CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

VABPWeebosserweg71TOE.pdf

Gemeenteraad 22 april 2021, gemeente BergeijkBij agendapunt: RV Bestemmingsplan Weebosserweg 71, Bergeijk12.176 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In het Woon- en leefklimaat onderzoek van Agra-matic, dd 10 juli 2019 en dat in zijn geheel als bijlage aan de toelichting is toegevoegd zijn spuitzones als volgt beoordeeld; In dit geval zijn naastgelegen gronden in gebruik als weiland/maisland Er is geen sprake van houtige gewassen zoals fruitteelt of boomteelt waarbij verticaal wordt gespoten. De afstand vanaf de gevel tot de meest dichtbij gelegen weilanden aan de oostzijde van de langgevelboerderij is 20 meter. Bovendien zit er een houtwal tussen het weiland/maisland en de langgevelboerderij. Hierdoor wordt eventuele drift afgehouden. Omdat het in deze gaat om een bedrijfswoning die wordt herbestemd naar wonen is er in het kader van de beoordeling omtrent spuitzones tevens sprake van een bestaande ‘gevoelige functie’. Deze gevoelige functie wordt niet uitgebreid richting omliggende weilanden. Deze bestaande gevoelige functie (de bedrijfswoning) is reeds beschermd. Eventuele wijzigingen in de gewasteelt op omliggende agrarische percelen kan alleen, indien er op basis van locatieonderzoek wordt aangetoond dat de naastgelegen gevoelige functies hier niet onder te lijden hebben. Een dergelijke afwegingsmethodiek zit nu niet opgenomen in het bestemmingsplan 30

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Buitengebied. Indien gewenst kan er daarom bij de herbestemming een spuitzone van 30-50 meter worden opgenomen om het woon- en leefklimaat op de te herbestemmen woning te borgen. Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.7

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen en bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het wijzigen van de agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning komt niet voor in de C- of D-lijst. Er is geen noodzaak voor een vormvrije mer.

5.8

Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen; • Geluidsgevoelige terreinen Omdat sprake is van een geluidgevoelig object is aandacht nodig voor het aspect geluid; Wegverkeerslawaai Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van wegen.

Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. Op basis van artikel 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Het betreft in het plangebied het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een (burger)woning. Deze hoeft niet getoetst te worden aan de grenswaarden Wgh. Er wordt geen nieuw geluidsgevoelig BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

31

object toegevoegd. De wijziging wordt via het bestemmingsplan gerealiseerd en daarom hoeft er geen (nieuwe) hogere waarde te worden vastgesteld. Spoorweglawaai Dit aspect is niet aan de orde. Vliegtuiglawaai Dit aspect is niet aan de orde. Industrielawaai Dit aspect is niet aan de orde. Het aspect “Geluid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.9

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemminsplan is mogelijk als: • •

De concentratie stoffen in de lucht door de voorgenomen ontwikkeling verbetert of gelijk blijft; Bij beperkte toename van de concentratie, door een met de activiteit samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbeterd;

•

De toename, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Dit is het geval als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties PM10 of NO2 (max1,2 μg/m3).

Toetsing initiatief aan “niet in betekenende mate” begrip Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van “niet in betekenende mate” ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van “niet in betekenende mate” sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit bestemmingsplan betreft een wijziging van de bestemming en niet het bestemmen van extra woningen. Deze herziening is daarom een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening” Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en daarmee of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De GGD geeft op lokaal niveau advies over luchtkwaliteit in relatie tot gezondheid en ruimtelijke ordening.

Juist bij gevoelige bestemmingen nabij drukke wegen is het wenselijk dat de gemeente om advies vraagt aan de GGD. De ontwikkeling betreft geen gevoelige bestemming en is niet gelegen in de nabijheid van en drukke weg.

