Ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
UrbiTom
28
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
Toename verharding en noodzaak waterberging Door de ontwikkeling is er sprake van een verhardingstoename in het plangebied van ca. 250 m2:
Bebouwing Verharde buitenruimte Totaal verhard oppervlak Onverhard oppervlak Totaal plangebied
Huidige situatie (m2) 50 205
Toekomstige situatie (m2) 250 250
255
500
633
388
888
888
* er is uitgegaan van een verhard perceelsoppervlak dat gelijk is aan het bebouwingsoppervlak op de begane grond
Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel, behorend bij de Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie per ontwikkelscenario berekend worden. Voor ontwikkelingen waarvan de toename van het verhard oppervlak meer dan 500 m2 bedraagt, is compenserende waterberging vereist. De verhardingstoename bedraagt ca. 250 m2, dus voor het plangebied in voorliggend bestemmingsplan is vanuit het waterschap geen bergingsopgave aan de orde. Op basis van het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het VGRP, is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor verwerking van hemelwater op zijn eigen perceel. Hierbij geldt een bergingseis van 60 mm. Deze bergingseis stemt overeen met de bergingseis op basis van de Keur van het Waterschap De Dommel. Nieuwbouw wordt gezien als nieuw verhard oppervlak, ook als voordien reeds verharding aanwezig was. Voor een toename van het verhard oppervlak kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De kaart ‘Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015’ geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden.
Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. Ten aanzien van de onderhavige locatie is op basis van de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie sprake van een gevoeligheidsfactor met een nominale waarde van 1. Ten aanzien van de onderhavige locatie is op basis van de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie sprake van een gevoeligheidsfactor met een nominale waarde van 1. De rekenregel luidt dus als volgt: ‘Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)’ De verhardingstoename door nieuwbouw bedraagt 250 m2. Dit betekent dat er moet worden voorzien in een totale waterberging op eigen terrein van (1 x 0,06 x 250 =) 15 m3. Het betreft een ontwikkeling met een beperkt perceelsoppervlak.
UrbiTom
29
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
De gemiddeld hoogste grondwaterstand is relatief laag. Op basis van de gegevens uit de atlas Noord-Brabant mag uit worden gegaan van een grondwatertrap VII met een grondwaterstand van meer dan 1.0 m –mv). De lage grondwaterstand wordt bevestigd in het bodemonderzoeksrapport, waar eind oktober een grondwaterstand van 2.3 m –mv gemeten werd. Het betreft een ondergrond betreft van matig fijn, matig siltig zand (k-waarde tussen 1 en 5) zonder leemlagen. De infiltratiegrondslag is daarmee goed te noemen. Het ligt het meest voor de hand om een verlaging in de achtertuin te maken of om te werken met verticale IT-buizen. Gezien de grootte van het perceel zijn er in ieder geval ruime mogelijkheden om het water op eigen terrein te bergen. Een directe aansluiting van het hemelwater op de openbare riolering is niet toegestaan. Waterkwaliteit Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling bij de aanleg geen gebruik maken van uitloogbare materialen, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. Het dwa zal aangesloten worden op het gemeentelijk rioolstelsel. Voor het hemelwater zal er alleen een overloopconstructie worden aangesloten op het gemeentelijk riool, zodat bij een groot hemelwateraanbod het perceel niet overstroomt. Verdere aanvullende voorzieningen hoeven niet getroffen te worden.
Conclusie In het kader van de planprocedure zijn de gevolgen ten aanzien van de waterhuishouding inzichtelijk gemaakt en de daaruit voortkomende waterbergingsbehoefte. Geconcludeerd kan worden dat er met het voorliggend initiatief geen waterschapsbelangen in het geding zijn. Er is derhalve geen belemmering aanwezig vanuit het aspect water. Op basis van het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het VGRP 2020 -2024 is de perceeleigenaar echter zelf verantwoordelijk voor verwerking van hemelwater op zijn eigen perceel. De bergingseis bedraagt ca. 15 m3. Inzichtelijk is gemaakt dat het binnen de mogelijkheden ligt om het hemelwater op eigen perceel te verwerken. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting voor de realisatie en instandhouding van 60 mm waterberging opgenomen.
5.4
Geluid Akoestisch onderzoek heeft als doel het bepalen van de geluidsbelasting ten gevolge van de nabijgelegen wegen en het beoordelen of er voldaan wordt aan de bepalingen van de Wet geluidhinder (Wgh). Dit onderzoek is nodig, wanneer een ontwikkeling is gelegen binnen de onderzoekszone van een weg of wanneer sprake is van een weg, die geen onderzoekszone heeft (bijv. 30 kmweg) maar wel een zodanige verkeersfunctie dat onderzoek noodzakelijk wordt geacht om te kijken of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Er vindt nieuwbouw van 1 woning plaats. Deze is gesitueerd aan de Bucht. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Enderakkers. Het plan is tevens gelegen aan de 30 km/uur weg Bucht.
