1.3 BP Damwâld - Hearewei naast 41 - Bijlagen bij de planregels
Tekst van het document
Damwâld - Hearewei naast 41
bestemmingsplan Damwâld - Hearewei naast 41
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de regels
3
Bijlage 1
Inpassings- en beeldkwaliteitsplan
4
Bijlage 2
Richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen
11
Bijlage 3
Lijst bedrijven en beroepen aan huis
40
2
Inhoudsopgave (concept)
bestemmingsplan Damwâld - Hearewei naast 41
Bijlagen bij de regels
Bijlagen bij de regels (concept)
3
bestemmingsplan Damwâld - Hearewei naast 41
Bijlage 1 Inpassings- en beeldkwaliteitsplan
4
Bijlagen bij de regels (concept)
INPASSINGS- EN BEELDKWALITEITSPLAN Schuurwoning Hearewei 41 Damwâld
A4
ruimtelijke ontwikkeling
energie
omgeving
projectnr: datum:
23001 30 augustus 2023
Planinitiatief: een levensloopbestendige woning De initiatiefnemers wonen op dit moment aan de Hearewei 41 te Damwâld. Dit is een woonomgeving met vrij uitzicht, dichtbij de natuur en het Geastmerbosk. Zij zijn eigenaar van het naastgelegen perceel en willen hierop een levensloopbestendige woning bouwen, die ze samen hopen te betrekken en waar ze kunnen blijven wonen als de fysieke en mentale conditie afneemt. Het voornemen is om alle functies, dus ook garage en buitenberging, op te nemen in één enkel volume met een oppervlakte van circa 250 m2. Dit om zo min mogelijk losse bouwwerken toe te voegen aan het lint.
Ligging van de locatie in het omliggende landschap. Middenin, wit omlijnd, het plangebied en direct ten oosten daarvan de huidige woning van de initiatiefnemers.
Landschappelijke context Het plangebied ligt op een zandrug waar overheen de Hearewei-Foarwei-Doniawei loopt van Rinsumageast via Damwâld richting Driesum. Het plangebied ligt echter wel vlakbij de overgang van de hoger gelegen gronden naar de lager gelegen delen ten zuidwesten. Dit is vooral zichtbaar door het hoogteverschil, gelegen direct ten zuiden van het plangebied en ook de verkaveling. Het hogere deel behoort tot de Noardlike Fryske Wâlden met opstrekkende verkaveling in noordwest-zuidoostrichting en ontgonnen vanuit de lijn Hearewei-FoarweiDoniawei. De verkaveling is hier ouder, kleinschaliger en meer begroeid en bebouwd en heeft daarom een meer besloten karakter. Het veenweidegebied is zeer nat geweest en is pas later ontgonnen. Om die reden ligt de verkaveling in een andere richting, zijn de percelen groter en heeft het gebied een meer open karakter. Hearewei 41 ligt nog net in de Fryske Wâlden als onderdeel van het historische bebouwingslint op de zandrug. Het lint is in de dorpen meer besloten/aaneengesloten. Op deze plek, net wat buiten het dorp, is de bebouwingsstructuur halfopen met hier en daar doorzichten naar het achtergelegen gebied. In het lint staat de bebouwing óf in de richting van de verkaveling, óf parallel aan de weg. De hoofdgebouwen staan vooraan op de kavels. Bijgebouwen zoals de schuren op de agrarische erven, staan achter de hoofdgebouwen.
In deze achterzone staat veel van de bebouwing in de richting van de verkaveling.
1
Inpassings- en beeldkwaliteitsplan Hearewei 41 Damwâld 30-8-2023
Grietenijkaart van Schotanus-Halma uit 1718
Situatie 1930-1940
Op historische kaarten is te zien hoe het plangebied (witte stip) aan het lint op de zandrug ligt als onderdeel van de Fryske Wâlden, maar wel nabij het lager gelegen veenweidegebied met een duidelijk andere verkavelingsstructuur.
Saeckma Zathe Direct tegenover Hearewei 41 heeft vroeger Saeckma State staan. Bij onderzoek naar de locatie blijkt dat ter plaatse van Hearewei 41 in het verleden twee erven met woningen hebben gelegen. Dit waren Groot- en Klein Saeckma Zathe, woningen die bij het landhuis hoorden. Het landhuis. De ligging nabij Saeckma State en de aanwezigheid van de historische erven verwijst naar de historische waarde van het plangebied.
Ligging Saeckma Zathe direct tegenover het plangebied
Boerderij Saeckma Zathe
Van de zathe/boerderij is nog een foto beschikbaar. De eenvoudige, langwerpige volumeopbouw met een kap over de lengte van het volume, is van invloed geweest op de keuze voor de nieuwbouw. Onder andere door deze zoektocht in de historie is het idee gegroeid om de nieuwe woning vorm te geven als een moderne schuurwoning met de eenvoudige uitstraling van de oude zathe/boerderij. In Damwâld zijn bij verschillende woningen informatiepanelen neergezet met een foto van het betreffende pand, zoals het er in vroegere tijden uitzag en met informatie over de bestemming van het pand. Het idee is om een dergelijk informatiepaneel over de Saeckma Zathe aan te brengen op de voorzijde van het kavel van de schuurwoning, zodat passanten dit kunnen lezen vanaf het fietspad.
2
Inpassings- en beeldkwaliteitsplan Hearewei 41 Damwâld 30-8-2023
Landschappelijke inpassingsprincipes Het ontwerp voor de nieuwe woning en de inrichting van het kavel is een antwoord op de landschappelijke en culturele context van de omgeving. Het plan reageert op een aantal manieren op deze context. Schuurwoning als ondergeschikt volume bij de bestaande woning Gekozen is voor een opzet waarbij de nieuwe woning zich ondergeschikt maakt aan de bestaande woning. Visueel zal de woning dus ondergeschikt zijn en niet te veel de aandacht trekken, zoals bijvoorbeeld een schuur of garage zich verhoudt tot een woning. Dit vraagt om een ontwerp van een strak, laag en eenvoudig gebouw waarbij alle functies in één sober bouwvolume worden ondergebracht, inclusief schuren, bergingen en garages. Positionering van de woning Om het bijgebouw-karakter van de schuurwoning te benadrukken, wordt de woning meer naar achteren op het perceel te geplaatst in de zone achter de lintbebouwing, waar op andere erven langs de Hearewei ook de schuren staan. De begrenzing van het bestaande erf volgt achterin de perceelsrichting van het historische verkavelingspatroon. De nieuwe woning wordt langs deze kavelgrens gesitueerd. Deze plaatsing, samen met de geringe afstand tussen de nieuwe woning en de begrenzing van het bestaande erf, zorgen in visueel opzicht voor een nauwe verbondenheid van de nieuwe bebouwing met het naastliggende bestaande erf.
De nieuwe woning staat hierdoor gedraaid in de richting van het historische verkavelingspatroon. Door de terugliggende situering en de zichtbaarheid van de hoekverdraaiing tussen de lintbebouwing en de daarachter gelegen agrarische percelen, zorgt de nieuwe woning voor een hernieuwde accentuering van het historische, gedraaide verkavelingsbeeld. Doorzicht behouden Kenmerkend voor het perceel is de blijvende open plek in de lintbebouwing. Als zodanig geeft de locatie vanaf de Hearewei zicht op het achterliggende open landschap. Door de positionering naar achteren blijft er openheid aanwezig in dit deel van het bebouwingslint. De breedte van het achterste deel van het woonkavel is ontworpen op 15 meter. Hierdoor is het mogelijk dat er een ruim deel van het planperceel als weiland kan worden ingericht en zo de openheid van het agrarisch landschap tot aan de Hearewei kan brengen. Het perceel wordt ingedeeld in een woonkavel en een weideperceel. De grens tussen de woonkavel en het weideperceel volgt, evenals de te bouwen woning zelf, de richting van de opstrekkende verkaveling die achter de lintbebouwing te vinden is. Zo wordt ook met het hekwerk van het weideperceel de opstrekkende verkaveling weer in beeld gebracht. Inrichting van de voortuin Ook de ‘voortuin’ van de woning draagt bij aan deze openheid.