32

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Toch is inzicht gezocht in de luchtkwaliteit. In het Woon- en leefklimaat onderzoek van Agra-matic, dd 10 juli 2019 en dat in zijn geheel als bijlage aan de toelichting is toegevoegd is de luchtkwaliteit beoordeeld. De conclusie luidt als volgt; De fijn stof concentratie vanuit Weebosch 2 en Weebosserweg 67 zijn op de woning aan de Weebosserweg 71 berekend met rekenprogramma ISL3a. In dit rekenprogramma zijn dezelfde toetspunten als die in figuur 2 aangehouden. Uit de berekeningen blijkt dat de grenswaarde PM10 van 40 μg per m3 (jaargemiddelde) vanuit beide bedrijven niet wordt overschreden. De grootste concentratie PM10 wordt berekend vanuit de Weebosserweg 67 en bedraagt maximaal 23,60 μg/m3, waarbij het aantal overschrijdingsdagen niet wordt overschreden. Ook de grenswaarde PM2,5 wordt vanuit beide bedrijven niet overschreden. De grootste concentratie PM2,5 wordt berekend vanuit de Weebosserweg 67 en bedraagt maximaal 12,155 μg/m3. Dat betekent dat volgens de wetgeving de fijnstof concentratie op de woning aan de Weebosserweg 71 acceptabel is en er dus een verantwoord woon- en leefklimaat is ten aanzien van het aspect fijn stof. Het aspect “Luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Bodemkwaliteit Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Voor inzicht in de actuele bodemkwaliteit op het perceel is onderzoek (Verkennend bodemonderzoek, Lankelma dd 11 maart 2020) gedaan. Het onderzoek is in zijn geheel aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,5 m-mv overwegend uit matig fijn tot matig grof, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In het grondmengmonster MM1 (bovengrond) is analytisch een licht verhoogd gehalte met cadmium, lood en zink aangetoond. Deze concentraties overschrijden de achtergrondwaarden, doch overschrijden de interventiewaarden niet.

Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodemlaag indicatief als klasse wonen beschouwd worden. In de grondmengmonsters MM2 (bovengrond) en MM3 (ondergrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodemlaag indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden. Grondwater In het grondwater uit peilbuis B01 is analytisch een licht verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Deze overschrijdt de streefwaarde doch niet de interventiewaarde. Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten, slechts licht verhoogde gehalten in grond en grondwater, formeel worden aanvaard.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

33

Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Het aspect “Bodemkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.11 Externe Veiligheid De externe veiligheidsregelgeving is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet. Om voldoende ruimte aan te houden tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid rondom een risicobron kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit.

Het groepsrisico (GR) bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Ten behoeve van het wijzigen van de bestemming is er op basis van de Risicokaart geïnventariseerd in hoeverre er sprake is van veiligheidsgevaren vanuit de omgeving. Omdat met de wijziging geen nieuw kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object mogelijk wordt gemaakt kan volstaan worden met deze inventarisatie.

Uitsnede uit de Risicokaart met in rood aangeduid de projectlocatie; bron: risicokaart.nl Op basis van de risicokaart zijn er geen risicobronnen gevonden. De projectlocatie is niet gelegen 34

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

binnen een risicocontour of invloedsgebied. Het aspect “externe veiligheid”. Hierdoor en omdat geen nieuw kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object mogelijk wordt gemaakt, is het aspect externe veiligheid geen belemmering.

5.12 Technische infrastructuur Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het wijzigingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.

5.13 Gezondheid Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Middels de ‘Notitie handelsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid Endotoxine toetsingskader 1.0’ en bijbehorende afstandstabel kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. Als uit de tabel blijkt dat niet voldaan kan worden aan de afstand dan is het advies om negatief te besluiten op de ontwikkeling. Met behulp van de afstandsgrafiek is de afstand ten opzichte van gevoelige objecten bepaald om de blootstelling aan endotoxine te beoordelen. Met deze afstanden is het invloed gebied aangegeven waarbinnen endotoxinen tot een risico voor de volksgezondheid kunnen leiden. Tot op deze afstand wordt de advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk overschreden.