UrbiTom
30
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai verricht, waarover in december 2021 is gerapporteerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Conclusie Voor de Enderakkers geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Voor de 30 km/uur weg Bucht geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning de richtwaarde van 48 dB met maximaal 1 dB overschrijdt. Voor een 30 km/uur weg kan echter geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze weg niet zoneplichtig is. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde. Uit de rekenresultaten blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting maximaal 55 dB bedraagt. Ondanks dat voor onderhavig plan geen hogere waarde aangevraagd kan worden, dient bij de bouwaanvraag, in het kader van een goed woon- en leefklimaat, een aanvullend onderzoek te worden overlegd ter bepaling van de geluidwering van de gevels. Geadviseerd wordt aan te sluiten bij voornoemde nieuwbouweis waarbij voor de hogere waarde de cumulatieve geluidbelasting op de gevel kan worden aangehouden.
5.5
Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: -
een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).
Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet
UrbiTom
31
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Er is blijkens deze regeling eveneens geen onderzoek nodig voor ‘kantorenlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 100.000 m² b.v.o. omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 200.000 m² b.v.o. omvat’. Zoals op onderstaande kaart met de gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 in 2019 is te zien, bedraagt deze ter plaatse van het plangebied 17-18 microgram PM10/m3, dus ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3.
Gemiddelde hoeveelheid fijnstof PM10 in 2019
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van 1 nieuwe woning. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’. De kaart met gemiddelde fijnstofconcentraties van het RIVM laten zien dat de concentratie fijnstof (pm10) ter plaatse van het plangebied ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3 blijft. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Er worden vanwege het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling.
5.6
Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kun-
UrbiTom
32
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
nen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Uit gemeentelijke gegevens blijkt dat het initiatief niet gelegen is in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, van transportroutes en van leidingen. Dichtstbijzijnd is het brandstoffenverkooppunt aan het Eykereind. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied hiervan, dat is aangeduid op de verbeelding van het geldende bestemmingsplan ‘Woongebieden Oost- en West Bergeijk’. Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht.
Kaart externe veiligheid
5.7
Flora en fauna Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Doel is om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Op 1 januari 2017 is deze wet in werking getreden en vervangt de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. Hierover kan het volgende worden aangegeven:
UrbiTom
33
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
5.7.1
Effecten beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (de Keersop in het Natura 2000-gebied Leenderbos – Groote Heide) is met circa 600 meter op korte afstand gelegen. De ingreep is echter beperkt van aard, aangezien het een inbreidingslocatie in het stedelijk gebied van Bergeijk betreft waarbij slechts 1 nieuwe woning wordt toegevoegd. Met een berekening stikstofdepositie (zie navolgende paragraaf) is aangetoond dat er geen significante effecten zijn op Natura 2000gebieden.
5.7.2
Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. In onderhavig plangebied heeft veldbezoek plaatsgevonden op 10 november 2021. De rapportage hiervan is opgenomen in de bijlage bij deze toelichting. Zoals aangegeven in de rapportage zijn er geen vindplaatsen of (potentiële) habitats van beschermde soorten flora en fauna aangetroffen.
5.7.3
Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen, dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
UrbiTom
34
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
Conclusie In onderstaande vier punten wordt de eindconclusie weergegeven: Op de onderzoekslocatie zijn geen al of niet (jaarrond beschermde) nesten van vogels aanwezig en/of te verwachten. Nader onderzoek is daarmee niet noodzakelijk. De locatie vormt, door het huidige gebruik, een geschikt foerageergebied voor marterachtigen zoals steenmarter. Er zijn geen sporen van permanent gebruik of aanwezigheid aangetroffen van marterachtigen. Effecten op deze soorten zijn dan ook uit te sluiten en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Overtredingen van verbodsbepalingen op zwaarder beschermde soorten (zoals das) treden in elk geval niet op. Er komen mogelijk enkele algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren voor die het gebied gebruiken als foerageergebied/leefgebied. Hierbij valt te denken aan diverse muizensoorten en egel. De opruimwerkzaamheden van materialen en houtresten dienen wel uitgevoerd te worden buiten de kwetsbare periode (na de winter) en met de grootste zorgvuldigheid om zo verstoring van rustende dieren onder deze materialen te voorkomen. Beschermde en/of bijzondere soorten als vaatplanten, reptielen, vissen, dagvlinders, nachtvlinders, libellen, amfibieën en overige ongewervelden zijn binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie niet aangetroffen en/of te verwachten. Dit komt omdat er geen optimale habitats aanwezig zijn voor deze soort(groep)en.
