CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Kindcentrum Domineestraat Bergeijk_Etfal-Motivering

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente BergeijkBij agendapunt: BOPA Kindcentrum17.932 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

14 alinea's met “bopa”: 149 163 177 180 182 247 267 275 346 350 366 367 408 415

omgevingsvergunning

Kindcentrum Domineestraat Bergeijk Bergeijk

DATUM IMRO IDN

20 november 2025 NL.IMRO.1724.20241157-0001

PROJECT PROJECTLEIDER

Kindcentrum Domineestraat Bergeijk RV

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Bergeijk 20241157

AUTEUR STATUS

GE concept

Inhoudsopgave

Etfal-Motivering

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging projectgebied

6

1.3

Vergunningprocedure

7

1.4

Leeswijzer

7

Beschrijving van het project en zijn omgeving

8

2.1

Huidige situatie

8

2.2

Toekomstige situatie

10

2.3

Juridische activiteiten

13

2.4

Milieueffectrapportage

13

Hoofdstuk 3

Participatie

15

Hoofdstuk 4

Beleidskader en toetsing daaraan

16

4.1

Rijk

16

4.2

Provincie

17

4.3

Gemeente

20

4.4

Waterschap

23

Toetsing aan aspecten fysieke leefomgeving

26

5.1

Inleiding

26

5.2

Waarborgen van de veiligheid

27

5.3

Beschermen van de waterbelangen

29

5.4

Beschermen van de gezondheid en van het milieu

30

5.5

Kwaliteit van de buitenlucht

32

5.6

Geluid door activiteiten

34

5.7

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

37

5.8

Trillingen

38

5.9

Bodemkwaliteit

39

5.10 erfgoed

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel

5.11

Ladder voor duurzame verstedelijking

44

5.12

Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

45

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 5

3/60

40

5.13

Mobiliteit en parkeren

45

5.14

Ecologie: soortenbescherming en gebiedsbescherming

49

5.15

Geur

54

5.16

Milieubelastende activiteiten

55

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

58

6.1

Financiële uitvoerbaarheid

58

6.2

Kostenverhaal

58

Beoordeling evenwichtige toedeling van functies aan locaties

60

7.1

Belangenafweging

60

7.2

Omgevingsplanactiviteiten

60

7.3

Conclusie

60

Hoofdstuk 7

4/60

Etfal-Motivering

5/60

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Atalenta is voornemens om op de locatie aan de Domineestraat te Bergeijk een kindcentrum te ontwikkelen. De wens bestaat om de basisscholen Prinses Beatrix en De Zonnesteen samen te voegen en te huisvesten in een nieuw Kindcentrum-Oost. Dit is vastgelegd in het Integraal Huisvestings Plan (IHP 2022-2027). Uit een studie is de locatie ten noorden van de huidige Prinses Beatrixschool hiervoor het meest geschikt gebleken. In de huidige situatie zijn op de projectlocatie een kinderboerderij en een basisschool aanwezig. De huidige school zal gesloopt worden om ruimte te maken voor het nieuw te realiseren kindcentrum. Het projectvoornemen kan niet gerealiseerd worden binnen de regels van het geldende omgevingsplan (tijdelijk deel: bestemmingsplan 'Centrum Bergeijk 2012'). De gronden hebben de bestemming 'Agrarisch' en 'Maatschappelijk'. De beoogde ontwikkeling is niet toegestaan binnen de bouw- en functieregels van de agrarische bestemming. Binnen de geldende maatschappelijke bestemming zijn speel- en parkeervoorzieningen gerealiseerd. Deze zijn reeds toegestaan binnen de geldende bestemming.

Figuur 1.1: Ligging projectgebied binnen Bergeijk (Bron: Rho viewer)

1.2

Ligging projectgebied

Het project is gelegen aan de oostzijde van het centrum van Bergeijk aan de Domineestraat 2. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Bergeijk, sectie B, perceelnummers 3151, 4164 en 4732. Het projectgebied kent een oppervlak van circa 7.800 m² en wordt begrensd door de Domineestraat aan de westzijde, de Kerkstraat aan de zuidzijde, Cultuurhuis Rietveld aan de noordzijde en agrarische grond aan de oostzijde van het projectgebied. De naastgelegen agrarische grond wordt niet ingezet voor de verbouw van gewassen.

6/60

1.3

Vergunningprocedure

De voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze vergunning kan worden verleend, als kan worden gemotiveerd dat er sprake is van een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL). Tevens moet worden voldaan aan de instructieregels van Rijk en provincie. Deze gaan over onder meer luchtkwaliteit (Rijk) en instructieregels uit de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Dit wordt in voorliggende etfal-motivering onderbouwd. Bij de gemeente is het college van burgemeester en wethouders (B&W) het bevoegd gezag bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).

1.4

Leeswijzer

Nadat het project in Hoofdstuk 1 is ingeleid, wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe vooroverleg en participatie hebben plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan het ontwerp van het project op de locatie. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 het project getoetst aan relevant beleidskader. In Hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de relevante beoordelingsregels. Hoofdstuk 6 bevat de financiële aspecten van het project. Tot slot wordt in Hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als etfal).

7/60

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van het project en zijn omgeving

Huidige situatie

2.1.1 Feitelijke situatie Op de projectlocatie zijn Basisschool Prinses Beatrix, een parkeerplaats en een kinderboerderij aanwezig. Hierin is het zuidelijke deel van het projectgebied bestemd als 'maatschappelijk' en het noordelijk gebied is bestemd als 'agrarisch'. Ten zuiden en westen van de projectlocatie zijn woningen aanwezig, waar in het noorden en oosten van het projectgebied ruimte is gegeven aan maatschappelijke-, agrarische- en detailhandelsdoeleinden.

