Bijlage 4. Ruimtelijke onderbouwing 'ETFAL' geanonimiseerd
Tekst van het document
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen
Onderbouwing effecten fysieke leefomgeving 12 februari 2025
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen Onderbouwing effecten fysieke leefomgeving
COLOFON Opdrachtgever Auteur Rapportnummer
: 22-753-63
Versie
: Definitief
Datum
: 12 februari 2025
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Aanleiding Projectgebied Het omgevingsplan Leeswijzer
1 1 1 2 3
2 Projectbeschrijving 2.1 Uitgangssituatie 2.2 De aanvraag
4 4 5
3 3.1 3.2 3.3
7 7 8 9
Beleid en regelgeving Rijksbeleid en rijksregels Provinciaal beleid en provinciale regels Gemeentelijk beleid
4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 4.1 Algemeen 4.2 Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand 4.3 M.e.r.-beoordeling 4.4 Cultuurhistorische waarden 4.5 Beschermen van gezondheid 4.6 Bedrijfsactiviteiten en milieuzonering 4.7 Geluidaandachtsgebieden 4.8 Luchtkwaliteit 4.9 Bodemkwaliteit 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Omgevingsveiligheid 4.12 Natuur 4.13 Waterparagraaf 4.14 Kabels, leidingen en beperkingsgebieden
11 11 11 11 12 14 14 15 16 16 17 17 18 18 20
5 5.1 5.2 5.3 5.4
Uitvoerbaarheid Algemeen Maatschappelijke uitvoerbaarheid Procedure omgevingsvergunning Economische uitvoerbaarheid
21 21 21 21 21
6 6.1 6.2 6.3
Afweging en conclusie Algemeen Afweging Conclusie
23 23 23 23
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Akoestisch onderzoek Verkennend bodemonderzoek Ecologische beoordeling Uitgangspunten watertoets Participatieverslag
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op de locatie aan de Ferlinge Stasjonsstrjitte 108 in De Westereen was voorheen de apotheek gevestigd. Sinds de realisatie van het gezondheidscentrum in 2010 wordt het pand niet meer actief gebruikt. Gelet op de grote vraag naar woningen voor senioren en de geschiktheid van de locatie om hieraan invulling te geven, heeft de nieuwe eigenaar heeft het plan opgevat om het pand te slopen en op de locatie een woongebouw met vier appartementen te realiseren. Omdat in het omgevingsplan van de gemeente Dantumadiel geen woonfunctie is toegedeeld aan de locatie, kan het bouwplan niet op basis van het omgevingsplan worden vergund. De gemeente is bereid gevonden onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het opstarten van een ruimtelijke procedure. Hiervoor is een omgevingsvergunning Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (Bopa) noodzakelijk en aangevraagd. Deze onderbouwing vormt een toelichting op de aanvraag omgevingsvergunning en toetst het bouwplan aan de geldende beleidskaders en instructieregels en aan en de, voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten.
1.2
Projectgebied Het projectgebied ligt in het noorden van De Westereen, op de hoek van de Ferlinge Stasjonsstrjitte en de Foarstrjitte. Het betreft het perceel Ferlinge Stasjonsstrjitte 108 (kadastraal: gemeente Veenwouden, sectie G, nummer 4308) dat een oppervlakte van 919 m 2 heeft. De globale ligging van het projectgebied is op een topografische kaart aangegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1
De ligging van het projectgebied
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
1
1.3
Het omgevingsplan Het projectgebied is geregeld in het Omgevingsplan gemeente Dantumadiel. Het gaat op moment van schrijven om het ‘tijdelijk omgevingsplan’, dat van rechtswege op 1 januari 2024 in werking is getreden en waarin primair de verschillende (ontwerp)bestemmingsplannen en de gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving en de ‘Bruidsschat’, zijn opgenomen.
1.3.1
Bestemmingsplannen Het projectgebied valt binnen het op 2 juli 2013 vastgestelde bestemmingsplan De Westereen – kom. Het heeft de bestemming ‘Maatschappelijk’ met daarop een ruim bouwvlak. Een fragment van de plankaart is weergegeven in figuur 1.2.
Figuur 1.2
Fragment plankaart bestemmingsplan
Binnen de bestemming wordt niet voorzien in het wonen, waarmee het bouwen van een woongebouw op deze locatie niet is togestaan. Bovendien wordt het bouwvlak iets overschreden aan de noordwestzijde en wordt de bouwhoogte 9 meter, waar 8,5 is toegestaan. Daarom kan het bouwplan niet op basis van de regels van het bestemmingsplan worden vergund. 1.3.2
Andere verordeningen Er zijn voor de locatie nog geen andere verordeningen opgenomen in het omgevingsplan.
1.3.3
De bruidsschat De bruidsschat bestaat uit ongeveer 600 regels uit het voormalige Activiteitenbesluit, Bouwbesluit en het Besluit omgevingsrecht (Bor). De regels hebben betrekking op een grote diversiteit aan onderwerpen, zoals horeca, detailhandel, recreatie, lozingen, emissies van geluid, geur en trillingen door bedrijven en bouwen. De regels zijn aangepast aan de terminologie van de Omgevingswet. Dit is beleidsneutraal of beleidsarm gedaan: de essentie van de regels is ongewijzigd. De gemeente heeft de taak om uiterlijk in 2032 alle bruidsschatregels te hebben verwerkt tot eigen regels, of deze te laten vervallen.
2
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
1.4
Leeswijzer Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het project, dat met de Bopa mogelijk wordt gemaakt. Daar wordt zowel de huidige of uitgangssituatie, als de beoogde situatie beschreven en wordt ingegaan op de inpasbaarheid van dit project bij de zichtbare waarden. Vervolgens toetst hoofdstuk 3 dit project aan de omgevingsvisies en instructieregels van het rijk en de provincie en aan het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 vormt de beoordeling van de en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij de omgevingswaarden en milieu- en gezondheidsaspecten centraal staan. Vervolgens worden in hoofdstuk 5 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het project besproken. Hoofdstuk 6 geeft ten slotte een beknopte afweging en conclusie voor het verlenen van de Bopa.