Door een open inrichting met slechts enkele bomen en verder weinig opgaande beplanting, ontstaat maximaal contact vanaf de Hearewei met het achterliggende landschap. Het aan de weg gelegen deel van de woonkavel wordt ingericht tegen de cultuur-historische achtergrond van de Saeckma-zathe en -state. Een vormgeving met enkele bomen/boomgroepen en eenvoudige paden op een grasondergrond maken het terrein onderscheidend van andere voorterreinen langs de Hearewei. Inspiratie hiervoor is bijvoorbeeld de inrichting van de voortuin van Stania State. Er worden daarom inheemse bomen en planten gebruikt die op de states ook staan. De reeds aanwezig beuk in de noordwesthoek van het perceel, kan binnen dat beeld worden behouden.
3
Inpassings- en beeldkwaliteitsplan Hearewei 41 Damwâld 30-8-2023
Inpassingsplan
Plankaart
Stania State als inspiratie voor de voortuin: eenvoudige paden en inheemse bomen op een grasondergrond
4
Inpassings- en beeldkwaliteitsplan Hearewei 41 Damwâld 30-8-2023
Beeld van de woning De nieuwbouw wordt een schuurwoning c.q. een bouwvolume dat oogt als een ondergeschikt bouwwerk. Voor de architectonische uitwerking worden daarom de onderstaande uitgangspunten gehanteerd. • • • • • •
Een eenvoudig, lang gerekt volume van één laag met een kap in de lengterichting. De stijl is kantig met een plattegrond in de vorm van een rechthoek. Ook alle ‘bij’-functies (garage, schuurtje, etc.) worden ondergebracht in het volume. Materiaal- en kleurgebruik is sober en benadrukt de ondergeschiktheid van het bouwwerk. Gebruik van gedekte aardse kleuren en/of zwart en donkergrijs, voor zowel de gevel als het dak. Kozijnen, goten en vergelijkbare ondergeschikte bouwdelen worden in kleur- en materiaalgebruik afgestemd op het geheel. Deze bouwdelen dienen weg te vallen in het geheel en dus niet te uitgesproken worden vormgegeven en/of gekleurd. Eenvoudige, strakke detaillering.
referentiebeelden schuurwoning
5
Inpassings- en beeldkwaliteitsplan Hearewei 41 Damwâld 30-8-2023
bestemmingsplan Damwâld - Hearewei naast 41
Bijlage 2 Richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen
Bijlagen bij de regels (concept)
11
Inhoudsopgave Richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen
B-3
Schaalvergroting agrarisch erf: nieuwe stal of loods
B-5
Schaalvergroting agrarisch erf: mestsilo’s
B-7
Schaalvergroting agrarisch erf: voersilo’s
B-9
Schaalvergroting agrarisch erf: sleufsilo’s, mestplaten en mestbassins
B-11
Functieverandering agrarisch erf: niet-agrarische bedrijvigheid
B-13
Functieverandering agrarisch erf: wonen (ruimte voor ruimteregeling)
B-15
Functieverandering agrarisch erf: wonen in vrijkomende agrarische bebouwing
B-17
Nevenfunctie agrarisch erf of woonerf: paardenhouderijen
B-19
Nevenfunctie agrarisch erf of woonerf: kleinschalig kamperen
B-21
Nevenfunctie agrarisch erf: mestvergistingsinstallatie
B-23
Vervangende nieuwbouw
B-25
Verblijfsrecreatie
B-27
Uitbreiding van bedrijven in de commerciële zone
B-29
B-1
Richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen Inleiding
Ontwikkelingen
In de structuurvisie voor het buitengebied worden verschillende ontwikkelingen
Niet alle veranderingen in het buitengebied kunnen worden voorzien. In dit hoofdstuk
mogelijk gemaakt. De intentie van de gemeenten is om niet te beperkend te zijn in
komen de meest voorkomende en verwachte ontwikkelingen aan bod. Daarbij gaat
de ontwikkelingen die plaats kunnen vinden in het buitengebied, maar wel sterk te
het om:
sturen op de wijze waarop deze ontwikkelingen een plek krijgen in het landschap. Daarbij staat het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit voorop.
•
schaalvergroting agrarisch erf: nieuwe stal of loods;
De meeste ontwikkelingen in het buitengebied hangen samen met de veranderingen
•
schaalvergroting agrarisch erf: mestsilo’s;
rond het agrarisch bedrijf, zoals schaalvergroting, de groei van nevenactiviteiten
•
schaalvergroting agrarisch erf: voersilo’s;
en soms zelfs verandering van functie.Deze ontwikkelingen hebben impact op de
•
schaalvergroting agrarisch erf: sleufsilo’s;
uitstraling en de opzet van het agrarisch erf en daarmee op het buitengebied. In het
•
functieverandering agrarisch erf: niet-agrarische bedrijvigheid;
vervolg van deze structuurvisie wordt daarom ingegaan op de meest te verwachten
•
functieverandering agrarisch erf: wonen (ruimte-voor-ruimteregeling);
veranderingen in het buitengebied en de wijze waarop de gemeenten, met het oog
•
functieverandering agrarisch erf: wonen in vrijkomende agrarische bebouwing;
op de ruimtelijke kwaliteit, willen dat deze veranderingen gestalte krijgen in het
•
nevenactiviteit agrarisch erf: paardenhouderijen;
buitengebied.
•
nevenactiviteit agrarisch erf: kleinschalig kamperen;
•
nevenactiviteit agrarisch erf: mestvergistingsinstallatie;
•
vervangende nieuwbouw;
•
verblijfsrecreatie;
•
uitbreiding van bedrijven in de commerciële zone.
Richtlijnen In dit hoofdstuk worden daarom voor de meest voorkomende ontwikkelingen richtlijnen gegeven om de kwaliteit van het buitengebied nog verder te vergroten. Deze kwaliteitsrichtlijnen dienen voorafgaande aan de aanvraag als inspiratiebron, maar worden achteraf (na het indienen van een aanvraag) als toetsingskader gebruikt. Deze richtlijnen staan naast de gemeentelijke welstandsnota en kunnen als aanvullend toetsingskader worden beschouwd. In het buitengebied van de gemeenten zitten landschappelijke verschillen, waarbij vooral het contrast tussen het besloten woudenlandschap en de open gebieden van het terpen-, mieden- en polderlandschap van belang is. De opzet van de erven en de landschappelijke verschijningsvorm zijn dermate anders, dat dat verschil ook in de richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen doorvertaald is. Tussen de open gebieden wordt geen onderscheid gemaakt. De erven binnen deze gebieden zijn in grote mate vergelijkbaar.
B-3
Besloten landschap
Referentiebeelden stallen
Open landschap
Principes
Oorspronkelijke boerderij
Huidige boerderij met
met duidelijke scheiding
uitbreiding van stallen
Bestaande situatie
Bestaande situatie
Gewenste situatie na
Gewenste situatie na
Gewenst eindbeeld bij toekomstige
bouw nieuwe stal
bouw nieuwe stal
groei van boerderij
voor- en achtererf
Schaalvergroting agrarisch erf: nieuwe stal of loods Algemene richtlijnen
Karakteristiek Stallen en loodsen horen bij het boerenbedrijf. Om een gezonde bedrijfsvoering te kunnen houden, zijn (steeds) grotere stallen en schuren gewenst. Daarbij kan het gaan om het toevoegen van nieuwe, grote stallen of het vergroten van de bestaande. Op dit moment is te zien dat veel boerenbedrijven in de gemeente meerdere stallen bij hun boerderij hebben gebouwd. Deze schaalvergroting is vooral ten koste gegaan van de erfbeplanting rond de oorspronkelijke boerderij. Bovendien is de oorspronkelijke tweedeling van het erf tussen woondeel en werkgedeelte vertroebeld geraakt.
