar worden ingezet voor jongeren die ondersteuning nodig hebben. In dat kader worden de middelen van de DU Jeugd (€ 21,7 miljoen) met ingang van 2025 structureel toegevoegd aan het budget voor de (contact)gemeente voor het regionaal programma, op de begroting van het ministerie van OCW. 10 De DU Jeugd wordt dan beëindigd. Deze voornemens zijn onderdeel van het wetsvoorstel ‘van school naar duurzaam werk’ dat naar verwachting in het tweede kwartaal van 2024 aan uw Kamer wordt aangeboden. Toelichting integratie-uitkeringen 20. Compensatieregeling niet-beoogde kosten jeugdzorg Voor het verlenen van de specifieke uitkering compensatieregeling niet beoogde kosten jeugdzorg in 2024 wordt € 60 miljoen vanuit het gemeentefonds overgeboekt naar de begroting van het ministerie van VWS. Vanuit de algemene uitkering wordt € 27,9 miljoen overgeboekt (zie paragraaf 2.2-10 van deze circulaire). Het overige deel van de € 60 miljoen (€ 32,1 miljoen) wordt overgeboekt vanuit het restantbudget van de 9
Kamerstukken II 2023/24, 26995, nr. 143 Kamerstukken II 2023/24, 26995, nr. 144
10
35 Meicirculaire gemeentefonds 2024
integratie-uitkering Voogdij 18+. Dit budget wordt ingezet om de gemeenten te compenseren voor de niet beoogde kosten van 2022 en 2023 na inwerkingtreding van de Wet wijziging woonplaatsbeginsel. Indien er in 2024 sprake is van onderuitputting binnen deze regeling, dan zullen de resterende middelen weer terugvloeien naar het gemeentefonds. 21. Vrijval reservering compensatieregelingen Voogdij 18+ In de meicirculaire 2022 is het budget van de integratie-uitkering Voogdij 18+ overgeheveld naar de algemene uitkering. Zie paragraaf 2.2-17 en 3.2-1 van die circulaire. Op de integratie-uitkering is een reservering achtergebleven voor eventueel nog toe te kennen compensatieregelingen. Dit restbudget (€ 32,1 miljoen) wordt nu voor 2025 en verder overgeheveld naar de algemene uitkering (zie paragraaf 2.2-7 van deze circulaire). 22. Tegemoetkoming sociaal ontwikkelbedrijven Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 21 december 2023 worden de middelen voor de Wet sociale werkvoorziening (WSW) die onderdeel zijn van de integratie-uitkering Participatie in 2024 opgehoogd met € 63,9 miljoen om gemeenten tegemoet te komen bij de financiële uitdagingen die zij ervaren rondom de infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven. 11 De bedragen per gemeente voor de integratie-uitkering Participatie voor het jaar 2024 en verder zijn opgenomen in de gemeentefondsrubriek op internet.
Zie ook de paragrafen 3.2-23 tot en met 3.2-26. 23. Verhoging rijksbijdrage beschut werk Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 6 juli 2023 wordt de rijksbijdrage beschut werk, die onderdeel is van de integratie-uitkering Participatie, structureel verhoogd. 12 Het gaat om € 23,1 miljoen in 2024 oplopend naar € 65,3 miljoen in de structurele situatie (2048). De bedragen per gemeente voor de integratie-uitkering Participatie voor het jaar 2024 en verder zijn opgenomen in de gemeentefondsrubriek op internet. Zie ook de paragrafen 3.222 en 3.2-24 tot en met 3.2-26. 24. WSW extrapolatie In de Voorjaarsnota 2024 is het jaar 2029 toegevoegd aan de begrotingshorizon. De middelen voor 2029 zijn via de extrapolatie aan de begroting toegevoegd. Daarbij worden de budgetten van 2028 in principe horizontaal doorgetrokken. Bij de WSW is sprake van een aflopende reeks. Daarvoor wordt de extrapolatie gecorrigeerd met € 71,2 miljoen. De bedragen per gemeente voor de integratie-uitkering Participatie voor het jaar 2024 en verder zijn opgenomen in de gemeentefondsrubriek op internet. Zie ook de paragrafen 3.222 en 3.2-23 en de paragrafen 3.2-25 en 3.2-26. 25. Beschut werk extrapolatie In de Voorjaarsnota 2024 is het jaar 2029 toegevoegd aan de begrotingshorizon. De 11 12
Kamerstukken II 2023/24, 34 352, nr. 307 Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 300
36 Meicirculaire gemeentefonds 2024