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
3
2
Projectbeschrijving
2.1
Uitgangssituatie De aanvraag heeft betrekking op het perceel van een voormalige apotheek, later buurtzorg, dat is gelegen op aansluiting van de Ferlinge Stasjonsstrjitte op de Foarstrjitte in De Westereen. Beide wegen zijn belangrijke doorgaande wegen voor het dorp, waaraan een gemengd bebouwingslint aanwezig is met daarin woningen, winkels en bedrijven. Aansluitend op het projectgebied gaat het vooral om woningen en enkele winkels aan de overzijde van de Ferlinge Stasjonsstrjitte en een supermarkt aan de overzijde van de Foarstrjitte. Een luchtfoto van de locatie is weergegeven in figuur 2.1.
Foarstrjitte
Figuur 2.1
4
Luchtfoto projectgebied en omgeving
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
Een aanzicht op de locatie is weergegeven in figuur 2.2.
Figuur 2.2
2.2
Aanzicht op de projectlocatie
De aanvraag De aanvraag omvat de sloop van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw van een bescheiden woongebouw op de locatie. In dit gebouw wordt vier royale en hoogwaardige appartementen voor de 55+ doelgroep gerealiseerd. Het gebouw wordt voorzien van een lift, waarmee het als levensloopgeschikt wordt aangemerkt. Aan de zuidzijde wordt een vrijstaande gebouw met bergingen gerealiseerd. De situatietekening is weergegeven in figuur 2.3. Deze tekening is onder andere het resultaat van het participatieproces. De entree komt aan de Ferlinge Stasjonsstrjitte, waar ook 4 insteekparkeerplaatsen worden aangelegd. Aan de Foarstrjitte komen twee parkeerplaatsen, die zijn uitgevoerd in halfverharding. Er wordt zorg gedragen voor een passende afscherming van de buurpercelen, waarbij op het zuidelijk perceel ook enkele leibomen worden geplaatst. Het ontwerp van het gebouw is met zorg voor de karakteristiek van de omgeving tot stand gekomen. Het krijgt de uitstraling van een grote woning op een footprint van ongeveer 20 bij 15 meter en een lage gootlijn, waarbij de toepassing van een mansardekap voor extra ruimte op de bovenste bouwlaag zorgt. De gevelaanzichten zijn weergegeven in figuur 2.4. De nokhoogte ligt op 9 meter.
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
5
Figuur 2.3
Beoogde inrichting projectgebied
Figuur 2.4
Gevelaanzichten woongebouw
6
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
3
Beleid en regelgeving
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
3.1.1
Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken. Het doel is te kiezen voor slimme combinaties van functies, uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 16 aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVEX-gebied. Het projectgebied valt niet in één van deze gebieden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft het NOVI geen directe implicaties voor de ontwikkeling en kan de voorgenomen ontwikkeling in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI. Het NOVI heeft geen consequenties voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.1.2
Instructieregels Rijk Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal besluiten in werking getreden. Het gaat om het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit. Het Bal stelt rijksregels aan (milieu)activiteiten, het Bkl gaat voornamelijk over omgevingswaarden en beperkingengebieden (onder andere natuur en water) en het Bbl stelt regels aan veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het project wordt aan deze regels getoetst in hoofdstuk 4. Voortbouwend op de hiervoor genoemde Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), stelt de Omgevingsregeling eisen aan omgevingsplannen in aangewezen gebieden. Het gaat dan om beperkingengebieden van nationaal belang. Deze regeling volgt de voormalige Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) op. Voor het projectgebied gelden geen specifieke beperkingsgebieden die relevant zijn voor het project.
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
7
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1
Omgevingsvisie Fryslân 2020: De romte diele Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is neergelegd in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. Deze is op 23 september 2020 vastgesteld. In de omgevingsvisie gaat de provincie voor een vitale economie door te investeren in omgevingskwaliteiten. Dit zorgt onder andere voor leefbaarheid en voorkomt leegstand en verpaupering van bebouwing. Daarnaast gaat de provincie voor een veerkrachtig beleid, waarin ingrijpende ontwikkelingen opgevangen kunnen worden, het behoud van de karakteristiek van de provincie, door het beschermen van de eigen identiteit en voor een gezonde leefomgeving. De provincie streeft verder naar meervoudig ruimtegebruik en natuurinclusief ontwikkelen. Ook het rekening houden met een veranderend klimaat bij nieuwe ontwikkeling een provinciale ambitie. De Provincie streeft naar ‘waterrobuust bouwen’. Dit houdt in dat gebouwen en straten op voldoende hoogte worden aangelegd en dat er voldoende ruimte is voor water in het plan. Paragraaf 4.13 gaat hier verder op in.
3.2.2
Omgevingsverordening Fryslân Het projectgebied valt binnen het werkingsgebied van de Omgevingsverordening provincie Fryslân. Deze onderbouwing beperkt zich tot hoofdstuk 2, ruimtelijk omgevingsbeleid, voor zover relevant: Artikel 2.1 De omgevingsverordening gaat uit van het principe ‘Omgevingskwaliteiten als basis’. In een omgevingsplan (of afwijking daarvan) wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden, waarbij gebruik wordt gemaakt van FAMKE. Paragraaf 4.4 gaat hierop in. Artikel 2.5 Ook vraagt de Omgevingsverordening de effecten op gezondheid en veiligheid af te wegen, wateroverlast of overstroming vanuit de Friese Boezem te voorkomen en te borgen dat waterrobuust wordt gebouwd. Hoofdstuk 4 beschrijft deze onderwerpen. Artikel 2.6 De Omgevingsverordening gaat verder uit van het bundelen van stedelijke functies in het bestaand stedelijk gebied. Het projectgebied ligt binnen de gebiedsaanwijzing ‘bestaande stedelijk gebied’, waarmee nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden kunnen worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies. Artikel 2.7 Voor het toevoegen van woningen geldt dat deze moeten passen binnen de regionale woningbouwafspraken. Hierop wordt in paragraaf 3.3 getoetst. Het project is hiermee in overeenstemming met de instructieregels uit de omgevingsverordening van de provincie Fyslân.