Figuur 2.1: Projectlocatie is met rode omlijning globaal weergegeven (Bron: www.Opengis.net) 2.1.2 Relevante regels omgevingsplan De projectlocatie is onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Bergeijk (tijdelijk deel: bestemmingsplan 'Centrum Bergeijk 2012'). Hierbinnen kent het projectgebied twee bestemmingen, namelijk 'Maatschappelijk' en 'Agrarisch'. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke en culturele voorzieningen; b. een begraafplaats ter plaatse van de aanduiding ‘begraafplaats’; c. tevens wonen ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’; d. beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten; e. tuinen, erven en verhardingen; f. voorzieningen voor verkeer en verblijf; g. groenvoorzieningen; h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

8/60

Binnen de maatschappelijke bestemming is sprake van maatvoeringsaanduidingen. Het maximale bebouwingspercentage is 100%, de maximale bouwhoogte is 8 meter en de maximale goothoogte is 4 meter. Daarnaast is een bouwvlak opgenomen binnen de maatschappelijke bestemming. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. een bloemen- en beeldentuin met kleinschalige dagrecreatie ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – beeldentuin’; c. een kinderboerderij ter plaatse van de aanduiding ‘kinderboerderij’; d. een parkeerterrein ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ ten dienste van de onder b en c genoemde voorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. extensief recreatief medegebruik. (Een deel van) de voor agrarisch bestemde gronden kennen de functieaanduidingen 'kinderboerderij', 'parkeerterrein' en 'specifieke vorm van groen - beeldentuin'.

Figuur 2.2: Uitsnede Omgevingsplan (tijdelijk deel: bestemmingsplan 'Centrum Bergeijk 2012') (Bron: Regels op de kaart)

9/60

Met de beoogde ontwikkeling wordt er een maatschappelijke functie mogelijk gemaakt op gronden waar een agrarische functie aanwezig is. De beoogde nieuwbouw is in strijd met de bouw- en gebruiksregels die op deze locatie gelden. Het mogelijk maken van een maatschappelijke functie is op de betreffende locatie dus niet direct juridisch-planologisch toegestaan. Daarnaast is de beoogde nieuwbouw deels voorzien op gronden welke een maatschappelijke functie hebben, maar waar het nog niet is toegestaan te bouwen doordat hier geen bouwvlak is opgenomen. Hiermee is de beoogde ontwikkeling in strijd met het omgevingsplan van de gemeente Bergeijk (tijdelijk deel: bestemmingsplan 'Centrum Bergeijk'). Om het project te kunnen realiseren is een omgevingsvergunning nodig om af te mogen wijken van de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan: de zogenaamde buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Voor de beoogde ontwikkeling is gekozen voor een bopa. Deze bopa gaat gepaard met een toelichting waarin gemotiveerd wordt dat met het voorgenomen project sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend document bevat de motivering voor de bopa. Hierin wordt de functiewijziging mogelijk gemaakt.

2.2

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt de school gesloopt. Ten noorden van de huidige bebouwing zal nieuwbouw gerealiseerd worden. Ook zal de kinderboerderij ten noorden van de bestaande bebouwing verplaatst worden naar een andere locatie buiten het plangebied. De nieuwbouw zal een oppervlak hebben van circa 1.220 m² en bestaat uit maximaal 2 bouwlagen met kap. Het brutovloeroppervlak van het kindcentrum (begane grond en verdieping) bedraagt 2.155 m². In het beoogde kindcentrum worden de basisscholen Prinses Beatrix en De Zonnesteen gefuseerd en worden kinderdagverblijf (KDV) ruimten en buitenschoolse opvang (BSO) ruimten gerealiseerd. De entree van de nieuwbouw ligt aan de zuidzijde. De voorgevel ligt op enige afstand van de Domineestraat. De inrichting is geïnspireerd op de ruimtelijke kenmerken van een typische beelden- en bloementuin en heeft een openbare en publieke functie. Hagen vormen een leidmotief dat meerdere plekken in het gebied een groene basis geeft. Ze omlijsten het totale plot in aansluiting op bestaande haagstructuren, maar ook functies als parkeren. Aan de oostzijde wordt het terrein landschappelijk ingepast door aanplant van een lijnvormig landschapselement: een bomensingel. De hoek Domineestraat-Kerkstraat krijgt een groen accent; de treurbeuken blijven behouden en worden onderdeel van een groene ruimte waardoor een openbare ontmoetingsplek ontstaat.

De overige vitale grote bomen blijven zoveel mogelijk duurzaam behouden. De functie van de grond zal in de toekomstige situatie maatschappelijk zijn, waar dit nu agrarisch is.

