bijlage 3 bijlage ruimtelijke onderbouwing Kolkensloane Driezum avg
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAU- EN BOORONDERZOEK KOLKENSLOANE 14 TE DRIEZUM, GEMEENTE DANTUMADIEL (FR)
Archeologisch bureau- en booronderzoek Kolkensloane 14 te Driezum, gemeente Dantumadiel (FR)
opdrachtgever datum auteur projectleider tweedelijnscontroleur projectnummer versie ISSN-nummer MUG-publicatie
26 september 2023 Protocol 4002 4003
23300860 1.0 1875-5313 2023-060
projectnummer 23300860 26 september 2023
MUG-projectnummer Opdrachtgever
MUG-publicatie Bevoegd gezag
Eigenaar van de vondsten
Depot voor de vondsten
Beheer en plaats documentatie Zaaknummer Tekst Afbeeldingen Redactie en autorisatie Goedkeuring rapport door bevoegd gezag Uitgegeven door
Datum ISSN
23300860 Dantuma Advies Van Sytzamawei 2 9114 RW Driezum T: E: 2023-060 Gemeente Dantumadiel Postbus 22 9104ZG Damwâld T: 0519 29 88 88 E: info@dantumadiel.frl Provincie Fryslân Provinciaal archeoloog Postbus 20120 8900 HM Leeuwarden T: 058 292 59 25 E: provincie@fryslan.frl Noordelijk Archeologisch Depot (NAD) Nieuweweg 76 9364 PE Nuis T: 0594 644 000 E: nad.nuis@provinciegroningen.nl MUG Ingenieursbureau b.v. 5459858100; 5459866100 MUG Ingenieursbureau b.v., tenzij anders aangegeven. Nog voor te leggen
MUG Ingenieursbureau b.v. Postbus 136 9350 AC Leek 26 september 2023 1875-5313
projectnummer 23300860 26 september 2023
INHOUDSOPGAVE Samenvatting
1
1
Inleiding
2
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Aanleiding voor het onderzoek Ligging van het onderzoeksgebied Ontwikkelingsplannen opdrachtgever Objectgegevens Doel van het onderzoek Gemeentelijk beleid en provinciale richtlijnen
2 2 3 4 4 4
2
Het bureauonderzoek
6
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
De opzet van het onderzoek Huidige situatie Aardwetenschappelijke situatie Bekende archeologische waarden Historische situatie en bouwhistorische waarden Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
6 6 6 10 12 15
3
Het booronderzoek
17
3.1 3.2 3.3 3.4
Opzet van het booronderzoek Onderzoeksvragen Bodemopbouw Vondstmateriaal
17 17 18 19
4
Conclusie en advies
20
4.1 4.2
Conclusie Advies
20 20
Literatuur en bronnen BIJLAGEN Bijlage 1 Plannen opdrachtgever Bijlage 2 Boorpuntenkaart Bijlage 3 Boorprofielen
22
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 1 van 22
Samenvatting Advies MUG Ingenieursbureau b.v. adviseert om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het gebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Onderzoek Op basis van het bureauonderzoek is duidelijk geworden dat in het onderzoekgebied met name een hoge verwachting voor de steentijd verwacht wordt, een verwachting dit op de FAMKE samenhangt met de aanwezige enkeerdgronden. Vanaf het laat-neolithicum of het begin van de bronstijd raakt het gebied overgroeid met veen Het gebied wordt weer in gebruik genomen na de veenontginningen vanaf de middeleeuwen. De aanwezigheid van een enkeerdgrond duidt erop dat het gebied een langdurig gebruik als landbouwgrond kent, dat veelal lange tijd terug gaat. Op historische kaarten heeft het gebied een agrarisch gebruik en is geen bewoning bekend. Uit het bureauonderzoek blijkt dat de bodemopbouw in het onderzoeksgebied grotendeels verstoord is. In het dekzand resteert in drie van de twaalf boringen 0,1 tot 0,15 m van de B-horizont. Een A- of E-horizont zijn niet aanwezig. Alleen in boring 12 is een restant veen aanwezig van 0,1 m, maar dit betreft geen intact veen. De toplaag bestaat uit een humeus pakket zand met een geroerde laag en bouwvoor. De dikte weerspiegelt de aanwezigheid van een enkeerdgrond, maar deze is wel verploegd. Indicatoren voor de aanwezigheid van een vindplaats zijn niet aangetroffen.
De top van het pleistocene dekzand ontbreekt, en daarmee het niveau waarop resten uit de steentijd kunnen worden verwacht. In de verploegde bovenliggende laag zijn ook geen aanwijzingen voor vindplaatsen uit latere perioden gevonden.
Het bevoegd gezag, de gemeente Dantumadiel, besluit hoe verder wordt omgegaan met het archeologisch erfgoed op basis van het bovenstaande advies. Het voorliggende onderzoek is met de grootst mogelijke zorg uitgevoerd. Indien onverhoopt toch archeologische waarden aanwezig blijken te zijn binnen de vrijgegeven gebieden, wijzen wij op de wettelijke meldingsplicht hiervan (artikel 5.10 van de Erfgoedwet) om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: “Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister”. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in casu de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (vondstmelding via ARCHIS). De melding kan ook bij de provincie of gemeente gedaan worden (zie colofon voor contactgegevens).
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 2 van 22
1
Inleiding
1.1
Aanleiding voor het onderzoek Aanleiding tot het hier beschreven archeologische bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen zijn de plannen voor de bouw van een bedrijfspand op de locatie aan de Kolkensloane 14 te Driezum. Door deze werkzaamheden worden mogelijk archeologische resten bedreigd. Conform de Erfgoedwet is het onderzoeksgebied eerst onderzocht op de aanwezigheid van archeologische waarden. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen van de BRL 4000, protocollen 4002 en 4003.1 Tabel 1.1 Overzicht inzet tijd en personeel Onderdeel onderzoek Opstellen bureauonderzoek Opstellen Plan van Aanpak
Naam
Uitvoering veldwerk
Uitwerking gegevens Projectleiding
1.2
Actor status/titel Senior KNA Archeoloog, Senior KNA prospector Senior KNA Archeoloog, Senior KNA prospector Archeoloog MA Senior KNA Archeoloog, Senior KNA prospector Archeoloog MA Senior KNA Archeoloog, Senior KNA prospector -
Actornummer 92943407 92943407
Datum 6-9-2023, 8-92023 8-9-2023
92943407
12-9-2023
92943407
18-9-2023
-
Ligging van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied ligt aan de Kolkensloane 14 te Driezum. Het gebied is in gebruik als grasland (zie afbeelding 1). Momenteel is geen bebouwing aanwezig. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 0,68 ha. De maaiveldhoogte ligt tussen de 0,3 en 0,5 m +NAP.
1 Inzage in de BRL4000 zie https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-4000
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 3 van 22
Afbeelding 1. Topografische kaart, inclusief RD-coördinaten, met hier op aangegeven de onderzoekslocatie (rood omkaderd) en omgeving (bron: Esri Nederland & Community Maps Contributors)
1.3
Ontwikkelingsplannen opdrachtgever Op de locatie wordt een nieuw bedrijfspand gebouwd met een omvang van 1656 m2 (zie bijlage 1). Hier omheen komt een buitenterrein en parkeerplaats. Naar verwachting wordt de loods gefundeerd op staal, oftewel het betreft een betonvloer met vorstrand. Het vloerpeil zal minimaal 0,2 m boven het niveau van het huidige terrein liggen. De verstoring ter plaatse van de vloer reikt tot maximaal 0,5 m-mv. Er wordt gebruik gemaakt van 180 mm beton, 130 mm isolatie en een zandpakket van 100 mm. Ter plaatse van de vorstrand is de verstoring maximaal 0,8 m-mv over een breedte van 1 tot 1,5 m.
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 4 van 22
1.4
Objectgegevens Tabel 1.2 Algemene gegevens van het onderzoeksgebied Provincie Gemeente Plaats Toponiem Coördinaten
Soort onderzoek Oppervlakte plangebied Oppervlakte onderzoeksgebied
1.5
Friesland Dantumadiel Driezum Kolkensloane 14 NW 198.844 / 590.715 NO 198.982 / 590.723 ZO 198.985 / 590.665 ZW 198.843 / 590.676 karterend onderzoek 1 (steentijd) en karterend onderzoek 3 (middeleeuwen) 0,68 ha 0,68 ha
Doel van het onderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een specifiek archeologisch verwachtingsmodel voor het onderzoeksgebied. Het doel van het booronderzoek is het verifiëren en eventueel aanvullen van dit opgestelde specifieke archeologische verwachtingsmodel.