middelen voor 2029 zijn via de extrapolatie aan de begroting toegevoegd. Daarbij worden de budgetten voor 2028 in principe horizontaal doorgetrokken. Bij Beschut werk is sprake van een oplopende reeks. Daarvoor wordt de extrapolatie gecorrigeerd met € 7,7 miljoen. De bedragen per gemeente voor de integratie-uitkering Participatie voor het jaar 2024 en verder zijn opgenomen in de gemeentefondsrubriek op internet. Zie ook de paragrafen 3.222 tot en met 3.2-24 en 3.2-26. 26. Loon- en prijsbijtelling 2024 Participatie De omvang van de integratie-uitkering Participatie wijzigt als gevolg van de toekenning van de loon- en prijsbijstelling 2024 (€ 113,3 miljoen in 2024, aflopend naar € 93,7 miljoen in 2029). De bedragen per gemeente voor de integratie-uitkering Participatie voor het jaar 2024 en verder zijn opgenomen in de gemeentefondsrubriek op internet. Zie ook de paragrafen 3.2-22 tot en met 3.2-25. De verdeling van de bedragen per gemeente wijzigt in de eerste plaats door actualisatie van de verdeling van de Wsw-middelen. Deze is gebaseerd op de gerealiseerde omvang van de sociale werkplaatspopulatie (gemeten in standaardeenheden (SE) per betalende gemeente) zoals die bekend is uit het voorgaande jaar en een inschatting van de blijfkansen in de sociale werkplaats.
De Wsw-verdeling vanaf 2024 is geactualiseerd met de realisaties van het gemiddeld aantal SE in 2023 en de blijfkansen voor de jaren 2024 tot en met 2029. Daarnaast is sprake van wijzigingen in de verdeling van de bedragen per gemeente door aanpassing van de drempelbedragen in de verdeling van de middelen voor beschut werk. De drempelbedragen geven (afgerond op honderdtallen) weer wat het gemiddelde bedrag is dat in het betreffende jaar beschikbaar is voor de begeleiding van beschut werk. Iedere gemeente ontvangt ten minste budget voor de financiering van de begeleiding van één beschutte werkplek. De drempelbedragen zijn in deze circulaire aangepast vanwege de loon- en prijsbijstelling en de structurele verhoging. Het drempelbedrag voor 2024 is € 11.300. Door het gebruik van historische cijfers blijft het aandeel van individuele gemeenten in het verdeelmodel beschut werk ongewijzigd ten opzichte van de meicirculaire 2022. 27. Loon- en prijsbijtelling 2024 Beschermd wonen De omvang van de integratie-uitkering Beschermd wonen wijzigt als gevolg van de toekenning van de loon- en prijsbijstelling 2024 (€ 89 miljoen vanaf 2024). De actuele verdeling van de integratie-uitkering Beschermd wonen is opgenomen als internet bijlage bij deze circulaire.
37 Meicirculaire gemeentefonds 2024
3.3.
Verdeling bestaande decentralisatie- en integratie-uitkeringen en overige mededelingen
Deze paragraaf licht de wijzigingen in de decentralisatie-en integratie-uitkeringen toe die niet gepaard gaan met een wijziging in het macrobudget van de betreffende uitkering. Daarnaast bevat de paragraaf overige mededelingen die betrekking hebben op de decentralisatie- en integratie-uitkeringen. 3.3.1. Armoedebestrijding kinderen In paragraaf 4.2-1 van de decembercirculaire 2016 zijn gemeenten geïnformeerd over de € 85 miljoen die vanaf 2017 structureel beschikbaar is gesteld voor de bestrijding van de gevolgen van armoede onder kinderen. Jaarlijks vindt in de meicirculaire actualisatie plaats van de verdeling voor het jaar t+1 en verder. De middelen worden verdeeld op basis van CBS-gegevens over kinderen met een kans op armoede. 13 De verdeling over de gemeenten voor 2025 en verder is gebaseerd op gegevens over het jaar 2021 en is opgenomen in bijlage 3.3.1 van deze circulaire. 3.3.2. Kinderen in een AZC In paragraaf 2.2-6 van de septembercirculaire 2018 zijn gemeenten geïnformeerd dat zij vanaf 2019 volledig verantwoordelijk worden voor de organisatie en financiering van jeugdhulp, inclusief de jeugd-ggz, aan kinderen in een AZC. Hiervoor is structureel € 5,1 miljoen beschikbaar. Bijlage 3.3.2 bevat de definitieve verdeling voor 2023. Deze verdeling is gebaseerd op de cijfers van januari 2023 tot en met december 2023.