Aandachtspunten De groei van het boerenerf zal de komende jaren doorzetten. Belangrijk aandachtspunt is daarbij hoe deze nieuwe, grote erven in het landschap worden ingepast zonder daarbij de landschappelijke kwaliteiten te schaden. De gemeente realiseert zich dat de locatie en positie van nieuwe stallen ook mede wordt bepaald door het efficiënt kunnen uitvoeren van de bedrijfsvoering. Daarom zullen in de afweging voor de geschikte positionering op het erf zowel de landschappelijke aspecten als aspecten vanuit de bedrijfsvoering worden betrokken.
Inpassing en situering: • Naarmate de stal of loods groter is, is een groter erf rondom gewenst. • Vasthouden aan de bestaande hiërarchie op het erf (hoofdgebouw met bijgebouwen). • Stallen of loodsen liggen ten minste 10 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw (de bestaande boerderij). • Streven naar een ruimtelijke scheiding tussen woonerf en bedrijfserf en versterking van beide erven. • Vormgeven van goede overgangen van het erf naar de omgeving middels streekeigen erfbeplantingen (zie de landschappelijke karakteristiek). Bebouwing: • De nieuwe bebouwing is eenvoudig en rechthoekig van vorm. • De nieuwe bebouwing is voorzien van een kap, waarbij de kapvorm aansluit bij de bestaande bebouwing. • De nieuwe bebouwing heeft een (visueel) lage gootlijn richting het landschap (daadwerkelijk lage goot of dakoverstek) of is door beplanting aan het zicht onttrokken. Overig: • Er wordt een goed en gedetailleerd erfinrichtingsplan gevraagd. • Eventuele extra waterberging in de vorm van verbrede sloten of nieuwe sloten passend in de verkavelingsrichting. • Lichtuitstraling van de stallen of loodsen wordt zoveel mogelijk beperkt door gebruik te maken van objectgerichte verlichting en afsluitbare schermen voor (half)open windgaaswanden. • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot verrommeling van het erf.
Onder verrommeling van het erf wordt verstaan een onduidelijke erforganisatie, waarbij hiërarchie op het erf ontbreekt en/of het ontbreken van een zichtbaar onderscheid tussen erf en omgeving.
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap) • • • •
Vasthouden aan de langgerekte opzet van het erf. Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant. Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens. Kleur- en materiaalgebruik in gedekte tinten en matte afwerking passend in omringende landschap.
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap) •
40% Perceelsbeplanting
75%
• • •
Bij vergroting of verandering van het erf, rekening houden met de oorspronkelijke opzet van het erf (grillig, rechthoekig) en de richting van het landschap. Beplanting in ieder geval aan 2 zijden, waarvan 2 hoeken, 40% van de perceelsgrenzen beplant. Kloeke beplanting: bomen met onderbegroeiing van heesters. Kleur van nieuwe bebouwing in donkere, aarden tinten; materiaal in matte afwerking, opgaand in silhouet van het erf en in het landschap. B-5
Besloten landschap
Open landschap
Principes
NIET
WEL
Geen mestsilo’s voor de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw Bestaande situatie
Bestaande situatie
Gewenste situatie
Gewenste situatie
na bouw mestsilo
na bouw mestsilo
NIET
NIET
Mestsilo in lichte (geen gedekte) kleurstelling
WEL
Mestsilo in gedekte kleurstelling
Streven naar een zo compact mogelijk erf.
WEL
Schaalvergroting agrarisch erf: mestsilo’s Karakteristiek Silo’s zijn onderdeel van een moderne agrarische bedrijfsvoering. Mestsilo’s komen steeds vaker voor bij de hedendaagse boerderij. Door hun omvang en hoogte zijn ze beeldbepalend in het hedendaagse landschap.
Aandachtspunten Door hun omvang en grootte hebben mestsilo’s een sterke ruimtelijke impact. Om met de komst van de silo een meerwaarde te kunnen genereren voor het landschap is versterking van de erfinrichting en de erfbeplanting een belangrijk speerpunt.
Algemene richtlijnen Inpassing en situering: • De silo’s worden niet direct in het zicht van de openbare weg gesitueerd. • De silo’s liggen achter de achtergevelrooilijn van het oorspronkelijke hoofdgebouw. • De silo’s bij voorkeur plaatsen op het bestaande erf. • Bij de positionering van de silo’s wordt aansluiting gezocht bij de ligging van de overige bebouwing op het erf. • Waar mogelijk clusteren van silo’s, zowel op het erf als daarbuiten, tenzij wordt aangetoond dat dit om bedrijfstechnische redenen niet mogelijk is. In dat geval wordt gezocht naar een passend alternatief. • Streven naar een zo compact mogelijke erfopzet. • Vormgeven van goede overgangen van het erf naar de omgeving middels streekeigen erfbeplantingen (zie de landschappelijke karakteristiek). Bebouwing: • De hoogte van de silo is bij voorkeur lager dan de hoogte van het hoofdgebouw en bedraagt maximaal 5 m (exclusief afdekking). • Kleur- en materiaalgebruik is afgestemd op de omgeving (gedekte kleuren). Overig: • Een goed en gedetailleerd inrichtingsplan is vereist. • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot verrommeling van het erf. Onder verrommeling van het erf wordt verstaan een onduidelijke erforganisatie, waarbij hiërarchie op het erf ontbreekt en/of het ontbreken van een zichtbaar onderscheid tussen erf en omgeving.
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap) • • •
Vasthouden aan de langgerekte opzet van het erf in het geval het erf vergroot moet worden. Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant. Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens.
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap) • • •
Bij vergroting of verandering van het erf, rekening houden met de oorspronkelijke opzet van het erf (grillig, rechthoekig) en de richting van het landschap. Beplanting in ieder geval aan 2 zijden, waarvan 2 hoeken, 40% van de perceelsgrenzen beplant. Kloeke beplanting: bomen met onderbegroeiing van heesters.
B-7
Besloten landschap
Open landschap
Principes
NIET
WEL
Geen voersilo’s voor de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw Bestaande situatie
Bestaande situatie
NIET
WEL
Waar mogelijk clusteren van voersilo’s
NIET
Bij voorkeur clustering van silo’s
WEL
Gewenste situatie na
Gewenste situatie na
bouw voersilo
bouw voersilo
NIET
Silo’s met erfbeplanting afschermen
WEL
NIET
WEL
Bij voorkeur gedekt kleurgebruik van silo’s
Schaalvergroting agrarisch erf: voersilo’s Karakteristiek Voersilo’s zijn niet weg te denken bij de hedendaagse boerderij. Op de meeste erven is inmiddels meer dan 1 voersilo aanwezig.
Aandachtspunten Voersilo’s bepalen voor een belangrijk deel het silhouet van een agrarisch erf. De positionering en clustering van silo’s op het erf is een belangrijk aandachtspunt.
Algemene richtlijnen Inpassing en situering: • De silo’s worden niet direct in het zicht van de openbare weg gesitueerd. • De silo’s liggen achter de achtergevelrooilijn van het oorspronkelijke hoofdgebouw. • De silo’s bij voorkeur plaatsen op het bestaande erf. • Bij de positionering van de silo’s wordt aansluiting gezocht bij de ligging van de overige bebouwing op het erf. • Waar mogelijk clusteren van silo’s, tenzij wordt aangetoond dat dit om bedrijfstechnische redenen niet mogelijk is. In dat geval wordt gezocht naar een passend alternatief. • Vormgeven van goede overgangen van het erf naar de omgeving middels streekeigen erfbeplantingen (zie de landschappelijke karakteristiek). Bebouwing: • De hoogte van de silo is bij voorkeur lager dan de hoogte van het hoofdgebouw. • Kleur- en materiaalgebruik is afgestemd op de omgeving (gedekte kleuren). Overig: • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot verrommeling van het erf. Onder verrommeling van het erf wordt verstaan een onduidelijke erforganisatie, waarbij hiërarchie op het erf ontbreekt en/of het ontbreken van een zichtbaar onderscheid tussen erf en omgeving.