1.6
Gemeentelijk beleid en provinciale richtlijnen Het archeologiebeleid van de gemeente Dantumadiel is vastgelegd in het bestemmingsplan, voor het onderzoeksgebied betreft dit ‘bestemmingsplan Butengebiet Dantumadiel’.2 Het onderzoeksgebied heeft hier een dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 2’. Voor deze gebieden geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen van meer dan 500 m 2 en een diepte van meer dan 0,5 m-mv. De geplande ingrepen overschrijden deze vrijstellingsgrens. Voor onderzoek in de provincie Fryslân wordt de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) geraadpleegd.3 De FAMKE bevat twee archeologische advieskaarten waarop de archeologische verwachtingswaarden worden weergegeven: één voor de periode steentijd-bronstijd en één voor de periode ijzertijd-middeleeuwen. Daarnaast worden in de FAMKE richtlijnen gegeven over hoe in het geval van bedreiging om moet worden gegaan met het bodemarchief. Voor de periode steentijd-bronstijd geldt een advies ‘karterend onderzoek 1 (steentijd)’ en voor de periode ijzertijd-middeleeuwen een advies ‘karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)’. Hierbij dient de zwaarste richtlijn te worden gevolgd. Dit betreft het advies ‘karterend onderzoek 1 (steentijd)’, met een boordichtheid van twaalf boringen per ha en een minimum van twaalf boringen per plangebied.
In het gebied rond Driezum zelf geldt vrijwel overal het advies ‘karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)’, de kern van Driezum heeft voor deze periode een hogere verwachtingswaarde (zie afbeelding 2). Uit de contouren van de advieszone ‘karterend onderzoek 1 (steentijd)’ blijkt dat dit advies samenhang vertoond met de op de bodemkaart aanwezige hoe zwarte enkeerdgronden (zie afbeelding 3 en paragraaf 2.3).
2 Inzage beleid via http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/
3 https://www.fryslan.frl/archeologische-kaart-famke
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 5 van 22
Afbeelding 2. Het onderzoeksgebied (rood omkaderd) op de advieskaart steentijd-bronstijd van de FAMKE (bron: Esri Nederland & Community Maps Contributors; FAMKE)
Afbeelding 3. Het onderzoeksgebied (rood omkaderd) op de advieskaart ijzertijd-middeleeuwen van de FAMKE (bron: Esri Nederland & Community Maps Contributors; FAMKE)
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 6 van 22
2
Het bureauonderzoek
2.1
De opzet van het onderzoek Op basis van bestaande informatie over bekende archeologische, historische en aardkundige waarden, wordt de gespecificeerde, archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied opgesteld. Hierin wordt beschreven of er archeologische resten aanwezig kunnen zijn in het onderzoeksgebied en wat de potentiële aard, datering en omvang hiervan is. Daarnaast wordt bekeken of en in welke mate de voorgenomen werkzaamheden in het onderzoeksgebied een bedreiging vormen voor het verwachte bodemarchief. Indien er van bedreiging van het bodemarchief sprake is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening kan worden gehouden. Voor inzage in de gehanteerde periode- en tijdsindeling wordt verwezen naar tabel 2.1. Tabel 2.1 Vereenvoudigde archeologische tijdsschaal (bron: Brandt et al. 1992) Periode Oude steentijd of paleolithicum Midden steentijd of mesolithicum Nieuwe steentijd of neolithicum Bronstijd IJzertijd Romeinse tijd Vroege middeleeuwen Late middeleeuwen Nieuwe tijd
2.2
Van 8800 voor Chr. 5300 voor Chr. 2000 voor Chr. 800 voor Chr. 12 voor Chr. 450 na Chr. 1050 na Chr. 1500 na Chr.
Tot 8800 voor Chr. 4900 voor Chr. 2000 voor Chr. 800 voor Chr. 12 voor Chr. 450 na Chr. 1050 na Chr. 1500 na Chr. heden
Huidige situatie Momenteel is het perceel in gebruik als bouwland. Op historische kaarten is geen bebouwing zichtbaar en kende het perceel eveneens een agrarisch gebruik als bouwland en/of grasland. Oorspronkelijk was binnen het plangebied sprake van twee percelen, die later zijn samengevoegd. Buiten de met agrarisch gebruik gepaard gaande bodemingrepen, zijn geen grote bodemverstorende ingrepen bekend. Op de KLIC-gegevens van het kadaster zijn geen kabels en leidingen aangegeven. Het is goed mogelijk dat de bodem in het onderzoeksgebied nog volledig intact is.
2.3
Aardwetenschappelijke situatie De trefkans op archeologie wordt sterk bepaald door het type landschap. Er is altijd een relatie tussen de situering van archeologische vindplaatsen en de mogelijkheden die het landschap voor bewoning en gebruik bood, vaak samenhangend met specifieke landschapselementen. Deze relatie kan verschillen per archeologische periode en per complextype. Aan de hand van de geraadpleegde aardkundige gegevens kunnen uitspraken worden gedaan over de gebruiksmogelijkheden van het landschap door de mens in de verschillende archeologische perioden. Het onderzoeksgebied ligt in de voormalige gouw Oostergo. Oostergo is ontstaan op een uitloper van het FriesDrents plateau, het Hoog van Oostergo. Het pleistocene dekzand komt hier dan ook relatief dicht onder het oppervlak voor (Bazelmans et al. 2009, p. 24). In de voorlaatste ijstijd, het Saalien, werd met de komst van het landijs in Noord-Nederland een pakket keileem of grondmorene afgezet (Berendsen 2008b, p. 72). Hoewel deze afzetting tegenwoordig vooral wordt geassocieerd met het Fries-Drents plateau, betreft dit alleen het hoger gelegen deel waar nu nog keileem ondieper dan 1,2 m-mv voorkomt. In feite beslaat het gebied waar keileem is afgezet vrijwel de gehele provincies Drenthe en Friesland, delen van de provincies Groningen en Noord-Holland en de Waddenzee (cf.
Berendsen 2008a, figuur 7.4; Rappol & Kluiving 1992, figuur 6.1). In de laatste ijstijd, het Weichselien, was Nederland zelf niet met landijs bedekt, maar
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 7 van 22
heerste er wel gedurende lange perioden een poolklimaat, waarbij de ondergrond permanent bevroren was (Berendsen 2008a, pp. 185-189). Doordat in dit landschap nauwelijks vegetatie aanwezig was, konden op grote schaal zandverstuivingen plaatsvinden. De zeespiegel lag in deze periode nog tientallen meters lager dan nu en het onderzoeksgebied maakte deel uit van een enorme dekzandvlakte die reikte tot aan Noorwegen (Vos et al. 2018, p. 14). Gedurende het Holoceen steeg met de temperatuur ook de zeespiegel. Als gevolg hiervan werd de kust steeds verder landinwaarts gedrongen, groeiden veenpakketten aan en werd klei afgezet (Berendsen 2008a, pp. 179-180). Rond 5.500 voor Chr. reikte de zee al tot enkele kilometers buiten de huidige kustlijn. De zeespiegelstijging zette de daaropvolgende millennia gestaag door. Net als in het huidige Waddengebied scheidden strandwallen een brede getijdenzone van de open zee. Hoewel de zeespiegel bleef stijgen, kon er in de daaropvolgende eeuwen door de grote hoeveelheid aangevoerd sediment verlanding plaatsvinden (Vos et al. 2018, p. 54). De kustlijn kwam hierdoor rond 1.500 voor Chr. in de omgeving van het onderzoeksgebied meer dan tien kilometer noordelijker te liggen. De dekzandgronden ten zuiden van het huidige Dokkum raakten in deze periode vrijwel volledig overveend. Ook het onderzoeksgebied is dan overgroeid met veen (zie afbeelding 3).
