Toelichting.pdf
Tekst van het document
Hiervoor zal eerste een BUS-melding gedaan moeten worden bij het BG. De gemeente Bergeijk zal deze asbestverontreiniging melden aan het BG, in casu ODZOB, art 41 Wbb.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Inleiding
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: -
Bedrijven;
-
Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water of via buisleidingen);
-
Hoogspanningslijnen.
4.8.2
Bedrijven
Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Binnen een afstand van 600 meter tot het plangebied zijn geen risico-objecten gelegen.
4.8.3 4.8.3.1
Transport Vervoer over het spoor
Op het grondgebied van de gemeente Bergeijk bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
34
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
4.8.3.2
Vervoer over de weg
Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande weg in de omgeving van het plangebied waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden is de Rijksweg A67 dan wel de autoweg N69 . Beide wegen liggen op een afstand van circa 6 kilometer tot het plangebied. Beïnvloeding zal niet plaats vinden. 4.8.3.3
Vervoer over het water
Binnen de gemeente Bergeijk vindt geen significant transport over water plaats. Dit aspect is dus niet van toepassing. 4.8.3.4
Vervoer via buisleidingen
In de omgeving van het plangebied is geen buisleiding gelegen. Beïnvloeding zal niet plaatsvinden.
4.8.4
Hoogspanningslijnen
In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen. Er kan dus ook geen interactie plaatshebben.
4.9
Bedrijven en milieuzonering
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. In de omgeving van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijfsbestemmingen gelegen. De agrarische bedrijvigheid is reeds toegelicht in paragraaf 4.2. Herontwikkeling van het plangebied is in het kader van Bedrijven en Milieuzonering geen bezwaar.
4.10 Besluit MER 4.10.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
35
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen. In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing.
Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.
4.10.2 Conclusie Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijk ontwikkeling is, als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
36
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
5.
NATUUR, ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE
5.1
Flora en Fauna
5.1.1
Inleiding
Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming.
5.1.2
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. In de omgeving van het plangebied is ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ het meest nabijgelegen natura 2000 gebied. Het natuurgebied bevindt zich op een afstand van circa 2 kilometer. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof.
De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator 2019 wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling berekend. Bij herbestemming van het plangebied is slechts sprake van de uitstoot van stikstof door toename van verkeersbewegingen. Met Aerius – Calculator 2019 is de consequentie hiervan op Natura 2000 gebieden in beeld gebracht. De ontwikkeling leidt (worst-case) tot een toename van autoverkeer van 6 verkeersbewegingen per dag. Realisatie van het plan leidt niet tot een toename van stikstof van meer dan 0,0 mol/ha/jaar. De rekenresultaten van de berekening zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
37
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
Het omzetten van agrarische bestemming naar ‘Wonen’ en de splitsing van de langgevelboerderij heeft geen negatieve invloed op het Natura 2000-gebied.
5.1.3 5.1.3.1
Soortenbescherming Inleiding
De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. 5.1.3.2
Beoordeling plangebied
Ter plaatse van het plangebied wordt overtollige bebouwing gesloopt in de vorm van een werktuigenloods en een stal. De langgevelboerderij zal planologisch worden gesplitst, de feitelijke splitsing zal later plaatsvinden. Ter plaatse worden geen landschapselementen verwijderd. Voor de algemene broedvogelsoorten die binnen het plangebied te verwachten zijn geldt dat, daar geen groen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Nesten kunnen aanwezig zijn binnen gebouwen. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien er toch binnen het broedseizoen
gewerkt
gaat
worden
dient
er
voorafgaand
aan
de
werkzaamheden
een
broedvogelinspectie plaats vinden. Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van sloopwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
38
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd. Alle vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ”het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vliegen foerageerroutes) beschermd zijn. Navolgende figuren geven een foto-beeld van de te slopen opstallen binnen het plangebied. De bestaande opstallen bieden geen goede verblijfplaats voor vleermuizen. Tussen de golfplaten en deze panelen is sprake van een continue luchtstroom. Ook in de spouw is een luchtstroom aanwezig. Alle opstallen verkeren in een dergelijke staat dat ter plaatse continu sprake is van tocht.
