2. Memo aanpassing BP Feanwâlden-Súd n.a.v. bestuurlijke lus i.v.m uitspraak AbRvS
Tekst van het document
Voorstel aanpassing toelichting BP Feanwâlden-Súd (d.d. 18-12-2024) i.v.m. bestuurlijke lus. Invoegen na leeswijzer in ‘Hoofdstuk 1 – Inleiding’: Uitspraak AbRvS (202106126/1/R3) Voorliggend bestemmingsplan werd door de raad van de gemeente Dantumadiel in eerste aanleg vastgesteld op 5 juli 2021. Hiertegen werd door verschillende belanghebbenden beroep ingesteld bij de AbRvS. Op 18 december 2024 is hierin door de AbRvS een einduitspraak (voor appellant sub 2) en een tussenuitspraak (voor appellanten sub 1, sub 5A en 5B) gedaan (202106126/1/R3). EINDUITSPRAAK Het beroep van appellant sub 2 werd gegrond verklaard en het bestemmingsplan werd naar aanleiding daarvan op onderdelen vernietigd (verwijderen van de aanduiding en bijbehorende planregels in artikel 22 m.b.t. de “wetgevingszone – wijzigingsbevoegdheid” en laten vervallen van de bestemmingen ‘Verkeer’ en ‘Verkeer – Railverkeer’ op enige gronden voor buiten het Natuurnetwerk Nederland, NNN, aangewezen natuurgebied). Daarvoor was binnen 4 weken na uitspraak een eerste herstelactie van het bestemmingsplan in nodig. Een aangepast bestemmingsplan is binnen de opgedragen herstelperiode tijdig op de landelijke voorziening (ruimtelijkeplannen) gepubliceerd.
Daarbij zijn in paragraaf 4.7.2 ‘Beschermde soorten’ (van paragraaf 4.7 ‘Ecologie’ in ‘Hoofdstuk 4 – Milieu- en andere voorwaarden’) en in paragraaf 5.4 ‘Afzonderlijke bestemmingen’ (in ‘Hoofstuk 5 – Juridische toelichting’) tekstpassages weggehaald over de wijzigingsbevoegdheid. Daarnaast is in paragraaf 6.3 ‘Ter inzage legging’ (in ‘Hoofdstuk 6 - Maatschappelijke uitvoerbaarheid’) een alinea toegevoegd over de einduitspraak van de AbRvS. TUSSENUITSPRAAK / BESTUURLIJKE LUS Wat betreft het beroep van appellanten sub 1, sub 5A en 5B is door de AbRvS een tussenuitspraak gedaan. De AbRvS heeft met een bestuurlijke lus en met het oog op een spoedige beslechting van het geschil de gemeente een termijn van 20 weken na verzending van de uitspraak gesteld als mogelijkheid voor herstel van het plan. De AbRvS heeft de raad opgedragen (in rechtsoverwegingen 34 en 34.1) met wat overwogen is onder rechtsoverwegingen 9.3 en 9.4 om de gebreken te herstellen. Het besluit voor vaststelling van het bestemmingsplan Feanwâlden-Súd op 5 juli 2021 is voor zover het betreft: • • •
de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" en het bij behorende artikel 6.1, onder a, van de planregels, voor zover het betreft de locatie De Swette 3C; de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" op de [locatie 2] en het bijbehorende artikel 6.1, onder c, onder 1, van de planregels, en artikel 6.1, onder b, van de planregels,
in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. De AbRvS heeft de raad opdragen om met inachtneming van wat is overwogen onder 9.3 en 9.4 de gebreken te herstellen door:
•
•
alsnog te motiveren dat de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" op de locatie De Swette 3C en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" op de [locatie 2] gelet op de korte afstand tot (bedrijfs)woningen, vanwege de aspecten geur en stof ruimtelijk aanvaardbaar zijn, dan wel een nieuw of gewijzigd besluit te nemen, en alsnog te motiveren dat de mogelijkheid voor geluidzoneringsplichtige inrichtingen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - Gezoneerd" zoals mogelijk gemaakt in artikel 6.1, onder b, van de planregels, gelet op de aanwezigheid van (bedrijfs)woningen op korte afstand, vanwege de aspecten geur en stof ruimtelijk aanvaardbaar is, dan wel een nieuw of gewijzigd besluit te nemen.