In het eerste millennium voor Chr. vond er een belangrijke verandering plaats. Als gevolg van een afname van de zeespiegelstijging ontstonden in het Noord-Nederlandse kustgebied kilometers brede middenkwelders die door kwelderruggen werden gescheiden van de getijdenzone. Tussen 250 voor Chr. en 100 na Chr. kwam het onderzoeksgebied aan de rand van een dergelijk kweldergebied te liggen , dat toen nog overveend was (zie afbeelding 3). Op de hogere kwelderwallen was veelal vanaf de late ijzertijd weer bewoning mogelijk, veelal op kunstmatig opgehoogde woonheuvels, de terpen.Hoewel de invloed van de zee met het ontstaan van de kwelders sterk was afgenomen, moest men rekening houden met regelmatige overstromingen. Deze vonden plaats als gevolg van een combinatie van aanhoudende zeespiegelstijging en het inklinken van klei- en veengebieden (cf. Bazelmans et al. 2009, p. 23). Hierdoor werd tot aan 800 na Chr. achter de kwelderwallen nog een kleipakket van 0,5-1,0 m afgezet (Bazelmans et al. 2009, p. 25; Berendsen 2008a, p. 188). Aan de overstromingen kwam grotendeels een eind aan toen Oostergo in de late middeleeuwen werd bedijkt. Op de paleografische reconstructie van rond 1250 n. Chr. ligt het gebied in een dan al bedijkt kweldergebied (zie afbeelding 4). Aanvankelijk had Dokkum met het Dokkumergrootdiep nog een open verbinding met de Lauwerszee.
In 1729 werd ook deze verbinding middels een dijk afgesloten (Stichting voor Bodemkartering 1981). Op de geomorfologische kaart is het gebied ongekarteerd (zie afbeelding 5). Het omliggende gebied is aangeduid als grondmorene welvingen, met hier omheen een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden. Het getijdengebied ligt hier weer ten noorden van. Het onderzoeksgebied zelf lijkt dus op een zandrug te liggen, die wel met veen is overgroeid, maar waar zich geen kleidek heeft gevormd. Op de bodemkaart is aangegeven dat sprake is van hoge zwarte enkeerdgronden binnen het onderzoeksgebied (bruin gearceerd op afbeelding 6). Hier omheen is sprake van moerige podzolgronden met een zavel- of een kleidek en moerige tussenlaag, laarpodzolgronden van lemig fijn zand (donkerroze) of leermarm tot zwak lemig fijn zand (roze). De aanwezigheid van een podzolbodem duidt op gunstige omstandigheden voor bewoning in het verleden. De bodemvorming kon optreden door een relatief hoge en droge ligging. De hoge zwarte enkeerdgronden zijn ontstaan als oud landbouwdek en kunnen een indicatie zijn dat het steentijdniveau goed bewaard is gebleven en kunnen er ook op duiden dat het gebied weer vroeg in gebruik is genomen. Op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland is te zien dat het onderzoeksgebied in een lage zone ligt, terwijl de oude bewoningskernen op een hogere rug liggen.
Deze vallen binnen het gebied dat op de bodemkaart als grondmorenewelvingen is aangegeven (zie afbeelding 7). De maaiveldhoogte in het onderzoeksgebied ligt tussen de 0,3 en 0,5 m +NAP.
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 8 van 22
Afbeelding 4. Het onderzoeksgebied (rode kader) op de paleografische reconstructies voor de verschillende perioden (bron: Vos et al. 2018)
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 9 van 22
Afbeelding 5. Het onderzoeksgebied (rode kader) op de geomorfologische kaart (bron: Esri Nederland & Community Maps Contributors; Wageningen Environmental Research (Alterra))
Afbeelding 6. Het onderzoeksgebied (rode kader) op de bodemkaart (bron: Esri Nederland & Community Maps Contributors; Wageningen Environmental Research (Alterra))
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 10 van 22
Afbeelding 7. Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland waarop het onderzoeksgebied met een rood kader is aangegeven (bron: http://ahn.maps.arcgis.com/)
2.4
Bekende archeologische waarden In Archis3, de landelijke database voor archeologie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zijn geen archeologische waarden of eerdere onderzoeken bekend binnen het onderzoeksgebied.4 In de directe omgeving (binnen een straal van circa 500 m) zijn wel enkele onderzoeken en vondstmeldingen gedaan en is een AMK-terrein bekend (zie afbeelding 8 en 9). Het AMK-terrein betreft een terrein van hoge archeologische waarde, met AMKnummer 15036. Het gaat om de middeleeuwse kern van Driezum. Er zijn echter ook oudere vondsten binnen Driezum bekend (zie onder). De onderzoeken en vondstmeldingen worden besproken in tabel 2.2 en 2.3. De vondstmeldingen vallen alle drie binnen het AMK-terrein. Tabel 2.2 Uitgevoerde onderzoeken zaaknummer 2104488100; 2104471100 2122753100
4603451100
4967442100
omschrijving Booronderzoek uit 2005. Het rapport is niet opgenomen in Archis of het E-depot.5 Er zijn geen resultaten vermeld. Bureau- en booronderzoek. Er werden podzolbodems verwacht met een hoge verwachting voor met name de steentijd. De bodem bleek echter verstoord te zijn (Exaltus 2006). Bureau- en booronderzoek. Er is een mogelijk esdek aangetroffen en er zijn fragmenten laatmiddeleeuws kogelpotaardewerk gevonden. Er werd vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek geadviseerd (Veenstra 2018). Booronderzoek. In de boringen werd geen intact niveau uit de steentijd waargenomen. Een eventuele podzolbodem die hierop zou kunnen wijzen, is ter hoogte van het plangebied waarschijnlijk nooit ontstaan. De esdekachtige laag, die in vrijwel het gehele plangebied aanwezig was, houdt vermoedelijk verband met het historische gebruik als bouwland. Aangezien er geen onderscheid met de huidige bouwvoor is, werd
4 https://archis.cultureelerfgoed.nl/zoekenenvinden 5 https://easy.dans.knaw.nl; https://www.narcis.nl/; https://archaeology.datastations.nl/
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 11 van 22
5307455100
5452331100
deze daarom als archeologisch niet relevant gezien. In enkele boringen,waar de esdekachtige laag niet waargenomen is, was de bodem recentelijk verstoord tot diep in het keizand of -leem. Er werd geen vervolgonderzoek geadviseerd (Varwijk 2021). Bureauonderzoek voor een groot kabeltracé. Het uiteindelijk tracé en de exacte ingrepen per deelgebied zijn in het stadium van het bureauonderzoek nog niet bekend. Voor de delen met dubbelbestemming werd booronderzoek geadviseerd, indien sprake was van open ontgraving (Kuiper & Luinge 2022). Booronderzoek , vervolg op bovenstaand bureauonderzoek. Ter hoogte van de kern van Driezum is in één van de boringen mogelijk een muur aangeboord. Waar de bodem intact was en het tracé langs de historische bebouwing liep, werd vervolgonderzoek geadviseerd. Het rapport wordt op dit moment nog geschreven.
Afbeelding 8. De onderzoekslocatie (rode kader) op een uitsnede uit Archis met uitgevoerde onderzoeken (oranje contouren) (bron: Archis3; Esri Nederland & Community Maps Contributors) Tabel 2.3 Vondstmeldingen zaaknummer
2887151100
omschrijving Opgraving uit 1942. Er zijn resten van de terp van Driezum gevonden, met datering Romeinse tijd-vroege middeleeuwen, met bijbehorend aardewerk. Er is geen literatuur vermeld. Verwervingswijze onbekend. De vondsten zijn gemeld in 1967. Het gaat om resten van terpbewoning uit de Romeinse tijd. Er zijn een huisplattegrond en een oven aangetroffen en er is een munt uit deze periode gevonden.
3011096100
Particuliere vondst, gemeld in 1950. Er is bewerkt vuursteen uit het neolithicum aangetroffen.