Vleermuizen prefereren locaties met stabiele klimatologische omstandigheden. Sloop van de opstallen binnen het plangebied heeft geen verlies van flora en fauna waarden tot gevolg wanneer de sloop buiten het broedseizoen plaatsvindt. Deze waarden worden versterkt door toevoeging van streekeigen beplanting. De beoogde herontwikkeling heeft daardoor geen negatief effect op flora en fauna. Vanuit de algemene zorgplicht dient evenwel tijdens de werkzaamheden continu gelet te worden op aanwezigheid van al dan niet beschermde planten en dieren. Bij aantreffen van planten en dieren moet worden voorkomen dat deze worden verstoord.
5.2
Archeologie
5.2.1
Wet op de archeologische monumentenzorg
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Voor archeologische waarden geldt per 1 september 2007 op basis van de gewijzigde Monumentenwet 1988 de wettelijke verplichting om bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten monumenten. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Europese Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt omgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.
5.2.2
Erfgoedbeleid Kempen- en A2 gemeenten
De gemeente Bergeijk heeft in samenwerking met het SRE, de gemeente Oirschot, Reusel-De Mierden, Bladel, Eersel, Heeze-Leende, Cranendonck, Waalre en Valkenswaard in 2012 het archeologisch erfgoedbeleid vastgesteld. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de erfgoedkaart voor de omgeving van het plangebied.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
39
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
Figuur 21: Uitsnede erfgoedkaart (bron: atlas.odzob.nl/erfgoed) voor de omgeving van het plangebied (aangeduid met zwarte cirkel
Figuur 22: Legenda erfgoedkaart
In de erfgoedkaart is het plangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend (categorie 3 en 4). Bij gebieden met ‘Categorie 3: Gebied met een hoge archeologische verwachting’, geldt een onderzoeksgrens bij bodemverstoringen van meer dan 250 m². Bij gebieden met ‘Categorie 4: Gebied met een hoge archeologische verwachting’, geldt een onderzoeksgrens bij bodemverstoringen van meer dan 500 m². Binnen het plangebied wordt circa 770 m² aan bebouwing gesaneerd. Ter plaatse van de te saneren bebouwing wordt maximaal 400 m² nieuwe bebouwing opgericht. De grond onder deze bebouwing is reeds geroerd. Ter plaatse is dan ook geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Niettemin blijven met de beoogde herontwikkeling de in het vigerende bestemmingsplan aanwezige dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4.2’ behouden, waarmee ook in de toekomst eventueel aanwezige waarden beschermd blijven.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
40
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
5.3
Cultuurhistorie
5.3.1
Algemeen
De provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) geeft informatie over de belangrijke cultuurhistorische objecten en structuren binnen de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is gelegen
in
de
regio
‘Kempen’.
Ten
aanzien
van
deze
regio
is
aangegeven
dat
de
bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied in hoge mate zijn bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. Langs de beken lagen de graslanden vaak verdeeld in lange smalle percelen die omzoomd waren door elzensingels. Op de hogere delen van het landschap bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding en het steken van heideplaggen ontstonden plaatselijk zandverstuivingen. In de negentiende en begin twintigste eeuw zijn veel heidevelden omgezet in landbouwgrond of bos. De jonge landbouwontginningen zijn tamelijk grootschalig en rationeel ingericht.