10/60

Figuur 2.3: Ruimtelijk kader Kindcentrum-Oost

11/60

Figuur 2.4: beoogde inrichting projectgebied

Figuur 2.5: Impressie voorgevel beoogde nieuwbouw

Figuur 2.6: Impressie linkergevel beoogde nieuwbouw

12/60

2.3

Juridische activiteiten

De beoogde ontwikkeling welke binnen de genoemde ruimtelijke kaders wordt uitgewerkt is in geen geval mogelijk binnen het omgevingsplan. Ter plaatse geldt namelijk de bestemming 'Agrarisch' en daarbinnen is de functie maatschappelijk niet toegestaan en mag niet worden gebouwd. Ook is de nieuwbouw deels voorzien binnen de bestemming 'Maatschappelijk' waar geen bouwvlak aanwezig is. Het is daardoor op dit moment juridisch-planologisch niet toegestaan om het kindcentrum op te richten op de beoogde locatie. Het bouwplan is niet vergunningvrij te realiseren en het vastgestelde bestemmingsplan, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bevat geen afwijkingsbevoegdheden om het plan te kunnen realiseren. Om het project binnen de genoemde kaders te kunnen realiseren is een omgevingsvergunning nodig om af te mogen wijken van de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan: de zogenaamde buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). De bopa-vergunningaanvraag voorziet in de planologische afwijking van het omgevingsplan alsmede de ruimtelijke bouwactiviteit voor de daadwerkelijke realisatie van het bouwplan. Deze bopa gaat gepaard met een onderbouwing waarin gemotiveerd wordt dat met het voorgenomen project sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend document bevat die onderbouwing.

2.4

Milieueffectrapportage

2.4.1 Algemeen In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Als hier het omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een BOPA verstaan. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning.

13/60

2.4.2 Toetsing en conclusie De ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd, betreft een activiteit uit kolom 1 van Bijlage V van het Ob en valt onder categorie J11 Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Kolom 2 is daarbij niet van toepassing. Wel is kolom 3, gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt, van toepassing. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. De aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 1 bij voorliggende bopa-onderbouwing.

14/60

Hoofdstuk 3

Participatie

De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Voor de beoogde ontwikkeling heeft de gemeente Bergeijk een gebiedsvisie opgesteld om de plannen te delen en toe te lichten; genaamd 'Gebiedsvisie Kindcentrum-oost e.o.'. Als onderdeel van het opstellen van de gebiedsvisie hebben er op 9 april 2024 en op 6 juni 2024 twee informatieavonden plaatsgevonden waar de plannen zijn toegelicht aan de omwonenden/belanghebbenden. Het verslag van deze informatieavond is als bijlage bij deze motivering opgenomen. Vervolgens heeft op 19 juni 2025 een inloopavond plaatsgevonden. Op de inloopavond is een poster getoond om de voortgang van de nieuwbouw te presenteren. Aan de hand van de poster is het gesprek met omwonenden, ouders en verzorgers gevoerd en zijn hun vragen beantwoord. Een verslag van de inloopavond is opgenomen in bijlage 3. De "Gebiedsvisie en uitgangspuntennotitie Kindcentrum-oost" is vanaf 15 augustus 2024 voor eenieder te raadplegen via de specifiek voor deze ontwikkeling opgezette website https://www.bergeijk.nl/kindcentrum-oost.

15/60

Hoofdstuk 4

Beleidskader en toetsing daaraan

In dit hoofdstuk wordt beknopt het relevante ruimtelijke beleidskader beschreven op de verschillende overheidsniveaus (rijk, provincie, regionaal, waterschap en gemeente). Beoordeeld wordt of de ontwikkeling past binnen de relevante beleidskaders.

4.1

Rijk

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Beoordelingskader Met de NOVI wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: a. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; b.

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; c. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Beoordeling De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de volgende opgave uit de Nationale Omgevingsvisie, namelijk: Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuw kindcentrum en deels de sloop van de oude schoolbebouwing. Met de nieuwbouw voldoet de school aan de kwaliteitseisen en draagt deze bij aan een goede onderwijshuisvesting. Dit bevordert een goede leefomgevingskwaliteit.

16/60

Conclusie De ontwikkeling is niet in strijd met het beleid van het Rijk. 4.1.2

Besluit kwaliteit leefomgeving

Beoordelingskader Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Beoordeling Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het projectgebied bepaald welke gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit project relevant zijn. Voor zover thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit project, vindt een afweging van deze instructieregel plaats in Hoofdstuk 5 van deze motivering. Overige instructieregels uit het Bkl zijn minder relevant voor dit project, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit project onbelangrijk thema betrekking hebben. Conclusie Dit initiatief voldoet aan de instructieregels uit het Bkl.

4.2

Provincie

4.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

Beoordelingskader Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en

17/60

neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ? Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma's. De TAM-IMRO omgevingsverordening wordt behandeld in paragraaf 4.2.2. Deze TAM-IMRO omgevingsverordening is relatief beleidsarm. Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie is uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen. De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden; De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen. De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken.

Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten. Beoordeling De beoogde ontwikkeling voorziet in een binnenstedelijke herontwikkeling. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan het meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. De ontwikkeling voorziet in een essentiële functie voor Bergeijk. De locatie biedt de ruimte om het kindcentrum in een toekomstbestendige omvang te realiseren in een groene omgeving. Conclusie Dit initiatief draagt bij aan deze beleidsuitgangspunten, door het realiseren van een kindcentrum door middel van een binnenstedelijke herontwikkeling. 4.2.2

TAM-IMRO Omgevingsverordening Noord-Brabant

Beoordelingskader De TAM-IMRO omgevingsverordening Noord-Brabant is op 5 december 2023 vastgesteld door Provinciale Staten. In de omgevingsverordening staan regels voor: Initiatiefnemers, inwoners en bedrijven. Dit zijn zogenaamde rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten voorwaarden om bepaalde activiteiten te verrichten en geven ook aan of je bijvoorbeeld eerst een melding moet doen of een vergunning moet aanvragen voordat je met de activiteit mag beginnen. Bestuursorganen van de overheid. Dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels geeft de provincie een opdracht aan gemeenten over onderwerpen die zij in het omgevingsplan moeten opnemen of aan een