De meest verstorende werkzaamheden (nieuwbouw) dienen buiten de kwetsbare periode van broedvogels uitgevoerd te worden. Dus buiten de periode half maart-half juli. Wanneer de werkzaamheden voorafgaande aan deze periode starten met doorloop tot binnen deze periode dan zullen vogels niet zo snel nesten gaan maken in de directe werksfeer. Indien vogels (of andere soorten) dit wel doen dan leidt dit echter niet tot een moedwillige verstoring, aangezien de soorten er dan zelf voor gekozen hebben zich hier te vestigen. Normaliter zullen soorten dit niet doen. Tijdens het onderzoek zijn geen rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het gebied vormt voorts geen essentieel foerageergebied en er zijn geen primaire vliegroutes aanwezig door het ontbreken van hoogopgaande vegetatiestructuren op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. In het kader van de Wet natuurbescherming kan gesteld worden dat er geen verdere vervolgonderzoeken en/of een ontheffingsprocedure noodzakelijk zijn.
5.8
Stikstofdepositie In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Dit zijn natuurgebieden met een Europese beschermingsstatus. Dit Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Veel van de gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘signifi-
UrbiTom
35
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
cante (negatieve) effecten’ op het beschermde natuurgebied. Indien er sprake is van ‘significante effecten’ is een Wet natuurbescherming vergunning (Wnb-vergunning) noodzakelijk. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (“Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux”) is op circa 600 meter afstand gelegen. Het initiatief betreft de bouw van 1 woning. Door de gemeente Bergeijk is besloten dat voor 1 woning geen stikstofonderzoek meer verplicht wordt gesteld vanuit de gemeente. Bestaande situatie In de bestaande situatie is er geen sprake van stikstofdepositie, omdat het plangebied een tuin betreft. Nieuwe situatie In de nieuwe situatie wordt bij de realisatie van de woning rekening gehouden met aardgasloos bouwen. De woning wordt derhalve duurzaam gerealiseerd en de ruimteverwarming en warmwatervoorziening is emissieloos voor wat betreft de emissies van NOx. Een overige relevante bron t.a.v. stikstofdepositie is de NOx-emissie vanuit de verkeersaantrekkende werking. Voor 1 vrijstaande woning is deze zeer gering. Bij berekeningen voor vergelijkbare initiatieven is telkens sprake van een emissie van minder dan 0,00 mol/ha/jr. (totaal van aanleg- en gebruiksfase).
Conclusie Gezien het feit sprake is van de realisatie van een emissieloze woning en een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking, zijn significant negatieve effecten ten aanzien van de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000 gebieden uit te sluiten. Een uitgebreid stikstofdepositie onderzoek is derhalve niet noodzakelijk en op basis van het gemeentelijk beleid ook niet verplicht voor de bouw van 1 woning.
5.9
Hinderlijke bedrijvigheid Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende milieubelastende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied aan de Bucht wordt omgeven door de bestemming ‘Wonen’ en kan op basis daarvan worden aangemerkt als ‘rustig woongebied’. Daarom is gekeken naar de indicatieve afstanden die gelden tussen potentieel hinderlijke bestemmingen en gevoelige bebouwing binnen dit omgevingstype.
UrbiTom
36
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
De afstand tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van de woning tot de grens van de inrichting/de bestemmingsgrens. Direct rond het plangebied liggen alleen woonbestemmingen. Ten westen van het plangebied ligt een bestemming ‘Detailhandel’, die ingevolge de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ een richtafstand van 10 m heeft vanaf de bestemminsgrens tot het bouwvlak van een gevoelige bestemming. Deze afstand bedraagt tot het bouwvlak voor woningbouw in het plangebied meer dan 40 m, dus ruimschoots meer dan de richtafstand. Aan het Eykereind bevindt zich een brandstoffenverkooppunt met LPG. Het plangebied ligt ruimschoots buiten het invloedsgebied LPG, dat is aangeduid op de verbeelding van het geldende bestemmingsplan ‘Woongebieden Oost- en West Bergeijk’. Er bevinden zich geen veehouderijbedrijven in de nabijheid van het plangebied. Ook potentiële spuitzones voor gewasbescherming bevinden zich op afstand (zie hiervoor ook paragraaf ‘Spuitzones’ in deze plantoelichting).
PLANGEBIED
Uitsnede geldende bestemmingsplan ‘Woongebieden Oost- en West Bergeijk en andere bestemmingsplannen rond het plangebied. Het plangebied zelf is met een witte omlijning aangegeven (Bron: Ruimtelijke Plannen).