Over de tussenuitspraak van de AbRvS is met betrekking tot de thema’s luchtkwaliteit/stof en geur advies ingewonnen bij de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO). Dit advies van 27 maart 2025 is als bijlage X bij dit bestemmingsplan gevoegd en is mede de basis voor de gekozen reparatie van het bestemmingsplan als omschreven in navolgende. Reparatie Gelet op voorgaande bestuurlijke lus is er voor gekozen om ter reparatie enkele correcties in de regels en op de verbeelding door te voeren die zien op de door de AbRvS gevraagde motivering en borging. Daarmee wordt voldaan aan het herstellen van de bij tussenuitspraak van de AbRvS geconstateerde omissies. Dit herziene ruimtelijk plan dat hierbij voorligt wordt hierom opnieuw ter vaststelling aan de raad aangeboden. De herstelpunten uit de tussenuitspraak die in het nu voorliggende, herziene bestemmingsplan zijn betrokken, betreffen: 1. Het verwijderen van art. 6.1, onder c, sub 1 m.b.t. het toestaan van een mengvoederfabriek, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijventerrein – mengvoederfabriek”. 2. Het aanpassen van de als bijlage 1 van de regels behorende Staat van bedrijven m.b.t.
de met het bestemmingsplan toegelaten bedrijvigheid, waarbij alle bedrijfsactiviteiten die zien op geur- en stofhinder met een aan te houden minimale richtafstand van meer dan 100 meter zijn verwijderd. 3. Het samenvoegen van art. 6.1 onder b met art. 6.1 onder a waarmee de regeling in de bestemmingsomschrijving als volgt komt te luiden: “De voor ‘Bedrijventerrein – Gezoneerd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van al dan niet geluidzoneringsplichtige inrichtingen”, waarbij de daaropvolgende opsomming van de bestemmingsomschrijving is vernummerd. Motivering van gekozen oplossingsrichting Ad. 1. De aanduiding ten aanzien van “specifieke vorm van bedrijventerrein – mengvoederfabriek” is uit het bestemmingsplan verwijderd omdat deze bedrijfsactiviteiten ter plaatse inmiddels gestaakt zijn. De diervoederfabriek is sinds 2019 gesloten. Door het verwijderen van deze aanduiding is een veevoerfabriek ten aanzien van mengvoeder (productiecapaciteit van meer dan 100 ton per uur) van milieucategorie 4.2 op deze locatie niet meer mogelijk (SBI-code 1091-6 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering van 2009).
In het verlengde daarvan is een veevoerfabriek ten aanzien van mengvoeder (productiecapaciteit van minder dan 100 per uur) en milieucategorie 4.1 op deze locatie ook niet meer mogelijk (SBI-code 1091-5 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering) door aanpassing van de opgenomen Staat van bedrijven bij de regels als in navolgende omschreven (omdat bij deze
bedrijvigheid sprake is van een aan te houden minimale richtafstand van 200 m wat betreft het geurhinderaspect). Ad. 2. De Staat van bedrijven bij het bestemmingsplan is aangepast met betrekking tot alle bedrijvigheid die zou kunnen leiden tot een aan te houden minimale richtafstand ten aanzien van geur- en stofhinder van meer dan 100 m (bij functiescheiding). Oftewel; alleen bedrijfsactiviteiten waar op basis van de standaard zoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (van 2009) van uitgegaan kan worden van een aan te houden minimale richtafstand van 10 m (milieucategorie 1), 30 m (milieucategorie 2), 50 m (milieucategorie 3.1) en 100 meter (milieucategorie 3.2) bij functiescheiding ten aanzien van de aspecten geur dan wel stof zijn nog toegelaten. Grotere aan te houden minimale richtafstanden vanwege de aspecten geluid en gevaar zijn bij de aanpassing van de Staat van Bedrijven buiten beschouwing gelaten. Reden daarvoor is dat het geluidhinderaspect door de voor het industrieterrein ingestelde geluidzonering reeds voldoende is onderzocht, gemotiveerd en geborgd, en de wet hiermee niet voorziet in geluidgrenswaarden voor bedrijfswoningen op een gezoneerd industrieterrein.