18/60

waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. Beoordeling De volgende instructieregels zijn relevant voor het project: Stedelijk gebied Artikel 5.31 (Externe werking Natuur Netwerk Nederland) bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling die binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en die aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant geeft, de negatieve effecten waar mogelijk moet beperken en de overblijvende, negatieve effecten moet compenseren. Deze bepaling is niet van toepassing op aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In paragraaf 5.14 is gemotiveerd dat dit project gelet op de aard en omvang in verhouding tot de ligging ten opzichte van Natuur Netwerk Brabant geen negatieve effecten tot gevolg zal hebben. Compensatie is dan ook niet aan de orde. Artikel 5.55 (Duurzame stedelijke ontwikkeling) bepaalt dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals wonen, werken of voorzieningen in beginsel binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en dat daarbij gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling past binnen regionale afspraken en dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling is dusdanig kleinschalige dat gelet op de ladder voor duurzame verstedelijking (zie 4.1.3) geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bovendien vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied.

Ook is er veel behoefte aan de nieuwe functie op deze locatie. De gemeente Bergeijk wil de basisscholen Prinses Beatrix en De Zonnesteen in Bergeijk samenvoegen en huisvesten in een nieuw Kindcentrum. Deze locatie is centraal gelegen en biedt voldoende ruimte voor de gewenste nieuwbouw in een groene omgeving. Norm wateroverlast stedelijk gebied Artikel 2.2 (Omgevingswaarde wateroverlast stedelijk gebied) richt zich op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als omgevingswaarde wateroverlast een overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen en/of 1/10 per jaar voor overige gebieden. In paragraaf 5.3 wordt toegelicht op welke manier de berging en afvoer van water binnen de projectlocatie is opgelost. Het waterschapsbestuur zorgt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden dat aan de omgevingswaarde wateroverlast wordt voldaan. Diep grondwaterlichaam Artikel 3.12 (diep grondwaterlichaam) beschrijft dat het verboden is om milieubelastende activiteiten, onconventionele winning van koolwaterstoffen, te verrichten binnen het diep grondwaterlichaam-gebied. Dit is bij de beoogde ontwikkeling niet aan de orde.

Geen attentiezone waterhuishouding In Artikel 3.15 (Aanwijzing vergunningvrije gevallen open bodemenergiesysteem) staat dat een

19/60

omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem van het Bal niet is vereist als de onttrekking buiten de Attentiezone waterhuishouding ligt. Dit is het geval bij de beoogde ontwikkeling. Hoewel er geen omgevingsvergunning is vereist, zullen de in Artikel 3.15 genoemde activiteiten niet worden toegevoegd bij de beoogde ontwikkeling. Salderingsgebied Binnen het Stalderingsgebied (Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen) gelden regels over de toename van de oppervlakte aan dierenverblijf voor hokdieren op agrarische bedrijven. Dit project heeft geen betrekking op een bestaand of nieuw agrarisch bedrijf. De regels voor stalderingsgebieden zijn in dit geval dan ook niet relevant. Beperking grootschalige logistiek Artikel 5.56 (Grootschalige logistiek) stelt beperkingen aan de ontwikkeling van grootschalige logistiek. Deze regels zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake is bij dit project. Conclusie Dit initiatief is conform de regels van de TAM-IMRO omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.3

Gemeente

4.3.1

Omgevingsvisie Bergeijk

Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Bergeijk voor het hele grondgebied van de gemeente een Omgevingsvisie vastgesteld . Met de Omgevingsvisie wordt de eenheid in het ruimtelijk beleid van de gemeente bevorderd. Het verschaft andere overheden, organisaties, instellingen, bedrijven en burgers inzicht in de gedragslijnen die van deze overheid kunnen worden verwacht. In individuele gevallen kan een omgevingsvisie ook dienen als ruimtelijke onderbouwing voor het volgen van een planologische procedure. De Omgevingswet vraagt om gebiedsgericht handelen. Per Bergeijks deelgebied is aangegeven welke ambities de gemeente heeft en hoe de gemeente de ontwikkeling van de kern voor zich ziet. Per deelgebied is een kaart opgesteld waarin de huidige waarden gevisualiseerd zijn. Dit zijn de kaders voor toekomstige ontwikkelingen in dat gebied. De koers in combinatie met de waarden die zichtbaar zijn op de kaarten vormen samen het kader voor toekomstige ontwikkelingen.

20/60

Figuur 4.1: Kaart Omgevingsvisie deelgebied Bergeijk, plangebied rood omcirkeld Bergeijk ’t Hof is ontstaan op een akkercomplex, dat aan de noordzijde wordt begrensd door een bosgordel aan de noordzijde en ten zuiden door het beekdal van de Keersop. De eerste bebouwing concentreerde zich rond ’t Hof, Mr. Pankenstraat en Eykereind waardoor een bebouwingslint ontstond. Bergeijk ’t Hof heeft mede door de vestiging van bedrijvigheid een grote ontwikkeling doorgemaakt. Ten opzichte van het oorspronkelijke lint vonden uitbreidingen van woongebieden plaats in alle windrichtingen. In het zuidwesten is een grote concentratie van bedrijvigheid ontstaan welke de afgelopen jaren verder is gegroeid. Door de recente komst van de Diepenveldenweg neemt de verkeersdruk van de bedrijventerreinen op lokale wegen af. Wel blijft de Enderakkers een drukke ontsluitingsweg voor personenverkeer. Bergeijk ’t Hof is de grootste kern van de gemeente geworden en heeft een groot voorzieningenaanbod met winkels, horeca en instellingen. Deze zijn hoofdzakelijk geclusterd in het centrum en in de Burgemeester Magneestraat. Bergeijk ’t Hof ligt tamelijk ingeklemd tussen de bosgebieden, het beekdal, de bedrijventerreinen en de ontsluitingsweg Enderakkers. De afgelopen jaren is naast inbreiding ook ingezet op uitbreiding, onder meer op Terlo en meer recent op Hooge Berkt II.