8
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Dantumadiel De gemeente bereidt de Omgevingsvisie Dantumadiel voor. De gemeente beschrijft in de Omgevingsvisie wat de kwaliteiten van Dantumadiel zijn, welke opgaven er liggen en welke ontwikkelingsrichtingen gewenst zijn. Dit vormt een kader op hoofdlijnen dat een uitwerking op detailniveau mogelijk maakt. Ten aanzien van woningbouw zet de gemeente erop in voldoende woningen bouwen om te voorzien in de vraag van de toekomst. De gemeente wil een aantrekkelijke gemeente blijven om in te wonen en te leven, en ook een klimaatrobuuste gemeente zijn en ruim baan geven aan allerlei initiatieven die hierbij passen. Het aantal oudere huishoudens (65 jaar en ouder) zal de komende jaren sterk toenemen. Ook zullen zij gemiddeld langer zelfstandig blijven wonen. Dit betekent dat woningen bij nieuwbouw zo veel mogelijk levensloopgeschikt gebouwd worden, of eenvoudig aanpasbaar zijn. De gemeente zet daarbij zoveel mogelijk in op transformatie en herstructurering in de dorpen. De voorkeur gaat uit naar kleinschalige oplossingen (lokaal maatwerk) die passen bij de situatie ter plekke. Het vervangen van een in ongebruik geraakt zorggebouw door een modern en duurzaam, kleinschalig en levensloopbestendig woongebouw sluit aan op de ambities die de gemeente wil neerleggen in haar Omgevingsvisie.
3.3.2
Woonvisie Dantumadiel De gemeente Dantumadiel heeft samen met inwoners, corporaties en belangenorganisaties de Woonvisie 2020-2025 gemaakt. De woonvisie vormt de basis voor het woonbeleid van de gemeente. In de visie wordt uitgelegd waar de gemeente in 2025 op het gebied van wonen wil staan. Ook wordt het gebruikt voor het maken van prestatieafspraken met de woningcorporaties en levert het belangrijke informatie op voor de Omgevingsvisie. De visie is op 21 januari 2021 door de raad vastgesteld. In de woonvisie staan 7 speerpunten uitgewerkt: 1. Toekomst geven aan bestaande woningen en buurten; 2. Nieuwbouw in stad, dorpen en wijken, omgang met groei en krimp; 3. Ontwikkeling van de sociale huurvoorraad: betaalbaar, beschikbaar en met kwaliteit; 4. Wonen en zorg in dorpen en wijken; 5. Energietransitie en verduurzaming; 6. Leefbare dorpen: sociaal en veilig, met bereikbare voorzieningen; 7. Samenwerking gemeente, belanghebbenden en bewoners. In de woonvisie wordt belang gehecht aan het “op maat, passend bij de schaal en behoefte in het dorp” om zo mensen te binden aan het dorp en uitstroom naar andere dorpen en regio’s te voorkomen. De locatie nabij voorzieningen, is passende plek voor senioren. Ten tweede wordt in de woonvisie gestreefd naar het “Toekomst geven aan bestaande woningen en buurten”.
Hierbij wordt opgemerkt om preventief leegstand en verpaupering van leegstaande panden tegen te gaan. Ook hierin draagt het project bij aan het tegengaan van verpaupering van het in ongebruik geraakte pand. Tot slot wordt in de visie de voorkeur gegeven aan inbreiding boven uitbreiding van dorpen. De volgende volgorde wordt hierbij aangehouden: transformatie, herstructurering, inbreiding en uitbreiding. In dit geval is er sprake van herstructurering.
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
9
Flexibele woningbouwprogrammering In Dantumadeel zijn momenteel meer woningzoekenden dan woningen. Dat geldt voor zowel de koop- als de (sociale) huurmarkt. Dit zorgt voor veel druk op de woningmarkt. De gemeente heeft de ambitie om dit in balans te brengen. Om dit proces te versnellen is een flexibel woningbouwprogramma en daarbij behorende afstemming met de provincie nodig. Om hierin te ondersteunen is de provincie in 2020 een experiment gestart met de regio Noordoost-Fryslân. Dit experiment loopt tot 2025. Dit houdt in dat de provincie niet actief stuurt op de verdeling van contingenten, maar de regie bij de regio legt. Gemeenten zijn binnen het experiment vrij in het programmeren van zowel binnen- als buitenstedelijke projecten, maar wel verantwoordelijk voor een onderbouwing van de programmering rekening houdend met de geprognosticeerde behoefte. Bij deze verantwoordelijkheid hoort ook de afweging van woningbouwplannen en de onderbouwing daarvan. Daarbij geldt duurzame verstedelijking als belangrijk vertrekpunt. De gemeente geeft deze onderbouwing vorm aan de hand van de woningmarktanalyse, Dorpenatlas en monitoring. De Westereen komt hier gunstig uit, als één van de dorpen met een goed voorzieningenpakket en een goede bereikbaarheid.
Belangrijk is om producten toe te voegen die ook op de langere termijn toegevoegde waarde hebben voor het dorp, op de juiste plek (inbreiden) en passend bij de doelgroep die er woont. Daarbij geldt dat er aandacht moet zijn voor de groeiende groep senioren, waarvoor levensloopbestendige woningen in de nabijheid van voorzieningen het meest toekomstbestendig zijn. De onderhavige locatie met een sterke binding met voorzieningen leent zich goed voor een compact programma voor de voorkeursdoelgroepen. Het project is onderdeel van het flexibele woningbouwprogramma van de gemeente. In het kader van het experiment ‘woningmarkt in balans’ krijgt de gemeente van de provincie ruimte om plannen te faciliteren en te ontwikkelen die aansluiten bij de behoefte van de markt. Het plan is prioritair binnen het woningbouwprogramma van de gemeente op basis van het inspelen op de behoefte en de binnenstedelijke locatie.
10
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
4
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
4.1
Algemeen In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet en de instructieregels uit het Bkl en de provinciale verordeningen (art. 8.0b).