Het aspect gevaar is reeds afdoende afgewogen door het “Advies Externe Veiligheid inzake ‘bestemmingsplan Feanwâlden-Súd 2021’” dat aan het plan ten grondslag is gelegd, en door het uitsluiten van risicovolle inrichtingen in de planregels voor beide bedrijventerreinbestemmingen. Met deze aanpassing van de Staat van Bedrijven mag nu planologisch-juridisch ook ten aanzien van de in meer of mindere mate te verwachten geur- en stofhinder bij bedrijfsactiviteiten worden uitgegaan van een voldoende aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de (bedrijfs)woningen op en rondom het bedrijventerrein. Ad.3.
Door ‘geluidzoneringsplichtige inrichtingen’ specifiek samen te voegen met en te benoemen in de aanhef van de bestemmingsomschrijving van art. 6.1 onder a wordt geborgd dat enkel geluidzoneringsplichtige inrichtingen kunnen worden toegestaan betreffende bedrijvigheid tot en met milieucategorie 4.1 zoals opgenomen in de aangepaste Staat van Bedrijven in bijlage 1 behorende bij de regels.
Invoegen aangepaste tekst in paragraaf 2.1.1 ‘Bestaande deel van het bedrijventerrein’ van paragraaf 2.1 ‘Bedrijventerrein De Swette’ in ‘Hoofdstuk 2 – Planomschrijving’: Het bestaande deel van het bedrijven- en industrieterrein De Swette ligt ten zuiden van het dorp Feanwâlden. Industrieterrein De grootte van het bedrijven- en industrieterrein is samen genomen ongeveer 20 hectare (bruto). Op het terrein zijn bedrijven in milieucategorie 1 tot en met 4.1 gevestigd. De bedrijven in een hoge milieucategorie zijn vooral gevestigd op het westelijke deel van het terrein. Op het westelijke deel van het bedrijventerrein is ook de vestiging van zogenoemde “grote lawaaimakers” mogelijk. Dit deel van het terrein is namelijk een industrieterrein op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) (hierna wordt dit deel van het bedrijventerrein dan ook specifiek benoemd als zijnde industrieterrein). Bedrijfswoningen
Op het industrieterrein is in het verleden een aantal bedrijfswoningen gebouwd. Eén van de voorlopers van voorliggend bestemmingsplan betrof Bestemmingsplan Veenwouden-Zuid, als vastgesteld op 29 juni 1993 door de raad van de gemeente Dantumadeel en gedeeltelijk goedgekeurd op 27 oktober 1993 door Gedeputeerde Staten van Fryslân. In dit bestemmingsplan was ter plaatse van het industrieterrein in de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ in de voorschriften betreffende bebouwing geregeld dat er geen dienstwoningen mochten worden gebouwd. Evenwel kon daarvan vrijstelling van burgemeester en wethouders worden verkregen om ten hoogste één dienstwoning per bedrijf te realiseren, met dien verstande dat de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de woning vanwege de weg 50 dB(A) en vanwege de spoorweg 60 dB(A) bedroeg. Indertijd werd in de bij de voorschriften opgenomen Staat van Inrichtingen voor de categorale bedrijfsindeling verder ook enkel naar het hinderaspect geluid gekeken. In de daaropvolgende VNGpublicatie Bedrijven en milieuzonering (het ‘Groene boekje’) in 2009 zijn echter ook hinderaspecten met betrekking tot geur, stof en gevaar toegevoegd voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van woonfuncties in relatie tot de inpasbaarheid van bedrijven en voorzieningen (zie verder paragraaf 4.3: Bedrijven- en milieuhinder).