Ingezet wordt op herstructurering binnen de huidige contouren in combinatie met zoeklocaties aan de randen, waarbij inpasbaarheid in de omgeving zorgvuldig moet worden afgewogen. Het gebied gelegen in de hoek tussen de Dopheidedreef en Hooge Berkt, grenzend aan bestaande wijken, is een mogelijke zoeklocatie voor uitbreiding van ’t Hof. Bergeijk ’t Hof beschikt over het grootste voorzieningenaanbod in de gemeente. Het centrum van het dorp is levendig, de leegstand van winkels is laag en er wordt voortdurend naar gestreefd om de beleving te verbeteren. Hiervoor is inspanning nodig. Voortzetting van concentratiebeleid voor zowel winkels als andere bezoekersintensieve functies is noodzakelijk. Voor alle ontwikkelingen geldt dat de opgave ligt in het versterken van de kwaliteit en identiteit van het dorp. Beoordeling

21/60

De gemeente Bergeijk zet in op herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied. Met het planvoornemen wordt een dergelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt en sluit dus aan op de Omgevingsvisie. Het samenvoegen van de basisscholen Prinses Beatrix en De Zonnesteen en het huisvesten in een nieuw kindcentrum op deze locatie is bovendien gewenst op basis van het Integraal Huisvestings Plan. Conclusie De ontwikkeling past binnen de gemeentelijke Omgevingsvisie.

4.3.2 Integraal Huisvestingsprogramma Primair Onderwijs 2022-2037 De gemeente heeft een rol in de financiering van huisvesting voor onderwijs. De gemeente maakt hierover afspraken met de schoolbesturen die in Bergeijk een basisschool hebben. De gemeente wil het onderwerp ‘huisvesting voor onderwijs’ oppakken in samenhang met het verbeteren van de samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang. De in Bergeijk actieve schoolbesturen en kinderopvangorganisaties zijn het daar van harte mee eens. De door de gemeenteraad vastgestelde ambitie voor de verbetering van de samenwerking is door deze partners samen met ons uitgewerkt in een samenwerkingsconvenant. Daarop aansluitend is een visie opgesteld wat dit betekent voor de huisvesting. Deze visie is per onderwijslocatie uitgewerkt in een programma. Dit programma ligt nu als ambitiedocument ter vaststelling voor aan de gemeenteraad. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een kindcentrum. Deze ontwikkeling is als scenario opgenomen in het Integraal Huisvestingsprogramma Primair Onderwijs (hierna: IHP), namelijk dat Atalenta voornemens is de Prinses Beatrixschool en De Zonnesteen te fuseren en de locatie van de Zonnesteen op te geven. Daarmee zullen drie clusters op 't Hof ontstaan: De Regenboog (cluster Midden), Prinses Beatrix (cluster Oost) en Beisterveld (cluster West).

In het IHP wordt ervan uitgegaan dat het geprognosticeerde leerlingaantal voor de Zonnesteen zich op termijn gelijkmatig over deze drie clusters zullen verdelen. Samen met een bijgestelde prognose op het gebied van het aantal te realiseren woningen binnen deze kern (Hooge Berkt II) zorgt dit voor ruimtetekort op de te handhaven locaties op termijn. Specifiek voor Prinses Beatrix is via een haalbaarheidsonderzoek een scenariokeuze uitgewerkt waarbij sprake is van ofwel renoveren en uitbreiden van het bestaande gebouw of nieuwbouw plegen. De gemeenteraad heeft op 4 juli 2023 besloten te kiezen voor nieuwebouw direct ten noorden van de huidige basisschool Prinses Beatrix. Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in nieuwbouw van een kindcentrum op de gronden ten noorden van de bestaande basisschool, waarmee het volledig aansluit op het IPH. 4.3.3 vGRP 2025-2029"Focus op meerwaarde" Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. In het ‘Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2025-2029’ (VGRP) beschrijft de gemeente Bergeijk de beleidsvoornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater in Bergeijk voor de periode 2025 tot en met 2029.

22/60

In het VGRP is aangegeven dat de gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater betrekking heeft op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. Alleen als de houder van het verzamelde hemelwater dit redelijkerwijs niet kan afvoeren. Het gemeentelijk hemelwaterbeleid is strenger dan wat de keur voorschrijft. De gemeente geeft de voorkeur aan al het hemelwater scheiden van het rioleringswater. In het VGRP Bergeijk stelt de gemeente voor zowel tijdelijke als permanente ontwikkelingen eisen aan de verwerking van hemelwater op eigen terrein. Bij ontwikkelingen (toename of sloop/herbouw/opnieuw aanleggen) met een omvang van meer dan 50 m² waarbij op een gemeentelijke voorziening wordt geloosd is het gemeentelijk hemelwaterbeleid van toepassing; Voor ontwikkelingen die direct op oppervlaktewater in beheer van het waterschap lozen is het beleid van Waterschap De Dommel van toepassing. Dit betekent dat bij een toename van meer dan 500 m² aan de bergingsopgave zoals beschreven in de Keur moet worden voldaan.