Deze bedragen zijn voorlopig ook voor 2024 en verder gehanteerd. 3.3.3. Voorschoolse voorzieningen peuters De decentralisatie-uitkering voorschoolse voorzieningen peuters heeft als doel dat alle peuters, zonder recht op kinderopvangtoeslag of voorschoolse educatie, naar een voorschoolse voorziening kunnen gaan. De decentralisatie-uitkering voorschoolse voorzieningen is voor 2024 geactualiseerd met de voluminastanden van uitkeringsjaar 2023 (in de gemeentelijke indeling van 2024). De verdeling over de gemeenten voor de decentralisatie-uitkering is opgenomen in bijlage 3.3.3 van deze circulaire. 3.3.4. Basisregistratie Personen (BRP): centralisering inschrijving vergunninghouders Enkele gemeenten ontvangen een bijdrage in verband met het inrichten en in stand houden van een zogeheten BRP-straat. Vanwege wijziging van de taakverdeling tussen de operationele BRP-straten wordt de verdeling van de decentralisatie-uitkering aangepast. In Zie voor gehanteerde CBS-gegevens: https://jmopendata.cbs.nl/#/JM/nl/dataset/20233NED/table?dl=3801D 13
38 Meicirculaire gemeentefonds 2024
overleg tussen Rijk en betrokken gemeenten is met ingang van 2024 de volgende verdeling overeengekomen: Arnhem (€ 507.363), Cranendonck (€ 785.055), Gilze en Rijen (€ 636.291), Haarlemmermeer (€ 70.542) en Westerwolde (€ 2.731.401). 3.3.5. Vangnet constructie energietoelage Gemeenten kunnen, net als over 2022, een energietoeslag 2023 uitkeren aan huishoudens met een laag inkomen. Gemeenten hebben hiertoe budget ontvangen in de decembercirculaire 2023. Zie ook paragraaf 3.2-1 van de decembercirculaire 2023. Ondanks de aangepaste verdeelsystematiek kunnen net als in 2022 verschillen ontstaan tussen de gebruikte verdeelstatistiek en het werkelijke bereik van een gemeente. Daarom is een vangnetconstructie ingericht. In het gemeentenieuws van het ministerie van SZW (editie 2024-1) is deze vangnetconstructie nader toegelicht. Voor de vangnetconstructie is € 32,5 miljoen gereserveerd. De vangnetconstructie wordt via de decentralisatie-uitkering energietoeslag aan gemeenten uitgekeerd. In mei/juni 2024 zal de VNG een uitvraag onder haar leden doen waarin zij signalen over afwijkingen tussen de verdeelsystematiek en het bereik uitvraagt. In het derde kwartaal 2024 zal een extern bureau een plausibiliteitstoets uitvoeren op de signalen waarna het bureau advies uitbrengt aan het ministerie van SZW over de verdeling van de gereserveerde middelen.
Overblijvende middelen worden over alle gemeenten uitgekeerd o.b.v. de verdeling van het budget dat in de decembercirculaire 2023 beschikbaar is gesteld. Naar verwachting zal dit in de decembercirculaire 2024 worden verwerkt.
