Raadsbesluit Kadernota Geldzorgen in de Kempen 2025-2028 (bijlage 5)
Tekst van het document
De doelgroep voor de regelingen met een inkomensgrens van 120 procent Wsm bestaat voor 26 procent uit huishoudens die een uitkering ontvangen vanuit de Participatiewet en voor 43 procent uit huishoudens met een AOW-uitkering. Ongeveer een derde heeft een overig inkomen. De gemeente Bergeijk heeft relatief minder huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet en meer huishoudens met een AOW-uitkering in vergelijking met andere gemeenten met een inwonersaantal tot 50.000. Dit sluit ook aan bij de bevolkingssamenstelling van de gemeente: Bergeijk heeft relatief gezien meer AOW-gerechtigden dan landelijk gemiddeld. Van alle minimahuishoudens tot 120 procent Wsm is het grootste deel (52 procent) alleenstaand. In totaal heeft 29 procent van de minimahuishoudens thuiswonende kinderen. Dit komt overeen met het aandeel wat we zien in vergelijkbare gemeenten. Tabel 1.2.2 Inkomensbron en huishoudtype minima, inkomen tussen 100% en 130% Wsm
Inkomensbron Participatiewet AOW inkomen Ander inkomen • WW/ WAO/ WAJONG • ZZP • Werk uit arbeid Totaal Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin
Aandeel
130% Wsm
Aantal
Aandeel
120% Wsm
Aantal
Aandeel
110% Wsm
Aantal
Aandeel
100% Wsm
Aantal
Categorie
110 74 81
41% 28% 31%
110 135 105
31% 39% 30%
110 186 134
26% 43% 31%
110 243 167
21% 47% 32%
21
8%
29
8%
39
9%
47
9%
35
13%
40
12%
45
10%
50
10%
25
9%
36
10%
50
12%
70
13%
265
100%
350
100%
430
100%
520
100%
132 34
50% 13%
178 42
51% 12%
224 48
52% 11%
277 55
53% 11%
Paren zonder kinderen Paren met kinderen Totaal
49
18%
67
19%
81
19%
98
19%
50
19%
63
18%
77
18%
90
17%
265
100%
350
100%
430
100%
520
100%
Bladel
De doelgroep voor de regelingen met een inkomensgrens van 120 procent Wsm bestaat voor een kwart uit huishoudens die een uitkering ontvangen vanuit de Participatiewet en voor 42 procent uit huishoudens met een AOW-uitkering. Ruim een derde van de minimapopulatie heeft een overig inkomen. De gemeente Bladel heeft relatief minder huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet en meer huishoudens met een AOW-uitkering in vergelijking met andere gemeenten. Dit sluit ook aan bij de bevolkingssamenstelling van de gemeente: Bladel heeft relatief gezien meer AOWgerechtigden dan landelijk gemiddeld. Van alle minimahuishoudens is het grootste deel (52 procent) alleenstaand. In totaal heeft ruim een kwart (28 procent) van de minimahuishoudens thuiswonende kinderen. Dit komt overeen met het aandeel wat we zien in vergelijkbare gemeenten. Tabel 1.2.3 Inkomensbron en huishoudtype minima, inkomen tussen 100% en 130% Wsm
Inkomensbron Participatiewet AOW inkomen Ander inkomen • WW/ WAO/ WAJONG • ZZP • Werk uit arbeid Totaal Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Paren zonder kinderen Paren met kinderen Totaal
Aandeel
130% Wsm
Aantal
Aandeel
120% Wsm
Aantal
Aandeel
110% Wsm
Aantal
Aandeel
100% Wsm
Aantal
Categorie
120 136 74
36% 41% 23%
120 165 105
31% 42% 27%
120 205 165
24% 42% 34%
120 270 224
20% 44% 36%
19
6%
30
8%
52
11%
78
13%
30
9%
40
10%
50
10%
55
9%
25
8%
35
9%
63
13%
91
14%
330
100%
390
100%
490
100%
614
100%
168 38
51% 12%
199 43
51% 11%
255 54
52% 11%
326 61
53% 10%
65
20%
78
20%
98
20%
129
21%
59
18%
70
18%
83
17%
98
16%
330
100%
390
100%
490
100%
614
100%
Eersel
De doelgroep voor de regelingen met een inkomensgrens van 120 procent Wsm bestaat voor een vijfde uit huishoudens die een uitkering ontvangen vanuit de Participatiewet en voor 44 procent uit huishoudens met een AOW-uitkering. Ruim een derde (34 procent) heeft een overig inkomen. De gemeente Eersel heeft relatief aanzienlijk minder huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet, ten opzichte van vergelijkbare gemeenten. Het aandeel huishoudens met een inkomen uit een AOW-uitkering is relatief groter in vergelijking met andere gemeenten. Dit sluit ook aan bij de bevolkingssamenstelling van de gemeente: Eersel heeft relatief gezien meer AOWgerechtigden dan landelijk gemiddeld. Van alle minimahuishoudens is het grootste deel (53 procent) alleenstaand. In totaal heeft 27 procent van de minimahuishoudens thuiswonende kinderen. Dit komt overeen met het aandeel wat we zien in vergelijkbare gemeenten. Tabel 1.2.4 Inkomensbron en huishoudtype minima, inkomen tussen 100% en 130% Wsm
Aandeel
100 77 83
38% 30% 32%
100 145 110
28% 41% 31%
100 197 152
22% 44% 34%
100 260 200
18% 46% 36%
22
8%
34
10%
53
12%
74
13%
36
14%
41
11%
48
11%
56
10%
25
10%
35
10%
51
11%
70
13%
260
100%
355
100%
450
100%
560
100%
133 32
51% 12%
187 41
52% 12%
239 50
53% 11%
298 60
53% 11%
49
19%
67
19%
90
20%
112
20%
46
18%
60
17%
72
16%
90
16%
260
100%
355
100%
450
100%
560
100%
Aantal
Aandeel
130% Wsm
Aantal
120% Wsm
Aandeel
Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Paren zonder kinderen Paren met kinderen Totaal
110% Wsm
Aantal
Inkomensbron Participatiewet AOW inkomen Ander inkomen • WW/ WAO/ WAJONG • ZZP • Werk uit arbeid Totaal
Aandeel
100% Wsm
Aantal
Categorie
Oirschot
De doelgroep voor de regelingen met een inkomensgrens van 120 procent Wsm bestaat voor 29 procent uit huishoudens die een uitkering ontvangen vanuit de Participatiewet en voor 42 procent uit huishoudens met een AOW-uitkering. De rest heeft een overig inkomen. De gemeente Oirschot heeft aanzienlijk minder huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet en meer huishoudens met een AOW-uitkering en huishoudens met andere inkomens in vergelijking met andere gemeenten. Dit sluit ook aan bij de bevolkingssamenstelling van de gemeente: Oirschot heeft relatief gezien meer AOWgerechtigden dan landelijk gemiddeld. Van alle minimahuishoudens is het grootste deel (51 procent) alleenstaand. In totaal heeft 30 procent van de minimahuishoudens thuiswonende kinderen. Dit komt overeen met het aandeel wat we zien in vergelijkbare gemeenten. Tabel 1.2.5 Inkomensbron en huishoudtype minima, inkomen tussen 100% en 130% Wsm
Inkomensbron Participatiewet AOW inkomen Ander inkomen • WW/ WAO/ WAJONG • ZZP • Werk uit arbeid Totaal Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Paren zonder kinderen Paren met kinderen Totaal
Aandeel
130% Wsm
Aantal
Aandeel
120% Wsm
Aantal
Aandeel
110% Wsm
Aantal
Aandeel
100% Wsm
Aantal
Categorie
120 75 60
47% 30% 23%
120 128 92
35% 38% 27%
120 174 125
29% 42% 30%
120 215 165
24% 43% 33%
15
6%
22
7%
30
7%
40
8%
20
8%
30
9%
40
10%
54
11%
25
10%
40
12%
55
13%
70
14%
255
100%
340
100%
420
100%
500
100%
127 27
50% 11%
174 37
51% 11%
215 44
51% 11%
260 50
52% 10%
49
19%
65
19%
80
19%
100
20%
51
20%
65
19%
80
19%
90
18%
255
100%
340
100%
420
100%
500
100%
Reusel-De Mierden
De doelgroep voor de regelingen met een inkomensgrens van 120 procent Wsm bestaat voor 26 procent uit huishoudens die een uitkering ontvangen vanuit de Participatiewet en voor 37 procent uit huishoudens met een AOW-uitkering. 37 procent heeft een overig inkomen. De gemeente Reusel-De Mierden heeft relatief minder huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet en meer huishoudens met een AOW-uitkering en huishoudens met andere inkomens in vergelijking met andere gemeenten. Dit sluit ook aan bij de bevolkingssamenstelling van de gemeente: Reusel – De Mierden heeft relatief gezien meer AOW-gerechtigden dan landelijk gemiddeld. Van alle minimahuishoudens is het grootste deel (53 procent) alleenstaand. In totaal heeft 27 procent van de minimahuishoudens thuiswonende kinderen. Dit komt overeen met het aandeel wat we zien in vergelijkbare gemeenten. Tabel 1.2.6 Inkomensbron en huishoudtype minima, inkomen tussen 100% en 130% Wsm
Inkomensbron Participatiewet AOW inkomen Ander inkomen • WW/ WAO/ WAJONG • ZZP • Werk uit arbeid Totaal Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Paren zonder kinderen Paren met kinderen Totaal
Aandeel
130% Wsm
Aantal
Aandeel
120% Wsm
Aantal
Aandeel
110% Wsm
Aantal
Aandeel
100% Wsm
Aantal
Categorie
70 60 50
39% 33% 28%
70 79 70
32% 36% 32%
70 100 100
26% 37% 37%
70 125 135
21% 38% 41%
15
9%
20
9%
25
9%
35
11%
15
8%
20
9%
25
9%
30
9%
20
11%
30
14%
50
19%
70
21%
180
100%
219
100%
270
100%
330
100%
93 20
51% 11%
115 23
52% 11%
144 28
53% 10%
177 33
54% 10%
35
20%
42
19%
52
20%
67
20%
32
18%
39
18%
46
17%
53
16%
180
100%
219
100%
270
100%
330
100%
1.3. Kinderen Van kinderen tot 18 jaar in de Kempengemeenten groeien er naar schatting, afhankelijk van de gemeente, tussen de 6,3 en 8,7 procent op in een huishouden met een inkomen tot 130 procent van het voor dat huishouden geldende Wettelijk sociaal minimum19. Dit aandeel ligt, afhankelijk van de gemeente, iets onder of in lijn met het gemiddelde in vergelijkbare gemeenten met maximaal 50.000 inwoners (gemiddeld ligt het aandeel kinderen op circa 8 à 9 procent).