Voor nieuwbouw verplicht de gemeente de aanleg van 60 mm hemelwaterberging op eigen terrein per 100 m² verharding/bebouwing. Als dit aantoonbaar niet doelmatig/haalbaar is of transport naar een opvanglocatie buiten het plangebied doelmatiger is, dan is verwerking buiten het plangebied toegestaan. In de waterparagraaf is aangegeven dat de oppervlakte aan verhard oppervlak in de beoogde situatie meer zal zijn dan 500 m². Het initiatief wordt dan ook getoetst aan het beleid van het waterschap.

4.4

Waterschap

4.4.1 Waterschap De Dommel - Waterbeheerprogramma 2022-2027 In Europa wordt de Europese regelgeving van de Kader Richtlijn Water (KRW) gehanteerd. Het doel van de KRW is dat uiterlijk in 2027 alle maatregelen zijn uitgevoerd om het water in Europa schoon en gezond te krijgen en te houden. De KRW heeft drie planperiodes: 2009-2015, 2016-2021 en 2022-2027. Deze richtlijn vertaalt zich naar Nederland in beleidsplannen op drie niveaus: het Nationaal Water Programma op rijksniveau, de Regionale Water Programma’s op provinciaal niveau en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. De richtlijn vanuit Europa en de beleidsplannen van het Rijk en de provincie Noord-Brabant geven de kaders voor het Waterbeheerprogramma van De Dommel. De keuzes in dit WBP zijn in lijn met die kaders. Met ingang van 1 januari 2022 is het Waterbeheerplan 2022-2027 ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’ in werking getreden. Dit waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van Waterschap De Dommel voor de periode 2022-2027. In dit waterbeheerplan is een indeling gemaakt in de volgende thema’s: 1. Droge Voeten 2. Schoon Water 3. Voldoende Water Streven is om uiterlijk in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te hebben. Dit

23/60

betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. In het waterbeheersplan is de route naar 2050 beschreven. Op 1 januari 2024 is de Waterschapsverordening De Dommel in werking getreden. Hierin staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. De waterschapsverordening vervangt de Keur. De keur was een traditionele verordening met regels en verboden. De waterschapsverordening is digitaal en de regels zijn verbonden aan de gebieden waar ze gelden. Dus in plaats van algemeen en overal geldig, naar specifiek geldig voor sommige gebieden en activiteiten. De drie Brabantse Waterschappen hanteren gezamenlijk dezelfde hydrologische uitgangspunten bij de regels in de Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater. In beginsel is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van de verharde oppervlakte of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.

Dit verbod is van toepassing tenzij: Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoelig-heidsfactor x 0,06. Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het Waterschap op hydrologische effecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Voor nieuwbouw geldt dat het 'schone' regenwater van het 'vuile' huishoudelijke afvalwater gescheiden opgevangen en verwerkt dient te worden. Het huishoudelijke afvalwater dient in overleg met de gemeente aangesloten te worden op een bestaand rioolstelsel in de omgeving van de planontwikkeling. Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’.

Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de trits hergebruik-vasthouden-afvoeren, nader gespecificeerd in een vijftal opties, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik;

24/60

2. 3. 4. 5.

vasthouden / infiltreren; bergen; afvoeren naar oppervlaktewater; afvoeren naar de riolering.

De initiatiefnemer dient deze opties te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. Beoordeling Ter plaatse van het projectgebied zijn geen specifieke Waterschapsbelangen in het geding. Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuw gebouw gerealiseerd en verharding aangebracht voor parkeervoorzieningen, paden en speelplein. Er is sprake van een toename van het verhard oppervlak in vergelijking met de bestaande situatie. Hierdoor is er sprake van een bergingsopgave. Deze zal binnen het projectgebied worden opgelost. In paragraaf 5.3 wordt gemotiveerd hoe hier invulling aan wordt gegeven.

25/60

Hoofdstuk 5 5.1

Toetsing aan aspecten fysieke leefomgeving

Inleiding

Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bopa gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld. De beoordelingsregels zijn in tabel 5.2 opgenomen. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan alleen worden vergund als sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (etfal). Dit vraagt voor bepaalde thema's uit de fysieke leefomgeving om een bredere benadering dan alleen het toetsen aan de instructieregels. Ook zijn er bepaalde thema's waarvoor geen instructieregels in het Bkl zijn opgenomen, maar die vanuit het oogpunt van etfal wel bij de belangenafweging moeten worden betrokken. Deze thema's komen terug in tabel 5.1. In het akder van ETFAL zijn nog overige aspecten meegenomen in hoofdstuk 5. Tabel 5.1: Instructieregels Bkl Thema Afdelingen en paragrafen Bkl Relevant voor de ontwikkeling Omgevingsveiligheid § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid Ja, zie paragraaf 5.2. Water § 5.1.3. Beschermen van de Ja, zie paragraaf 5.3. waterbelangen Luchtkwaliteit § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht Ja, zie paragraaf 5.5. Geluid door activiteiten § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten Ja, zie paragraaf 5.6. Geluid door (spoor)wegen en § 5.1.4.2a. Geluid door wegen, Ja, zie paragraaf 5.7. industrieterreinen spoorwegen en industrieterreinen Geluid rond luchthavens § 5.1.4.3.