De afstand van het dichtstbijzijnde gevoelige object woning Weebosserweg 71 ten opzichte van het dichtstbijzijnde emissiepunt stal 7 pluimveebedrijf Weebosserweg 67 bedraagt ongeveer 160 meter. Uit de afstandsgrafiek blijkt dat er buiten de 359 meter op basis van 3.489 kg fijn stof PM10 afkomstig van het pluimveebedrijf in ieder geval geen overschrijding van de advieswaarde is te verwachten. De woning aan de Weebosserweg 71 ligt binnen de vereiste 359 meter. De advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Conclusie endotoxinen Het plangebied Weebosserweg 71 valt binnen de indicatieve risicocontour (30 EU/m3) van het pluimveebedrijf Weebosserweg 67. Dit betekent dat in beginsel m.b.t. endotoxine geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Echter verandert de ontwikkeling aan de Weebosserweg 71 niets aan de bestaande situatie m.b.t. de aanwezige woning. Deze woning blijft gehandhaafd waarbij alleen de functie van de agrarische bedrijfswoning gewijzigd wordt naar een niet-agrarische bedrijfswoning. Verder behoeft m.b.t. het functioneren van het pluimveebedrijf niet gevreesd te worden dat het project aan de Weebosserweg 71 voor extra belemmeringen zorgt omdat op kortere afstand van deze veehouderij nu al gevoelige objecten (burgerwoningen) zijn gelegen die maatgevend zijn. Op grond hiervan is de overschrijding van de norm van 30 EU/m3 aanvaardbaar.

Geitenhouderijen Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

35

huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De afstand tot de geitenhouderij aan de Weebosch 2 is dermate dat de risico’s voor volksgezondheid onvoldoende worden beperkt.

Echter verandert de ontwikkeling aan de Weebosserweg 71 niets aan de bestaande situatie m.b.t. de aanwezige woning. De woning blijft gehandhaafd waarbij alleen de functie wijzigt. Er wordt geen nieuwe woning (bij)gebouwd. De geitenhouderij hoeft niet te vrezen voor een extra belemmering van deze functiewijziging omdat op kortere afstand van de geitenhouderij nu al gevoelige objecten zijn gelegen die maatgevend zijn. Op grond hiervan is de afstand van 350 meter aanvaardbaar

5.14 Duurzaamheid De beoogde ontwikkeling maakt een “ontstening” van het landelijk gebied mogelijk. Het bouwplan voorziet daarmee in duurzaam ruimtegebruik.

36

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1

Verantwoording planvorm

Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Wat betreft systematiek van de integrale herziening is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). Er is sprake van een specifiek bestemmingsplan voor meerdere aaneengesloten kadastrale percelen, een postzegelplan. Het perceel ligt in het recente bestemmingsplan 2de herziening Buitengebied Bergeijk 2017, gedeeltelijk vastgesteld d.d. 24 april 2019. Dit postzegelplan sluit qua systematiek en bestemming zo veel mogelijk aan op dit bestemmingsplan.

6.2

Systematiek bestemmingen

De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. 1. Hoofdstuk 1 'Inleidende Regels' gaat in op de begripsomschrijvingen en de wijze van meten. 2. In hoofdstuk 2 van de regels - 'Bestemmingsregels’- wordt een regeling gegeven voor de bestaande functies in het plangebied die positief zijn bestemd. Bepaald is welke vormen van gebruik en bouwwerken rechtstreeks (dus zonder voorafgaande wijziging of afwijking) zijn toegestaan. Indien een bepaalde vorm van bebouwing past binnen de doeleinden van de bestemming en voldaan is aan de bouwregels, dan kan hiervoor in de regel zonder meer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden verleend. 3. In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels weergegeven (anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels etc.). 4. In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotbepalingen opgenomen.