4.2
Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand
4.2.1
Wettelijk kader De Ladder duurzame verstedelijking kan hier onderdeel van zijn (schaarse ruimte, zie ook Bkl: is onderdeel van de paragraaf over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (§ 5.1.5 van het Bkl). Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: 1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en 2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
4.2.2
Toetsing en conclusie Allereerst is relevant of de ontwikkeling die het project mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Op basis van vaste jurisprudentie over de ladder voor duurzame verstedelijking uit de voormalige wetgeving (Bro), geldt dat 4 woningen niet aangemerkt kunnen worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel is het van belang om te bouwen naar behoefte. Dit project maakt een herontwikkeling in bestaand stedelijk gebied mogelijk. In paragraaf 3.3 is omschreven hoe ook de ontwikkelingen van de woningen passen binnen de woningbehoefte die binnen de gemeente Dantumadiel geldt. Hiermee is aangetoond dat er behoefte is aan deze woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Er is daarmee sprake van duurzame verstedelijking.
4.3
M.e.r.-beoordeling
4.3.1
Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is wordt afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
11
De lijst bestaat uit vier kolommen, waarbij in kolom 1 de betreffende projecten zijn benoemd, in kolom 2 de mer-plichtige activiteiten zijn opgenomen in kolom 3 de mer-beoordelingsplichtige activiteiten. Kolom 4 geeft aan bij welke besluiten de project-mer-(beoordelings)plicht geldt. Waar een omgevingsplan wordt genoemd, geldt dat ook een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt bedoeld. 4.3.2
Toetsing en conclusie Het project zou kunnen vallen onder de categorie J11 uit bijlage V van het Ob. In dit geval is er sprake van het vervangen van een bestaand gebouw door een woongebouw met 4 appartementen. Op basis van vaste jurisprudentie kan dit niet aangemerkt worden als stedelijk ontwikkelingsproject. De locatie is perceelsgebonden, er is een beperkte toename van bebouwing en het project heeft geen bovenregionaal verzorgingsgebied. Daarmee is het project niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het besluit. Er is daarmee geen spraken van een m.e.r. plicht of m.e.r. beoordelingsplicht. Overigens blijkt uit de beoordeling in de navolgende paragrafen dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden.
4.4
Cultuurhistorische waarden
4.4.1
Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
4.4.2
Archeologie In de wet zijn archeologische resten beschermd. Het basisbeginsel van de archeologie is sinds 2007; behoud ‘in situ’ ofwel in de bodem op de plek zelf. Slechts bij hoge uitzondering worden nog archeologische opgravingen uitgevoerd. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische in bepaalde gebieden zijn op basis van landschappelijk, historisch en archeologisch onderzoek archeologische gemeentelijke verwachtingskaarten opgesteld. Om de archeologische waarden voor het projectgebied vast te stellen is de FAMKE geraadpleegd. Een fragment van de kaarten is weergegeven in figuur 4.1.
Figuur 4.1
12
Fragment kaarten FAMKE
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
Voor de periode steentijd - bronstijd valt het projectgebied in het gebied waar het advies om alleen bij grootschalige ingrepen onderzoek te doen. Voor zowel de periode IJzertijd - middeleeuwen als voor de periode steentijd – bronstijd valt het projectgebied in een zone met een archeologische verwachting, waar bij ingrepen van 5.000 m2 onderzoek noodzakelijk is. Omdat het projectgebied kleiner is dan 1.000 m2, blijft het project ruim onder de vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, dan moet hiervan direct melding worden gemaakt. 4.4.3
Andere cultuurhistorische waarden Om na te gaan of sprake is van cultuurhistorische waarden in de omgeving, is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Uit de CHK blijkt dat het projectgebied is gelegen in een oud lint met diverse historische boerderijplaatsen (donkerrood). Het projectgebied betreft ook een dergelijke boerderijplaats. Ook zijn de wegen aangemerkt als historische routes. Een fragment van deze kaart is weergegeven in figuur 4.2.
Figuur 4.2
Fragment CHK
De boerderijplaatsen in en rondom het projectgebied zijn niet meer als zodanig herkenbaar door latere bouwactiviteiten. Het project doet dan ook geen afbreuk aan de kenmerken hiervan. Dit geldt ook voor de historische routes waaraan het plan ligt. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het project.
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
13
4.5
Beschermen van gezondheid
4.5.1
Wettelijk kader Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3 sub a). De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet wordt dit aspect breed gemotiveerd. Van belang is dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert of in elk geval niet (onevenredig) verslechtert. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. Deze paragraaf beperkt zich tot het beschermen van gezondheid in algemene zin. Dus op de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid.
4.5.2
Toetsing en conclusie Met dit project hangen geen bijzondere omstandigheden samen, waardoor het verlenen van de vergunning in potentie leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Uit de navolgende paragrafen blijkt dat er ook vanuit milieuaspecten geen risico’s voor de gezondheid optreden.
4.6
Bedrijfsactiviteiten en milieuzonering
4.6.1
Wettelijk kader Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van geur- en geluidgevoelige gebouwen en functies, maar ook om te zorgen dat bedrijfsactiviteiten niet worden beperkt. De VNG handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ biedt hiervoor een handvat. Deze nieuwe uitgave (oktober 2024) gaat over activiteiten als bedoeld in de paragrafen 5.1.4.2 (Geluid door activiteiten) en 5.1.4.6 (Geur) van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvoor instructieregels zijn opgesteld. In tegenstelling tot de eerdere uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) wordt niet uitgegaan van richtafstanden, maar van de inpasbaarheid van de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied (zones). Omdat de regeling vooral gericht is op het formuleren van regels in het omgevingsplan en deze implementatie nog niet heeft plaatsgebonden, kan gebruik worden gemaakt van een in de handreiking opgenomen transponering (omzetting) van richtafstanden naar posities binnen zones. Hierbij wordt voor geluid onderscheid gemaakt tussen rustige woongebieden en gemengde gebieden. Uiteindelijk moet bij gevoelige gebouwen worden voldaan aan de grenswaarden uit artikel 5.65 Bkl en artikel 22.63 van het Omgevingsplan (onderdeel Bruidsschat).