Tabel 1.3.1 Aantal kinderen naar inkomen, cumulatief (schatting) per gemeente Gemeente Kinderen Aantal Aandeel Tot 100% Wsm 168 5,1% Bergeijk Tot 110% Wsm 210 6,3% Tot 120% Wsm 251 7,6% Tot 130% Wsm 290 8,7%
Bladel
Eersel
Oirschot
Reusel-De Mierden
Overige inkomens Alle kinderen
3.030 3.320
91,3% 100%
Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 120% Wsm Tot 130% Wsm
185 215 261 303
4,8% 5,6% 6,8% 7,9%
Overige inkomens Alle kinderen
3.521 3.824
92,1% 100%
Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 120% Wsm Tot 130% Wsm
148 193 229 285
4,0% 5,2% 6,2% 7,7%
Overige inkomens Alle kinderen
3.414 3.699
92,3% 100%
Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 120% Wsm Tot 130% Wsm
149 193 236 273
4,4% 5,6% 6,9% 8,0%
Overige inkomens Alle kinderen
3.145 3.418
92,0% 100%
Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 120% Wsm Tot 130% Wsm
104 125 148 173
3,8% 4,6% 5,4% 6,3%
Overige inkomens Alle kinderen
2.522 2.695
93,6% 100%
19 Voor kinderen is de primaire doelgroep 130 procent Wsm. Dit is namelijk de primaire doelgroep voor
Stichting Leergeld (behalve voor Oirschot, daar is de primaire doelgroep 120 procent Wsm).
1.4. Minimahuishoudens, alle vermogens In de volgende tabel staan de geschatte aantallen minimahuishoudens op 1 januari 2024 in de Kempengemeenten zonder dat er rekening is gehouden met de hoogte van het vermogen. Het betreft huishoudens met een inkomen tot maximaal 130 procent Wsm waarbij geen rekening is gehouden met de vermogensgrens vanuit de Participatiewet; een deel van de huishoudens uit onderstaande tabel heeft dus een hoger vermogen dan toegestaan is voor de meeste regelingen binnen het minimabeleid. Tabel 1.4.1 Aantal en aandeel huishoudens, uitgesplitst naar gemeente Gemeente Kinderen Aantal Aandeel Tot 100% Wsm 377 Bergeijk Tot 110% Wsm 471 Tot 120% Wsm 593 Tot 130% Wsm 692
Bladel
Eersel
Oirschot
Reusel-De Mierden
4,6% 5,7% 7,2% 8,4%
Overige inkomens Alle huishoudens
7.504 8.196
91,6% 100%
Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 120% Wsm Tot 130% Wsm
431 528 678 833
4,8% 5,8% 7,5% 9,2%
Overige inkomens Alle huishoudens
8.213 9.046
90,8% 100%
Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 120% Wsm Tot 130% Wsm
370 483 599 759
4,4% 5,7% 7,1% 9,0%
Overige inkomens Alle huishoudens
7.677 8.436
91,0% 100%
Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 120% Wsm Tot 130% Wsm
357 454 574 629
4,4% 5,6% 7,1% 7,8%
Overige inkomens Alle huishoudens
7.452 8.081
92,2% 100%
Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 120% Wsm Tot 130% Wsm
250 297 385 475
4,4% 5,2% 6,7% 8,3%
Overige inkomens Alle huishoudens
5.268 5.743
91,7% 100%
2. Gebruik inkomensondersteunende voorzieningen In dit hoofdstuk gaan we nader in op het gebruik en bereik onder de doelgroep van de gemeentelijke regelingen. Het gaat daarbij om het totale gebruik in 2023. De aantallen over het gebruik zijn aangeleverd door de gemeenten. De doelgroep komt uit hoofdstuk 1.
2.1. Regelingen voor het minimabeleid De volgende tabel geeft de inkomensgrens per regeling weer. Tabel 2.1.1 Inkomensgrenzen regelingen Categorie Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Individuele bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering Participatieregeling volwassenen Stichting Leergeld Energietoeslag Studietoeslag Woonkostentoeslag
Inkomensgrens 100% Wsm 120% Wsm20 105% Wsm, 3 jaar 120% Wsm 120% Wsm Oirschot: 120% Wsm Overige Kempengemeenten: 130% Wsm 120% Wsm21 (Inkomensgrens 2023) Situatieafhankelijk N.v.t.
2.2. Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Huishoudens kunnen kwijtschelding aanvragen voor de afvalstoffenheffing, rioolheffing en waterschapsbelasting. De doelgroep bestaat uit huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm22. In 2023 kent de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen in de Kempengemeenten een bereik van 20 en 44 procent onder de primaire doelgroep. Daarbij heeft gemeente Eersel het hoogste bereik met 44 procent en de gemeente Oirschot heeft met 22 procent het laagste bereik. Een dergelijk gebruikersaandeel is vergeleken met andere gemeenten aan de lage kant. Gemiddeld gezien maakt tussen de 70 en 75 procent van de doelgroep gebruik van deze regeling. Tabel 2.2.1 Bereik kwijtschelding gemeentelijke belastingen Categorie Bergeijk Bladel Eersel Oirschot Reusel-De Mierden
Doelgroep 265 huishoudens 330 huishoudens 260 huishoudens 255 huishoudens 180 huishoudens
Gebruik 88 huishoudens 133 huishoudens 115 huishoudens 55 huishoudens 62 huishoudens
Bereik 33% 40% 44% 22% 34%
2.3. Individuele bijzondere bijstand Het bijzondere bijstandsbeleid van de Kempengemeenten is erop gericht om inwoners die bijzondere noodzakelijke kosten hebben en deze niet zelf kunnen betalen, te ondersteunen. De Kempengemeenten beoordelen bij iedere aanvraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
20 Boven een inkomensgrens van 120 procent Wsm wordt een draagkrachtberekening toegepast. 21 In 2024 wordt de energietoeslag niet meer verstrekt. 22
Voor de kwijtschelding in de Kempengemeenten geldt tevens een maximaal vermogen dat lager ligt dan de Participatiewet voorschrijft. Hiermee kan in de schatting van de doelgroep geen rekening worden gehouden. De werkelijke doelgroep zou wat lager kunnen liggen, waardoor het bereik wat hoger is, maar daarover zijn geen uitspraken te doen.