Figuur X. Kaartfragment van plankaart Bestemmingsplan Veenwouden-Zuid uit 1993. De situatie met betrekking tot de huidige bedrijfswoningen op het geluidgezoneerde industrieterrein betreft dus een historisch gegroeide situatie, waarbij enkel het thema geluidhinder met betrekking tot wegverkeers- en spoorweglawaai betrokken is geweest bij de inpassing daarvan bij de bedrijvigheid. Daarbij bestond reeds een externe zonering voor het bedrijfsterrein ten aanzien van een aanvaardbare afstand van bedrijven tot woningen, namelijk op de plankaart B-I (toelaatbare milieucategorie 1 en 2), B-II (milieucategorie 1, 2 en 3 tot afstand van 50 m), B-III (milieucategorie 1,
2 en 3 tot afstand van 100 m) en B-IV (milieucategorie 1, 2, 3 en 4 tot afstand van 200 m) op basis van alleen het hinderaspect geluid. Omdat er bedrijfswoningen op het geluidgezoneerde industrieterrein zijn gebouwd in het verleden, is de grenswaarde voor de ten hoogste toegestane geluidsbelasting op grond van de Wgh hierop niet van toepassing. Hierdoor kan de geluidsbelasting op deze woningen in beginsel onbeperkt toenemen. Op basis van een goede ruimtelijke ordening wordt de bouw van bedrijfswoningen op een industrieterrein of nieuwe woningen binnen de geluidszone tegenwoordig niet (meer) wenselijk geacht. Omdat er sprake is van een bestaande situatie, is voor het voorliggende bestemmingsplan dan ook onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden om het industrieterrein en de geluidszone bij dit terrein te verkleinen. De resultaten van het onderzoek zijn in hoofdstuk 4 uiteengezet. Op basis van de resultaten is de keuze gemaakt om het industrieterrein te gaan verkleinen tot alleen het westelijke deel van het terrein: het gebied ten westen van de weg Ambachtstrjitte waarbij ook de percelen direct ten oosten van deze weg nog onderdeel van het industrieterrein zijn. Dit gebied heeft in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijventerrein – Gezoneerd’ gekregen. Ook de geluidszone bij het industrieterrein is verkleind.
De andere, oostelijk gelegen gronden met bedrijfsactiviteiten hebben de bestemming ‘Bedrijventerrein’ gekregen. Milieuzone en bedrijven Om een goede woon- en leefomgeving op en in de omgeving van het bedrijventerrein en industrieterrein te waarborgen zijn verschillende milieuzones onderscheiden. Op basis hiervan is de vestiging van bedrijven in milieucategorie 1 tot en met 3.1 op het bedrijventerrein en milieucategorie 1 tot en met ten hoogste 4.1 op het industrieterrein mogelijk. Daarbij moet worden opgemerkt dat op het industrieterrein ook de vestiging van bedrijven in een milieucategorie hoger mogelijk is, als het bedrijf vanwege de geluidsbelasting, een bedrijf in een categorie hoger is. De vestiging van dergelijke bedrijven wordt mogelijk geacht omdat de geluidhinder van de bedrijven op het industrieterrein al door middel van de geluidszone wordt beperkt. Uit de resultaten van het uitgevoerde onderzoek voor het voorliggende bestemmingsplan blijkt dat er in verschillende milieuzones ook bedrijven in een milieucategorie hoger dan de categorie van de milieuzone zijn gevestigd. Dit is in beginsel niet mogelijk.
Omdat er sprake is van een bestaande situatie is de keuze gemaakt om de betreffende bedrijven in het bijzonder aan te duiden (dit betreft bijvoorbeeld een metaaloppervlaktebehandelingsbedrijf en een specifieke detailhandel in volumineuze goederen) en daarmee bij recht toe te staan. De milieuzones op het bedrijven- en industrieterrein zijn op basis van de (bedrijfs)woningen (en andere gevoelige gebruiksmogelijkheden) op en in de omgeving bepaald. De bedrijfswoningen op het industrieterrein zijn hierbij wat betreft geluid niet nader overwogen. Deze keuze is gemaakt omdat er sprake is van een bestaande, historisch zo gegroeide situatie, maar ook omdat de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het industrieterrein nogal beperkt zouden worden wanneer deze bedrijfswoningen wel waren overwogen. De vestiging van bedrijven in de hoogste milieucategorie 4.1 en “grote lawaaimakers” zou dan nog nauwelijks mogelijk zijn, waardoor ook de bestemming als industrieterrein nog nauwelijks zinvol zou zijn. Omdat op andere bedrijventerreinen in de gemeente vestiging van “grote lawaaimakers” niet mogelijk is, acht de gemeente het wenselijk om de vestigingsmogelijkheden voor deze bedrijven op het industrieterrein De Swette te behouden.