6.3

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel is omschreven wat in onderhavig plan onder een aantal van de in de regels gebruikte begrippen wordt verstaan. Wijze van meten In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de bouwregels van onderhavig plan moet worden gemeten. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het bestemmingsplan kent de bestemmingen Wonen, Agrarisch en de dubbelbestemmingen Archeologie – 4.1, 5.1 en 6. Hierna volgt een korte toelichting op deze bestemmingen. Wonen De gronden met bestemming ‘Wonen’ zijn bedoeld voor het gebruik van de voormalige agrarische bedrijfswoning als woning. Er zijn ook nog aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning toegestaan. Daarnaast kent deze bestemming voorwaardelijke verplichtingen. Eén van deze verplichtingen voorziet in de sloop van bestaande bebouwing. Daarnaast wordt voorzien in een verplichting die toeziet op de aanleg en het instandhouden van de landschappelijke inpassing. De inhoudsmaat van het hoofdgebouw en de oppervlakte van aan-, uitbouwen en overkappingen is specifiek in de regels opgenomen. Agrarisch Op het zuidelijke en westelijke deel van het perceel blijft de bestaande bestemming “Agrarisch” gelden zonder bouwmogelijkheden. Ook voor deze bestemming is de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing in de regels als verplichting opgenomen.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

37

Waarde – Archeologie 4.1, 5.1 en 6 Deze dubbelbestemmingen dienen ter bescherming van de (potentiele) archeologische waarden in de grond. Hiertoe zijn diverse bouwregels en regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden opgenomen.

Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen ten aanzien van ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn bepaalde specifieke gebruiksregels opgenomen voor het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen het gehele plangebied. Algemene aanduidingsregels De bestaande aanduiding ter bescherming van de aanwezige molenbiotoop is opgenomen in de algemene aanduidingsregels. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om afwijking te verlenen van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze bepaling wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Deze regeling is op grond van de Wro verplicht. Slotregel Als laatste wordt de slotbepaling opgenomen. Deze bepaling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsbepaling.

38

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De grond en het pand is in eigendom van een particulier waardoor er geen kosten zijn voor de gemeente als gevolg van de wijziging van de bestemming. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt ook de procedurele kosten. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt en de ontwikkeling wordt daardoor financieel uitvoerbaar geacht. Als met een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In deze procedure is de exploitatie gewaarborgd door een privaatrechtelijke -met de initiatiefnemer te sluiten- overeenkomst over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Voorgaand aan het besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan zal daarom worden besloten dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

39

Hoofdstuk 8 Procedure 8.1

Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt het bestemmingsplan “Weebosserweg 71” aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap de Dommel voorgelegd. Op deze wijze worden de Provincie en het Waterschap in de gelegenheid gesteld een reactie op het plan te geven. Op 18 februari 2021 heeft het Waterschap aangegeven in te stemmen met het plan. Enkele inhoudelijke opmerkingen zijn genoemd en verwerkt in de waterparagraaf van de toelichting.

8.2

Vervolg van de procedure

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening dient de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb in de Staatscourant en een huis-aan-huis blad te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan de wettelijke overlegpartners. Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Op 3 februari 2021 heeft de Provincie een zienswijze tegen het plan ingediend. Deze zienswijze heeft geleid tot een aanpassing van de Lir-berekening met als doel ze in overeenstemming te brengen met de beoogde bestemmingen. Ook heeft de zienswijze geleid tot het verwijderen van de mogelijkheid om met een vergunning delen binnen de bestemming Agrarisch te verharden en is de mogelijkheid voor het aanleggen van overige teeltondersteunende voorzieningen tot 3,5 ha binnen de bestemming Agrarisch uit de regels verwijderd. Tegen het besluit tot vaststelling staat direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Direct na de beroepstermijn treedt het plan in werking, tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt ingediend. In dat laatste geval wordt de werking van het vaststellingsbesluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.

40

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Separate bijlagen • • • • • •

Bijlage 1: Beplantingsplan Weebosserweg 71 Bijlage 2: Lir berekening Bijlage 3: Quickscan Natuurtoets Bijlage 4: Woon- en leefklimaat onderzoek Bijlage 5: Verkennend Bodemonderzoek Bijlage 6: Afhangen aan boerderijen, Ir. W. Beelen.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=4f72cc53-17a6-4988-97e7-a4bcc68f8ef1