De doelgroep bestaat uit huishoudens met inkomens tot 120 procent van de bijstandsnorm, daarboven geldt een draagkrachtberekening. In onderstaande tabel wordt de doelgroep en het gebruik per gemeente weergegeven. We gaan uit van een doelgroep tot 120 procent Wsm, omdat dit de primaire doelgroep is23. Het bereik voor de individuele bijzondere bijstand ligt in de Kempengemeenten tussen 20 en 27 procent. Het bereik is het hoogste in de gemeente Oirschot met 28 procent. Een gemiddeld bereik van 20 tot 30 procent is gangbaar in de meeste andere gemeenten; de Kempengemeenten liggen hiermee in lijn. Tabel 2.3.1 Bereik individuele bijzondere bijstand Categorie Bergeijk Bladel Eersel Oirschot Reusel-De Mierden
Doelgroep 430 huishoudens 490 huishoudens 450 huishoudens 420 huishoudens 270 huishoudens
Gebruik 102 huishoudens 104 huishoudens 99 huishoudens 118 huishoudens 53 huishoudens
Bereik 24% 21% 22% 28% 20%
2.4. Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag is bedoeld als inkomensondersteuning voor mensen die langdurig afhankelijk zijn van een minimuminkomen. In de Kempengemeenten behoort iedereen tussen de 21 jaar en pensioengerechtigde leeftijd, die gedurende drie jaar een inkomen heeft tot 105 procent Wsm, tot de doelgroep (langdurige minima). Verder geldt als voorwaarde voor toekenning dat er in de afgelopen drie jaar geen mogelijkheden waren voor inkomensverbetering. Het bereik van de individuele inkomenstoeslag loopt in de Kempengemeenten sterk uiteen per gemeente en ligt tussen 37 (Reusel-De Mierden) en 54 procent (Eersel). Het bereik van de individuele inkomenstoeslag ligt voor de Kempengemeenten over het algemeen in lijn met vergelijkbare gemeenten waar een bereik van 45 à 55 procent gangbaar is. Tabel 2.4.1 Bereik individuele inkomenstoeslag Doelgroep Categorie langdurige minima Bergeijk 143 huishoudens Bladel 145 huishoudens Eersel 137 huishoudens Oirschot 135 huishoudens Reusel-De Mierden 90 huishoudens
Gebruik
Bereik
62 huishoudens 70 huishoudens 74 huishoudens 65 huishoudens 33 huishoudens
43% 48% 54% 48% 37%
2.5. Collectieve zorgverzekering De gemeente biedt minima de mogelijkheid om deel te nemen aan de collectieve zorgverzekering van zorgverzekeraars CZ en VGZ. Ze krijgen korting op de premie en profiteren van extra vergoedingen voor zorgkosten. De pakketten die in samenwerking met CZ worden aangeboden zijn:
• • •
CZ Gemeenten Start; CZ Gemeenten Extra; CZ Gemeenten Extra Uitgebreid.
De pakketten die in samenwerking met zorgverzekeraar VGZ worden aangeboden zijn; • • •
VGZ Gemeente Pakket Compact; VGZ Gemeente Pakket Compleet; VGZ Gemeente Pakket Compleet inclusief eigen risico.
23 Aangezien een draagkrachtberekening wordt toegepast boven een inkomensgrens van 120 procent Wsm
is het mogelijk dat in de gebruikscijfers huishoudens zijn opgenomen die een inkomen boven de 120 procent Wsm hebben; dit is niet uit te splitsen.
Om deel te nemen aan de collectieve zorgverzekering mag het huishoudinkomen niet hoger zijn dan 120 procent Wsm. Omdat een zorgverzekering per persoon wordt afgesloten, en niet per huishouden, geven we het gebruik en bereik weer naar het aantal volwassenen. Kinderen tot 18 jaar zijn gratis meeverzekerd. De gebruikscijfers betreffen de meest recente informatie van aanbieder CZ en gaan over het jaar 2024. Er is geen informatie beschikbaar over 2023. In dit rapport is er daarom voor gekozen door de gemeenten om de cijfers van 2024 mee te nemen. Daarnaast ontbreekt informatie over de verstrekkingen door VGZ, uitgesplitst naar gemeente. De doelgroep en daarmee het bereik van de regelingen kan afwijken voor 2024.
Er heeft 21 tot 39 procent van de volwassenen gebruikgemaakt van een collectieve zorgverzekering via CZ. Het gemiddelde bereik voor de collectieve zorgverzekering ligt landelijk tussen de 35 en 40 procent. De Kempengemeenten liggen hiermee afhankelijk van de gemeente in lijn met het gemiddelde of hier net onder (op basis van de beschikbare cijfers, in werkelijkheid kan het aantal gebruikers iets hoger liggen omdat ook inwoners verzekerd zijn bij VGZ). Tabel 2.5.1 Bereik collectieve zorgverzekering Categorie Bergeijk Bladel Eersel Oirschot Reusel-De Mierden
Doelgroep 588 volwassenen 672 volwassenen 611 volwassenen 580 volwassenen 368 volwassenen
Gebruik 176 volwassenen 227 volwassenen 227 volwassenen 122 volwassenen 145 volwassenen
Bereik 30% 34% 37% 21% 39%
2.6. Participatieregeling 18+ De Kempengemeenten willen ervoor zorgen dat iedereen mee kan blijven doen in de maatschappij. Daarom kunnen volwassen minima gebruikmaken van de Participatieregeling 18+. Daarmee kunnen volwassen inwoners sportieve, culturele en/of recreatieve activiteiten ondernemen. Per volwassene is een bedrag van € 150 per jaar beschikbaar in 2023 (dit is per januari 2024 verhoogd naar € 180 per jaar)24. Het huishoudinkomen mag niet hoger zijn dan 120 procent van het wettelijk sociaal minimum. Het bereik voor de Participatieregeling 18+ ligt in de Kempengemeenten tussen de 4 en 8 procent. Voor een dergelijke regeling is dat laag te noemen. Gemiddeld gezien ligt het bereik van een participatieregeling voor volwassenen vaak namelijk rond de 35 tot 40 procent.
Tabel 2.6.1 Bereik Participatieregeling volwassenen Categorie Bergeijk Bladel Eersel Oirschot Reusel-De Mierden
Doelgroep 588 volwassenen 672 volwassenen 611 volwassenen 580 volwassenen 368 volwassenen
Gebruik 23 volwassenen 56 volwassenen 36 volwassenen 27 volwassenen 30 volwassenen
Bereik 4% 8% 6% 5% 8%
2.7. Stichting Leergeld Stichting Leergeld wil in de Kempengemeenten sociale uitsluiting van kinderen voorkomen. Daarom biedt Stichting Leergeld financiële ondersteuning voor kinderen van 0 tot 18 jaar die pgroeien in een huishouden met een inkomen tot 130 procent Wsm25. Hierdoor krijgen deze kinderen de kans om mee te doen aan binnen- en buitenschoolse activiteiten. 24 Vanaf 1 januari 2024 is het bedrag echter verruimd van € 150 naar € 180. Tevens geldt sinds deze datum
dat de bestedingsdoelen zijn uitgebreid. Dit zou bij kunnen dragen aan een hoger bereik in 2024.
In de Kempengemeenten loopt het bereik van Stichting Leergeld sterk uiteen. In de gemeente Bladel is het bereik het laagst, met 55 procent. In de gemeente Reusel – De Mierden ligt het bereik met 90 procent veruit het hoogst. In alle gemeentes geldt dat het bereik van Stichting Leergeld hoger ligt dan het gemiddelde bereik in vergelijkbare gemeenten (35 à 40 procent). Het hoge bereik zou deels verklaard kunnen worden doordat Oekraïense kinderen ook gebruik konden maken Stichting Leergeld. Voor deze kinderen gold in eerste instantie dat er ruimhartiger met de inkomensgrenzen is omgegaan. Tabel 2.7.1 Bereik Stichting Leergeld Categorie Bergeijk Bladel Eersel Oirschot Reusel-De Mierden
Doelgroep 290 kinderen 303 kinderen 285 kinderen 236 kinderen 173 kinderen
Gebruik 189 kinderen 168 kinderen 218 kinderen 133 kinderen 156 kinderen
Bereik 65% 55% 77% 56% 90%
2.8. Energietoeslag Het Rijk heeft in 2022 en 2023 geld beschikbaar gesteld om inwoners met een laag inkomen tegemoet te komen in hun energiekosten. Gemeenten hebben deze regeling uitgevoerd. In de Kempengemeenten konden huishoudens met een inkomen van maximaal 120 procent Wsm (ongeacht de hoogte van hun vermogen) aanspraak maken op een energietoeslag. Omdat er geen vermogenstoets werd gedaan is de doelgroep van deze regeling anders dan de ‘reguliere’ regelingen van het minimabeleid. In onderstaande tabel wordt het gebruik en bereik over kalenderjaar 2023 weergegeven. Het bereik van de energietoeslag is in de Kempengemeenten vergelijkbaar met het gemiddelde bereik in andere gemeenten: 80 à 90 procent. De bereikcijfers liggen tussen de 81 procent en 89 procent.
Tabel 2.8.1 Bereik Energietoeslag Categorie Bergeijk Bladel Eersel Oirschot Reusel-De Mierden
Doelgroep 593 huishoudens 678 huishoudens 599 huishoudens 574 huishoudens 385 huishoudens
Gebruik 478 huishoudens 552 huishoudens 498 huishoudens 508 huishoudens 341 huishoudens
Bereik 81% 81% 83% 89% 89%
2.9. Studietoeslag Inwoners die een studie of opleiding volgen, maar door een arbeidshandicap moeite hebben om een (bij)baan te hebben, kunnen gebruikmaken van de studietoeslag. De gemeente draagt hiermee bij aan de financiële situatie. Om in aanmerking te komen voor deze regeling zijn een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet iemand recht hebben op studiefinanciering of een tegemoetkoming in onderwijsbijdrage en schoolkosten. De inwoner mag geen Wajong uitkering ontvangen en er is sprake van een structurele medische beperking waardoor de persoon naast de studie geen extra inkomsten kan bijverdienen. De doelgroep voor deze regeling kan niet worden vastgesteld, omdat de regeling voor een specifieke doelgroep is bedoeld. Daarom wordt in de volgende tabel enkel het gebruik weergegeven.