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap) • • •
Vasthouden aan de langgerekte opzet van het erf in het geval het erf vergroot moet worden. Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant. Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens.
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap) • • •
Bij vergroting of verandering van het erf, rekening houden met de oorspronkelijke opzet van het erf (grillig, rechthoekig) en de richting van het landschap. Beplanting in ieder geval aan 2 zijden, waarvan 2 hoeken, 40% van de perceelsgrenzen beplant. Kloeke beplanting: bomen met onderbegroeiing van heesters.
B-9
Besloten landschap
Open landschap
Principes
Sleufsilo NIET kaal aan de rand van het erf
Bestaande situatie
Bestaande situatie
Sleufsilo inpassen met erfbeplanting
Gewenste situatie na
Gewenste situatie na
komst sleufsilo
komst sleufsilo
NIET
WEL
Sleufsilo’s op het voorerf
Sleufsilo’s op het achtererf
Sleufsilo inpassen met lage grondwal
Schaalvergroting agrarisch erf: sleufsilo’s, mestplaten en mestbassins Karakteristiek Silo’s zijn onderdeel van een moderne agrarische bedrijfsvoering. Sleufsilo’s vragen veel ruimte op het erf. Meestal liggen ze aan de rand. Hun ruimtelijke impact is vanwege de hoogte gering. Als in de richtlijnen over sleufsilo’s wordt gesproken worden daarmee ook mestplaten,
Algemene richtlijnen Inpassing en situering: • De silo’s worden niet direct in het zicht van de openbare weg gesitueerd. • De silo’s liggen achter de achtergevelrooilijn van het oorspronkelijke hoofdgebouw. • Waar mogelijk clusteren van silo’s, zowel op het erf als daarbuiten, tenzij wordt aangetoond dat dit om bedrijfstechnische redenen niet mogelijk is. In dat geval wordt gezocht naar een passend alternatief.
mestbassins en mestzakken bedoeld.
Aandachtspunten Door de ligging aan de rand van het erf, springen sleufsilo’s (en met name de opslag zelf) in beeld als de landschappelijke inpassing van het erf onvoldoende is.
Bebouwing: • De hoogte van de opstaande randen van de sleufsilo is niet hoger dan noodzakelijk voor de opslag. • Kleur- en materiaalgebruik is afgestemd op de omgeving (gedekte kleuren). Overig: • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot verrommeling van het erf. Onder verrommeling van het erf wordt verstaan een onduidelijke erforganisatie, waarbij hiërarchie op het erf ontbreekt en/of het ontbreken van een zichtbaar onderscheid tussen erf en omgeving.
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap) • • •
Vasthouden aan de langgerekte opzet van het erf in het geval het erf vergroot moet worden. Sleufsilo’s worden aan het zicht onttrokken door beplanting (geen lage grondwallen). Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant. Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens.
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap) • • •
Bij vergroting of verandering van het erf, rekening houden met de oorspronkelijke opzet van het erf (grillig, rechthoekig) en de richting van het landschap. Sleufsilo’s worden aan het zicht onttrokken door beplanting of lage grondwallen. Beplanting in ieder geval aan 2 zijden, waarvan 2 hoeken, 40% van de perceelsgrenzen beplant. Kloeke beplanting: bomen met onderbegroeiing van heesters.
B-11
Besloten landschap
Open landschap
Principes
NIET
Voorbeelden boerderijen met niet-agrarische functie
Bestaande situatie
Bestaande situatie
Gewenste situatie
Gewenste situatie na
na functiewijziging
functiewijziging
WEL
Eventuele nieuwbouw is ondergeschikt aan het hoofdgebouw, respecteert bestaande rooilijnen en heeft een rechthoekige plategrond
NIET
WEL
De hoofdmassa van de oorspronkelijke boerderij moet worden gerespecteerd
Functieverandering agrarisch erf: niet-agrarische bedrijvigheid Karakteristiek
Algemene richtlijnen
De verwachting is dat het aantal agrarische bedrijven in de
Daarbij kan de functieverandering plaatsvinden binnen de
Inpassing en situering: • De grootte van het bestaande erf blijft gehandhaafd. • Wijzigingen in bouwmassa’s zorgvuldig inpassen in het bestaande erf, waarbij waardevolle erfbeplanting wordt gespaard. • Rekening houden met de schaal van het erf, de richting van het landschap en de richting van de bebouwing op het erf. • Vasthouden aan de bestaande hiërarchie op het erf (hoofdgebouw met eventuele bijgebouwen). • Bestaande hoofdgebouw is ‘blikvanger’.
bestaande bouwvolumes of gepaard gaan met de sloop van
•
gemeente zal afnemen. Deze bedrijven kunnen van functie veranderen. Ook kan niet-agrarische bedrijvigheid een plek krijgen in bestaande vrijkomende agrarische bebouwing.
Vormgeven van goede overgangen van het erf naar de omgeving middels streekeigen erfbeplantingen (zie de landschappelijke karakteristiek).
een pand en vervangende nieuwbouw.
de verandering zodanig te sturen dat een meerwaarde
Bebouwing: • De hoofdvorm van de oorspronkelijke boerderij moet herkenbaar blijven; • De vorm van de eventuele nieuwe bebouwing refereert aan de oorspronkelijke bedrijfsbebouwing en heeft een rechthoekige basisplattegrond en is voorzien van een kap. • De oppervlakte van nieuwe, vervangende bebouwing mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte aan bebouwing.
ontstaat voor het erf en het landschap. De aankleding en
•
Aandachtspunten Bij functieverandering van agrarische bedrijven is het streven
inrichting van het erf verdient bijzondere aandacht. Voordat met een functieverandering wordt ingestemd wordt eerst gekeken naar de vigerende milieuwetgeving ten aanzien van afstanden (vooral woningen) tot agrarische bedrijven in het buitengebied.
Bijgebouwen zijn ondergeschikt en in vormgeving afgestemd op bestaande bebouwing.
Overig: • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot verrommeling van het erf. Onder verrommeling van het erf wordt verstaan een onduidelijke erforganisatie, waarbij hiërarchie op het erf ontbreekt en/of het ontbreken van een zichtbaar onderscheid tussen erf en omgeving. • Parkeren vindt plaats op eigen terrein achter de voorgevelrooilijn van de oorspronkelijke boerderij. • Bij beëindiging agrarische functie wordt afhankelijk van de nieuwe functie bekeken of overbodige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesaneerd. • Buitenopslag is niet toegestaan. • Functieverandering binnen kassen is niet toegestaan. • Lichtuitstraling zoveel mogelijk beperken en mag in ieder geval geen hinder geven voor omringende bestaande bebouwing. • Het bestaande oppervlak aan bebouwing geldt als maximum. • Reclame-uitingen staan in de nabijheid van de toegang van het perceel en zijn bescheiden van aard (geen lichtreclame, geen reflecterende of felle kleuren, geen mechanisch bewegende delen en niet meer dan één reclame-uiting per perceel).
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap) • • • •
Vasthouden aan de langgerekte opzet van het erf in het geval het erf vergroot moet worden. Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant. Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens. Kleur- en materiaalgebruik in gedekte tinten en matte afwerking passend in omringende landschap.
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap) • • •
Bij vergroting of verandering van het erf, rekening houden met de oorspronkelijke opzet van het erf (grillig, rechthoekig) en de richting van het landschap. Beplanting in ieder geval aan 2 zijden, waarvan 2 hoeken, 40% van de perceelsgrenzen beplant. Kloeke beplanting: bomen met onderbegroeiing van heesters.