Conclusie In – of in de nabijheid van – het plangebied is geen sprake van hinderlijke bedrijvigheid die van invloed is op een goed woon- en leefklimaat. Ook heeft de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt geen beperkende invloed op omliggende bestemmingen waar bedrijvigheid wordt mogelijk gemaakt.
UrbiTom
37
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
5.10
Gemeente Bergeijk
Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen 50 m van het plangebied liggen geen gronden waar mogelijk sprake is van een spuitzone. De kortste afstand van een agrarische bestemming tot het plangebied bedraagt meer dan 100 m. Conclusie Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.
5.11
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.‐beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.
wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (Hof van Justitie EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het
UrbiTom
38
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- plichtig besluit, indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C-lijst of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van een ontwikkelingslocatie voor woningbouw. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst.
Ook gaat het niet om een activiteit die voorkomt op de D-lijst: Volgens vaste jurisprudentie is een ruimtelijke procedure voor het bouwen van 1 nieuwe woning geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen niet kaderstellend is voor een m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit en is derhalve geen (besluit) vormvrije m.e.r.-beoordeling van toepassing
5.12
Kabels en leidingen Binnen het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling binnen het plangebied. Binnen het plangebied is verder geen sprake van straalpaden en invloeden van zendmasten. Voor aanvang van werkzaamheden zal een KLIC-melding worden verricht.
UrbiTom
39
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
UrbiTom
40
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Gemeente Bergeijk
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 1 woning mogelijk. De Wet ruimtelijke ordening (Wro, artikel 6.12) verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan ook een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. In voorliggend geval is het kostenverhaal vastgelegd door middel van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer, zodat een exploitatieplan niet noodzakelijk is.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan doorloopt een vastgelegde procedure teneinde de maatschappelijke haalbaarheid te borgen. Overleg met omwonenden Overleg met omwonenden heeft plaatsgevonden. Een verslag hiervan is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Het plan heeft de instemming van de omwonenden. Vooroverleg Conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zal het (voor)ontwerpbestemmingsplan ‘Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk’ voor vooroverleg voorgelegd worden aan de betreffende personen en instanties. De reacties worden beoordeeld en verwerkt in het bestemmingsplan, indien nodig. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk’ zal de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening doorlopen. De zienswijzen die eventueel binnenkomen, zullen inhoudelijk worden beoordeeld en indien gegrond tot een aanpassing van het bestemmingsplan leiden. Vaststelling De gemeenteraad zal vervolgens het bestemmingsplan in haar vergadering, al dan niet gewijzigd, vaststellen.
UrbiTom
41
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
UrbiTom
42
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
7
De bestemmingen
7.1
Het juridische plan
Gemeente Bergeijk
Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en gebouwen op een herontwikkelingslocatie aan de Bucht te Bergeijk. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar aansluiting bij recente bestemmingsregelingen, zoals deze zijn toegepast voor de gemeente Bergeijk. Voor de planregels zijn het beleid van de gemeente Bergeijk en de daarop gebaseerde voorstellen voor de regels uitgangspunt geweest. Verder is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijk standaard voor bestemmingsplan: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot uitsluitend een beschrijving in hoofdlijnen. Het onderhavige bestemmingsplan betreft een gedetailleerd bestemd plan. Er wordt enerzijds maximale flexibiliteit nagestreefd om te kunnen voldoen aan de vraag vanuit de woningmarkt, terwijl anderzijds de rechtszekerheid van de burger zo goed mogelijk wordt gewaarborgd.
De planopzet is gericht op nieuwbouw van een vrijstaande woning en de bijbehorende buitenruimte en naderhand op beheer en instandhouding van de ontstane situatie. Eén en ander komt tot uitdrukking in de regels en blijkt ook uit de verbeelding. Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de, binnen het onderhavige bestemmingsplan gehanteerde, bestemmingen.
7.2
Beschrijving van de bestemmingen In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Tuin Deze gronden zijn bestemd voor: a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; b. inritten; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Er is een regeling opgenomen voor bouwwerken en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
UrbiTom
43
Bestemmingsplan Bucht ong. (tussen 72 en 74), Bergeijk
Gemeente Bergeijk
Wonen Deze gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten uitsluitend als ondergeschikte functie bij wonen; c. parkeren; d. tuinen, erven, inritten en verhardingen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Er is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de hoofdbebouwing moet worden gebouwd. In de regels zijn de maximale goot- en bouwhoogte bepaald (resp. 6 en 11 m). Aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn ook buiten het bouwvlak toegestaan. Ook voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn regels opgenomen.
UrbiTom
44