25 In Oirschot wordt een inkomensgrens tot 120 procent Wsm gehanteerd. Dit is echter geen harde grens.
Tabel 2.9.1 Gebruik Studietoeslag Categorie Bergeijk Bladel Eersel Oirschot Reusel-De Mierden
Gebruik 1 persoon 0 personen 4 personen 1 persoon 2 personen
2.10. Woonkostentoeslag De Kempengemeenten bieden een tijdelijke bijdrage in de woonkosten aan. Hiervoor komen inwoners in aanmerking als ze geen huurtoeslag kunnen ontvangen doordat hun huurprijs hoger is dan de maximaal toegestane huurgrens. Voor deze regeling kan geen doelgroep bepaald worden, omdat er geen inzicht is in de grootte van de groep huishoudens die geen huurtoeslag kunnen ontvangen. Tabel 2.10.1 Gebruik Woonkostentoeslag Categorie Bergeijk Bladel Eersel Oirschot Reusel-De Mierden
Gebruik 8 huishoudens 8 huishoudens 12 huishoudens 22 huishoudens 7 huishoudens
3. Inkomenseffecten 3.1. Introductie op de inkomenseffecten In deze paragraaf bespreken we de onderzoeksmethode en aannames van de Inkomens Effectrapportage (IER). Hierbij geven we een overzicht van de verschillende inkomsten en uitgaven die worden onderscheiden in dit rapport.
3.1.2. Voorbeeldhuishoudens
We berekenen de inkomenseffecten van het lokale en landelijke beleid in 2024 voor de volgende zes huishoudtypen: Huishoudtypen
Niet AOW-gerechtigden:
• alleenstaande; • alleenstaande ouder met twee kinderen (8 en 13 jaar); • paar zonder kinderen; • paar met twee kinderen (8 en 13 jaar). AOW-gerechtigden: • alleenstaande; • paar.
Inkomenshoogte
We brengen de inkomenseffecten in beeld voor huishoudens met inkomens van 100, 110, 120 en 130 procent wettelijk sociaal minimum (Wsm) 26. Daarnaast berekenen we de inkomenseffecten voor huishoudens die al langer dan drie jaar een inkomen van 100 procent Wsm hebben (langdurige minima). 3.1.3. Opbouw totaal inkomen
Het totale inkomen van de minimahuishoudens is opgebouwd uit: • •
•
netto-inkomen inclusief vakantietoeslag; bijdrage Rijk: o huurtoeslag; o zorgtoeslag; o kinderbijslag; o kindgebonden budget; o combinatiekorting. gemeentelijke minimaregelingen.
Gebruik en effect van gemeentelijke minimaregelingen
In deze rapportage berekenen wij de inkomenseffecten van de verschillende huishoudens wanneer zij gebruikmaken van alle beschikbare gemeentelijke regelingen. In de praktijk is de ervaring echter dat huishoudens niet of gedeeltelijk gebruik maken van de regelingen. In werkelijkheid zal het budget na alle uitgaven waarschijnlijk vaak lager uitvallen. Ter vergelijking geven wij daarom ook de inkomenseffecten weer wanneer de voorbeeldhuishoudens van geen enkele gemeentelijke regeling gebruikmaken.
26 Volgens de Rijksoverheid is het sociaal minimum een bedrag dat iemand minimaal nodig heeft om van te
leven. Elk halfjaar wordt het sociaal minimum door de overheid opnieuw bepaald. Dit bedrag hangt af van leeftijd en leefsituatie. Het sociaal minimum wordt ook wel het bestaansminimum genoemd.
Specificatie gemeentelijke minimaregelingen27
In onderstaande tabel is weergegeven welke regelingen in de begrotingen van de voorbeeldhuishoudens zijn verwerkt. Tabel 3.1.1 Gemeentelijke minimaregelingen 2024 Regelingen opgenomen in begrotingen
Inkomensgrens 2024
Kwijtschelding gemeentelijke belastingen
100% Wsm
Individuele inkomenstoeslag
Drie jaar of langer 105% Wsm
Collectieve zorgverzekering
120% Wsm
Participatieregeling volwassenen
120% Wsm
Stichting Leergeld
130% Wsm28
Regelingen niet opgenomen in begrotingen Bijzondere bijstand
Draagkrachtberekening
Studietoeslag
Specifieke doelgroep
Een aantal regelingen wordt niet opgenomen in de begrotingen en bij de inkomenseffecten: •
•
De bijzondere bijstand is niet meegenomen in de berekeningen (zowel kosten als vergoeding) omdat deze vorm van bijstand wordt verstrekt voor noodzakelijke onvermijdbare individuele uitgaven en dit niet maandelijks bij iedereen voor komt. Daarnaast geldt voor deze regeling een draagkrachtberekening. De studietoeslag is niet opgenomen in de begrotingen omdat deze regeling een specifieke doelgroep kent, namelijk studenten met een lichamelijke of psychische beperking, die niet in staat zijn naast hun studie te werken.
Om inzichtelijk te maken in hoeverre de opbouw van gemeentelijke bijdrage verschilt per huishouden, is in bijlage 3 per huishouden weergegeven welke en hoeveel gemeentelijke vergoedingen zij maandelijks kunnen ontvangen bij een inkomen op 100 procent Wsm. 3.1.4. Uitgaven
De uitgaven zijn gecategoriseerd naar basisuitgaven en kosten voor participatie. De basisuitgaven bestaan uit: • • • •
vaste lasten. Dit zijn uitgaven die regelmatig terugkomen. Voorbeelden zijn huur, energiekosten29 en verzekeringen; reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet regelmatig voorkomen en waarvan de hoogte vooraf niet bekend is. Voorbeelden zijn kosten voor inventaris, kleding en het eigen risico voor de zorgverzekering; huishoudelijke uitgaven. Dit zijn terugkerende uitgaven aan voeding, persoonlijke verzorging en dergelijke; werkgerelateerde uitgaven. Dit zijn uitgaven die gemaakt worden als een persoon werkt. Voorbeelden zijn de kosten van woon-werkverkeer en werkkleding.
27 In bijlage 1 staan de voorwaarden en vergoedingen per regeling beschreven. 28
In Bladel, Bergeijk, Eersel en Reusel-De Mierden geldt een inkomensgrens van 130 procent Wsm. In Oirschot wordt een inkomensgrens tot 120 procent Wsm gehanteerd. Dit is echter geen harde grens; ook gezinnen met een iets hoger huishoudinkomen komen in sommige gevallen in aanmerking voor ondersteuning vanuit Stichting Leergeld. 29 De kosten voor water zijn gebaseerd op de tarieven van Brabant Water. Gegevens over het gemiddelde gebruik per huishoudtype zijn afkomstig van Waternet. De kosten voor gas en elektriciteit zijn gebaseerd op de tarieven van maatschappij Budget Energie, pakket Europese Groene Stroom en Aardgas, 1 jaar vast (Tarief van moment van schrijven: 1 mei 2024).
Naast de basisuitgaven worden kosten voor sociale participatie meegenomen: • Dit bedrag in de begroting kan worden uitgegeven aan sociale en recreatieve activiteiten, oftewel: kosten voor meedoen aan de samenleving30.
Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de huur en lokale heffingen. De andere bedragen zijn gebaseerd op normbedragen en berekeningen van het Nibud. Deze zijn terug te vinden in de begrotingen per huishoudtype in bijlage 2. 3.1.5. Uitgangspunten
Voor de inkomenseffecten doen we de volgende aannames. Algemeen • De huishoudens maken van alle lokale regelingen gebruik en ontvangen daarvoor het maximale bedrag. Eveneens ontvangen ze alle landelijke toeslagen waar ze recht op hebben. Daarnaast doen we de aanname dat huishoudens geen schulden hebben. • Voor de uitgaven wordt uitgegaan van gemiddelden per huishoudtype. Dit betekent dat een ongunstige situatie, bijvoorbeeld een hogere huurprijs of een slecht geïsoleerd huis, direct gevolgen kan hebben voor de inkomenseffecten zoals in dit rapport zijn weergegeven. • Het vermogen van de huishoudens ligt binnen de grenzen van de Participatiewet31; • De voorbeeldhuishoudens wonen in een huurwoning. We gaan uit van € 624 kale huur per maand voor een alleenstaande en € 698 kale huur per maand voor een meerpersoonshuishouden. Deze bedragen zijn gebaseerd op huurtoeslaggegevens van de Rijksoverheid over de Kempengemeenten. Er is gerekend met het gemiddelde van de huurprijs in de vijf gemeenten. • We gaan er vanuit dat de voorbeeldhuishoudens geen recht hebben op de individuele inkomenstoeslag. In de bijlage is bij de begrotingen per huishouden één kolom opgenomen waarin de individuele inkomenstoeslag wél is meegerekend. • Huishoudens met een inkomen van 110 procent Wsm of hoger hebben te maken met werkgerelateerde kosten (werkkleding en woon-werkverkeer).