•
Kleur van nieuwe bebouwing in donkere, aarden tinten; materiaal in matte afwerking, opgaand in silhouet van het erf en in het landschap.
B-13
Besloten landschap
Open landschap
Principes
NIET
WEL
Het bestaande hoofdgebouw blijft blikvanger Bestaande situatie
Bestaande situatie
NIET De nieuwe woning ligt teruggerooid ten opzichte van het
Referentiebeelden woningen buitengebied
Gewenste situatie na
Gewenste situatie na
bouw nieuwe woning
functiewijziging
bestaande hoofdgebouw
WEL
Functieverandering agrarisch erf: wonen (ruimte voor ruimteregeling) Karakteristiek Door verschillende ontwikkelingen in de agrarische sector zijn sommige boeren genoodzaakt hun bedrijf te beëindigen. Een mogelijke nieuwe invulling kan het oprichten van één of meerdere woningen zijn. Zo kan de karakteristiek van het boerenerf met meerdere gebouwen behouden blijven zonder dat verpaupering van ongebruikte opstallen ontstaat. De ruimte-voor-ruimteregeling speelt hier op in. Met de sloop van overbodige agrarische opstallen kan het recht worden verkregen een nieuwe woning te bouwen.
Aandachtspunten De bouw van een woning op een erf zal zodanig moeten plaatsvinden dat dit een meerwaarde oplevert voor het boerenerf in zijn totaliteit. Niet-karakteristieke opstallen worden verwijderd, waar een woning voor in de plaats kan komen. Ook kunnen in het oude schuurgedeelte één of meer wooneenheden worden gerealiseerd. De aankleding en inrichting van het erf met karakteristieke beplanting is een aandachtspunt.
Algemene richtlijnen Inpassing en situering: • Rekening houden met de schaal van het erf, de richting van het landschap en de richting en samenhang van de bebouwing op het erf. • Vasthouden aan de bestaande hiërarchie op het erf (hoofdgebouw met bijgebouwen). • Bestaande hoofdgebouw blijft ‘blikvanger’. • Vormgeven van goede overgangen van het erf naar de omgeving middels streekeigen erfbeplantingen (zie de landschappelijke karakteristiek). Bebouwing: • De nieuwe woning heeft een rechthoekige basisplattegrond die refereert aan de voormalige agrarische bebouwing. • De nieuwe woning is voorzien van een kap en een lage gootlijn richting het landschap. • De nieuwe woning heeft gedekte tinten en natuurlijke materialen. • Bijgebouwen zijn ondergeschikt en in vormgeving afgestemd op bestaande bebouwing. Overig: • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot verrommeling van het erf. Onder verrommeling van het erf wordt verstaan een onduidelijke erforganisatie, waarbij hiërarchie op het erf ontbreekt en/of het ontbreken van een zichtbaar onderscheid tussen erf en omgeving. • Een goed en gedetailleerd erfinrichtingsplan is vereist.
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap) • • • • • •
Vasthouden aan de langgerekte opzet van het bestaande erf. Nieuwe woning krijgt eigen erf, passend in de langgerekte verkavelingsrichting. Nieuwe erf heeft eigen ontsluitingsweg. De kopgevel van de nieuwe woning is maximaal 10 meter breed om verstening van het aanzicht vanaf de weg te voorkomen. Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant. Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens.
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap) • • • • • •
Rekening houden met de oorspronkelijke opzet van het erf (grillig, rechthoekig) en de richting van het landschap. Nieuwe woning onderdeel van het bestaande erf, waarbij de opzet van het bestaande erf uitgangspunt is en de grootte van het bestaande erf gehandhaafd blijft. Een ontsluitingsweg voor het hele erf. Nieuwe woning is ondergeschikt gepositioneerd ten opzichte van het hoofdgebouw (de bestaande boerderij). Beplanting in ieder geval aan 2 zijden, waarvan 2 hoeken, 40% van de perceelsgrenzen beplant. Kloeke beplanting: bomen met onderbegroeiing van heesters. B-15
Besloten landschap
Open landschap
Principes
In geval bestaande opstallen blijven:
NIET Bestaande situatie
Bestaande situatie
WEL
Het bestaande hoofdgebouw moet herkenbaar blijven
In geval opstallen worden vervangen:
Gewenste situatie na Gewenste situatie na
functieverandering (de
functieverandering (de
bestaande stal is een
bestaande stal is een
suggestie, alle stallen
suggestie, alle stallen
mogen blijven staan of
mogen blijven staan of
worden verwijderd)
worden verwijderd)
Referentiebeelden wonen in boerderijen
NIET
WEL
De vorm van eventuele nieuwe bebouwing sluit aan bij oorspronkelijke bebouwing
Functieverandering agrarisch erf: wonen in vrijkomende agrarische bebouwing Karakteristiek Door verschillende ontwikkelingen in de agrarische sector zijn sommige boeren genoodzaakt hun bedrijf te beëindigen. De verwachting is dat het aantal agrarische bedrijven in de gemeente zal afnemen. Hierdoor zal veel agrarische bebouwing haar functie verliezen. Steeds meer mensen zoeken juist woonruimte op het platteland, vaak met schuurruimte voor de uitoefening van nevenactiviteiten.
Aandachtspunten Uitgangspunt is dat het bestaande hoofdgebouw gehandhaafd blijft. De aankleding en de inrichting van het erf moeten worden afgestemd op de karakteristiek van het deelgebied en verdienen bijzondere aandacht.
Algemene richtlijnen Inpassing en situering: • De grootte van het bestaande erf blijft gehandhaafd. • Wijzigingen in bouwmassa’s zorgvuldig inpassen in het bestaande erf, waarbij waardevolle erfbeplanting wordt gespaard. • Rekening houden met de schaal van het erf, de richting van het landschap en de richting en de samenhang van de bebouwing op het erf. • Vasthouden aan de bestaande hiërarchie op het erf (hoofdgebouw met eventuele bijgebouwen) en bestaande rooilijnen respecteren. • Het hoofdgebouw blijft ‘blikvanger’. • Vormgeven van goede overgangen van het erf naar de omgeving middels streekeigen erfbeplantingen (zie de landschappelijke karakteristiek). • Bebouwing: • De hoofdvorm van de oorspronkelijke boerderij moet herkenbaar blijven. • De vorm van eventuele nieuwe bebouwing refereert aan de oorspronkelijke bedrijfsbebouwing, heeft een rechthoekige basisplattegrond en is voorzien van een kap. • De oppervlakte van nieuwe, vervangende bebouwing mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte aan bebouwing. • Eventuele nieuwe bebouwing zoveel mogelijk aansluiten bij bestaande bebouwingsclusters. • Bijgebouwen zijn ondergeschikt en in vormgeving afgestemd op bestaande bebouwing. • Eventuele bebouwing heeft gedekte tinten en natuurlijke materialen.
Overig: • Bij beëindiging agrarische functie streven naar de sanering van agrarische bedrijfsbebouwing die geen nieuwe functie kan krijgen en daarmee overbodig is geworden en uit oogpunt van landschap, cultuurhistorie of architectonische vormgeving als beeldverstorend wordt aangemerkt. • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot verrommeling van het erf. Onder verrommeling van het erf wordt verstaan een onduidelijke erforganisatie, waarbij hiërarchie op het erf ontbreekt en/of het ontbreken van een zichtbaar onderscheid tussen erf en omgeving. • Een goed en gedetailleerd erfinrichtingsplan is vereist. • Buitenopslag is niet toegestaan.
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap) • • •
Vasthouden aan de langgerekte opzet van het erf. Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant. Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens.