Wel is in het kader van mogelijke geur- en stofhinder de meest overlast gevende bedrijvigheid hierin (leidend tot aan te houden afstanden van meer dan 100 m op basis van deze beide hinderaspecten) uit de Staat van Bedrijven verwijderd, en daarmee niet toegelaten. In paragraaf 4.2 is een aanvullende toelichting op de indeling van milieucategorieën op het bedrijventerrein opgenomen.
Milieuzone en bedrijfswoningen Zoals hiervoor is opgemerkt wordt de bouw van bedrijfswoningen op een industrieterrein of binnen de geluidszone hierbij niet (meer) wenselijk geacht. Op grond van het voorliggende bestemmingsplan is de bouw van deze woningen op het industrieterrein en binnen de geluidszone dan ook niet (meer) mogelijk. Op het bestaande deel van het bedrijventerrein buiten het industrieterrein en de geluidszone wordt ruimte geboden voor wonen en werken. Met gebruikmaking van een afwijkingsmogelijkheid kan de bouw van bedrijfswoningen worden toegestaan. De vestiging van bedrijven in ten hoogste milieucategorie 3.1 is op basis van een goede ruimtelijke ordening toelaatbaar. Voor een aanvullende toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.3.
Invoegen aangepaste tekst in paragraaf 4.2.4 ‘Bedrijven en milieuhinder’ (moet zijn paragraaf 4.3 met daaropvolgende doornummering) in ‘Hoofdstuk 4 – Milieu- en andere voorwaarden’: Normstelling en beleid Uit oogpunt van ruimtelijke ordening Bedrijven (of andere milieubelastende bedrijvigheid) in de directe omgeving van woningen (of (andere) milieugevoelige gebieden) kunnen ter plaatse (milieu)hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Voor een goede ruimtelijke ordening, zoals die uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van een goede woon- en leefomgeving noodzakelijk. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient daarbij tot een voldoende ruimtelijkfunctionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen) te komen. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden voor milieubelastende activiteiten uit de basiszoneringslijst in de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2009. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar minimale afstanden aangegeven.
In de meeste gevallen kunnen deze minimale afstanden worden aangehouden tussen een bedrijf en hindergevoelige functies om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste aangegeven afstand is daarbij bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. Bij de bepaling van de minimale richtafstanden in de VNG-publicatie zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: -
het gaat om ‘gemiddelde’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.
SYSTEMATIEK BEDRIJVEN- EN MILIEUZONERING In de VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden, te weten:
1. Rustige woonwijk dan wel rustig buitengebied: Functiescheiding wordt nagestreefd door de minimale richtafstanden te hanteren die in een lijst bij omgevingstype 1 zijn opgenomen, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie tot een zoneringsafstand ten opzichte van een hindergevoelige functie leidt. De volgende richtafstanden met bijbehorende milieucategorie (cat.) worden in de VNG-publicatie gehanteerd: 10 m voor cat. 1, 30 m voor cat. 2, 50 m voor cat. 3.1, 100 m voor cat. 3.2, 200 m voor cat. 4.1, 300 m voor cat. 4.2, 500 m voor cat. 5.1, 700 m voor cat. 5.2, 1.000 m voor cat. 5.3 en 1.500 m voor cat. 6. De milieucategorie is een aanwijzing voor de milieubelasting van een bedrijf: hoe hoger de milieucategorie van een bedrijf, hoe groter de milieubelasting van het bedrijf. De richtafstanden lopen dan ook op naar mate sprake is van een bedrijf in een hogere categorie. Voor een rustig gebied met functiescheiding geldt dat er, behalve voorzieningen zoals een school, nauwelijks andere bedrijven of voorzieningen zijn gevestigd. 2. Gemengd gebied: Bij de aanwezigheid en het naast elkaar samengaan van uiteenlopende hinderveroorzakende en hindergevoelige functies is sprake van functiemenging. In een dergelijk gemengd gebied kunnen in de directe omgeving van woningen kleine bedrijven zijn gevestigd.