Huishoudens met een inkomen gelijk aan de bijstandsnorm, en huishoudens die de AOW-leeftijd hebben bereikt maken, gezien hun situatie, deze kosten niet; • We gaan er vanuit dat huishoudens met kinderen kosten maken voor de basisschool (8 jaar) en middelbare school (13 jaar). De gemiddelde kosten van het basisonderwijs (€ 4) en middelbaar onderwijs (€ 70) die zijn opgenomen in de begroting zijn verschillend van elkaar en komen beide uit de schoolkostenmonitor van de Rijksoverheid. Gemeentelijke regelingen • Voor de kwijtschelding is gerekend met het gemiddelde bedrag van de vijf gemeenten. Hierin is onderscheid gemaakt tussen een eenpersoonshuishouden en een meerpersoonshuishouden. Er kan afvalstoffenheffing, rioolheffing en waterschapsbelasting32 worden kwijtgescholden. Voor de afvalstoffenheffing is de aanname gedaan dat zowel het vastrecht als variabele kosten worden kwijtgescholden. • Volwassenen kunnen via de Participatieregeling aanspraak maken op € 180 voor sociaal maatschappelijke participatiekosten zoals een lidmaatschap van een vereniging op het gebied van sport, cultuur of ontspanning, cursussen of een abonnement van de bibliotheek, muziekschool, museum of het zwembad. Voor de volwassenen wordt het forfaitaire tarief van € 180 meegerekend in de gemeentelijke bijdragen.
30 Voor deze kosten is eveneens uitgegaan van het normbedrag dat het Nibud per huishoudtype hanteert. 31
Die vermogensgrens is € 15.150 voor paren, een gezin of alleenstaande ouder en € 7.575 voor een alleenstaande. 32 De vijf Kempengemeenten zijn aangesloten bij waterschap De Dommel. De tarieven voor waterschapsbelasting zijn gelijk en voor zowel de watersysteemheffing als zuiveringsheffing is volledige kwijtschelding mogelijk.
•
Voor Stichting Leergeld is eveneens een gemiddeld bedrag gerekend van de vijf gemeenten (€ 353 per kind33).
Opvang en BSO • Alleenstaande ouders met een inkomen gelijk aan de bijstandsnorm werken niet of zitten in een traject waarbij de kinderopvang wordt vergoed. Voor alleenstaande ouders met een inkomen van 110 procent Wsm of hoger zal het 8-jarige kind naar de BSO gaan zodat de ouder kan werken. Daarbij gaan we uit van de volgende uren en tarieven: o Inkomen van 110 en 120 procent Wsm: twee dagdelen van 4 uur BSO per week voor het 8-jarige kind tegen een tarief van € 9,12 (maximum uurprijs 2024). o Inkomen van 130 procent Wsm: drie dagdelen van 4 uur BSO per week voor het 8-jarig kind tegen een tarief van € 9,12 (maximum uurprijs 2024). • Bij een paar met twee kinderen met een inkomen hoger dan 100 procent Wsm werkt slechts één van beide partners. Anders is het huishoudinkomen hoger. We gaan ervan uit dat deze huishoudens geen dagopvang en BSO nodig hebben, omdat één van beide partners thuis is voor de kinderen. Dit is eveneens waarom een paar met kinderen geen combinatiekorting krijgt bij werkaanvaarding. Zorgkosten • We doen de aanname dat huishoudens met een inkomen tot en met 120 procent Wsm een collectieve zorgverzekering hebben afgesloten. De Kempengemeenten bieden in samenwerking met CZ een basisverzekering aan en drie aanvullende pakketopties: Start, Extra en Extra Uitgebreid.
Daarnaast wordt in samenwerking met VGZ eveneens een basisverzekering aangeboden met drie pakketopties: Compact, Compleet en Compleet met dekking van het wettelijke eigen risico. In deze inkomenseffectrapportage is gerekend met gebruik van de CZ Zorgbewustpolis met Gemeentepakket Extra. Dit is het meest gekozen pakket binnen de collectieve zorgverzekering in de Kempengemeenten. • Huishoudens met een inkomen van 130 procent Wsm sluiten een reguliere zorgverzekering af. Hiervoor is een gemiddeld premiebedrag (€ 164) berekend van zes grote zorgverzekeraars34. AOW-gerechtigden maken gebruik van een uitgebreider pakket voor hun zorgvraag (€ 198)35. • Binnen de gekozen (collectieve) zorgverzekering is het wettelijke eigen risico niet gedekt. De aanname geldt dat huishoudens zorgkosten hebben en hun wettelijke eigen risico gebruiken. Het bedrag wordt over het hele jaar gespreid en in de inkomenseffectrapportage wordt een bedrag per maand doorgerekend in de reserveringsuitgaven.
3.1.6. Kanttekening
Bij een doorrekening die gestoeld is op een aantal aannames, behoort ook een kanttekening. De uitgaven betreffen de minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om in bepaalde kosten te kunnen voorzien. Het is mogelijk dat een huishouden maandelijks meer (of minder) uitgeeft dan de (norm)bedragen waarmee in deze rapportage wordt gerekend, bijvoorbeeld omdat het huishouden een ander bedrag per maand reserveert voor onregelmatige uitgaven. Individuele situaties kunnen daarom afwijken van de begrotingen zoals opgenomen in deze rapportage.
33
Gebaseerd op de jaarverslagen van 2023. Hiervoor zijn twee jaarverslagen geraadpleegd: Stichting Leergeld Veldhoven en Omstreken (voor de bedragen van Bladel, Bergeijk, Eersel en Reusel-De Mierden) en Stichting Leergeld Oirschot. In de berekening is gekeken naar de vergoedingen voor kinderen; kosten voor overhead e.d. zijn buiten beschouwing gebleven.
34
Het gaat om een basisverzekering met € 385 aan wettelijk eigen risico. Binnen de aanvullende verzekering vallen in ieder geval negen fysiobehandelingen en een basis tandverzekering. 35 Het gaat om een basisverzekering met € 385 aan wettelijk eigen risico met de aanvullende voorwaarde dat inwoners bij ieder ziekenhuis terechtkunnen. Verder geldt dat de aanvullende verzekering en tandverzekering uitgebreider zijn dan bij voetnoot 12.
3.2. Resultaten inkomenseffecten In deze paragraaf gaan we per voorbeeldhuishouden in op het effect van inkomensverhoging voor huishoudens in 2024; wat gebeurt er als iemand vanuit de bijstand gaat werken tegen een loon van 110 tot maximaal 130 procent Wsm? Daarbij kijken we naar het budget dat maandelijks overblijft na het doen van de basisuitgaven en uitgaven voor participatie; kunnen huishoudens rondkomen? Daarnaast is de invloed van het gebruik van landelijke en gemeentelijke regelingen te zien. In bijlage 2 staan de volledige begrotingen per voorbeeldhuishouden.
3.2.2. Alleenstaande
Budget na uitgaven: alleenstaande Geen gebruik gemeentelijke regelingen
Volledig gebruik gemeentelijke regelingen
€ 600 € 370
€ 400
€ 370
€ 282 € 218 € 200
€ 130
€ 154 € 89
€ 31 €0 100% Wsm
110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
Alleenstaanden hebben na hun basisuitgaven voldoende geld over om uit te geven aan participatie; als zij gebruikmaken van alle regelingen én ze besteden maandelijks het normbedrag van € 117 aan participatie dan hebben zij € 130 per maand over. Zonder het gebruik van gemeentelijke regelingen hebben zij € 31 over na alle uitgaven, inclusief participatie uitgaven. Verder zorgt werken vanuit de bijstand tegen een loon van 110 procent Wsm en hoger ervoor dat het maandelijkse budget van alleenstaanden stijgt. Hier is zowel sprake van wanneer alleenstaanden geen regelingen gebruiken, alsook wanneer zij alle regelingen gebruiken. Leeswijzer tabel: het huishouden heeft inkomsten uit uitkering of werk, aangevuld met maximale landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen. Hiervan trekken we de uitgaven af; basisuitgaven en uitgaven voor sociale participatie. Dit leidt uiteindelijk tot een resterend maandbudget. De onderste regel laat zien hoeveel budget overblijft als het huishouden van geen enkele gemeentelijke regeling gebruikmaakt.