In het Bkl worden de geur- en geluidgevoelige gebouwen en functies aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden.
14
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. In het kader van de afweging van een evenwichtige toedeling van functies, worden ook andere verblijfsobjecten beoordeeld. 4.6.2
Toetsing en conclusie De omgeving van het projectgebied kenmerkt zich als een gemengd gebied, waarin diverse winkels en woningen naast elkaar voorkomen. Deze functies vallen voor zowel geur als geluid in zone FM (functiemenging), wat betekent dat er geen richtafstand geldt. Dit geldt ook voor de supermarkt, waarvoor nog wel een indicatie voor verkeer geldt. Dit is afgewogen in het kader van wegverkeergeluid (4.7). Door de ruimte opzet van de omgeving wordt in dit geval nog enige afstand aangehouden. Het woongebouw komt op meer dan 20 meter van milieubelastende activiteiten. Hiermee is een goed woon- en leefklimaat passend bij een gemengd gebied gewaarborgd.
4.7
Geluidaandachtsgebieden
4.7.1
Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid in relatie tot een hoge geluidbelasting zijn geluidaandachtsgebieden bepaald. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Dit is aspect is behandeld in paragraaf 4.6. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Voor provinciale- en rijkswegen geldt dat de provincie c.q. het rijk verantwoordelijk is voor geluid langs de wegen.
Om de onbeheerste groei aan geluid tegen te gaan, zal het systeem van Geluidproductieplafonds (GPP) worden gebruikt. Voor 2026 moeten de Geluidproductieplafonds worden vastgesteld. Zolang deze niet zijn vastgesteld, blijft de Wet geluidhinder van toepassing. In tabel 5.78t zijn standaardwaarden voor geluid op geluidsgevoelige gebouwen als gevolg van wegverkeer opgenomen. Voor gemeentewegen is dit 53 dB (etmaalintensiteit).
4.7.2
Toetsing en conclusie Voor dit project is alleen wegverkeerslawaai relevant. Het projectgebied ligt in het aandachtsgebied voor geluid van zowel de Ferlinge Stasjonsstrjitte als dat van de Foarstrjitte. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn gerapporteerd in een memo die is opgenomen in bijlage 1. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de gemeentewegen, op alle te realiseren appartementen, hoger dan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl. Wel wordt, met ten hoogste 61 dB Lden, ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 70 dB Lden.
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
15
Redelijkerwijs zijn er geen doelmatige en/of effectieve maatregelen in de vorm van bron en overdracht mogelijk om de geluidbelasting te reduceren. De gemeente dient verzocht te worden de verhoogde geluidbelasting toe te staan. Door toepassing van aanvullende gevelmaatregelen tot 28 dB in de gevels, kan een aanvaardbaar binnenniveau van 33 dB worden bereikt. Met extra geluidswerende ramen en geluidsdempende ventilatieroosters kan een dergelijke gevelwering gemakkelijk worden gehaald. Daarmee is te spreken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
4.8.2
Toetsing en conclusie In Fryslân zijn geen algemene knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten blijkt dat in De Westereen aan de wettelijke normen wordt voldaan. Met dit project worden vier woningen gerealiseerd. Daarmee geldt voor dit plan de NIBM-regeling. Het plan is van dermate kleine omvang dat niet in betekenende mate wordt bijgedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
4.9
Bodemkwaliteit
4.9.1
Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
16
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
•
duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
4.9.2
Toetsing en conclusie In het kader van de herstructurering is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 2. Uit het onderzoek zijn hoogste licht verhoogde gehalten van de onderzochte stoffen aangetoond. De gehalten zijn echter dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouwplannen. Risico’s voor de volksgezondheid zijn uitgesloten.
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1
Wettelijk kader Verkeer en parkeren worden gezien als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.
4.10.2
Verkeersafwikkeling Op basis van de kentallen van het CROW, zoals bepaald in Publicatie 744, geeft een appartementen uit het middensegment een verkeersgeneratie van maximaal 5,5 mvt/etmaal. Voor de vier appartementen gaat het om 22 mvt/etmaal. De ontsluitende wegen zijn voldoende gedimensioneerd voor de afwikkeling van dit verkeer.
4.10.3
Parkeren Op basis van dezelfde kentallen van het CROW geldt een parkeernorm van 1,3 tot 2,1 parkeerplaatsen per woning, waarvan 0,3 voor bezoekers. Gelet op de beoogde doelgroep kan uitgegaan worden van de minimale norm. Dat betekent dat voor 4 appartementen 6 parkeerplaatsen voldoende zijn. Hierin wordt voorzien.
4.11
Omgevingsveiligheid
4.11.1
Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar via de Atlas Leefomgeving.
4.11.2
Toetsing en conclusie Uit de kaarten van de Atlas Leefomgeving blijkt dat het projectgebied niet in een aandachtsgebied voor externe veiligheid ligt. Vanuit de omgevingsveiligheid zijn er geen belemmeringen voor het project.
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
17
4.12
Natuur
4.12.1
Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
4.12.2
Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand. Gezien de aard van de aanvraag en ruime afstand van het plangebied tot natuurgebieden, zijn externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten uitgesloten. Er is ook geen sprake van een potentieel effect op stikstofdepositie. De gebruiksfase leidt tot enkele (22) verkeerbewegingen, maar die gaat direct op in het heersend verkeersbeeld (<3%). De aanlegfase heeft een tijdelijke stikstofemissie tot gevolg. De Alde Feanen is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met overbelaste stikstofgevoelige habitats. Een effect van de bouw van dit kleinschalige woongebouw heeft op 14 kilometer geen effect. Gezien de aard van de ingreep doet het voornemen geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied.
4.12.3
Soortenbescherming In het kader van de aanvraag is een ecologische beoordeling uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de bouw van het woongebouw, maar dat de te slopen gebouwen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en/of jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels bevat. In dit kader wordt een procedure Handreiking kleine initiatieven opgestart, waarin een ecologisch werkprotocol wordt opgesteld en afgestemd met de provincie.
