1. Uitspraak Feanwalden Sud 202106126-1-R3
Tekst van het document
In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B]. [appellant sub 2] 36. Gelet op wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd is het besluit, voor zover het betreft: - de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied" en het daarbij horende artikel 3.6 van de planregels, - artikel 22 van de planregels, voor zover daarmee wordt voorzien in een mogelijkheid om de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone wijzigingsbevoegdheid" te wijzigen ten behoeve van zonnepanelen in grondopstelling, en - de plandelen met de bestemmingen "Verkeer" en "Verkeer - Railverkeer", voor zover toegekend aan de gronden tussen het spoor en de Rûnwei waaraan volgens kaart 3 bij de Verordening Romte Fryslân 2014 de aanduiding "Natuur buiten de EHS" is toegekend, in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. 36.1. Gelet op de aard en omvang van deze gebreken en de omstandigheid dat de raad op de
18
zitting te kennen heeft gegeven dat van de wijzigingsbevoegdheid geen gebruik zal worden gemaakt, ziet de Afdeling voor deze gebreken geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus. 36.2. Het beroep is gegrond, zodat het besluit in zoverre moet worden vernietigd. Dit betekent dat voor dit beroep deze uitspraak een eindspraak is en daarmee voor [appellant sub 2] een einde is gekomen aan deze procedure. 37. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening. 38. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 2] vergoeden. Voor de verzochte verletkosten gaat de Afdeling daarbij uit van het forfaitair vastgestelde aantal van zes uur. Voor de gestelde reiskosten, kent de Afdeling met toepassing van artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een reiskostenvergoeding toe voor een reis met een openbaar vervoer en geen kilometervergoeding.
In de enkele stelling dat er geen goede aansluiting is, ziet de Afdeling namelijk geen aanleiding voor de conclusie dat reizen met het openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Voor zover is verzocht om een vergoeding van de reiskosten door de gemachtigde, overweegt de Afdeling dat de reiskosten van een beroepsmatige rechtsbijstandsverlener al zijn verdisconteerd in de vergoeding voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze reiskosten komen daarom niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] 39. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn ongegrond. Voor hun beroepen is deze uitspraak een einduitspraak en daarmee is voor [appellant sub 3] en [appellant sub 4] een einde gekomen aan deze procedure 39.1. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden aan [appellant sub 3] en [appellant sub 4]. Verzoek overschrijding van de redelijke termijn 40.
[appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] hebben de Afdeling verzocht een schadevergoeding toe te kennen omdat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is overschreden. Omdat deze uitspraak alleen voor [appellant sub 2] een einduitspraak betreft, beoordeelt de Afdeling hierna alleen zijn verzoek hiertoe. Beoordeling verzoek [appellant sub 2] 41. Geschillen moeten binnen een redelijke termijn worden afgedaan. Voor de berechting van een zaak die één rechterlijke instantie omvat, is in beginsel een termijn van twee jaar redelijk. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift van [appellant sub 2] op 29 september 2021 is meer dan twee jaar verstreken. De termijn is met bijna 15 maanden overschreden. De overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [appellant sub 2] toe te
19
kennen bedrag € 1.500,00. 42. De Afdeling zal de Staat veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.500,00 euro aan [appellant sub 2] als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: Einduitspraak I. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] ongegrond; II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gegrond; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dantumadiel van 5 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Feanwâlden-Súd", voor zover het betreft: a. de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied" en het daarbij horende artikel 3.6 van de planregels; b. artikel 22 van de planregels, voor zover het betreft de gronden ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied"; c. de plandelen met de bestemmingen "Verkeer" en "Verkeer - Railverkeer" op de locatie zoals weergegeven in groen op de afbeelding in bijlage 2 bij deze uitspraak; IV. draagt de raad van de gemeente Dantumadiel op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt op de landelijke voorziening; V.
veroordeelt de raad van de gemeente Dantumadiel tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.977,00, waarvan € 1.750,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat de raad van de gemeente Dantumadiel aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt; VII. wijst het verzoek van [appellant sub 2] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe; VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 2] te betalen een vergoeding van € 1.500,00. Tussenuitspraak IX. draagt de raad van de gemeente Dantumadiel op om: - binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat in rechtsoverwegingen 9.3, 9.4, 34 en 34.1 is overwogen de gebreken in het besluit van de raad van de gemeente Dantumadiel van 5 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Feanwâlden-Súd" te herstellen, en - de Afdeling, [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] de uitkomst mee te delen en het eventuele nieuwe besluit toe te sturen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.