Inkomsten uitkering of werk Landelijke toeslagen en regelingen Gemeentelijke regelingen Subtotaal inkomsten Basisuitgaven Uitgaven participatie Subtotaal uitgaven Budget na alle uitgaven Budget bij geen gebruik gemeentelijke regelingen
100%
110%
120%
130%
1.284 495 99 1.878 1.631 117 1.748 130
1.412 495 64 1.971 1.701 117 1.818 154
1.541 495 64 2.100 1.701 117 1.818 282
1.669 490 0 2.159 1.672 117 1.789 370
Langdurige minima 100% 1.284 495 131 1.909 1.631 117 1.748 162
31
89
218
370
31
Uitgelicht: voorbeeldcasus van een alleenstaande Bijstandsuitkering Hilda is alleenstaand. Zij krijgt een bijstandsuitkering, wat neerkomt op een netto-inkomen van € 1.284 per maand (dit is inclusief vakantietoeslag). Zij heeft maandelijks recht op € 495 aan toeslagen van het Rijk. Voor Hilda bestaat dit uit huurtoeslag en zorgtoeslag. Tot slot kan Hilda rekenen op een financiële bijdrage vanuit de gemeente van € 99 per maand. Dit bestaat uit de kwijtschelding voor gemeentelijke belastingen, korting op de collectieve zorgverzekering en een vergoeding vanuit de Participatieregeling. Naast deze inkomsten heeft zij natuurlijk verschillende uitgaven; basisuitgaven van € 1.631 per maand en uitgaven voor participatie van € 117 per maand. Als alle inkomsten binnen zijn en de uitgaven zijn gedaan dan houdt zij maandelijks nog € 130 over (excl. IIT). Maakt zij echter van geen enkele gemeentelijke regeling gebruik, dan heeft ze minder te besteden; Hilda houdt dan € 31 over in haar maandbegroting. 110 procent Wsm Als Hilda werk krijgt tegen een loon van 110 procent Wsm, dan stijgt haar netto-inkomen naar € 1.412 per maand. Zij houdt recht op huurtoeslag en zorgtoeslag en deze bedragen blijven onveranderd, dus € 495 per maand. Het recht op de kwijtschelding van gemeentelijke heffingen vervalt, maar Hilda behoudt het recht op de andere regelingen van € 64.
Haar uitgaven stijgen licht door werkgerelateerde kosten die zij nu moet maken. In totaal houdt zij, na alle uitgaven, maandelijks € 154 over. Wanneer Hilda helemaal geen gebruik van de gemeentelijke regelingen maakt, dan houdt zij € 89 per maand over.
3.2.3. Alleenstaande ouder met kinderen van 8 en 13 jaar
Budget na uitgaven: alleenstaande ouder Geen gebruik gemeentelijke regelingen
Volledig gebruik gemeentelijke regelingen
€ 800 € 669 € 577
€ 600 € 412
€ 403
€ 610
€ 454
€ 400 € 232
€ 280
€ 200
€0 100% Wsm
110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
Een alleenstaande ouder met twee kinderen van 8 en 13 jaar heeft zowel met als zonder het gebruik van gemeentelijke regelingen, maandelijks voldoende geld om alle uitgaven inclusief uitgaven op het gebied van participatie te kunnen doen (resp. € 232 en € 412). Een bijstandsgerechtigde die van alle gemeentelijke regelingen (excl. IIT) gebruikmaakt, heeft € 180 meer te besteden dan een bijstandsgerechtigde die van geen enkele gemeentelijke regeling gebruikmaakt. Voor alleenstaande ouders met twee kinderen loont het niet om vanuit de bijstand te gaan werken tegen een loon van 110 procent Wsm. Als zij in beide gevallen gebruik maken van alle gemeentelijke regelingen vallen zij van € 412 terug naar € 403; zij ervaren een terugval in hun budget. Bij loon hoger dan 110 procent Wsm loont het wel om vanuit de bijstand te gaan werken. De landelijke toeslagen stijgen door belastingvoordeel (combinatiekorting en kinderopvangtoeslag stijgen). Waar een alleenstaande ouder op bijstandsniveau € 1.542 van het Rijk krijgt, is dat bij 130 procent Wsm € 1.595.
Inkomsten uitkering of werk Landelijke toeslagen en regelingen Gemeentelijke regelingen Subtotaal inkomsten Basisuitgaven Uitgaven participatie Subtotaal uitgaven Budget na alle uitgaven Budget bij geen gebruik gemeentelijke regelingen
100%
110%
120%
130%
1.284 1.542 180 3.006 2.344 250 2.594 412
1.412 1.583 123 3.118 2.465 250 2.715 403
1.541 1.589 123 3.252 2.426 250 2.676 577
1.669 1.595 59 3.322 2.403 250 2.653 669
Langdurige minima 100% 1.284 1.542 221 3.047 2.344 250 2.594 454
232
280
454
610
232
3.2.4. Paar zonder kinderen
Budget na uitgaven: paar zonder kinderen Geen gebruik gemeentelijke regelingen
Volledig gebruik gemeentelijke regelingen
€ 600
€ 400 € 293 € 200
€ 151
€ 297
€ 297
€ 164
€ 95 € 23 € -0 100% Wsm € -91
110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
€ -200
Paren zonder kinderen hebben na de basisuitgaven genoeg geld over om te voldoen aan het normbedrag voor de uitgaven van participatiekosten (€ 191) als zij van alle gemeentelijke regelingen gebruik zouden maken. Als dit huishouden in een bijstandssituatie van geen enkele regeling gebruik zou maken dan leidt dit tot een tekort van € 91 per maand na het doen van zowel basis als participatie uitgaven. De gemeentelijke regelingen zijn dus essentieel voor deze huishoudens indien zij alle kosten willen betalen in de bijstandssituatie. Werkaanvaarding vanuit de bijstand tegen een loon van 110 procent Wsm en hoger levert het paar extra geld op. Het dalen van de toeslagen, wegvallen van de gemeentelijke regelingen en de stijging van de uitgaven (dit zijn de werkgerelateerde kosten) worden voldoende gecompenseerd door de inkomensstijging. De stap van werken tegen een inkomen tot 120 procent Wsm naar 130 procent Wsm is bij gebruik van alle regelingen € 4. Paren gaan er dan nauwelijks op vooruit in budget. Dit komt door het wegvallen van de gemeentelijke regelingen bij een inkomen boven 120 procent Wsm.
Inkomsten uitkering of werk Landelijke toeslagen en regelingen Gemeentelijke regelingen Subtotaal inkomsten Basisuitgaven Uitgaven participatie Subtotaal uitgaven Budget na alle uitgaven Budget bij geen gebruik gemeentelijke regelingen
100%
110%
120%
130%
1.834 625 185 2.644 2.359 191 2.550 95
2.017 625 129 2.771 2.429 191 2.620 151
2.201 583 129 2.912 2.429 191 2.620 293
2.384 476 0 2.860 2.372 191 2.563 297
Langdurige minima 100% 1.834 625 231 2.690 2.359 191 2.550 140
-91
23
164
297
-91
3.2.5. Paar met kinderen van 8 en 13 jaar
Budget na uitgaven: paar met kinderen Geen gebruik gemeentelijke regelingen
Volledig gebruik gemeentelijke regelingen
€ 600 € 437
€ 432 € 378
€ 400 € 292 € 245
€ 235 € 200 € 104 € -0 €10-09% Wsm
110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
€ -200
Paren met twee kinderen van 8 en 13 jaar hebben na hun basisuitgaven voldoende geld over om uit te geven aan participatie, als zij gebruikmaken van alle regelingen. Zij hebben namelijk € 235 over als zij gebruikmaken van alle regelingen én ze besteden maandelijks het normbedrag van € 325 aan participatie. Zonder het gebruik van gemeentelijke regelingen komt dit huishouden € 9 te kort om alle uitgaven te kunnen betalen. De gemeentelijke regelingen vallen geleidelijk weg. De meeste regelingen vervallen bij een inkomen boven 120 procent Wsm, afgezien van Stichting Leergeld (boven 130 procent Wsm). De stap van werken tegen een inkomen tot 120 procent Wsm naar 130 procent Wsm zorgt voor een toename van € 5 in het budget; huishoudens gaan er hier nauwelijks op vooruit. Zij vallen echter niet terug naar een lager budget dan op de eerdere inkomensgrenzen. De inkomensstijging kan het geleidelijk wegvallen van gemeentelijke regelingen en de daling van landelijke toeslagen voldoende compenseren.