4.13
Waterparagraaf
4.13.1
Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een plan voor de waterhuishouding opgesteld of een plan met een andere benaming. In dit plan worden de wateraspecten niet alleen beschreven, maar ook wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project getroffen moeten worden. Hierbij vindt een toets plaats aan de waterkwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn water. De beschrijving van wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving en beleid, het opgestelde plan voor de waterhuishouding en volgens dat plan te treffen maatregelen.
18
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
Hierbij worden de resultaten voorkomend uit het watertoetsproces betrokken. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder. Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden. 4.13.2
Weging van het waterbelang De watertoets is het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. Het project ligt in het beheergebied van het Wetterskip Fryslân. Via de digitale watertoets is het project kenbaar gemaakt bij het wetterskip. Hieruit volgt dat de waterbelangen beperkt zijn. Er geldt een korte procedure voor de watertoets. De uitgangspuntennotitie is opgenomen in bijlage 4. Waterveiligheid Het projectgebied ligt niet binnen de beschermingszones van waterkeringen. De waterveiligheid is met dit project niet in het geding. Drooglegging Bij de realisering van bebouwing en het aanleggen van verharding is het nodig om rekening te houden met voldoende drooglegging om bijvoorbeeld opdrijven van verharding te voorkomen. We adviseren voor bebouwing met kruipruimte een drooglegging van 1,10 m en voor bebouwing zonder kruipruimte een drooglegging van 0,70 m gerekend vanaf de te realiseren bovenkant vloer. Ook voor verharding adviseren wij een drooglegging van 0,70 m. De bouwlocatie ligt in een peilgebied met een vast peil van -1,00 m NAP. Het onderhavige perceel ligt op ongeveer +1,10 m NAP. De omliggende wegen liggen op +0,80 m NAP. Door op bestaande maaiveldhoogte te bouwen wordt voldaan aan de droogleggingsnorm.
Klimaatadaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Naast water robuust bouwen door voldoende aanleghoogte zijn problemen als droogte en hittestress belangrijke aandachtspunten om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren in steden en dorpen. Woningen, tuinen en de openbare ruimte moeten worden ingericht met het oog op de toekomst. Ter voorkoming van hittestress is te denken aan de aanleg van een groene buitenruimte, maar ook aanpassingen aan woningen in de vorm van extra isolatie of groene daken. Voor het tegen gaan van droogte is te denken aan de opslag van regenwater voor gebruik in droge tijden. Bij de inrichting van het projectgebied wordt hierop geanticipeerd door de buitenruimte zo groen mogelijk in te richten. Waterafvoer/berging Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat de toename verhard oppervlak voor een deel wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het dempen van water en/of watergangen moet volledig gecompenseerd worden.
Deze compensatie is bedoeld om wateroverlast door het versneld afvoeren van hemelwater vanaf de verhardingen te voorkomen. Compensatie is nodig bij een toename aan verharding van meer dan 200 m 2 in het stedelijk gebied.
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
19
In dit geval is er geen sprake van een toename van verharding. De bebouwing en verhardingen komt op ongeveer dezelfde plek als in de huidige situatie het geval is. Het is daarom niet nodig om hiervoor compenserende maatregelen te treffen. Waterkwaliteit Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Ook is het nodig dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal. Afvalwater en regenwatersysteem Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In dit geval wordt rioolwater aangesloten op het gemeentelijk riool. Schoon hemelwater wordt in elk geval tot op de erfgrens gescheiden aangeboden, zodat bij een toekomstige aanleg van een gescheiden rioolstelsel, hiervan gebruik kan worden gemaakt.
4.14
Kabels, leidingen en beperkingsgebieden
4.14.1
Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.
4.14.2
Toetsing In het projectgebied liggen geen planologisch relevante kabels of leidingen. Ook zijn geen andere zones of beperkingsgebieden van toepassing.
20
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
5
Uitvoerbaarheid
5.1
Algemeen De bepaling over de uitvoerbaarheid uit het Besluit ruimtelijke ordening komt onder de Omgevingswet niet terug. De gemeente hoeft niet meer aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie er ook zal komen. De gemeente geeft in haar omgevingsplan aan dat een functie op een zekere locatie ‘kan’ komen. Dat is minder verstrekkend. Pas als zich een concreet, binnen de toegedeelde functie passend, initiatief aandient wordt onderzocht 'hoe' dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. Bij een Bopa die voldoende concreet is, moet dus de uitvoerbaarheid wel worden aangetoond.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Participatie Artikel 7.4 Or bevat aanvraagvereisten over participatie. Het aanvraagvereiste participatie geldt voor alle omgevingsvergunningen. De participatie bij omgevingsvergunningen wordt door de aanvrager gedaan voorafgaand aan de aanvraag. Participatie is in dit geval echter niet verplicht, omdat het project niet is opgenomen op de lijst waarvoor bindend advies van de gemeenteraad en daarmee ook verplichting tot participatie geldt. Echter, het project heeft voor de directe omgeving wel gevolgen. Daarom is besloten wel een participatietraject te doorlopen, waarbij directe buren op de hoogte zijn gebracht en in de gelegenheid zijn gesteld hierop te reageren. De reacties zijn waar mogelijk verwerkt in het project. Het participatieverslag is opgenomen in bijlage 5.
5.2.2
Advisering ketenpartners Deze onderbouwing wordt in het kader van het kader van artikel 2.2 Ow ter advisering voorgelegd aan de betrokken ketenpartners.
5.2.3
Advies en instemming Op basis van het artikel 16.15a Omgevingswet heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om zichzelf als adviseur aan te wijzen met recht van instemming. De gemeente Dantumadiel heeft een lijst vastgesteld van projecten waarvoor een bindend advies en daarmee ook verplichte participatie nodig is. Het bouwen van één of meer woningen in de bebouwde kom valt hier niet onder. Daarmee hoeft voor het project geen advies van de gemeenteraad te worden gevraagd.