Geluid rond luchthavens Nee, de projectlocatie ligt niet binnen de geluidcontour van een luchthaven. Trillingen § 5.1.4.4. Trillingen Ja, zie paragraaf 5.8. Slagschaduw van § 5.1.4.4a. Slagschaduw van Nee, in de omgeving van de projectlocatie windturbines windturbines komen geen windturbines voor. Bodemkwaliteit § 5.1.4.5. Bodemkwaliteit Ja, zie paragraaf 5.9. Geur § 5.1.4.6. Geur Ja, zie paragraaf 5.15 Cultureel erfgoed § 5.1.5. Beschermen van Ja, zie paragraaf 5.10. (aardkunde, archeologie en landschappelijke of cultuurhistorie) stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Landschappelijke kwaliteiten § 5.1.5. Beschermen van Nee, de projectlocatie ligt niet binnen of Kust, PKB-Waddenzee en landschappelijke of nabij de kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied stedenbouwkundige waarden en Waddengebied cultureel erfgoed Ladder voor duurzame § 5.1.5.4. Ladder voor duurzame Ja, zie paragraaf 5.11. verstedelijking verstedelijking

26/60

Nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving

Aanwijzing woningbouwcategorieën Toegankelijkheid openbare buitenruimte

5.2

§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies; § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken

§ 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

Nee, de projectlocatie ligt niet in de omgeving van infrastructuur of voorzieningen met een nationaal belang. Ook is er geen ruimte gereserveerd voor nationale belangen. Nee, voor dit project is het niet nodig om regels te stellen over te realiseren categorieën woningen. Ja, zie paragraaf 5.12.

Waarborgen van de veiligheid

Beoordelingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico (GR) is sprake van 'aandachtsgebieden'.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het

27/60

Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de Ow optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par.

5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Beoordeling Het projectgebied ligt niet binnen een aandachtsgebied van een transportroute of andere risicobron. Ook ligt de projectlocatie niet binnen de risicocontour voor plaatsgebonden risico.

Figuur 5.1: Uitsnede risicokaart met het projectgebied rood omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving) Conclusie

28/60

Binnen het projectgebied wordt de veiligheid gewaarborgd en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

5.3

Beschermen van de waterbelangen

Beoordelingskader Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een bopa wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit volgt uit paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en geldt in het algemeen voor alle waterbelangen, zoals: watercompensatie in verband met toenemende verharding; waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Voor een aantal specifieke rijksbelangen (bescherming primaire waterkeringen, behoud waterveiligheid kust en grote rivieren, IJsselmeergebied) stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Daarnaast moet rekening worden gehouden met watergerelateerde instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening. Verder moet worden getoetst aan de waterschapsverordening. Deze bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Ten slotte wordt het project ook getoetst aan het relevante gemeentelijke beleid met betrekking tot water.

Beoordeling Omgevingsaspecten Op de digitale verbeelding van de provinciale TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant zijn op kaart 4 locaties aangeduid waar specifieke instructieregels gelden voor grondwaterbescherming, waterveiligheid en waterberging. Het projectgebied is niet gelegen binnen een dergelijke locatie, waardoor geen instructieregels met betrekking tot water van belang zijn voor dit project. Wel ligt het projectgebied binnen het werkingsgebied 'Diep grondwaterlichaam'. Volgens artikel 3.11 van de omgevingsverordening is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden. Dit project maakt geen onconventionele winning van koolwaterstoffen mogelijk. De projectlocatie is niet gelegen op of nabij een waterkering, oppervlaktewaterlichaam of binnen diens beschermingszone. Ook ligt het projectgebied niet binnen grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Ten slotte is het projectgebied niet gereserveerd voor (regionale) waterberging. Verhardoppervlak en water(bergings)opgave Het projectgebied heeft een omvang van 7.786 m2. In de huidige situatie bedraagt het verhard oppervlak circa 4.500 m2. (1.800 m2 bebouwd oppervlak en 2.300 m2 verharding) Voor de beoogde situatie wordt circa 1.600 m2 aan bebouwing wordt gerealiseerd/wordt behouden (nieuw kindcentrum, deels bestaand gebouw en nieuwe fietsenstalling).

Er is nog geen exacte inrichting van het omliggende terrein bekend. Geschat wordt dat maximaal 60% van het terrein verhard zal zijn, 20% semiverhard en 20% groen. In de vervolgfase na verlening van de

29/60

omgevingsvergunning wordt een uitwerking voor het terrein gemaakt. Op basis van de oppervlakten en percentages hiervoor kan een indicatieve berekening worden gemaakt wat de waterbergingsopgave betreft. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de verschillende oppervlaktes binnen het projectgebied en de daarbij behorende waterbergingsopgave. Deze waterbergingsopgave is afgeleid uit het beleid van het waterschap, waterschapsverordening en bijbehorende beleids- en algemene regels, en de gemeente, rioleringsprogramma en/of hemelwaterverordening.

In totaal wordt de waterbergingsopgave nu berekend op 356 m³. Binnen het projectgebied is voldoende ruimte aanwezig voor de realisatie van een waterbergingsvoorziening van minimaal 356 m³. Gedacht wordt aan wadi's (flauwe laagtes die tevens onderdeel zijn van het buitenspeelterrein), groene daken en infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen (auto/fiets). De berekening is gebaseerd op verwachtingen en moet nog opnieuw berekend worden op basis van de exact uitgewerkte terreininrichting. Om voldoende waterberging te borgen wordt in de omgevingsvergunning een voorschrift opgenomen. Waterhuishouding Voor afvalwater geldt dat dit gescheiden van het hemelwater aan de grens van het projectgebied wordt aangeboden en wordt aangesloten op het bestaande rioolsysteem. De waterbergingsopgave voor de opvang van hemelwater wordt binnen het projectgebied opgelost. Conclusie Het project past binnen de geldende instructieregels voor water. Er zijn geen problemen te verwachten voor het op een juiste manier verwerken van hemelwater en afvalwater. Bij het verlenen van de vergunning zal een voorschrift worden opgenomen op basis waarvan verankerd wordt dat er voldoende waterberging moet worden gerealiseerd.