2744704100
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 12 van 22
Afbeelding 9. De onderzoekslocatie (rode kader) op een uitsnede uit Archis met vondstmeldingen (rode stippen) en een AMK-terrein van hoge archeologische waarde (bron: Archis3; Esri Nederland & Community Maps Contributors)
2.5
Historische situatie en bouwhistorische waarden Op basis van de ligging van het onderzoeksgebied in landelijke gebied en het ontbreken van op historische kaarten aangegeven bebouwing in het onderzoeksgebied is geen archiefonderzoek voor de locatie uitgevoerd. De oudste beschikbare kaart van het gebied is de Schotanus-Halma-atlas uit 1718 (zie afbeelding 10). Op deze kaart ligt het onderzoeksgebied langs een weg die leidt naar een water genaamd ‘Kolken’, ten noorden van het onderzoeksgebied, waaraan de huidige Kolkensloane zijn naam te danken heeft. Ten oosten van de Kolken ligt het Driesumer Meer, toen nog anders van vorm dan op de huidige kaarten. Van de Kolken resteert tegenwoordig niet veel meer dan een vernatte zone in het landschap, terug te zien op recente luchtfoto’s. De Driezumer Faert is nog niet aangegeven op deze kaart, wel de trekvaart van Dokkum naar Stroobos uit 1656 (deze datering staat op de atlas van Eekhoff uit 1849-1859 vermeld, buiten de kaartuitsnede zoals weergegeven op afbeelding 126). De Kadastrale Minuut uit 1811-1832 is een gedetailleerde kaart. Op deze kaart is de Driezumer Faert inmiddels wel aanwezig (zie afbeelding 11). Dit is een aftakking van de bovengenoemde Strobossers Trekfaert. Het onderzoeksgebied bestond ten tijde van deze kaart uit twee percelen. Het westelijke perceel was in gebruik als grasland, het oostelijke perceel als bouwland.
Volgens de bijbehorende kadasterboeken waren deze percelen in eigendom van de pastorij, net als de andere percelen tussen de Kolkensloane en de Driezumer Faert, tot aan de landweg ten noorden van het huidige huisnummer 16. 7 De ligging van de betreffende pastorij is te zien op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Fryslân (zie afbeelding 13). Op de Atlas van Eekhoff uit 1849-1859 6 https://www.frieslandopdekaart.nl/ 7 https://hisgis.nl/
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 13 van 22
zijn de benamingen ‘Kolkens Laan’ en ‘Driezumer Vaart’ aangegeven. Door het onderzoeksgebied loopt op deze kaart een voetpad, dat ook op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Fryslân is aangegeven als historisch pad (zie afbeelding 13). Daarnaast is het terrein van de Rinsma-state ten oosten van Driezum duidelijk aangegeven op de Atlas van Eekhoff en op oe Cultuurhistorische Waardenkaart.
Afbeelding 10. De onderzoekslocatie (rode kader) op een uitsnede van de Atlas van Schotanus-Halma (bron: Archis3; Esri Nederland & Community Maps Contributors)
Afbeelding 11. De onderzoekslocatie (rode kader) op een weergave van de Kadastrale Minuut van 1811-1832 (bron: http://www.hisgis.nl/)
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 14 van 22
Afbeelding 12. De onderzoekslocatie (rode kader) op een uitsnede van de Atlas van Eekhoff (bron: Archis3; Esri Nederland & Community Maps Contributors) De Rinsma-state werd voor het eerst als ‘Riensma gued’ en ‘Bwinshe staede’ genoemd in 1511. In 1745 werd deze state afgebroken en herbouwd en in 1843 werd de state nogmaals ingrijpend verbouwd. In 1944 werd de state verwoest door brandbommen en nogmaals herbouwd. 8 Op de hierop volgende historische kaarten is ook geen bebouwing binnen het onderzoeksgebied aanwezig, het gebied blijft in agrarisch gebruik. In de jaren ’80 van de vorige eeuw werden de percelen samengevoegd.9
8 https://fryslan.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=9c1cabee3b9241d4a9eca71de51bb079 9 https://topotijdreis.nl/
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 15 van 22
Afbeelding 13. De onderzoekslocatie (rode kader) op een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van provincie Fryslân. 1: het voepad; 2: de pastorij; 3: Rinsma state (bron: https://fryslan.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=9c1cabee3b9241d4a9eca71de51bb079 )
2.6
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel De bodem in het onderzoeksgebied bestaat uit hoge zwarte enkeergronden, omgeven door podzolgronden. Met name de hoge zwarte enkeerdgronden kennen een hoge verwachting voor de steentijd. Daarom is op de FAMKE advieskaart steentijd-bronstijd hier het advies ‘karterend onderzoek 1 (steentijd)’ toegekend. Het dekzand in deze omgeving is, op basis van de paleografische reconstructies, in het laat-neolithicum of de vroege bronstijd overgroeid geraakt door veen. Op de reconstructie van rond 800 n. Chr. ligt de onderzoekslocatie nog steeds in een veengebied, op de daaropvolgende reconstructie van rond 1250 n. Chr. ligt het in een bedijkt kweldergebied. Het gebied werd in de loop van de middeleeuwen ontgonnen en stond nog (deels) onder invloed van de zee, waardoor bij overstromingen nieuwe kleipakketten konden worden afgezet. Dit proces bleef doorgaan tot in de 18e eeuw de laatste verbinding met de Lauwerszee werd afgesloten. Door de veengroei in het laat-neolithicum of de vroege bronstijd zal het gebied lange tijd niet bruikbaar zijn geweest, tot de ontginningen in de middeleeuwen. Op de terp van Driezum was in tussentijd wel bewoning mogelijk. Lokaal kan in het gebied sprake zijn geweest van huisterpjes. Het onderzoeksgebied ligt wel in een duidelijk lagere landschappelijke zone dan die waarop de terp van Driezum is gelegen.
Daarom wordt in dit verwachtingsmodel uitgegaan van (met name) een verwachting voor resten uit de steentijd en vanaf de middeleeuwen. De aanwezigheid van een podzolbodem duidt op gunstige omstandigheden voor bewoning in het verleden. De bodemvorming kon optreden door een relatief hoge en droge ligging. De hoge zwarte enkeerdgronden zijn ontstaan als oud landbouwdek en kunnen een indicatie zijn dat het steentijdniveau goed bewaard is gebleven en kunnen er ook op duiden dat het gebied weer vroeg in gebruik is genomen. Op historische kaarten is geen bebouwing bekend. Het gebied bestond uit twee percelen met agrarisch gebruik. Ten tijde van de Kadastrale Minuut uit 1811-1832 is de locatie in eigendom van de pastorij. Deze percelen zijn later samengevoegd. Op de Atlas van Eekhoff uit 1849-1859 is een voetpad te zien dat tussen deze percelen loopt. Op overige historische kaarten is ook geen bebouwing te zien. Resten uit de steentijd kunnen worden aangetroffen op het dekzand, met name indien sprake is van een podzolprofiel. Het kan hierbij gaan om tijdelijke jachtkampjes, waaronder meer bewerkt vuursteen en houtskool kan
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 16 van 22
worden aangetroffen. Vanaf het neolithicum kan ook sprake zijn van permanente bewoning. Daarvan kunnen onder meer paalkuilen, afvalkuilen en waterputten resteren, met vondsten zoals aardewerk. Resten van agrarisch gebruik kunnen bestaan uit sloten/greppels en kuilen. Ook kunnen crematies of inhumaties voorkomen. Wegens de veengroei worden geen resten uit het laat-neolithicum of de bronstijd verwacht. Er kunnen weer resten worden verwacht vanaf de ontginning van het veen in de middeleeuwen. Het kan hierbij gaan om resten van houtbouw, maar vanaf de late middeleeuwen ook om steenbouw en ook in deze periode kan sprake zijn van agrarisch gebruik. Historische bebouwing is niet bekend. Bebouwing uit de 18e eeuw of begin 19e eeuw wordt niet verwacht, maar kan niet worden uitgesloten.
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 17 van 22
3
Het booronderzoek
3.1
Opzet van het booronderzoek Het doel van inventariserend veldonderzoek door middel van boringen is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in paragraaf 2.6. Een inventariserend veldonderzoek bestaat uit drie stappen: verkennend, karterend en waarderend. Een verkennend onderzoek richt zich op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen binnen het onderzoeksgebied die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden. Een karterend onderzoek stelt vast of er al dan niet archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Een waarderend onderzoek bepaalt de waarde van de archeologische resten. Het voorliggende veldonderzoek is uitgevoerd als een karterend booronderzoek 1 (steentijd) conform de FAMKE. Op het onderzoeksterrein zijn twaalf boringen gezet met een edelmanboor met een diameter van 7 cm tot een diepte van minimaal 0,8 m-mv. Deze boringen zijn in een driehoeksgrid van 20 x 30 m verspreid over het terrein gezet om een goed beeld van de bodemopbouw te kunnen krijgen. De boorkernen zijn uitgelegd en de opeenvolgende bodemlagen zijn opgemeten en beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB), die gebaseerd is op NEN 5104.