5.3
Procedure omgevingsvergunning Voor deze Bopa geldt de reguliere procedure voor de omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat er na verlenen van de vergunning de mogelijkheid bestaat tot het indienen van bezwaar en daarna beroep bij de rechtbank. Tot slot is er de mogelijkheid tot het indienen van hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.4
Economische uitvoerbaarheid
5.4.1
Financieel economische haalbaarheid Het initiatief betreft de realisatie van een woongebouw. De gemeente heeft hiermee geen directe financiële bemoeienis.
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
21
5.4.2
Kostenverhaal Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt in het concrete geval niet plaats via de omgevingsvergunning, maar door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Ook wel de beschikking bestuursrechtelijke geldschuld genoemd. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten, waaronder het bouwen van woningen. De gemeente en initiatiefnemer sluiten een kostenverhaalovereenkomst, waarin afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de plankosten en eventueel planologisch nadeel (zie paragraaf 5.3.3). Hiermee is het kostenverhaal voldoende verzekerd.
5.4.3
Nadeelcompensatie In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV Ob aangewezen als ‘verhaalbare kostensoorten’. In onderdeel A11 staat nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding door rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die een persoon onevenredig zwaar treft. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen directe en indirecte schade. Directe schade ontstaat omdat bestaande rechten worden ingeperkt. Indirecte schade heeft betrekking op toegevoegde activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
22
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
6
Afweging en conclusie
6.1
Algemeen Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze onderbouwing beschrijft de afweging die is gemaakt om tot deze conclusie te kunnen komen.
6.2
Afweging De afwijking van het omgevingsplan betreft het bouwen van een woongebouw op een locatie die niet is aangemerkt voor het wonen, maar voor een maatschappelijke functie. Ook wijkt het bouwplan iets af van het bouwvlak en is de bouwhoogte met 9 meter, iets hoger dan de voorgeschreven 8,5 meter. Het project voorziet in een grote behoefte aan woningen voor senioren op korte afstand van voorzieningen. Het bouwplan past qua schaal en uitstraling goed op de locatie en in de omgeving. Het project is ook in overeenstemming met de instructieregels van het rijk en de provincie. Het project is verder met positief resultaat getoetst aan de aspecten voor een fysieke leefomgeving en milieu.
6.3
Conclusie Geconcludeerd wordt dat, gezien de nut/noodzaak gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving, er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ferlinge Stasjonsstrjitte 108, De Westereen 22-753-63 | Definitief
23
Bijlage 1
MEMO Titel: Kenmerk: Opgesteld: Datum:
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouw Ferlinge Stasjonsstrjitte 108 te De Westereen 0611-W-24-D 21 oktober 2024
Inleiding Door GeluidMeesters BV is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd voor een omgevingsplanactiviteit. Aanleiding is het voornemen het pand (voormalig apotheek) aan de Ferlinge Stasjonsstrjitte 108 te slopen. Op de vrijkomende locatie is het voornemen een woongebouw met vier appartementen te realiseren. In afbeelding 1 is de situatie weergegeven. De locatie is gelegen aan de Ferlinge Stasjonstrjitte en de Foarstrjitte die beide in beheer zijn van de gemeente Dantumadiel. In voorliggend onderzoek is de geluidbelasting van beide wegen vastgesteld en getoetst aan de grenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Afbeelding 1: situatie
Toetsingskader Gemeenten dienen, in overeenstemming met de Omgevingswet, de geluidemissie van hun wegen te monitoren ten opzichte van de vast te stellen basisgeluidemissie (bge). De bge en daarmee het geluidaandachtsgebied van de in dit onderzoek relevante wegen is nog niet vastgesteld (de verplichting tot het vastleggen van de bge is uitgesteld tot een nader te bepalen tijdstip). Daardoor is er overgangsrecht van toepassing. In het overgangsrecht zijn vaste afstanden voor het bepalen van de geluidaandachtsgebieden opgenomen. Voor een weg met een maximumsnelheid van 30 km/uur of minder, zoals op de Ferlinge Stasjonstrjitte, geldt een afstand van 100 meter. Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, met een maximumsnelheid van 30 km/uur of meer, zoals op de Foarstrjitte geldt een
afstand van 200 meter. Het te realiseren woongebouw ligt binnen de afstanden (aandachtsgebieden) van voornoemde wegen. Opgemerkt wordt dat een geluidaandachtsgebied, op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) alleen wordt vastgesteld indien sprake is van meer dan 1.000 mvt/etmaal als kalenderjaargemiddelde. Op basis van de door de gemeente Dantumadiel verstrekte gegevens (zie tabel 2, bladzijde 3) blijkt dat op beide wegen sprake is van meer dan 1.000 mvt/etmaal als kalenderjaargemiddelde. In het Bkl is opgenomen dat als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de ‘standaardwaarde’ zoals opgenomen in tabel 5.78t van het Bkl, het geluid in ieder geval aanvaardbaar is en de kans op gezondheidsschade klein. Als niet aan deze standaardwaarde kan worden voldaan, is het mogelijk om hier onder voorwaarden van af te wijken tot de ‘grenswaarde’ zoals opgenomen in tabel 5.78u van het Bkl. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd om hiervan af te wijken middels een bestuurlijke afweging. In tabel 1 zijn de ‘standaardwaarden’ en de ‘grenswaarden’ opgenomen voor de in deze casus relevante geluidbronsoort. Tabel 1: ‘standaardwaarden’ en de ‘grenswaarden’ op geluidgevoelige gebouwen uit het Bkl Geluidbronsoort