Ook lintbebouwing in het landelijk gebied met overwegend agrarische en andere bedrijven of gebieden direct langs hoofdwegen kunnen als gemengd gebied worden beschouwd. In tegenstelling tot de rustige woongebieden van omgevingstype 1 zijn in dergelijke levendige gebieden met matige tot sterke functiemenging milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieugevoelige objecten mogelijk. Hiertoe bestaat de methode dat de bij functiescheiding op grond van de VNG-publicatie aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, etc.). Bij het type gemengd gebied mag de richtafstand dus worden verlaagd zonder dat dit ten kosten gaat van het woon- en leefklimaat (waarbij alleen wat betreft het aspect gevaar in gemengd gebied geen verlaging van een afstandsstap mag plaatsvinden). Verdere reducties zijn blijkens de toelichting in de VNG-publicatie niet te verantwoorden, omdat in algemene zin niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en het functioneren van bedrijven niet in gevaar wordt gebracht. Een ander methode die daarom dan ook wel wordt toegepast is om te werken met een categorie-indeling waarbij voorwaarden voor de inpassing zijn gegeven, te weten: -
-
-
Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: Activiteiten zoals genoemd bij categorie B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Het omgevingstype is bepalend voor de daadwerkelijk te hanteren afstanden. Daarbij geldt verder ten aanzien van het wonen bij een bedrijf of op een bedrijven- of industrieterrein dat een bedrijfswoning als een specifiek woningtype wordt aangemerkt waar minder hoge eisen aan het woon- en leefklimaat kunnen worden gesteld. Bedrijfswoningen zijn in het algemeen minder milieugevoelig dan wat voor reguliere woningen geldt in de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied.
De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009 stelt hierover op pagina 36 het volgende met betrekking tot de milieuzonering en gevoelige functies op een bedrijventerrein: “De richtafstandenlijsten kunnen niet zonder meer worden toegepast indien gevoelige functies óp een bedrijventerrein voorkomen. Het gaat hier om historisch gegroeide situaties waar burgerwoningen (verspreid of gegroepeerd) zijn vermengd met milieubelastende bedrijvigheid. Het gaat ook om gevoelige functies die bewust op een bedrijventerrein of industrieterrein zijn gesitueerd, zoals bedrijfswoningen of een kinderdagverblijf. Deze situaties vallen buiten de kaders van de richtafstandenlijsten. Hier kan een lager kwaliteitsniveau van het woon- en leefklimaat worden aanvaard. Voor deze gevoelige functies is niettemin een minimaal beschermingsniveau noodzakelijk. Tegelijkertijd dient te worden voorkómen dat naburige bedrijven in het milieuvergunningenspoor onevenredig worden belemmerd door de aanwezigheid van gevoelige functies. Bestaande en nieuwe bedrijfswoningen dienen, evenals andere gevoelige functies, daarom bij de uitwerking van milieuzonering te worden betrokken. Voor de regeling in het bestemmingsplan kunnen de volgende uitgangspunten als leidraad dienen: •
•
•
Bij de toelating van nieuwe gevoelige functies wordt mede rekening gehouden met de belangen van bestaande bedrijven (inclusief eventuele planschade). Om nieuwe knelpunten te voorkomen kan de gemeente er voor kiezen om nieuwe gevoelige functies slechts via een binnenplanse ontheffing toe te laten. Nieuwe gevoelige functies zijn in het algemeen niet gewenst in gebieden waar bedrijfsactiviteiten uit categorie 3.2 en hoger (richtafstand van 100 m en meer) zijn gevestigd of toelaatbaar zijn. De locaties van bestaande – te handhaven – gevoelige functies worden strak begrensd; het verdient aanbeveling hier mogelijk planschade-effecten mee te wegen.”
Uit oogpunt van milieu Bedrijvigheid in de directe omgeving van woningen (of (andere) milieugevoelige gebieden) kunnen daar (milieu)hinder vanwege geluid, geur, stof, gevaar en dergelijke veroorzaken. Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel een omgevingsvergunning milieu te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder voor hindergevoelige functies, zoals woningen, zo veel mogelijk voorkomen. De aanwezigheid van reeds bestaande bedrijvigheid in het plangebied mag op grond van de thans verleende (milieu)vergunningen aanvaardbaar worden geacht. De verleende (milieu)vergunningen bieden voorts de garantie dat problemen tussen bestaande bedrijvigheid en hindergevoelige objecten voor nu en in de toekomst in voldoende mate reeds zijn afgedekt. Onderzoek Het voorliggende plan heeft deels betrekking op een geluidgezoneerd bedrijventerrein (industrieterrein). Naast het aspect geluid, dat met het instellen van een geluidzonering rondom het industrieterrein is geregeld (en afdoende geborgd, als omschreven in paragraaf 4.2.1 ‘Geluid – Industrielawaai’), zijn de aspecten geur, stof en gevaar relevant.