Het opgeboorde materiaal is doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals aardewerkfragmenten, houtskool, fosfaatvlekken, vuursteen, natuursteen, verbrand leem en bot. De locaties van de boorpunten zijn met GPS ingemeten in RD en NAP van het maaiveld. Er is gedeeltelijke oppervlaktekartering uitgevoerd, bestaande uit het aflopen van het gehele terrein en het inspecteren van allerlei ontsluitingen waaronder molshopen. De weersomstandigheden tijdens het veldwerk waren niet van invloed op de behaalde resultaten. De boorpuntenkaart is opgenomen als bijlage 2 en de boorprofielen als bijlage 3.
Afbeelding 14. Foto van de onderzoekslocatie. De foto is richting het zuidwesten genomen
3.2
Onderzoeksvragen De onderzoeksvragen die aan de hand van de resultaten van het onderzoek beantwoord moeten worden luiden als volgt:
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 18 van 22
1. 2. 3. 4.
3.3
Hoe ziet de bodemopbouw in het onderzoeksgebied eruit? Is de bodem voldoende intact om archeologische resten te kunnen verwachten? Zo ja, wat is de omvang van dit deel van het onderzoeksgebied? Dient het archeologische verwachtingsmodel aangepast te worden? Dient het onderzoeksgebied nader archeologisch onderzocht te worden?
Bodemopbouw De bodemopbouw in het onderzoeksgebied bestaat uit een C-horizont van keileem of dekzand, in een deel van de boringen gevolgd door een BC- of B-horizont, met hierop de recente toplaag, die veelal bestaat uit een geroerde laag en de bouwvoor. In boring 12 is sprake van een dun restant veen, verder is het veendek, dat het onderliggende dekzand heeft afgedekt, volledig verdwenen. De top van het dekzand bevindt zich tussen de 0,45 en 0,8 m-mv. In boring 1, 3 en 8 is in deze top sprake van een podzol B-horizont. Deze heeft een geringe dikte, van 0,1 tot 0,15 m. Een A- of E-horizont ontbreken. Gezien de bovenliggend geroerde grond zal de rest van het podzolprofiel zijn verdwenen. Alleen eenrestant B-horizont is in een kleine zone overgebleven. Boringen 1 en 8 liggen aansluitend in het westen van het gebied, boring 3 ligt richting het oosten. De archeologische relevante laag voor mogelijke resten uit de steentijd zijn te verwachten (de top van het dekzand; A- en E-horizont), lijkt daarmee verdwenen, en ook het restant podzol is slechts fragmentarisch aanwezig. Het restant veen in boring 12 heeft een dikte van slechts 0,1 m en toont vermenging met zand. Het gaat hier dan ook niet om een duidelijk intact veendek. Boven op het dekzand is sprake van een humeus zandpakket, waarin deels een omgewerkte laag en de bouwvoor zijn te onderscheiden.
Het gebied lijkt tot in de top van het dekzand te zijn verploegd. De dikte van het humeuze pakket, van rond de 0,5 m, is overeenkomstig met wat kan worden verwacht bij een enkeerdgrond, maar deze toont dus sporen van recente verploeging. Ook zijn er geen archeologische indicatoren in aangetroffen die duiden op een mogelijke vindplaats van na de steentijd.
Afbeelding 15. Boorkern van boring 8, met een dun restant B-horizont. 1: bouwvoor; 2: B-horizont; 3: BC-horizont; 4: keileem
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 19 van 22
3.4
Vondstmateriaal Bij het onderzoek is geen vondstmateriaal aangetroffen en zijn geen archeologische indicatoren waargenomen.
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 20 van 22
4
Conclusie en advies
4.1
Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is duidelijk geworden dat in het onderzoekgebied met name een hoge verwachting voor de steentijd verwacht wordt, een verwachting dit op de FAMKE samenhangt met de aanwezige enkeerdgronden. Vanaf het laat-neolithicum of het begin van de bronstijd raakt het gebied overgroeid met veen Het gebied wordt weer in gebruik genomen na de veenontginningen vanaf de middeleeuwen. De aanwezigheid van een enkeerdgrond duidt erop dat het gebied een langdurig gebruik als landbouwgrond kent, dat veelal lange tijd terug gaat. Op historische kaarten heeft het gebied een agrarisch gebruik en is geen bewoning bekend. Uit het bureauonderzoek blijkt dat de bodemopbouw in het onderzoeksgebied grotendeels verstoord is. In het dekzand resteert in drie van de twaalf boringen 0,1 tot 0,15 m van de B-horizont. Een A- of E-horizont zijn niet aanwezig. Alleen in boring 12 is een restant veen aanwezig van 0,1 m, maar dit betreft geen intact veen. De toplaag bestaat uit een humeus pakket zand met een geroerde laag en bouwvoor. De dikte weerspiegelt de aanwezigheid van een enkeerdgrond, maar deze is wel verploegd. Indicatoren voor de aanwezigheid van een vindplaats zijn niet aangetroffen. De top van het pleistocene dekzand ontbreekt, en daarmee het niveau waarop resten uit de steentijd kunnen worden verwacht.
In de verploegde bovenliggende laag zijn ook geen aanwijzingen voor vindplaatsen uit latere perioden gevonden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen de onderzoeksvragen, zoals gesteld in paragraaf 3.2, als volgt beantwoord worden:
1.
Hoe ziet de bodemopbouw in het onderzoeksgebied eruit? De bodemopbouw bestaat uit keileem en/of dekzand. Fragmentarisch is een dun restant B-horizont aanwezig, de A- of E-horizont ontbreekt. In één boring is een restant veen aanwezig dat niet meer intact is. Aan de dikte van het humeuze pakket is de aanwezigheid van een enkeerdgrond terug te zien, maar deze is verploegd.
2.
Is de bodem voldoende intact om archeologische resten te kunnen verwachten? Zo ja, wat is de omvang van dit deel van het onderzoeksgebied? Nee. Beide archeologisch relevante niveaus zijn verstoord.
3.
Dient het archeologische verwachtingsmodel aangepast te worden? De verwachting dient te worden bijgesteld naar een lage verwachting.
4.
Dient het onderzoeksgebied nader archeologisch onderzocht te worden? Nader archeologisch onderzoek wordt niet zinvol geacht.
Op basis van de resultaten van het onderzoek adviseert MUG ingenieursbureau geen vervolgonderzoek (zie paragraaf 4.2 ).
4.2
Advies MUG Ingenieursbureau b.v. adviseert om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het gebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Het bevoegd gezag, de gemeente Dantumadiel, besluit hoe verder wordt omgegaan met het archeologisch erfgoed op basis van het bovenstaande advies. Het voorliggende onderzoek is met de grootst mogelijke zorg uitgevoerd. Indien onverhoopt toch archeologische waarden aanwezig blijken te zijn binnen de vrijgegeven gebieden, wijzen wij op de wettelijke meldingsplicht hiervan (artikel 5.10 van de Erfgoedwet) om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: “Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 21 van 22
een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister”. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in casu de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (vondstmelding via ARCHIS). De melding kan ook bij de provincie of gemeente gedaan worden (zie colofon voor contactgegevens).
projectnummer 23300860 26 september 2023 pagina 22 van 22
Literatuur en bronnen Geraadpleegde literatuur • Bazelmans, J. et al., 2009. De late prehistorie en protohistorie van Holoceen Noord-Nederland: onderzoeksagenda, versie 2.0. Waddenacademie KNAW. • Berendsen, H.J.A., 2008a. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Assen. • Berendsen, H.J.A., 2008b. Landschappelijk Nederland. Assen. • Rappol, M. & S.J. Kluiving, 1992. Hoofdstuk 6. De landijsbedekking in de voorlaatste ijstijd. In: M. Rappol (ed.), In de bodem van Drenthe. Geologische gids met excursies. Amsterdam, pp. 71-116. • Brandt, R.W. et al. (red), 1992. Archis, Archeologisch basisregister, versie 1.0. Amersfoort. • Exaltus, R., 2006. Een inventariserend archeologisch veldonderzoek aan de Van Sijtzamaweg 22 te Driesum, gemeente Dantumadeel (Fr.). Zuidhorn (De Steekproef rapport 2006-06/07). • Kuiper, A. & C. Luinge, 2022. Bureauonderzoek NuLelie NU22002 Dokkum, gemeenten Dantumadiel en Noardeast-Fryslân (FR). Leek (MUG-publicatie 2022-110). • Stichting voor Bodemkartering, 1981. Bodemkaart van Nederland. Schaal 1:50.000. Toelichting bij de kaartbladen 6 West Leeuwarden, 6 Oost Leeuwarden en het vaste land van de kaartbladen 2 West Schiermonnikoog en 2 Oost Schiermonnikoog. Wageningen. • Varwijk, T.W., 2021.