Inkomsten uitkering of werk Landelijke toeslagen en regelingen Gemeentelijke regelingen Subtotaal inkomsten Basisuitgaven Uitgaven participatie Subtotaal uitgaven Budget na alle uitgaven Budget bij geen gebruik gemeentelijke regelingen
100%
110%
120%
130%
1.834 1.365 244 3.443 2.883 325 3.208 235
2.017 1.365 187 3.570 2.953 325 3.278 292
2.201 1.322 187 3.710 2.953 325 3.278 432
2.384 1.215 59 3.658 2.897 325 3.222 437
Langdurige minima 100% 1.834 1.365 290 3.489 2.883 325 3.208 281
-9
104
245
378
-9
Uitgelicht: voorbeeldcasus van een paar twee kinderen (8 en 13 jaar) Bijstandsuitkering Sam en Rosanne hebben twee kinderen van 8 en 13 jaar en ze krijgen een bijstandsuitkering, wat neerkomt op een netto-inkomen van € 1.834 per maand (dit is inclusief vakantietoeslag). Ze hebben maandelijks recht op € 1.365 aan toeslagen van het Rijk, bestaande uit huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderbijslag. Tot slot kunnen ze een financiële bijdrage vanuit de gemeente van € 244 per maand (excl. IIT). Dit bestaat uit de kwijtschelding voor gemeentelijke belastingen, korting op de collectieve zorgverzekering, een bijdrage vanuit de Participatieregeling en Stichting Leergeld. Naast deze inkomsten hebben zij natuurlijk verschillende uitgaven: basisuitgaven van € 2.883 per maand en uitgaven voor participatie van € 325 per maand. Als alle inkomsten binnen zijn en de uitgaven zijn gedaan dan houden zij maandelijks € 235 over. Maakt dit gezin echter van geen enkele gemeentelijke regeling gebruik, dan komen zij € 9 te kort. 130 procent Wsm Als Sam of Rosanne werk krijgt tegen een loon van 130 procent Wsm, dan stijgt het nettoinkomen van het huishouden naar € 2.384 maand. Ze behouden het recht op huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderbijslag, maar de huurtoeslag, de zorgtoeslagen het kindgebonden budget zijn lager.
Totaal ontvangen zij nu € 1.215 aan toeslagen van het Rijk per maand. Het recht op de gemeentelijke regelingen is vervallen, behalve Stichting Leergeld, een bedrag van € 59 per maand. De uitgaven stijgen licht door werkgerelateerde kosten die zij nu moeten maken. In totaal houdt dit voorbeeldhuishouden, na alle uitgaven, maandelijks € 437 over. Dit is € 202 meer dan in de bijstandssituatie. Maakt dit gezin van geen enkele gemeentelijke regeling gebruik, dan houden zij maandelijks € 378 over.
3.2.6. Alleenstaande AOW-leeftijd
Budget na uitgaven: alleenstaande AOW-leeftijd Geen gebruik gemeentelijke regelingen
Volledig gebruik gemeentelijke regelingen
€ 1.000 € 800 € 600 € 368
€ 400 € 260 € 200
€ 409
€ 484
€ 473
€ 484
€ 303
€ 161
€0 100% Wsm
110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
Een alleenstaande die de AOW-leeftijd heeft bereikt, heeft in alle voorbeeldsituaties maandelijks geld over na het doen van de basis- en participatie uitgaven. Natuurlijk leidt het gebruiken van de gemeentelijke regelingen tot een hoger budget dan het niet gebruiken van de regelingen, dit verschil loopt op tot € 99 op bijstandsniveau. Een alleenstaande AOW’er met een inkomen tussen 110 en 130 procent Wsm heeft een hoger budget na het doen van alle uitgaven dan een alleenstaande AOW’er met een inkomen van 100 procent Wsm. Hoewel de landelijke toeslagen (en de gemeentelijke regelingen) dalen is dit niet zodanig dat dit dus leidt tot een lager budget dan in de bijstand. Inkomsten uitkering of werk Landelijke toeslagen en regelingen Gemeentelijke regelingen36 Subtotaal inkomsten Basisuitgaven Uitgaven participatie Subtotaal uitgaven Budget na alle uitgaven Budget bij geen gebruik gemeentelijke regelingen
100% 1.426 497 99 2.022 1.651 111 1.762 260
110% 1.568 497 64 2.130 1.651 111 1.762 368
120% 1.711 460 64 2.235 1.651 111 1.762 473
130% 1.853 399 0 2.252 1.657 111 1.768 484
161
303
409
484
62 Exclusief IIT. De individuele inkomenstoeslag is (wettelijk) niet beschikbaar voor mensen die de AOW
leeftijd bereikt hebben.
62
3.2.7. Paar AOW-leeftijd
Budget na uitgaven: paar AOW-leeftijd Geen gebruik gemeentelijke regelingen
Volledig gebruik gemeentelijke regelingen
€ 600 € 480 € 400
€ 340 € 220
€ 456
€ 456
€ 352
€ 211
€ 200
€ 35 €0 100% Wsm
110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
Paren die de AOW-leeftijd hebben bereikt, hebben bij een inkomen van 100 procent Wsm de gemeentelijke regelingen niet nodig om alle maandelijkse uitgaven (incl. uitgaven op het gebied van participatie) te kunnen betalen. Ook als zij van geen enkele gemeentelijke regeling gebruikmaken hebben zij voldoende budget voor het betalen van hun kosten (€ 35). Bij een inkomen hoger dan 120 procent Wsm vervallen de gemeentelijke regelingen voor hen. Dit leidt tot een lager budget bij 130 procent Wsm (€ 456) dan bij 120 procent Wsm (€ 480) bij gebruik van de gemeentelijke regelingen. In dit geval wordt de daling van de landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen onvoldoende gecompenseerd door het hogere inkomen. Inkomsten uitkering of werk Landelijke toeslagen en regelingen Gemeentelijke regelingen37 Subtotaal inkomsten Basisuitgaven Uitgaven participatie Subtotaal uitgaven Budget na alle uitgaven Budget bij geen gebruik gemeentelijke regelingen
100% 1.932 648 185 2.766 2.366 179 2.545 220
110% 2.126 631 129 2.885 2.366 179 2.545 340
120% 2.319 578 129 3.025 2.366 179 2.545 480
130% 2.512 501 0 3.013 2.378 179 2.557 456
35
211
352
456
63 Exclusief IIT. De individuele inkomenstoeslag is (wettelijk) niet beschikbaar voor mensen die de AOW
leeftijd bereikt hebben.
63
3.3. Vergelijking resultaten met rapport Commissie Sociaal Minimum In september 2023 heeft de Commissie Sociaal Minimum een rapport uitgebracht met de titel ‘Een zeker bestaan. Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum’. In dit rapport wordt de stelling geponeerd dat ‘huishoudens met een laag inkomen de komende jaren tot honderden euro’s tekort gaan komen iedere maand’. In de inkomenseffecten die in paragraaf 1.2 aan de orde zijn gekomen, is dit tekort niet voor ieder huishoudtype zichtbaar. Oftewel: niet alle huishoudens hebben iedere maand te maken met (grote) tekorten. Hiervoor zijn de volgende verklaringen mogelijk: 1) De commissie Sociaal Minimum rekent een extra bedrag mee voor tegenvallers (afhankelijk van het huishoudtype gaat het om 3, 6 of 9 procent bovenop de reguliere uitgaven); oftewel een zekere marge voor onvoorziene omstandigheden. Dit extra bedrag komt bovenop de bedragen voor reserveringsuitgaven, huishoudelijke uitgaven en het minimumbudget voor sociale participatie van het Nibud, zoals in voorliggende inkomenseffectrapportage doorgerekend. Het uitgavenbedrag ligt hiermee, afhankelijk van het huishoudtype, circa 50 tot 300 euro hoger dan het uitgavenbedrag op bijstandsniveau.
2) De Commissie Sociaal Minimum rekent een ondergrens mee voor het gemiddelde totaalbedrag aan lokale regelingen waar minimahuishoudens aanspraak op kunnen maken, terwijl in voorliggende inkomenseffectrapportage de specifieke minimaregelingen worden doorgerekend. In de Kempengemeenten ligt het bedrag waar huishoudens aanspraak op kunnen maken hoger. Ter illustratie: een paar met twee kinderen van 8 en 13 jaar kan volgens de berekeningen van de Commissie Sociaal Minimum aanspraak maken op een gemiddeld bedrag van € 160 aan gemeentelijke regelingen, in de Kempengemeenten ligt dit op € 244 (excl. IIT). Dit verschil in totaalbedrag aan gemeentelijke regelingen verschilt per huishoudtype: voor huishoudens met kinderen is het verschil groter dan voor huishoudens zonder kinderen. Hierbij geldt overigens de cruciale aanname dat huishoudens gebruikmaken van alle regelingen waar het huishoudtype aanspraak op mag maken. De praktijk is echter weerbarstiger; niet alle inwoners maken gebruik van het volledige aanbod. Dit kan ervoor zorgen dat huishoudens maandelijks minder overhouden dan geschetst. Dat is ook de reden dat we in voorliggend rapport twee situaties schetsen: wanneer huishoudens gebruikmaken van alle regelingen en wanneer zij geen gebruik maken van regelingen.
3) Tot slot: voor de kostenposten en inkomsten is in deze inkomenseffectrapportage, waar mogelijk, gewerkt met lokale bedragen zoals van toepassing in de Kempengemeenten. Bijvoorbeeld de huurprijs, huurtoeslag, gemeentelijke- en waterschapsheffingen alsook de gemeentelijke regelingen. Dit betekent dat de resultaten kunnen afwijken van het rapport van de Commissie Sociaal Minimum, waarin gewerkt wordt met gemiddelden.