Met name het thema ‘geur’ is vaak meebepalend voor de milieucategorisering. Voor stof en gevaar is dat veelal in mindere mate het geval.
In en rondom het bestemmingsplangebied zijn verschillende (bedrijfs)woningen gebouwd. Om een goede woon- en leefomgeving ter plaatse van deze (bedrijfs)woningen te waarborgen moet in beginsel voldoende afstand tussen de woningen en de bedrijven in en in de omgeving van het bestemmingsplan gewaarborgd worden. Voor het bepalen van een voldoende afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering van 2009. In tabel 3 zijn de voor het plangebied van dit bestemmingsplan relevante richtafstanden opgenomen. De richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. Tabel 3. Milieucategorisering en daarvoor geldende minimale richtafstand op basis van “Bedrijven en milieuzonering” milieucategorie
richtafstand (m) Rustige woonwijk dan wel rustig buitengebied
gemengd gebied
1
10
0
2 3.1
30 50
10 30
3.2
100
50
4.1
200
100
Voor dit bestemmingsplan is het uitgangspunt dat de woningen in en in de directe omgeving van het bestemmingsplangebied in een gemengd gebied liggen. De woningen liggen in een gebied waar, met inbegrip van de bedrijven die op het bedrijven- en industrieterrein De Swette zijn gevestigd, een groot aantal bedrijven zijn gesitueerd. Ook ligt het gebied in de directe omgeving van hoofd(spoor)wegen. Dit betekent dat tussen woningen en bedrijven in beginsel de in tabel 3, onder gemengd gebied, opgenomen richtafstanden kunnen worden gehanteerd. Bedrijventerrein (niet geluidgezoneerd) Daarbij is ook het uitgangspunt dat de bestaande (bedrijfs)woningen op het bedrijventerrein en industrieterrein in een gemengd gebied liggen. Tussen deze woningen en bedrijven moeten in beginsel dan ook de in tabel 3, onder gemengd gebied, opgenomen richtafstanden worden gewaarborgd. Met dien verstande dat in de directe omgeving van deze (bedrijfs)woningen, bedrijven in ten hoogste milieucategorie 3.1 aanvaardbaar worden geacht. Met andere woorden: het waarborgen van de richtafstand tussen deze (bedrijfs)woningen en bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 (met een maximaal aan te houden minimale richtafstand van 30 m voor geluid, geur en stof) wordt niet nodig geacht.
Hiermee sluit dit bestemmingsplan aan op de uitgave “Bedrijven en milieuzonering” waarin staat aangetekend dat ‘nieuwe (bedrijfs)woningen in het algemeen niet gewenst zijn op locaties waar de vestiging van bedrijven in gebieden van milieucategorie 3.2 en hoger mogelijk is. Industrieterrein (geluidgezoneerd) Bij het bepalen van de milieuzonering op het industrieterrein zijn de bestaande bedrijfswoningen op het industrieterrein betreffende het aspect geluid niet nader beschouwd in het kader van Bedrijven en milieuzonering omdat sprake is van een ingesteld geluidgezoneerd terrein. Het thema gevaar is reeds onderwerp van studie geweest bij het “Advies Externe Veiligheid inzake ‘bestemmingsplan Feanwâlden-Súd 2021’” (waar in navolgende paragraaf 4.4 ‘Externe veiligheid’ nader op is ingegaan), en door het verder uitsluiten van risicovolle inrichtingen in de planregels voor beide bedrijventerreinbestemmingen. Daarmee blijven de aspecten geur en stof over voor de beoordeling van de inpasbaarheid van bedrijvigheid in de omgeving van (bedrijfsmatige of reguliere) woonfuncties op en rondom het industrieterrein in het kader van de VNG-publicatie. Aangezien de vestiging van bedrijven tot ten hoogste milieucategorie 3.1 op basis van een goede ruimtelijke
ordening als toelaatbaar wordt gezien, is de keuze gemaakt om de Staat van Bedrijven hierop verder in te richten wat betreft de mogelijke hinderoverlast van geur en stof. Dit heeft er in geresulteerd dat alle bedrijvigheid die ziet op geur- en/of stofhinder waarvoor een minimale richtafstand zou gelden van meer dan 100 m (van milieucategorie 3.2 in geval van functiescheiding) of meer ten opzichte van hindergevoelige functies uit de Staat van Bedrijven-lijst is gehaald. Regelingen m.b.t. stof en geur onder de Omgevingswet per 01-01-2024 Het voorkomen van hinder door stof was voorheen ook al geregeld in het Activiteitenbesluit. Dit is nu bij inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. En dat heeft er inmiddels mede toe geleid dat het hinderaspect stof niet meer in de herziene VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering uit 2024 is teruggekeerd, evenals het hinderaspect gevaar. Wat betreft geur is de gemeente met de inwerkingtreding van de Omgevingswet verantwoordelijk voor de te stellen regels in het omgevingsplan. De gemeente bepaalt zelf daarin in welke mate zij geurhinder aanvaardbaar vindt op geurgevoelige gebouwen.