Plangebied Perceel tussen Kolkensloane 1A en 1B te Driezum, gemeente Dantumadiel; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek). Weesp (RAAPrapport 5048). • Veenstra, H.W., 2018. Plangebied Sytzamawei 24 in Driezum, gemeente Dantumadiel; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. Weesp (RAAP-notitie 6397). • Vos, P.C., et al. 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Amsterdam.
Geraadpleegde bronnen: • http://www.fryslan.nl/famke; • KNA (www.sikb.nl); • Esri Nederland & Community Maps Contributors; • Archis3 via https://archis.cultureelerfgoed.nl/zoekenenvinden; • https://easy.dans.knaw.nl; https://www.narcis.nl/; https://archaeology.datastations.nl/; • http://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/; • https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens; • https://fryslan.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=9c1cabee3b9241d4a9eca71de51bb079 • http://www.hisgis.nl/; • http://www.topotijdreis.nl; • gegevens opdrachtgever; • KLIC-gegevens kadaster; • https://www.frieslandopdekaart.nl/; • http://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
Bijlage 1
Plannen opdrachtgever
16
Kolkensloane Kadastrale gemeente Sectie Perceel Grootte
Akkerwoude N 239 13.940 m²
39393 25325
63200
5000
2500
26200
Nieuwbouw 1656m²
Parkeren Entree
Buitenterrein 1700m²
2500 8000
25993
17669
3
N
project
Damstra Duurzaam Kolkensloane 14 Driezum opdrachtg.
TRD Vastgoed B.V. Kolkensloane 4, 9114 AG Driezum betreft
Ontwerp Situatie
12
schaal
datum
1:500
10-07-2023
laatst gewijzigd
werk
blad
23789
B2-17-01
It Heare-ein 5 06 1042 7364 9271 KL De Westereen 0511 444 993
info@egbertzwarts.nl www.egbertzwarts.nl
Dakconstructie Rc=6,3 m2 K/W dak voorzien van pv panelen 2 laags dakbedekking 142mm PIR isolatie dampremmende laag dakplaat SAB 106R+/750 dikte n.t.b. voorzien van interieurcoating RAL 9002 staalconstructie afschot 20mm/m systeemplafond
8000+ 630
b.k. dakrand
3600+
Gevel Rc=4,7 m2 K/W Sandwichpaneel FALK 1060 WB verticaal onzichtbaar geplaatst dikte 100mm Colorcoat HPS 200 ULTRA kleur Anthracite (RAL 7016)
510
b.k. vloer
2800
2800
Vloerconstructie 70mm cd vloer vloerverwarming betonvloer VBI A200 systeemplafond
Peil=0
2800
Vloerconstructie Rc=3,7 m2 K/W betonvloer 180mm voorzien van vloerverwarming wapening volgens constructeur 130mm PS vloerisolatie
b.k. vloer
E
D
D O O R S N E D E tpv kantoor
C
B
A
Bijlage 2
Boorpuntenkaart
2
1
!
!
4
!
3
!
7
!
6
5
!
9
!
10
!
!
11
!
12
!
Legenda !
B-horizont
!
BC-horizont
!
C-horizont
!
slootdemping, C-horizont
´
onderzoeksgebied 0
25 meter Esri Nederland, Community Map Contributors
TK
TK
Eerste uitgave
Ondersteuning Dantuma Advies inz Damstra Duurzaam Dantuma Advies Boorpuntenkaart
18-9-2023
2
23300860
1:500 A3
C:\Z\Dijkstra G ro ep \2 33 00 86 0 - O nde rsteu nin g Da ntum a A dvie s inz Dam str a Duu rzaa m - En er gie L ee k - A - Docu men ten \A an ge leve rd Ar ch eo lo gie \Te ken ing en \b ijla ge 2 bo orp un ten kaar t.mxd
8
!
Bijlage 3
Boorprofielen
Boring: 1 0
Boring: 2
36
0 Stevig, matig siltig, zwak humeus zand, geleidelijk, bouwvoor
13
-17 -32
50
50
-49
100 -74
0
B-HORIZONT Stevig, zwak siltig, sterk humeus zand, geleidelijk
22
Stevig, zwak siltig, matig humeus zand, geleidelijk, bouwvoor Matig zandig leem, geroerd, geleidelijk, bouwvoor
Stevig, zwak siltig, sterk humeus zand, geleidelijk, bouwvoor
50
C-HORIZONT Stevig, zwak zandig leem
-24 -34
Boring: 3
-38 -53
-67 -68
BC-HORIZONT Zwak siltig zand
100
-78 -88
C-HORIZONT Stevig, matig zandig leem, geleidelijk
C-HORIZONT Matig zandig leem
Boring: 5
21
0
-29 -39 -54
100
-79
Boring: 6
31
Stevig, zwak siltig, sterk humeus zand, geleidelijk, bouwvoor
50
0
38
Stevig, zwak siltig, matig humeus zand, bouwvoor
50 Matig slap, zwak siltig, matig humeus zand, geroerd, bouwvoor
Stevig, zwak siltig, matig humeus zand, bouwvoor
50 -29 -39
BC-HORIZONT Zwak siltig zand, geleidelijk C-HORIZONT Matig zandig leem
B-HORIZONT Zwak siltig, uiterst humeus zand, geleidelijk BC-HORIZONT Zwak siltig zand, geleidelijk
Boring: 4 0
Zwak siltig, matig humeus zand, geroerd, bouwvoor
-59
100 -79
-22
Zwak siltig, matig humeus zand, geroerd, gevlekt creme, bouwvoor BC-HORIZONT Zwak siltig zand C-HORIZONT Stevig, zwak zandig leem, geleidelijk
-32
Zwak siltig, matig humeus zand
-52
BC-HORIZONT Zwak siltig zand, geleidelijk
-72
C-HORIZONT Zwak zandig leem, geleidelijk
100
Boring: 7 0
Boring: 8
38
0
Boring: 9
47
Zwak siltig, matig humeus zand, geleidelijk, bouwvoor
0
2
Zwak siltig, sterk humeus zand, bouwvoor
Zwak siltig, sterk humeus zand, bouwvoor -33
50
-27
-47
100
50
-17
-67
-13
Zwak siltig, matig humeus zand, geroerd, geleidelijk, bouwvoor
-23
BC-HORIZONT Zwak siltig, matig humeus zand C-HORIZONT Matig zandig leem
-38
100 -63
9
B-HORIZONT Zwak siltig, sterk humeus zand, geleidelijk BC-HORIZONT Zwak siltig zand, geleidelijk
-73
C-HORIZONT Matig slap, zwak zandig leem 100
-98
C-HORIZONT Stevig, matig zandig leem, geleidelijk
Boring: 10 0
Zwak siltig, zwak humeus zand, geroerd, geleidelijk, bouwvoor
50
Boring: 11 0
7
Stevig, zwak siltig, matig humeus zand, bouwvoor
Boring: 12 0
13
Zwak siltig, sterk humeus zand
Stevig, zwak siltig, matig humeus zand, bouwvoor -17
-31
Zwak siltig, matig humeus zand, Slootvulling
50
50
50 -53
-73 -83
100
100 -103
-47
Zwak siltig, matig humeus zand, geleidelijk, gevlekt geel, omgewerkte grond BC-HORIZONT Zwak siltig zand, geleidelijk C-HORIZONT Zwak zandig leem
150 -161
C-HORIZONT Zwak siltig zand 200
-191
-37
-57
100
-87
Zwak siltig, uiterst humeus zand, geleidelijk, omgewerkte grond Matig zandig, sterk veraard veen, geleidelijk, sterk veraard, veraard veen BC-HORIZONT Zwak siltig zand C-HORIZONT Zwak siltig zand, geleidelijk
Verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van een perceel aan de Kolkensloane te Driezum
opdrachtgever datum auteur projectleider tweedelijnscontroleur projectnummer status
Dantuma Advies 2 oktober 2023
23300860 definitief
Protocol 2001 2002 2018
projectnummer 23300860 2 oktober 2023
INHOUDSOPGAVE 1
Inleiding
1
2
Vooronderzoek en locatiegegevens
2
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens en huidig bodemgebruik Historische gegevens en bodeminformatie Conclusie vooronderzoek
2 3 4
3
Uitvoering van het bodemonderzoek
5
3.1 3.2 3.3
Onderzoeksstrategieën Uitgevoerde werkzaamheden en analyses Monsterneming en analyses
5 5 6
4
Onderzoeksresultaten
7
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.6
Toetsingskader en terminologie Maaiveld- en locatie-inspectie Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen Veldmetingen grondwater Getoetste analyseresultaten grond Parameters standaardpakket PFAS Asbest Getoetste analyseresultaten grondwater
7 8 8 9 9 9 10 10 10
5
Samenvatting, conclusie en aanbevelingen
11