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap) • • •
Rekening houden met de oorspronkelijke opzet van het erf (grillig, rechthoekig) en de richting van het landschap. Beplanting in ieder geval aan 2 zijden, waarvan 2 hoeken, 40% van de perceelsgrenzen beplant. Kloeke beplanting: bomen met onderbegroeiing van heesters.
B-17
Besloten landschap
Open landschap
Principes
NIET Bestaande situatie
Bestaande situatie
NIET
Op het erf afrastering bij voorkeur voorzien van een haag
Gewenste situatie na
Gewenste situatie na
komst paardenhouderij
komst paardenhouderij
Geen witte afrasteringen
WEL
Indien mogelijk voorzieningen voor paarden op het bestaande erf inpassen
WEL
Bestaande hiërarchie handhaven; paardenbak achter voorgevelrooilijn
Afrastering van natuurlijke materialen in gedekte tinten
In buitengebied afrastering bij voorkeur van linten
Nevenfunctie agrarisch erf of woonerf: paardenhouderijen Karakteristiek Paardenhouderijen zijn in opkomst in het landelijk gebied. In het landschap wordt dat steeds sterker zichtbaar door hekwerken en afrasteringen van paardenweiden. Bij een paardenhouderij horen allerlei bouwwerken, variërend van stapmolens tot longeerinrichtingen en paardenbakken. Paddocks zijn doorgaans rechthoekig en omheind en worden gebruikt voor het buiten stallen van paarden wanneer er geen wei aanwezig is of de wei (met name in de herfst en winter) onbegaanbaar is. Longeercirkels
Algemene richtlijnen Inpassing en situering: • Voorzover mogelijk nieuwe voorzieningen inpassen op het bestaande erf. Bij vergroting van het erf rekening houden met de opzet van het erf en de richting van het landschap. Paardenweiden vallen buiten het erf. • Zoveel mogelijk aansluiten bij bestaande bebouwingsclusters en concentreren van bebouwing en faciliteiten. • Vasthouden aan de bestaande hiërarchie op het erf (hoofdgebouw met bijgebouwen). • Grote voorzieningen met veel ruimtelijke impact (zoals paddocks, longeerinrichtingen en paardenbakken) aansluiten bij bestaande bebouwingsclusters. • Vormgeven van goede overgangen van het erf naar de omgeving middels streekeigen erfbeplantingen (zie de landschappelijke karakteristiek). Afrastering: • Afrasteringen op het erf van natuurlijke materialen en passend in het landschap. • Afrastering van paardenweiden in de vorm van lintafrasteringen met een zo laag mogelijke houten ondersteuning.
en trainingsmolens zijn rond, met een diameter van 15 m tot 20 m. Ook deze trainingsfaciliteiten zijn omheind en hebben een trainingsbodem. De omheiningen variëren van aarden wallen met begroeiing tot palen met linten of vangrails tot hekwerken van hout of kunststof. Paardenbakken kenmerken zich door een rechthoekige trainingsbodem tot 1200 m² met daaromheen een omheining. Om ook in de avonduren te kunnen trainen, worden de trainingsfaciliteiten vaak voorzien van verlichting aan één zijde of meerdere zijden. Vanwege hun overeenkomstige opzet worden overdekte paardenbakken hier tot de stallen gerekend en worden die getoetst aan de daar gestelde richtlijnen.
Verlichting: • Niet meer en niet hogere verlichtingsmasten rond paardenbakken dan noodzakelijk voor goede trainingsmogelijkheid in avonduren. • De verlichtingsarmaturen mogen geen hinder geven voor mens en dier buiten de paardenbak. • Spreiding van licht moet worden voorkomen (bijvoorbeeld door gebruik van aangepaste armaturen, type lampen, kappen en de plaatsing van armaturen). Overig: • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot een afbreuk van de landschappelijke inpassing van het erf. • Opslag, stalling en dergelijke zoveel mogelijk achter de bestaande bebouwing en ten minste achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw. • Parkeren achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw als onderdeel van het erf. • Een goed en gedetailleerd erfinrichtingsplan is vereist. • Geen reclame-uitingen aan afrasteringen. • Maximaal twee uitritten per erf; één uitrit voor de paardenhouderij en één uitrit voor het woonhuis. • Reclame-uitingen staan in de nabijheid van de toegang van het perceel en zijn bescheiden van aard (geen lichtreclame, geen reflecterende of felle kleuren, geen mechanisch bewegende delen en niet meer dan één reclame-uiting per perceel).
Aandachtspunten Voorzieningen voor het houden van paarden horen deel uit te
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap)
maken van het boerenerf. Aansluiten bij de landschappelijke
• • • •
karakteristiek en het erf is uitgangspunt. Paardenbakken, paddocks, longeercirkels en trainingsmolens zijn op grond
Vasthouden aan de langgerekte opzet van het erf. Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant. Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens. Kleur- en materiaalgebruik in gedekte tinten, natuurlijke materialen en matte afwerking passend in omringende landschap.
van de Woningwet vergunningplichtig wanneer ze door een houten omheining worden begrensd. Voor het aanbrengen van
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap)
verlichting is een omgevingsvergunning vereist, waarin ook
• • •
nadere eisen worden gesteld met betrekking tot de afstand
Beplanting in ieder geval aan 2 zijden, waarvan 2 hoeken, 40% van de perceelsgrenzen beplant. Kloeke beplanting: bomen met onderbegroeiing van heesters. Kleur van nieuwe bebouwing in donkere, aarden tinten; materiaal in matte afwerking, opgaand in silhouet van het erf en in het landschap.
tot aangrenzende woonbebouwing. B-19
Besloten landschap
Open landschap
Principes
NIET
WEL
Verharding zoveel mogelijk beperken Bestaande situatie
Bestaande situatie
NIET
Referentiebeelden kleinschalig kamperen
Gewenste situatie na
Gewenste situatie na
komst kampeerterrein
komst kampeerterrein
WEL
Nieuwe bebouwing laten aansluiten bij bestaande bebouwingsclusters
Nevenfunctie agrarisch erf of woonerf: kleinschalig kamperen Karakteristiek Boeren en bewoners in het buitengebied zoeken steeds vaker naar andere inkomstenbronnen. Kleinschalig kamperen op het erf biedt daarvoor goede mogelijkheden. Daarbij gaat het om een vorm van kamperen, ondergeschikt aan de agrarische functie van het bedrijf of de woonfunctie, met een beperkt voorzieningenniveau. Het aantal standplaatsen bedraagt maximaal 25.
Aandachtspunten Witte caravans, campers en kleurrijke tenten zijn echte blikvangers op kampeerterreinen in het buitengebied. Een goede landschappelijke inpassing en afscherming van het kampeerterrein is een noodzakelijk streven.
Algemene richtlijnen Inpassing en situering: • Kampeerterrein is onderdeel van het agrarische erf of het woonerf. • Voor zover mogelijk kampeerterrein inpassen op het bestaande erf; bij vergroting van het erf rekening houden met de opzet van het erf en de richting van het landschap. • Vasthouden aan de bestaande hiërarchie op het erf (hoofdgebouw met bijgebouwen). • Bestaande hoofdgebouw blijft ‘blikvanger’. • Vormgeven van goede overgangen van het erf naar de omgeving middels streekeigen erfbeplantingen (zie de landschappelijke karakteristiek). Bebouwing: • Eventuele nieuwe bebouwing zoveel mogelijk aansluiten bij bestaande bebouwingsclusters. • In het geval er meerdere bebouwing komt, heeft de bebouwing een duidelijke verwantschap en is in ieder geval voorzien van een kap. • Eventuele bebouwing heeft gedekte tinten en natuurlijke materialen. • Bijgebouwen ondergeschikt en in vormgeving afgestemd op de bestaande bebouwing. Overig: • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot verrommeling van het erf. Onder verrommeling van het erf wordt verstaan een onduidelijke erforganisatie, waarbij hiërarchie op het erf ontbreekt en/of het ontbreken van een zichtbaar onderscheid tussen erf en omgeving. • Een goed en gedetailleerd erfinrichtingsplan is vereist. • Parkeren achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw als onderdeel van het erf.