Daarbij mag rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en kan dit vastleggen in het omgevingsplan (Afdeling 5.1 Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van het Besluit kwaliteit leefomgeving, Bkl). De instructieregels zijn opgenomen in §5.1.4.6 van het Bkl. De raad heeft tot en met 2031 de tijd om regels voor geur in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de zogenaamde Bruidsschat) om te vormen in eigen regels in het omgevingsplan. Bijzonderheden Het voorliggende bestemmingsplan voorziet dus met de opgenomen milieuzonering in een ruimtelijke scheiding tussen verschillende bedrijfscategorieën op het bedrijventerrein en industrieterrein De Swette. In de aangegeven milieucategorie ter plaatse van de aanduidingen op de verbeelding is de vestiging van bedrijven mogelijk voor zover die in bijlage 1 bij de regels zijn opgenomen, voor wat betreft de aangegeven ten hoogste toegelaten milieucategorie dan wel lager. Hierop zijn de volgende afwijkingen van toepassing: 1.
Op het industrieterrein is ook de vestiging van bedrijven in een milieucategorie hoger dan de voor een milieuzone betreffende categorie mogelijk, als het bedrijf vanwege de geluidsbelasting, een bedrijf in een milieucategorie hoger dan de voor de milieuzone betreffende categorie is. Als voorbeeld: op een deel van de gronden van het industrieterrein is de vestiging van bedrijven in milieucategorie 3.2 mogelijk. Hier is echter ook de vestiging van een bedrijf in milieucategorie 4.1 mogelijk als dit bedrijf alleen vanwege geluidsbelasting een bedrijf in deze categorie is. Het bedrijf mag vanwege geur- en stofbelasting en gevaar ten hoogste een bedrijf in milieucategorie 3.2 zijn. Deze afwijking hangt samen met de vaststelling van het terrein als industrieterrein waar de vestiging van “grote lawaaimakers” mogelijk is. Afwijkingen op basis van geur kunnen wel mogelijk zijn, maar dat kan pas worden toegestaan na onderbouwing en een milieutechnische toetsing van de impact op geurgevoelige gebouwen, waarbij geurhinder hooguit vergelijkbaar is met de thans in de Staat van Bedrijven genoemde milieubelastende activiteiten.
2.
Op het industrieterrein is reeds één bestaand bedrijf in een milieucategorie hoger aanwezig dan op basis van de toegepaste milieuzonering in dit bestemmingsplan zou kunnen zijn toegelaten. Dit betreft het metaaloppervlaktebehandelingsbedrijf SRI aan De Swette 3a die daarom als zodanig specifiek is aangeduid en waarmee is geregeld dat de huidige bedrijvigheid ter plaatse is toegestaan. Omdat sprake is van een bestaande situatie is dit
bedrijf op grond van het voorliggende bestemmingsplan op het industrieterrein mogelijk gemaakt door deze in het bijzonder aan te duiden. Conclusie Een belangrijk negatief effect door milieuhinder van bedrijven op woonfuncties in en rondom het plangebied, en op bedrijfswoningen in de bedrijvenbestemmingen in het plangebied wordt op basis van voorgaande niet verwacht. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet door het omgevingsthema Bedrijven en milieuhinder belemmerd.