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Topografische situering van de onderzoekslocatie Overzicht van de onderzoekslocatie Kadastrale gegevens Boorprofielen Analysecertificaten Getoetste analyseresultaten ‘Handelingskader PFAS'
projectnummer 23300860 2 oktober 2023 pagina 1 van 12
1
Inleiding In opdracht van Dantuma Advies heeft MUG Ingenieursbureau b.v. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een perceel aan de Kolkensloane te Driezum. Aanleiding en doelstelling De aanleiding tot de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen realisatie van een bedrijfspand (kantoorpand met opslagruimte) en de herinrichting van het omliggende terreindeel. In dit kader is een Omgevingsvergunning benodigd. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit (grond en grondwater) van de desbetreffende locatie. Op basis van een indicatieve toetsing wordt een uitspraak gedaan over de verwachte kwaliteitsklasse van de grond. Dit in verband met de eventuele afvoer van grond. In dit kader is eveneens aandacht besteed aan de aanwezigheid van PFAS in de grond. Ter plaatse van een aanwezige toegangsdam is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Doel van dit onderzoek is nagaan of de verdenking van een verontreiniging met asbest terecht dan wel onterecht is. Kwaliteit en certificering MUG Ingenieursbureau verklaart hierbij geen juridische relatie te hebben met (de bedrijfsorganisatie van) de eigenaar van de onderzoekslocatie en of opdrachtgever van het onderzoek. MUG Ingenieursbureau heeft het onderzoek als onafhankelijke organisatie uitgevoerd.
In geval van klachten over de uitvoering van activiteiten onder dit certificatieschema, kan de opdrachtgever zich in eerste instantie wenden tot de organisatie en zo nodig in tweede instantie tot de certificatie-instelling. De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform en onder certificaat van de nu geldende BRL SIKB 2000 en de bijbehorende protocollen 2001, 2002 en 2018. MUG Ingenieursbureau is gecertificeerd voor het procescertificaat ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch (water)bodemonderzoek’ en staat geregistreerd als Kwalibo-erkend bedrijf (erkend bodemintermediair). In deze rapportage wordt verslag gedaan van de verrichte werkzaamheden, de resultaten en de aan de resultaten te verbinden conclusies.
projectnummer 23300860 2 oktober 2023 pagina 2 van 12
2
Vooronderzoek en locatiegegevens Om een juiste hypothese en bijbehorende onderzoeksstrategie te kunnen vaststellen, is een vooronderzoek uitgevoerd. Ten behoeve van het vooronderzoek is de informatie verzameld op basis van NEN 5725, oktober 2017. Hierbij is de strategie ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek (aanleiding A)’ toegepast. Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over de locatie, de bodemopbouw en de geohydrologie, de verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit, het gebruik en de beïnvloeding van de locatie, de verdachte situatie, de activiteiten en de ongewone voorvallen. Tevens maakt een terreininspectie deel uit van het vooronderzoek. In afwijking op NEN 5725 is geen aandacht besteed aan de geohydrologie, omdat dit gezien de doelstelling van het onderzoek geen relevante informatie oplevert.
De informatie ten behoeve van het vooronderzoek is afkomstig van en/of uit de volgende bronnen: • de landelijke bodeminformatiewebsite (http://www.bodemloket.nl); • provinciaal bodeminformatiesysteem Nazca-i; • de opdrachtgever (Dantuma Advies); • het Kadaster; • historisch kaartmateriaal en luchtfoto’s (http://topotijdreis.nl); • een terreinbezoek voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering van het onderzoek; • archief van gemeente Dantumadeel; • grondverzetviewer Fryslân (https://www.geosolutions.nl/sites/bkk-fryslan/). Met betrekking tot de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn gegevens verzameld tot een afstand van circa 25 m buiten de grens van de onderzoekslocatie. Op basis van al deze gegevens is een ruim voldoende beeld ontstaan over het voormalige terreingebruik, de aanwezigheid van verdachte deellocaties en de verwachte bodemkwaliteit.
2.1
Locatiegegevens en huidig bodemgebruik De onderzoekslocatie betreft een agrarisch perceel, gelegen aan de oostzijde van de Kolkensloane in het buitengebied ten noorden van Driezum binnen gemeente Dantumadeel. Aan de oost-, zuid- en westzijde wordt de locatie begrensd door watergangen. De oostelijk van de locatie gelegen watergang betreft de Driezumervaart. Aan de zuidwestzijde van de locatie is een toegangsdam aanwezig die de ontsluiting van het perceel vormt. Iets zuidelijk van de locatie is het perceel Kolkenleane 16 gesitueerd en aan de andere zijde van de Kolkensleane het perceel Kolkenleane 3. De onderzoekslocatie is tot op heden in gebruik voor agrarisch doeleinden (weiland of akkerland). De contouren van de onderzoekslocatie zijn door middel van een rode lijn weergegeven in afbeelding 1. De onderzoekslocatie maakt deel uit van het perceel gemeente Akkerwoude, sectie N met perceelnummer 239 en heeft een oppervlakte van circa 6300 m2. De globale topografische ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de als bijlage 1 bijgevoegde topografische kaart. Een meer gedetailleerd overzicht van de onderzoekslocatie is weergeven op de overzichtstekening die als bijlage 2 is bijgevoegd. De kadastrale gegevens zijn opgenomen als bijlage 3.
projectnummer 23300860 2 oktober 2023 pagina 3 van 12
Afbeelding 1. Globale situering van de onderzoekslocatie (bron: Google Maps, 2023)
2.2
Historische gegevens en bodeminformatie Na bestudering van historisch kaartmateriaal (topotijdreis.nl) blijkt dat het perceel sinds oudsher al in gebruik is voor agrarische doeleinden (akkerland). In het verleden was het perceel onderverdeeld in meerdere kavels. Er is dan ook sprake van een voormalige kavelsloot (demping), die een raakvlak heeft met de onderzoekslocatie. Demping van de voormalige watergang heeft vermoedelijk tijdens de ruilverkaveling begin jaren 80 van de vorige eeuw plaatsgevonden. Deze demping is eveneens opgenomen in zowel de landelijke als het provinciaal bodeminformatiesysteem. Op voorhand gaan wij ervan uit dat demping met gebiedseigen grond heeft plaatsgevonden. Verder blijkt uit raadpleging van de bodeminformatiesystemen dat er geen gegevens bekend zijn over eerder uitgevoerde bodemonderzoeken, bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten en/of calamiteiten, die betrekking hebben op de onderzoekslocatie. Verder is het perceel, voor zover het bekend is, nooit eerder bebouwd geweest. Ter plaatse van een deel van de Driezumervaart zijn in het verleden wel diverse waterbodemonderzoeken uitgevoerd. Uit het meest recent uitgevoerde waterbodemonderzoek (Wetterskip Fryslân, kenmerk 2005ROO360, 28 juni 2005), blijkt dat de waterbodem sterk verontreinigd is met koper (boven interventiewaarde).