• Kampeerterrein wordt ontsloten via bestaande uitrit van het erf (geen eigen ontsluiting) • Reclame-uitingen staan in de nabijheid van de toegang van het perceel en zijn bescheiden van aard (geen lichtreclame, geen reflecterende of felle kleuren, geen mechanisch bewegende delen en niet meer dan 1 reclame-uiting per perceel).
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap) • •
Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant. Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens.
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap) • • •
Rekening houden met de oorspronkelijke opzet van het erf (grillig, rechthoekig) en de richting van het landschap. Beplanting in ieder geval aan 2 zijden, waarvan 2 hoeken, 40% van de perceelsgrenzen beplant. Kloeke beplanting: bomen met onderbegroeiing van heesters. B-21
Besloten landschap
Open landschap
Bestaande situatie
Principes
Bestaande situatie Streven naar het ontwikkelen van een nieuw erf
Gewenste situatie na komst mestvergistingsinstallatie
Voorbeelden mestvergistingsinstallatie
Gewenste situatie na komst mestvergistingsinstallatie
Ligging van de mestvergistingsinstallaties achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw
Nevenfunctie agrarisch erf: mestvergistingsinstallatie Karakteristiek Met het oog op duurzaam produceren komen meer en meer mestvergistingsinstallaties op de boerenerven. Vooralsnog zijn dergelijke installaties alleen rendabel bij grote boerenbedrijven of een cluster van boerenbedrijven. De mestvergistingsinstallatie bestaat meestal uit een hoofdvergister en enkele navergisters.
Aandachtspunten Door hun aard en opzet zijn mestvergistingsinstallaties een aparte tak van het boerenbedrijf. Mestvergistingsinstallaties zijn bovendien groot van omvang. Daarmee zijn ze sterk beeldbepalend in het landschap. Aandachtspunt is om deze installaties zodanig in te passen dat de erforganisatie verbetert en het zicht op de installaties wordt beperkt.
Algemene richtlijnen Inpassing en situering: • Nieuw erf laten aansluiten bij bestaande bebouwingsclusters. • Vanwege hun aard en opzet, ontwikkelen van een nieuw erf en nieuwe erfopzet voor de mestvergisters met een eigen ontsluiting (maximaal 2). • Bij voorkeur de plaatsing van de mestvergisters niet direct in het zicht van de openbare weg. • Vasthouden aan de bestaande hiërarchie op het erf (hoofdgebouw met bijgebouwen). • Mestvergisters liggen achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw (bestaande boerderij). • Vormgeven van goede overgangen van het erf naar de omgeving middels streekeigen erfbeplantingen (zie de landschappelijke karakteristiek). Bebouwing: • Kleurgebruik in gedekte tinten, passend in het omringende landschap. Overig: • Er wordt een goed en gedetailleerd erfinrichtingsplan gevraagd. • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot verrommeling van het erf.Onder verrommeling van het erf wordt verstaan een onduidelijke erforganisatie, waarbij hiërarchie op het erf ontbreekt en/of het ontbreken van een zichtbaar onderscheid tussen erf en omgeving.
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap) • • •
Nieuwe erf heeft een langgerekte opzet. Vergistingsinstallatie wordt aan het zicht onttrokken door beplanting. Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant. Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens.
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap) • • •
Opzet van het nieuwe erf past in de richting van het landschap. Vergistingsinstallatie wordt aan het zicht onttrokken door beplanting. Beplanting in ieder geval aan 2 zijden, waarvan 2 hoeken, 40% van de perceelsgrenzen beplant. Kloeke beplanting: bomen met onderbegroeiing van heesters.
B-23
Besloten landschap
Open landschap
Principes
Bestaande situatie
Bestaande situatie
Bestaande situatie
WEL
NIET
Nieuwbouw passend in bestaande maat en schaal van het erf en aansluitend bij de karakteristiek van de bebouwing in het buitengebied
Gewenste situatie na vervangende nieuwbouw: links eerste optie,
Gewenste situatie na vervangende nieuwbouw: links eerste optie,
rechts tweede optie mits goede totaalvisie op woning en erf
rechts tweede optie mits goede totaalvisie op woning en erf
Referentiebeelden woningen buitengebied
Vervangende nieuwbouw Karakteristiek Sommige woningen of boerderijen in het buitengebied verkeren in een slechte staat van onderhoud. Ook zijn er sterk verouderde woningen die door hun beperkte grootte en voorzieningen niet meer voldoen aan de eisen van de huidige tijd. Op dat moment kan de eigenaar/koper van het pand besluiten de bestaande opstallen te slopen en ter vervanging een nieuwe (grotere) woning te bouwen.
Aandachtspunten De nieuwbouw van een woning vindt plaats op een bestaand erf. Daarom wordt gestreefd naar een herbouw die qua maat en schaal aansluit bij de bestaande bebouwing, tenzij de omvang van bestaande bebouwing niet representatief is voor de huidige eisen en normen voor een woning. Het maximum bouwoppervlak voor een nieuwe woning is 150m2.. De aankleding en inrichting van het erf moeten een goede overgang van het erf naar de omgeving kunnen waarborgen. Afstemming op de karakteristiek van een deelgebied is noodzakelijk.
Algemene richtlijnen Inpassing en situering: • De huidige opzet van het erf en de ligging, oriëntatie en nokrichting van het hoofdgebouw vormen het vertrekpunt. • De bestaande voorgevelrooilijn wordt gerespecteerd, tenzij de vormgeving en uitstraling van de woning een andere rooilijn rechtvaardigt. • Rekening houden met de richting van het landschap en de richting en samenhang van de bebouwing in de directe omgeving. • Waardevolle erfbeplanting wordt gerespecteerd. • Vormgeven van goede overgangen van het erf naar de omgeving middels streekeigen erfbeplantingen (zie de landschappelijke karakteristiek). Bebouwing: • De karakteristiek van de nieuwe woning sluit aan bij de bebouwing in de directe omgeving of wijkt daar, mits goed vormgegeven en goed onderbouwd door een totaalvisie op erf, bebouwing en omgeving, bewust van af. • De nieuwe woning heeft een rechthoekige basisplattegrond die refereert aan de voormalige agrarische bebouwing. • De nieuwe woning is voorzien van een kap en een lage gootlijn richting het landschap. • De nieuwe woning heeft gedekte tinten en natuurlijke materialen. • Bijgebouwen zijn ondergeschikt en worden meeontworpen met het hoofdgebouw. Overig: • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot verrommeling van het erf.
Onder verrommeling van het erf wordt verstaan een onduidelijke erforganisatie, waarbij hiërarchie op het erf ontbreekt en/of het ontbreken van een zichtbaar onderscheid tussen erf en omgeving. • Een goed en gedetailleerd erfinrichtingsplan is vereist. • Het erf heeft één ontsluitingsweg.
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap) • • • •
Vasthouden aan de langgerekte opzet van het bestaande erf. De kopgevel van de nieuwe woning is maximaal 10 meter breed om verstening van het aanzicht vanaf de weg te voorkomen. Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant. Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens.