4. Scenarioanalyse 4.1. Introductie scenario In deze paragraaf introduceren we het scenario. Vervolgens wordt een aantal aannames en kanttekeningen beschreven en worden de achterliggende cijfers van de huidige situatie in beeld gebracht. Het scenario
De inkomensgrens van een aantal regelingen wordt verruimd van 120 naar 130 procent Wsm: • Collectieve zorgverzekering (CZ en VGZ); • Participatieregeling 18+; • Stichting Leergeld (gemeente Oirschot)38. De gevolgen hiervan worden in beeld gebracht voor: • Minimahuishoudens: inkomensgroei en vrij besteedbaar budget; • Gemeente: programmakosten bij grotere doelgroep. Aannames en kanttekeningen bij het scenario • • • •
•
Voor de inkomenseffecten gaan we uit van dezelfde aannames zoals gesteld in hoofdstuk 3 van het integrale rapport waarin de inkomenseffecten worden berekend: we gaan er vanuit dat ieder huishouden alle regelingen én het maximale bedrag gebruikt39. De bedragen per regeling blijven gelijk aan de huidige situatie. De doorrekening van de programmakosten vindt plaats op basis van gebruikscijfers over 2023. Hierop geldt één uitzondering: voor de collectieve zorgverzekering zijn alleen de meest recente gebruikscijfers over 2024 beschikbaar. Daarom wordt hiermee gerekend. Voor de doorrekening van de kosten voor de gemeente geldt de aanname dat het bereik van de Participatieregeling 18+ zal toenemen ten opzichte van de huidige situatie (weergegeven in hoofdstuk 2 van het integrale rapport). o Verwachting over het bereik: Aangezien sinds dit jaar het te besteden bedrag per persoon is verhoogd van 150 naar 180 euro en ook de mogelijkheden waar het bedrag aan uitgegeven kan worden is verruimd, is de verwachting dat het bereik zal stijgen dit jaar. Als gevolg van deze ontwikkelingen lijkt een toename in bereik van 2 procent stijging realistisch. Ook de doelgroep en daarmee het aantal gebruikers wijzigt logischerwijs bij een verruiming van de inkomensgrens. Deze zijn gebaseerd op de cijfers uit de Armoede Index, die eveneens in de integrale rapportage zijn benoemd.
Voor de collectieve zorgverzekering gaan we er in het scenario vanuit dat álle pakketten worden gebruikt en dat dit in dezelfde verhouding zal plaatsvinden voor de nieuwe doelgroep. De totalen wijken echter af van de cijfers die in het integrale rapport genoemd zijn, aangezien daarin alleen de cijfers van CZ zijn meegenomen40. In de scenarioanalyse zijn de cijfers van zowel CZ als VGZ meegenomen. De bereikcijfers van de collectieve zorgverzekering zijn daarom logischerwijs ook anders dan in het integrale rapport. o VGZ en CZ (gemeenten): Van VGZ was alleen een totaalaantal gebruikers voor alle vijf gemeenten beschikbaar. Om de gebruikersaantallen van VGZ te verkrijgen per gemeente is de aanname gedaan dat de verstrekkingen in dezelfde verhouding plaatsvinden als bij CZ. Oftewel: we gaan ervan uit dat de gebruikersverdeling van CZ naar de afzonderlijke 5 gemeenten ook geldt voor de gebruikersverdeling van VGZ.
38 In de overige Kempengemeenten wordt reeds een inkomensgrens van 130 procent Wsm gehanteerd. 39
De praktijk leert dat huishoudens niet altijd van alle regelingen gebruikmaken waar ze voor in aanmerking komen. Daarom is in het integrale rapport ook de financiële situatie geschetst als huishoudens geen gebruikmaken van de beschikbare regelingen. 40 Op moment van schrijven waren alleen recente cijfers van CZ beschikbaar.
VGZ en CZ (pakketten): Voor het onderscheid naar pakket (VGZ) is eveneens de aanname gedaan dat dit in dezelfde verhouding als bij CZ wordt verstrekt. Daarbij is de aanname gedaan dat CZ Start gelijk staat aan VGZ Compact (omdat ze qua uitgebreidheid van het pakket vergelijkbaar zijn) en dat de gebruikersaantallen van CZ Extra plus CZ Extra Uitgebreid bij elkaar opgeteld gelijk staat aan VGZ Compleet. o Verwachting over bereik: Tot slot gaan we voor de collectieve zorgverzekering uit van een stabiel bereik. Het bereik van de collectieve zorgverzekering in de Kempengemeenten ligt in lijn met het bereik van in andere gemeenten. Naar verwachting zal de collectieve zorgverzekering ook worden benut door de gebruikers in de nieuwe doelgroep, maar verhoudingsgewijs niet meer dan in de lagere inkomensgroepen. Voor Stichting Leergeld gebruiken we een gemiddeld verstrekt bedrag per kind door het totaalbedrag aan verstrekkingen te delen door het totaal aantal gebruikers in de gemeente, weergegeven in het jaarverslag van de gemeente Oirschot. Wel is hierbij van belang op te merken dat deze kosten vermoedelijk niet volledig voor rekening van de gemeente zijn. De gemeente is naast bijvoorbeeld particulieren, bedrijven en loterijorganisaties één van de financiers van Stichting Leergeld in Oirschot41.
De inkomensgrenzen van de regelingen die niet zijn opgenomen in de scenarioanalyse blijven gelijk aan de huidige situatie. Voor Stichting Leergeld42 geldt dat deze in de inkomenseffecten al was meegenomen tot 130 procent Wsm, dus hierin wijzigt niets in de inkomenseffecten. (Eventuele wijzigingen in) de uitvoeringskosten worden buiten beschouwing gelaten. In de doorrekening van de beleidsscenario’s ligt de nadruk op de programmakosten. Om een realistische inschatting van het gebruik, bereik en de kosten van de beleidswijzigingen is voor de lange termijn een bevolkingsprognose noodzakelijk. De omvang en kenmerken van de bevolking in de gemeente kunnen veranderen door natuurlijke (bijvoorbeeld vergrijzing) en externe factoren (bijvoorbeeld migratie). Dit heeft gevolgen voor de behoefte aan ondersteuning en het gebruik van de regelingen. Een bevolkingsprognose behoort niet tot de huidige onderzoeksopdracht. De implicaties van de beleidswijzigingen zijn daarom weergegeven voor een korte/middellange termijn (circa 5 jaar). o
•
•
• •
Huidige situatie
Er zijn diverse regelingen voor minimahuishoudens in de Kempengemeenten beschikbaar. Op dit moment zijn regelingen toegankelijk voor huishoudens met een inkomen zoals weergegeven in tabel 3.1.1 van het integrale rapport. De huidige inkomenseffecten van landelijke en lokale regelingen staan beschreven in hoofdstuk 3 van het integrale rapport. De huidige programmakosten van de gemeente voor de regelingen die in het scenario wijzigen (collectieve zorgverzekering en participatieregeling 18+), worden in onderstaande tabellen weergegeven. Uitvoeringskosten (zoals inzet van personeel) zijn hier buiten beschouwing gelaten. De gebruikscijfers voor de collectieve zorgverzekering zijn in bijlage 4 toegelicht
41 Gebaseerd op de jaarrekening van 2023 van Stichting Leergeld Oirschot. 42
Hoewel Stichting Leergeld Veldhoven en de Kempen een inkomensgrens hanteert van 130 procent Wsm en Oirschot van 120 procent Wsm, was dit voor alle vijf gemeenten al doorgerekend tot 130 procent Wsm. Daarom verandert dit scenario niets in de inkomenseffecten.
Tabel 4.1.1 Huidig gebruik en bereik regelingen scenario in de Kempengemeenten in 2023 Regeling
Collectieve zorgverzekering
Inkomensgrens
120% Wsm
43
Participatieregeling 18+
120% Wsm
Stichting Leergeld (Oirschot)
120% Wsm
Gemeente
Doelgroep
Gebruik
Bergeijk Bladel Eersel Oirschot Reusel – De Mierden Bergeijk Bladel Eersel Oirschot Reusel – De Mierden
588 volwassenen 672 volwassenen 611 volwassenen 580 volwassenen 368 volwassenen
202 volwassenen 264 volwassenen 276 volwassenen 144 volwassenen 167 volwassenen
34% 39% 45% 25% 45%
588 volwassenen 672 volwassenen 611 volwassenen 580 volwassenen 368 volwassenen
23 volwassenen 56 volwassenen 36 volwassenen 27 volwassenen 30 volwassenen
4% 8% 6% 5% 8%
236 kinderen
133 kinderen
56%
Oirschot
Bereik
Tabel 4.1.2 Huidige programmakosten regelingen scenario in de Kempengemeenten in 2023 Totale kosten Regeling Kosten per gebruiker Gemeente per gemeente Per jaar: € 121.181 Bergeijk CZ: Start € 310,80 € 157.630 Bladel Collectieve CZ: Extra € 591,12 € 165.762 Eersel zorgverzekering CZ: Extra uitgebreid € 591,12 € 86.518 Oirschot VGZ: compact € 292,80 Reusel – De Mierden € 99.154 VGZ: compleet € 651,00 € 4.140 Bergeijk € 10.080 Bladel Participatieregeling € 180 per persoon44 € 6.480 Eersel 18+ € 4.860 Oirschot € 5.400 Reusel – De Mierden