Verwacht werd dat de waterbodem verontreinigd is door de aanwezigheid van een riooloverstort. Bekend is dat er een waterbodemsanering heeft plaatsgevonden. Door het bevoegd gezag is een brief opgesteld, waarin is ingestemd met de resultaten van de uitgevoerde waterbodemsanering (kenmerk M/98-63056, 24 december 1998). Voor de zuidelijk van de onderzoekslocatie gelegen woon- en bedrijfspercelen wordt aangegeven dat er sprake is van een erfverharding. Veelal betreft dit verharding van puinachtig materiaal. Ter plaatse van het zuidelijk van de locatie gelegen perceel Kolkensloane 12, is sinds 1989 sprake van een vrachtwagen- en autoreparatiebedrijf. Hier is in het verleden een tweetal bodemonderzoeken uitgevoerd. Er is een nulsituatiebodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de aanvraag van een bouwvergunning (Jansma & Van Dijk B.V., kenmerk: BI-08-053-VO, 24 april 2008). Dit onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van enkele terreindelen. Uit de resultaten blijkt dat er in de boven- en ondergrond geen verhoogde waarden zijn aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan xylenen, chroom en zink aangetroffen ten opzichte van de streefwaarde. De hypothese dat de onderzoekslocatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreinigingen, is formeel gezien verworpen, echter zijn er geen milieuhygiënische beperkingen voor het gebruik van het perceel.
Iets meer zuidelijk van deze locatie is door WMR Rinsumageest B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk: 033138, 18 november 2008). Uit de resultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond geen verhoogde waarden zijn aangetroffen.
projectnummer 23300860 2 oktober 2023 pagina 4 van 12
Na raadpleging van de grondverzetviewer van provincie Fryslân blijkt dat de locatie onderdeel uitmaakt van een gebied met bodemfunctieklasse landbouw/natuur. Uit de ontgravings- en toepassingskaart van de boven- en ondergrond, blijkt dat de locatie deel uitmaakt van een gebied die is geclassificeerd als achtergrondwaarde. Er is verder geen informatie van calamiteiten die in het verleden hebben plaatsgevonden.
2.3
Conclusie vooronderzoek De toegangsdam die de ontsluiting van het perceel vormt, wordt op voorhand als verdacht beschouwd voor algemene vormen van bodemverontreiniging en asbest. Ondanks dat wij verwachten dat de voormalige watergang in het verleden is gedempt met gebiedseigen grond, dient deze formeel gezien wel als een verdachte deellocatie te worden beschouwd. Wij hebben geen aanwijzingen voor een verontreiniging met PFAS. Wij verwachten niet dat eventueel milieubelastende activiteiten op aangrenzende percelen van invloed zijn geweest op de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het overige terrein wordt daarom als onverdacht beschouwd op het voorkomen van een bodemverontreiniging.
projectnummer 23300860 2 oktober 2023 pagina 5 van 12
3
Uitvoering van het bodemonderzoek
3.1
Onderzoeksstrategieën Ter plaatse van de toegangsdam is er een gecombineerd verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie ‘Diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van monsterneming’, zoals genoemd in NEN 5707 (augustus 2015). Dit onderzoek is gecombineerd met een verkennend bodemonderzoek voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern, zoals genoemd in NEN 5740/A1 (februari 2016). Omdat wij de bovengrond op voorhand als meest verdachte bodemlaag beschouwen, is in afwijking op deze strategie vooralsnog geen aandacht besteed aan de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater. Om inzicht te krijgen in de samenstelling van het dempingsmateriaal ter plaatse van de demping, is maatwerk verricht, waarbij drie boringen in de vorm van een dwarsraai haaks op het dempingstracé zijn verricht. Hiermee is de trefkans van de demping vergroot. Het overige terreindeel (agrarisch perceel) is onderzocht conform de onderzoeksstrategie ‘Onverdachte nietlijnvormige (ONV-NL)’, zoals beschreven in NEN 5740/A1 (februari 2016). De peilbuis is geplaatst ter plaatse van de locatie van de geplande nieuwbouw. In verband met eventuele afvoer van grond is de bovengrond aanvullend onderzocht op PFAS (exclusief GenX).
3.2
Uitgevoerde werkzaamheden en analyses Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is er een KLIC-melding verricht ter bepaling van de eventuele aanwezigheid en ligging van kabels en leidingen. Verder is voorafgaand aan het verrichten van de boringen de onderzoekslocatie visueel geïnspecteerd conform NEN 5725 en NEN 5740. Hierbij is gelet op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen op het maaiveld. Ter plaatse van de toegangsdam is een maaiveldinspectie conform NEN 5707 uitgevoerd. De uitgevoerde werkzaamheden en analyses zijn gebaseerd op de bovengenoemde onderzoeksstrategieën. De opgeboorde grond is bemonsterd per de te onderscheiden bodemlaag, in trajecten van maximaal 0,5 m. Afhankelijk van de bodemopbouw en de veldwaarnemingen is eventueel een kleiner monstertraject gekozen. Het verrichten van de boringen, het graven van de inspectiegaten en het plaatsen van de peilbuis is op 19 september 2023 uitgevoerd door gekwalificeerd monsternemer van MUG Ingenieursbureau b.v. voor de protocollen 2001, 2002 en 2018, de heer A.W. van Erp. Hierbij is assistentie verricht door een milieukundig medewerker. De ter plaatse van de toegangsdam uitgevoerde inspectiegaten hebben een minimale omvang van 0,30 m x 0,30 m x maximaal 0,5 m (l x b x d).
Het opgegraven materiaal uit deze gaten is geschouwd door middel van harken en vervolgens met behulp van een zeef (20 mm) beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen (voorbehandeling). Van de gezeefde grond is in het veld een mengmonster samengesteld voor een asbestanalyse (< 20 mm). De grond- en grondwatermonsters zijn in het laboratorium voorbehandeld conform de AS3000-accreditatie. De analyses zijn uitgevoerd door het door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd testlaboratorium, SGS Environmental Analytics te Rotterdam. De locaties van de uitgevoerde inspectiegaten, boringen en de peilbuis zijn ingemeten met behulp van global positioning system (gps) en zijn weergegeven op de als bijlage 2 bijgevoegde overzichtstekening. De X- en Y-coördinaten van de inspectiegaten en boringen zijn weergegeven bij de boorprofielen (bijlage 4). Ook de maaiveldhoogtes zijn hierbij weergegeven.
projectnummer 23300860 2 oktober 2023 pagina 6 van 12
Een overzicht van de uitgevoerde veldwerkzaamheden en het laboratoriumonderzoek is weergegeven in tabel 3.1. Tabel 3.1 Overzicht uitgevoerde werkzaamheden en analyses (Deel)locatie
Inspectiegat (i) / boring (b)
Boring met peilbuis
Analyses grond
Analyses grondwater
Toegangsdam
2 x (i) + (b) tot ongeroerde laag
-
-
Tracé demping Overig terreindeel (ca. 6.300 m3)
3 x (b) tot circa 2,0 m-mv 12 x (b) tot circa 0,5 m-mv 3 x (b) tot circa 2,0 m-mv
1 x tot 1,5 m-gws
1 x asbest (< 20 mm) 1 x standaardpakket 1 x standaardpakket 2 x standaardpakket (bovengrond) 2 x standaardpakket (ondergrond) 1 x PFAS-bovengrond
Std-pakket grond Std-pakket grondwater
3.3
1 x standaardpakket
: zware metalen (9), minerale olie, PAK (10 VROM) en PCB (7, som) : zware metalen (9), minerale olie, vluchtige aromaten, gechloreerde koolwaterstoffen
Monsterneming en analyses Op basis van de grondsoorten en de zintuiglijke waarnemingen zijn monsters geselecteerd voor analyse. De mengmonsters van de grond zijn in het laboratorium samengesteld. De grond- en grondwatermonsters zijn voorbehandeld conform de richtlijnen van AS3000. De analyses zijn uitgevoerd door het door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde testlaboratorium SGS Environmental Analytics te Rotterdam. De samenstelling van de mengmonsters en de uitgevoerde analyses zijn weergegeven en toegelicht in tabel 4.4 (paragraaf 4.2).