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap) • • • •
Rekening houden met de oorspronkelijke opzet van het erf (grillig, rechthoekig) en de richting van het landschap. Erf manifesteert zich als puntvormige groene verdichting in het landschap. Beplanting in ieder geval aan 2 zijden, waarvan 2 hoeken, 40% van de perceelsgrenzen beplant. Kloeke beplanting: bomen met onderbegroeiing van heesters. B-25
Besloten landschap
Open landschap
Principes
NIET
WEL
Nieuwe recreatieterreinen hebben een hiërarchische opzet en presenteren zich naar de openbare weg
Bestaande situatie
Referentiebeelden verblijfsrecreatie
Bestaande situatie
Inpassing bunga-
Inpassing bungalow-
lowpark met behoud
park met behoud en
landschappelijke
versterking landschap-
kenmerken
pelijke kenmerken
NIET Nieuwe recreatieterreinen hebben een ontsluitingsweg
WEL
NIET Bebouwing heeft gedekte kleuren
WEL
Verblijfsrecreatie Karakteristiek Binnen de gemeente zijn op dit moment al enkele verblijfsrecreatieterreinen (uitgezonderd het kleinschalig kamperen) te vinden. Terreinen met verblijfsaccomodaties kenmerken zich in het landschap door hun grotere schaal en hun mate van verdichting met vakantiewoningen. Ze hebben een introvert karakter, waardoor de interactie tussen het verblijfsrecreatieterrein en de omgeving zeer beperkt is. De terreinen zijn merendeels door boomsingels aan het zicht onttrokken.
Aandachtspunten Verblijfsrecreatie wordt slechts op enkele plekken en onder voorwaarden toegestaan. De landschappelijke inpassing van de terreinen is een belangrijk aandachtspunt.
Algemene richtlijnen Inpassing en situering: • Landschappelijk en/of cultuurhistorisch waardevolle elementen en patronen worden ingepast in het totaalontwerp van het recreatieterrein. • Zorgvuldige inpassing binnen de bestaande omgeving met respect voor de aanwezige beplanting. • Bij voorkeur clustering rond bestaande verdichtingen in het landschap. • Ontwikkelen van een goede overgang naar de omgeving, waarbij het beperken van het zicht op het terrein en het zorgvuldig vervlechten van terrein en omgeving uitgangspunt is. Interne organisatie en opzet: • Het recreatieterrein heeft een duidelijke entree (1 hoofdontsluitingsweg). • Het recreatieterrein heeft een duidelijke hiërarchische opzet. • Maximaal 30% van de recreatiewoningen heeft een voorkant naar het landelijk gebied (mits voorkanten van voldoende kwaliteit). • Geen opvallende hekwerken rond het recreatieterrein. Bebouwing: • De bebouwing op het terrein heeft een duidelijke verwantschap. • Bij nieuwbouw dient de hoofdvorm eenduidig te zijn en bij aanpassingen van individuele panden dient de hoofdvorm duidelijk herkenbaar te blijven. • De bebouwing dient helder en compact van vorm te zijn; een optelling van verschillende volumes en elementen moet worden voorkomen. • De bebouwing heeft gedekte tinten en natuurlijke materialen. • Bijgebouwen zijn ondergeschikt en meeontworpen met het hoofdgebouw.
Overig: • Een goed en gedetailleerd inrichtingsplan is vereist. • Verharding zoveel mogelijk beperken (parkeren kan op halfverharde of onverharde terreinen). • Parkeren is onderdeel van het terrein en de terreininrichting. • Lichtuitstraling zoveel mogelijk beperken en mag in ieder geval geen hinder geven voor omringende bestaande bebouwing • Reclame-uitingen staan in de nabijheid van de toegang van het perceel en zijn ingetogen van aard (geen lichtreclame, geen reflecterende of felle kleuren, geen mechanisch bewegende delen en niet meer dan 2 reclame-uitingen per perceel).
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap) • • •
Bestaande houtsingels en elzensingels zijn bepalend voor de wijze van inpassing in het landschap. Indeling en opzet van het recreatieterrein sluiten aan bij de dominante richting van het landschap en de schaal van het landschap. Beplanting accentueert verkavelingsrichting.
Richtlijnen voor open landschap (terpenlandschap, miedenlandschap, polderlandschap) • •
Het recreatieterrein toont zich als een groene, puntvormige verdichting in het open landschap. Bestaande verkaveling vormt het vertrekpunt voor de opzet en vormgeving van het recreatieterrein.
B-27
Lint Foarwei tussen De Westereen - Kollumerzwaag
Principes
WEL
WEL
NIET
Uitbreidingen alleen mogelijk achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw (de bestaande woning) Bestaande situatie
WEL
NIET
Vorm van eventuele nieuwe bebouwing heeft een rechthoekige basisplattegrond Mogelijke situatie na vergroting bedrijfsbebouwing met 25%.
B-28 Referentiebeelden bedrijfsbebouwing
Uitbreiding van bedrijven in de commerciële zone Karakteristiek In het bebouwingslint van de Foarwei tussen De Westereen en Kollumerzwaag staan veel woningen met bedrijven aan huis. Het lint heeft hierdoor het karakter van dorpsbebouwing waar woningen en bedrijven elkaar afwisselen. De levendigheid die dit met zich meebrengt is kenmerkend voor het lint.
Aandachtspunten De gemeenten bieden de mogelijkheid aan bedrijven om hun activiteiten verder te ontwikkelen en extra bedrijfsbebouwing te realiseren, waarbij de bestaande oppervlakte met 25% mag worden vergroot. Belangrijk uitgangspunt is dat het bedrijfserf representatief is en er (dus) verzorgd uit ziet.
Algemene richtlijnen Inpassing en situering: • Rekening houden met de schaal van het erf, de richting van het landschap en de richting en samenhang van de bebouwing op het erf. • Uitbreiding van de bedrijfsbebouwing achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw (de bestaande woning). • Waardevolle erfbeplanting wordt gerespecteerd. • Vormgeven van goede overgangen van het erf naar de omgeving middels streekeigen erfbeplantingen (zie de landschappelijke karakteristiek). Bebouwing: • De representatieve zijde van de (nieuwe) bedrijfsbebouwing is naar de openbare weg gekeerd. • De (nieuwe) bedrijfsbebouwing heeft een rechthoekige basisplattegrond. • De vormgeving van (nieuwe) bedrijfsbebouwing vertoont verwantschap met de bestaande bebouwing. • De (nieuwe) bedrijfsbebouwing is voorzien van een kap, waarbij de dakhelling is afgestemd op de bestaande bebouwing. • De (nieuwe) bedrijfsbebouwing heeft gedekte tinten en natuurlijke materialen. • Bijgebouwen zijn ondergeschikt en worden zoveel mogelijk beperkt. Overig: • Aanpassingen van het erf door nieuwbouw en gewijzigde erfopzet mogen niet leiden tot verrommeling van het erf. Onder verrommeling van het erf wordt verstaan een onduidelijke erforganisatie, waarbij hiërarchie op het erf ontbreekt en/of het ontbreken van een zichtbaar onderscheid tussen erf en omgeving. • Een goed en gedetailleerd erfinrichtingsplan is vereist.
• Buitenopslag buiten het zicht van de openbare weg en in ieder geval achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw (de bestaande woning). • Reclame-uitingen staan in de nabijheid van de toegang van het perceel en zijn ingetogen van aard (geen lichtreclame, geen reflecterende of felle kleuren, geen mechanisch bewegende delen en niet meer dan 2 reclame-uitingen per perceel).
B-29
bestemmingsplan Damwâld - Hearewei naast 41
Bijlage 3 Lijst bedrijven en beroepen aan huis
40
Bijlagen bij de regels (concept)
B i j l a g e L i j s t
3 :
b e d r i j v e n
b e r o e p e n
a a n
e n
h u i s
LIJST VAN TOEGESTANE BEROEPEN EN BEDRIJVEN AAN HUIS
Uitoefening van (para-)medische beroepen, waaronder: individuele praktijk voor huisarts, psychiater, psycholoog, fysiotherapie of bewegingsleer, voedingsleer, mondhygiëne, tandheelkunde, logopedie, enz. individuele praktijk dierenarts. Kledingmakerij: -
(maat)kledingmakerij en kledingverstelbedrijf;
-
woningstoffeerderij.
Kantoorfunctie ten behoeve van bedrijvigheid die elders wordt uitgeoefend, zoals: -