39 Meicirculaire gemeentefonds 2024
40 Meicirculaire gemeentefonds 2024
4
Overige mededelingen
4.1
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat diverse mededelingen over de gemeentefinanciën. Paragraaf 4.2 bevat mededelingen over het gemeentefonds die zowel betrekking hebben op de algemene uitkering als op de decentralisatie- en integratie-uitkeringen. Vervolgd wordt met mededelingen op het terrein van de gemeentefinanciën. 4.2
Gemeentefondstotalen, bevoorschotting en nominale ontwikkelingen
Gemeentefondstotalen Tabel 4.2.1 bevat een overzicht van de gemeentefondstotalen 2024-2029. In de tabel zijn de bedragen uit de hoofdstukken 2 en 3 bij elkaar gebracht. Tabel 4.2.1 Gemeentefondstotalen 2023-2028 (in duizenden euro's) Algemene uitkering
2024
2025
2026
2027
2028
2029
38.546.920
39.996.921
38.683.666
40.350.993
41.938.845
43.681.232
DU/IU
4.889.796
4.619.299
4.533.731
4.448.355
4.372.659
4.307.085
Totaal
43.436.716
44.616.220
43.217.397
44.799.348
46.311.504
47.988.317
Bevoorschotting De bedragen 2024 uit de tabel zullen worden verwerkt in de bevoorschotting vanaf de eerste dinsdag in juli ofwel 2 juli 2024. Tot dat tijdstip is de bevoorschotting gebaseerd op de decembercirculaire 2023. Op de eerste dinsdag in juli zullen ook eventuele verrekeningen plaatsvinden als er eerder dit jaar te veel of juist te weinig voorschot is verstrekt. Verrekeningen over voorgaande uitkeringsjaren worden eveneens in juli uitgevoerd. Over de voorschotten voor het uitkeringsjaar 2025 volgt informatie in de septembercirculaire 2024. Voor de volledigheid: aan de berekening van de voorschotten kunnen geen rechten worden ontleend voor de definitieve vaststelling van de uitkeringen. Nominale ontwikkelingen De algemene uitkering is via het accres afhankelijk van de ontwikkeling van het bbp waarin rekening is gehouden met loon- en prijsontwikkelingen. Daarmee is de algemene uitkering in de meerjarenraming uitgedrukt in het prijspeil van het betreffende jaar ofwel in lopende prijzen. De decentralisatie-uitkeringen kennen geen correctie voor loon- en prijsontwikkelingen en betreffen nominale bedragen. De integratie-uitkeringen worden wel ieder jaar opnieuw geïndexeerd volgens de voor dat jaar van toepassing zijnde loon- en prijsontwikkeling (constante prijzen). Het is van belang dat gemeenten in hun ramingen rekening houden met de loon- en
41 Meicirculaire gemeentefonds 2024
prijsontwikkelingen. Om gemeenten, die niet beschikken over eigen loon- en prijsindexen, te faciliteren bij het omgaan met nominale ontwikkelingen is in tabel 4.2.2 opgenomen. De tabel bevat een aantal loon- en prijsindicatoren die het CPB onderscheidt voor de overheidssector. De cijfers zijn ontleend aan de meest recente publicaties van het CPB. Voor nadere informatie verwijzen wij naar de regelmatig bijgestelde prognoses op de website van het CPB, met name de rubriek Centraal Economisch Plan 2024. Tabel 4.2.2 Prijsindexen CPB* CEP 2024 mutaties per jaar in % Prijs bruto binnenlands product (pbbp) Prijs nationale bestedingen (pnb) Nationale consumentenprijsindex (cpi) Loonvoet sector overheid Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers Prijs bruto overheidsinvesteringen (iboi) Prijs overheidsconsumptie, netto materieel (imoc)
2024 4,0 3,3 2,9 6,4 5,6 3,0 2,9
2025 2,3 2,2 2,8 4,4 4,4 2,0 2,2
2026 2,6 2,6 2,4 3,8 3,4 2,2 2,2
2027 2,6 2,6 2,3 4,8 4,3 2,1 2,2
2028 2,5 2,5 2,3 4,0 3,9 2,1 2,2
2029** 2,5 2,5 2,3 4,0 3,9 2,1 2,2
* toelichting/ verduidelijking bij de kerngegevens is te vinden op: https://www.cpb.nl/artikel/toelichting-bij-kerngegevenstabel ** cijfers 2028 zijn doorgetrokken naar 2029
4.3
Landelijk gemiddelde kengetal belastingcapaciteit