De jonge bosgebieden maken vaak deel uit van ontginningslandgoederen, zoals De Utrecht en Gorp en Rovert, of zijn aangeplant door het Staatsbosbeheer. In de afgelopen decennia zijn de verschillen tussen de oude en jonge ontginningen genivelleerd door ruilverkaveling, normalisatie van de beken en de uitbreiding van steden en dorpen. De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen. De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karakter en zijn beperkter in omvang gebleven. Rund is op de Cultuurhistorische Waardenkaart aangeduid als ‘lijn van redelijk hoge waarde’. Met de beoogde herontwikkeling wordt een agrarische bestemming omgezet naar woonbestemming. De beoogde herontwikkeling zal geen effect hebben op de historische geografische lijn ter plaatse.
5.3.2
De Rund 8
De Rund 8 is vanwege het algemene cultuurhistorische belang aangemerkt als gemeentelijk monument. Navolgend wordt een beschrijving gegeven van de boerderij.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
41
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
42
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
Figuur 23: Beschrijving cultuurhistorisch belang
Het splitsen van de boerderij aan Rund 8 is te verantwoorden vanuit het cultuurhistorische belang. De splitsing draagt bij aan het duurzame behoud van de boerderij.
5.3.3
Cultuur- en bouwhistorische verkenning met waardenstelling
Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is in opdracht van de initiatiefnemer een cultuur- en bouwhistorische verkenning met waardenstelling uitgevoerd. Dit rapport is opgezet om de cultuurhistorische waarde aan te duiden om bij een verbouwing en restauratie van het pand als uitgangspunt te dienen. Het onderzoek met waardenstelling heeft eerst en vooral voor hen tot doel, te bepalen wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn bij een eventuele verbouwing. In de regels van onderhavig bestemmingsplan wordt verwezen naar de cultuur- en bouwhistorische verkenning. Deze is tevens als bijlage bij de regels gevoegd.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
43
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
6.
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
6.1
Inleiding
Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2
Algemene toelichting verbeelding
De verbeelding van onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een kaartblad. De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken en functie-aanduidingen opgenomen.
6.3
Algemene toelichting voorschriften
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -
Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);
-
De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);
-
Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);
-
Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: -
Bestemmingsomschrijving;
-
Bouwregels;
-
Afwijken van de bouwregels;
-
Specifieke gebruiksregels;
-
Afwijken van de gebruiksregels;
-
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
-
Wijzigingsbevoegdheden.
De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
44
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
6.4
Toelichting bestemmingen
6.4.1
Agrarisch
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch gebruik, groenvoorzieningen, water,
waterhuishoudkundigen en extensief recreatief medegebruik. Op deze gronden mag niet
worden gebouwd.
6.4.2
Wonen
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in een woonboerderij, aan Rund 8 zijn twee wooneenheden toegestaan.
6.4.3
Waarde – Archeologie 3
De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Binnen deze dubbelbestemming dient bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld middels archeologisch onderzoek te worden aangetoond dat geen archeologische waarden verloren gaan.
6.4.4
Waarde Archeologie 4.2
De voor ‘Waarde – Archeologie 4.2’ aangewezen gronden zijn, behalve de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Binnen deze dubbelbestemming dient bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 50 centimeter beneden maaiveld middels archeologisch onderzoek te worden aangetoond dat geen archeologische waarden verloren gaan.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
45
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
7.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening, de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Bergeijk zal in het kader van deze ontwikkeling alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot de te behalen ruimtelijke kwaliteitswinst, de instandhouding
van
de
behaalde
ruimtelijke
kwaliteitswinst
en
een
artikel
betreffende
planschadeverhaal opgenomen.
7.2
Economische gevolgen bestemmingsplan
Initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
46
‘Rund 8 Bergeijk’ – Toelichting
8.
OVERLEG EN INSPRAAK
8.1 Inspraakprocedure In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraak verordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. De gemeente Bergeijk bepaalt in de gemeentelijke inspraakverordening dat inspraak altijd wordt verleend indien de wet daartoe verplicht. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend. Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1. Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel zijn in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg.
8.3
Zienswijzen
Dit bestemmingsplan heeft met ingang van donderdag 19 november 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
47