20
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier. w.g. Ten Veen lid van de meervoudige kamer w.g. Buskermolen griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2024 896
BIJLAGE 1 Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Artikel 8:51d Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing. Wet ruimtelijke ordening Artikel 3.6 1. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels: a. burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen; […] Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6 […] 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. 3. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan
21
artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. […] Verordening Romte Fryslân 2014 Artikel 7.2.1 Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur, voorziet in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden. […] Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (zon) Artikel 9.5.1 1. Een nieuwe opstelling voor zonne-energie op gronden in het landelijk gebied kan alleen worden toegestaan en als uit onderzoek blijkt dat de opstelling noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de gemeentelijke ambitie, waarbij toepassing is gegeven aan de volgende prioritering voor het vinden van locaties voor zonne-energie: a. op daken en gevels; b. op gronden binnen het bestaand stedelijk gebied; c. op gronden met een andere primaire functie dan landbouwgrond zoals vuilstorten nutsvoorzieningen, zandwinputten en infrastructuur; d. op landbouwgronden of in natuurgebieden. 2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is de zonneladder niet van toepassing op opstelling voor zonne-energie op bestaande bouwpercelen zoals bedoeld in artikel 9.6.2, eerste lid onder a. Bestemmingsplan "Feanwâlden - Súd" Artikel 3.6 a. Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: - een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; - een goede woonsituatie; - de verkeersveiligheid; - de sociale veiligheid; - de milieusituatie; - een goede landschappelijke inpassing;
22
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, het plan wijzigen in die zin dat de bestemming ‘Agrarisch’ ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied" wordt gewijzigd naar de bestemmingen: 1. ‘Bedrijventerrein’ overeenkomstig de regels van artikel 5, met dien verstande dat: - per bouwperceel niet meer dan één bedrijfswoning is toegestaan; - de wijziging past binnen een door de provincie geaccordeerd bedrijventerreinplan; 2. ‘Groen’ overeenkomstig de regels van artikel 8 en/of 3. ‘Verkeer’ overeenkomstig de regels van artikel 13, met inachtneming van het bepaalde in artikel 22 . b. Op de regels van het besluit tot wijziging is de in de Wet ruimtelijke ordening geregelde procedure van toepassing. Artikel 5.1 De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van: 1. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 1" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 van de bij deze regels behorende bijlage 1 Staat van Bedrijven; 2. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 en 2 van de bij deze regels behorende bijlage 1 Staat van Bedrijven; 3.
op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1, 2 en 3.1 van de bij deze regels behorende bijlage 1 Staat van Bedrijven […] Artikel 6.1 De voor ‘Bedrijventerrein - Gezoneerd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van: 1. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 1" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 van de bij deze regels behorende bijlage 1 Staat van Bedrijven; 2. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 en 2 van de bij deze regels behorende bijlage 1 Staat van Bedrijven; 3. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 tot en met 3.1 van de bij deze regels behorende bijlage 1 Staat van Bedrijven; 4. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 tot en met 3.2 van de bij deze regels behorende bijlage 1 Staat van Bedrijven;
23
4. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" bedrijven als genoemd in milieucategorie 1 tot en met 4.1 van de bij deze regels behorende bijlage 1 Staat van Bedrijven; b. geluidzoneringsplichtige inrichtingen, en tevens voor: c. gebouwen en overkappingen ten behoeve van: 1. een mengvoederfabriek, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek"; […] In deze bestemming zijn risicovolle inrichtingen niet begrepen. Artikel 22 Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening, de bestemmingen ‘Bedrijventerrein’, ‘Bedrijventerrein - Gezoneerd’ en ‘Maatschappelijk’ wijzingen ten behoeve van het plaatsen van zonnepanelen in grondopstelling, met dien verstande dat: 1. een nieuwe opstelling voor zonne-energie op gronden in het landelijk gebied kan alleen worden toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de opstelling noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de gemeentelijke ambitie, waarbij toepassing is gegeven aan de volgende prioritering voor het vinden van locaties voor zonne-energie: i. op daken en gevels; ii. op gronden binnen het bestaand stedelijk gebied; iii.
op gronden met een andere primaire functie dan landbouwgrond zoals vuilstorten, nutsvoorzieningen, zandwinputten en infrastructuur.7.2.1 Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur, voorziet in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden. […] 2. plaatsing binnen de genoemde bestemmingen uitsluitend mogelijk is indien de gronden zijn gelegen: - aansluitend op bestaand stedelijk gebied van een stad of dorp; of - als onderdeel van een uitbreidingslocatie, of nabij bestaand stedelijk gebied, mits het zonnepark een redelijke aansluiting heeft of krijgt op het stedelijk weefsel van stad of dorp; 3. de afstand tussen zonnepanelen in grondopstelling en de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 3 m dient te bedragen; 4. de bouwhoogte van zonnepanelen in grondopstelling niet meer dan 2 m mag bedragen; 5. voorafgaand aan het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is aangetoond dat participatie met belanghebbenden heeft plaatsgevonden ten aanzien van het plaatsen van
24
zonnepanelen in grondopstelling op de voorgenomen locatie; 6. voorafgaand aan het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is aangetoond dat de aard en de schaal van de zonnepanelen in grondopstelling in relatie staat tot de energiebehoefte van de voorgenomen locatie dan wel de directe aansluitende omgeving; 7. de opstelling van de zonnepanelen in grondopstelling moet zijn voorzien van: - een goede inpasbaarheid binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten; - een goede ruimtelijke aansluiting en inpassing ten opzichte van de directe aansluitende omgeving, aangetoond en weergegeven in een ruimtelijk inrichtingsplan. 9. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: - een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; - de goede woonsituatie; - de verkeersveiligheid; - de sociale veiligheid; - de milieusituatie; - de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. b. Op de regels van het besluit tot wijziging is de in de Wet ruimtelijke ordening geregelde procedure van toepassing.
BIJLAGE 2
25
26