In de meicirculaire wordt jaarlijks de benodigde informatie voor de berekening van het kengetal belastingcapaciteit opgenomen, zoals aangegeven in de ministeriele regeling over de berekeningswijze van de financiële kengetallen (Besluit Begroting en Verantwoording). Voor gemeenten gaat het om het landelijk gemiddelde voor de gemeentelijke woonlasten van een meerpersoonshuishouden. Het laatst bekende gemiddelde bedraagt voor 2024 € 994 (jaar t). 14 In de begroting en het jaarverslag 2024 (jaar t) kan dit gemiddelde worden gebruikt voor de berekening van het kengetal belastingcapaciteit in de verschillende jaren. De cijfers per gemeente zijn gepubliceerd in de Atlas van de lokale lasten 2024. 4.4
Nieuw proces belastingcapaciteit 2024 WOZ
Zoals in paragraaf 4.5 van de decembercirculaire 2023 aangekondigd, is het proces rondom de vaststelling van de belastingcapaciteit van gemeenten per 1 januari 2024 veranderd. Daarbij wijzigt de definitie van de belastingcapaciteit niet. Het proces is op de volgende punten gewijzigd: 1. De Landelijke Voorziening WOZ (LV WOZ), die nu al de basis is voor de vaststelling van de belastingcapaciteit, wordt uitsluitend leidend. De kwaliteit van de LV WOZ data is de afgelopen jaren aanzienlijk verbeterd, waardoor steeds minder gemeenten het CBS benaderen voor een correctie van de data. De inschatting van de Waarderingskamer is dat in 2024 alle gemeenten hun gegevens tijdig, volledig en correct invoeren in de LV WOZ. 2. Gemeenten kunnen vanaf 2024 geen rechtstreekse verzoeken tot correcties op de belastingcapaciteit indienen bij het CBS en/of het ministerie van BZK. Dat betekent dat gemeenten geen vaststellingsbrief ontvangen met daarin de vastgestelde
14
Huishoudens betalen gemiddeld 8 procent meer aan gemeente, provincie en waterschap, Coelo.nl
42 Meicirculaire gemeentefonds 2024
voorlopige en definitieve belastingcapaciteit. Gemeenten kunnen alleen de onderliggende WOZ-waarden corrigeren door deze via de LV WOZ aan te passen. Bij de definitieve vaststelling (2,5 jaar later) ziet het CBS de gecorrigeerde waarden in haar uitdraai van de LV WOZ. 3. De uitvraag uit de LV WOZ gaat later plaatsvinden. Bij de voorlopige belastingcapaciteit wordt de LV WOZ pas in juni uitgevraagd in plaats van begin mei. Bij de definitieve belastingcapaciteit zal de uitvraag in oktober zijn in plaats van in mei. Hierdoor zal de berekening van de belastingcapaciteit op actuelere gegevens worden gebaseerd. 4. Er komt een verbeterde inschattingsmethode van ontbrekende waarden. Het CBS vult momenteel een ontbrekende waarde in met het meest recente gegeven uit het verleden. Het CBS gaat bij de verbeterde inschattingsmethode onder andere rekening houden met de waardeontwikkeling van de woningen. De aard van de (rechtsbescherming bij de heffing van de) OZB is zodanig dat er altijd kans is dat een paar objecten nog niet definitief zijn beschikt wanneer het CBS de definitieve belastingcapaciteit berekent (ongeveer 2,5 jaar na dato). De mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de definitieve vaststelling van de belastingcapaciteit blijft behouden in het nieuwe proces.
4.5 Advies raming ruimte onder het plafond BCF Met ingang van het begrotingsjaar 2019 is de wijze van verwerking van de ruimte onder het plafond van het BCF in de raming van de algemene uitkering in de circulaires gewijzigd (zie paragraaf 2.2-2 van de meicirculaire 2018). Dat was voor het ministerie van BZK de aanleiding om in afstemming met de VNG en de provinciale toezichthouders een advies op te stellen over de wijze waarop de ruimte onder het plafond BCF door gemeenten kan worden opgenomen als verwachte bate. Dit advies luidt: Gezien de onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling van de ruimte onder het plafond BCF, adviseren we om voorzichtigheid in acht te nemen door een raming op te nemen, die maximaal gebaseerd is op de meest recente, gerealiseerde ruimte onder het plafond BCF. Voor de begroting 2025 en de meerjarenraming 2026-2028 is dit de realisatie 2023 zoals die in deze circulaire is opgenomen. 4.6