5.4

Beschermen van de gezondheid en van het milieu

Beoordelingskader Een 'bopa' kan volgens artikel 8.0a lid 1 Bkl alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit artikel 2.1 lid 4 van de Ow volgt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van gezondheid. Wat wordt er bedoeld met 'gezondheid'?

30/60

De gemeente is mede verantwoordelijk voor de publieke gezondheid. Publieke gezondheid richt zich op het tegengaan van lichamelijke of psychische ziekte en het bevorderen van het lichamelijk, psychisch en mentaal welbevinden, maar ook op het vermogen om je eigen regie te voeren in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven (ook bekend als 'positieve gezondheid'). Zorg voor de publieke gezondheid is vastgelegd in de Wet publieke gezondheid (Wpg). Wat is een gezonde leefomgeving? Door de leefomgeving gezonder in te richten kan veel gezondheidswinst worden geboekt. Een gezonde inrichting van de leefomgeving beschermt tegen negatieve omgevingsinvloeden en bevordert de gezondheid. Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die bewoners als prettig ervaren, waar gezonde keuzes gemakkelijk en logisch zijn, en waar negatieve invloed op gezondheid zo klein mogelijk is. Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn uitnodigen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen, sporten), elkaar ontmoeten, ontspannen, een goede milieukwaliteit (lucht, geluid), klimaatbestendigheid en een goede toegang tot voorzieningen. Een gezonde leefomgeving is een omgeving waarin ruimte is voor groen en water. Zo'n natuurlijke omgeving bevat landschapselementen zoals bomen, parken, bossen, kanalen, grachten, rivieren, vijvers, meren.

Een natuurlijke omgeving helpt om hitte en wateroverlast tegen te gaan en draagt daarmee bij aan klimaatbestendigheid. Maar een natuurlijke omgeving doet meer: groen en water bieden mogelijkheden voor rust en ontspanning en nodigt uit tot bewegen en ontmoeten. Beoordeling Gezondheidsbescherming Algemeen Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Op deze plaats volstaat kort de conclusie dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder) belemmeringen zijn voor nieuwbouw op de projectlocatie. Aanvullend is het goed om kort in te gaan op de volgende gezondheidsrisico's: geitenhouderijen; endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen; spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen. Geitenhouderijen Op basis van verschillende onderzoeken (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)) is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico's (verhoogde kans op longontsteking) zijn wanneer in de nabijheid (1,5 tot 2 kilometer) van een geitenhouderij wordt gewoond. Dit moet in overweging worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De dichtsbijzijnde geitenhouderij ligt op ruim 4 kilometer afstand.

De projectlocatie ligt dus op voldoende afstand tot een geitenhouderij. Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen Op basis van de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader

31/60

1.0 van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) kan worden beoordeeld of er sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Dit is met name het geval bij omschakeling naar, nieuwvestiging of uitbreiding van dergelijke bedrijven. Voor de omgekeerde werking (realisatie van een kwetsbaar object zoals een woning in de omgeving van een dergelijke veehouderij) kan gebruik worden gemaakt van de afstandsbepaling uit het toetsingskader. Op basis daarvan kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. De Omgevingsdienst adviseert om bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij is gelegen, de genoemde afstandsbepaling toe te passen. Als hieruit blijkt dat niet kan worden voldaan aan de afstand, dan adviseert de Omgevingsdienst negatief te besluiten op de ontwikkeling. Op een kleine 2 kilometer afstand van het projectgebied komt een varkens- of pluimveehouderij voor. De projectlocatie ligt dus op voldoende afstand tot een varkens- of pluimveehouderij. Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid.

Als gevolg van die afweging kan het nodig zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen gevoelige functies zoals woningen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. In de omgeving van de projectlocatie en een deel van de projectlocatie liggen agrarische percelen. De agrarische gronden aan de oostzijde van het projectgebied worden echter gebruikt als weide. Gewasbeschermingsmiddelen worden hier niet gebruikt. Hiermee kan geconcludeerd worden dat er in de nabije omgeving van de projectlocatie geen spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen aanwezig zijn. Gezondheidsbevordering Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. De omvang van de projectlocatie en aard van het project zijn niet dusdanig dat het project breed bijdraagt aan gezondheidsbevordering. Conclusie Binnen het projectgebied wordt de gezondheid gewaarborgd en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

5.5

Kwaliteit van de buitenlucht

Beoordelingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

32/60

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven volgens artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2.

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Beoordeling Een kindcentrum wordt niet gezien als activiteit waarvoor conform artikel 5.50 uit het Bkl een luchtkwaliteitstoets uitgevoerd moet worden. In het kader van ETFAL is desalniettemin de impact op de luchtkwaliteit door de ontwikkeling berekend en is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse van de projectlocatie inzichtelijk gemaakt. Daarbij is uitgegaan van de verkeersgeneratie in de beoogde situatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=8d26e768-48be-46f4-a367-728e7fb5b12a