Standaardwaarden
Grenswaarden
Gemeentewegen
53 Lden
70 Lden
Uitgangspunten Van de planvorming zijn de tekeningen ‘Ferlinge Stasjonstrjitte 1089 De Westereen” met werknr. 24811 van 20 april 2024 gemaakt door bouwkundig ontwerpbureau en adviesbureau . verstrekt. De tekeningen zijn in voorliggend onderzoek als uitgangspunt gehanteerd. Het te realiseren woongebouw zal bestaan uit drie bouwlagen. Op de begane grond worden twee appartementen gerealiseerd en er worden twee appartementen gerealiseerd die beide ruimten hebben op de eerste en tweede verdieping. In afbeelding 2 zijn de plattegronden opgenomen. Voor de leesbaarheid van voorliggend rapport zijn de appartementen genummerd met 1 t/m 4. Afbeelding 2: plattegronden
De berekeningen zijn uitgevoerd met de rekenmethode zoals beschreven in bijlage IVe (meet- en rekenmethode geluid wegen) van de Omgevingsregeling. In de overdrachtsberekening zijn de van Titel: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouw Ferlinge Stasjonsstrjitte 108 te De Westereen Kenmerk: 0611-W-24-D Versie: 1 Bladzijde 2 van 5
invloed zijnde factoren zoals geometrische uitbreiding, wegdekcorrectie, reflectie, bodemdemping en dergelijke in rekening gebracht. Voor de standaardbodemfactor is uitgegaan van een absorberend oppervlak. Voor harde oppervlakken, zoals wegen en water, zijn bodemgebieden ingevoerd met een reflecterende eigenschap. Voor de toetsing aan de normen dient te worden uitgegaan van de toekomstige situatie. Hieronder wordt verstaan de situatie 10 jaar na realisatie. In dit onderzoek is uitgegaan van het jaar 2035. De verkeersgegevens zijn verstrekt door de gemeente Dantumadiel. Van de Foarstrjitte zijn telgegevens van het jaar 2024 verstrekt en van de Ferlinge Stasjonstrjitte van het jaar 2021. Voor de autonome groei is, op aangegeven van de gemeente, voor beide wegen uitgegaan van 1,0% per jaar. De in dit onderzoek gehanteerde gegevens zijn samengevat opgenomen in tabel 2. Tabel 2: gehanteerde verkeersgegevens (weekdag gemiddelden) Weg EtmaalUurintensiteit Lichte mvt intensiteit [%] [%] jaar 2035 d a n d a n Foarstrjitte 6.237 7,05 2,71 0,57 82 82 82 wegdek: asfalt (referentiewegdek) snelheid: 50 km/uur
Ferlinge Stasjonstrjitte
wegdek: elementen in keperverband snelheid: 30 km/uur
1.741
5,58 6,74 0,76
90
90
90
Middelzw. mvt [%] d a n
Zware mvt [%] d a n
11
11
11
7
7
7
9
9
9
1
1
1
Gedetailleerde informatie van het rekenmodel is opgenomen in de bijlagen.
Resultaten In afbeelding 2 is een overzicht van de beoordelingspunten weergegeven. Voor de beoordelingshoogte is uitgegaan van 1,5; 4,5 en 7,5 meter boven plaatselijk maaiveld. Dit komt overeen met drie geluidgevoelige bouwlagen. Afbeelding 2: overzicht beoordelingspunten
Titel: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouw Ferlinge Stasjonsstrjitte 108 te De Westereen Kenmerk: 0611-W-24-D Versie: 1 Bladzijde 3 van 5
In tabel 3 zijn de resultaten gegeven als gevolg van wegverkeerslawaai. Tabel 3: rekenresultaten geluidbelasting wegverkeer Kavel
Tp
Gevel
Geluidbelasting toekomst [Lden] in dB Bronsoort: gemeentewegen (Foarstrjitte + Ferlinge Stasjonstrjitte)
Appartement 1
Appartement 2
Appartement 3
Appartement 4
tekst tekst
1,5 m +mv
4,5 m +mv
7,5 m +mv
01
Noord
61
n.v.t
n.v.t
02
Noord
60
n.v.t
n.v.t
04
Oost
56
n.v.t
n.v.t
06
West
60
n.v.t
n.v.t
07
West
58
n.v.t
n.v.t
08
Zuid
49
n.v.t
n.v.t
09
Zuid
52
n.v.t
n.v.t
11
West
57
n.v.t
n.v.t
13
West
58
n.v.t
n.v.t
14
Oost
46
n.v.t
n.v.t
01
Noord
n.v.t
61
61
03
Noord
n.v.t
57
58
05
Oost
n.v.t
57
58
06
West
n.v.t
60
60
07
West
n.v.t
59
59
08
Zuid
n.v.t
50
49
10
Zuid
n.v.t
52
52
12
West
n.v.t
53
54
13
West
n.v.t
58
58
14
Oost
n.v.t
47
47
Gemeentewegen:
de standaardwaarde Bkl van 53 dB Lden wordt niet overschreden.
Gemeentewegen:
de standaardwaarde Bkl van 53 dB Lden wordt overschreden. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde uit het Bkl van 70 dB Lden
De geluidbelasting als gevolg van de bronsoort ‘gemeentewegen’ is op alle te realiseren appartementen hoger dan de ‘standaardwaarde’ van 53 dB Lden uit het Bkl. Wel wordt ruimschoots voldaan aan de ‘grenswaarde’ van 70 dB Lden. Voor de geluidbelasting(en) boven de ‘standaardwaarde' dient de gemeente onder de Omgevingswet een afweging te maken over de aanvaardbaarheid. Dit dient vastgelegd te worden in hetzelfde besluit als andere besluiten die moeten worden genomen om het (bouw)plan mogelijk te maken, het ‘omgevingsbesluit’. Op basis van de volgende argumenten wordt de gemeente verzocht de geluidbelasting(en) boven de ‘standaardwaarde’ toe te staan: •
Bronmaatregelen. Het vervangen van het asfalt door een type met een reducerende werking (maximaal circa 5 dB) zal onvoldoende effect sorteren om de geluidbelasting tot de standaardwaarde uit het Bkl te reduceren. Daarnaast is het gelet de omvang van het project vanuit financieel oogpunt niet doelmatig de wegdekverharding te vervangen. Ook zal er bij reducerend asfalt, gelet op
Titel: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouw Ferlinge Stasjonsstrjitte 108 te De Westereen Kenmerk: 0611-W-24-D Versie: 1 Bladzijde 4 van 5
vele op- en afritten en de kruising van de Foarstrjitte met de Ferlinge Stasjonstrjitte, sprake zijn van extra onderhoudskosten door wringing. Het beperken van de rijsnelheid of het terugdringen van de verkeersintensiteiten zal vanuit het oogpunt van het functioneren van het wegennet niet wenselijk zijn. •