CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Kindcentrum Domineestraat Bergeijk_Etfal-Motivering

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente BergeijkBij agendapunt: BOPA Kindcentrum17.932 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit kan gezien worden als een worst-case benadering aangezien de verkeersgeneratie in de bestaande situatie, met de bestaande school, waarschijnlijk hoger is. In de nieuwe situatie is derhalve geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. In deze paragraaf wordt dus worst-case uitgegaan van de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie. Op basis van paragraaf 5.13 bedraagt die verkeersgeneratie 129 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In de NIBM-tool is 2026 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze

33/60

verkeerstoename zorgt voor een "toename" van het gehalte stikstof in de lucht van 0,09 ug/m³ en van fijnstof 0,01 ug/m³ (tabel 5.2). Geconcludeerd kan worden dat de bijdrage van het verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk. Tabel 5.2 Resultaten NIBM-tool (versie 14-04-2025)

Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) kan worden beoordeeld of de nieuwe functie (nieuwe woningen) aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. De dichtstbijzijnde toetspunten bevinden zich aan de Lijnt, op circa 410 meter van het projectgebied. In navolgende tabel 5.3 zijn de maximale meetresultaten weergegeven. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het projectgebied de toetswaarden voor luchtkwaliteit zich ruimschoots onder de omgevingswaarden voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bevinden. Tabel 5.3 Maximale meetresultaten CIMLK op dichtstbijzijnde toetspunt: Omgevingswaarde Maximale waarden (kalenderjaargemiddeld) toetspunten CIMLK Stikstof (NO2) 40 µg/m³ 14,09 µg/m³ Fijn stof (PM10) 40 µg/m³ 16,80 µg/m³ Fijn stof (PM2,5) 25 µg/m³ 9,18 µg/m³ Conclusie Binnen het projectgebied is er sprake van een goede luchtkwaliteit, hierbuiten zorgt de beoogde ontwikkeling niet voor een slechte luchtkwaliteit en is sprake van een evenrichtige toedeling van functies aan de locatie.

5.6

Geluid door activiteiten

Beoordelingskader Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte

34/60

nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid wordt gelaten. Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder); Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. In Artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluidbelastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluidbelastende activiteit.

Het geluid door een activiteit is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen 5.4 en 5.5: Tabel 5.4 Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw LAr,LT als gevolg van activiteiten LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden Tabel 5.5 Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten LAr,LT als gevolg van activiteiten LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden

07.00-19.00 uur

07.00-19.00 uur

50 dB(A) ---

45 dB(A) 65 dB(A) 65 dB(A)

07.00-19.00 uur

07.00-19.00 uur

35 dB(A) ---

30 dB(A) 55 dB(A) 45 dB(A)

07.00-19.00 uur 40 dB(A) 65 dB(A) 65 dB(A)

07.00-19.00 uur 25 dB(A) 55 dB(A) 45 dB(A)

Beoordeling De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een kindcentrum. Dit betreft een activiteit die geluid op de omgeving produceert. Rondom het projectgebied komen geluidsgevoelige objecten voor. Met de toevoeging van een geluidsproducerende activiteit moet dan ook rekening worden gehouden met de omliggende geluidsgevoelige functies. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (verder: VNG-uitgave) uitgebracht. In deze VNG-uitgave is een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit. De omgeving van het plangebied kan aangemerkt worden als gebiedstype•'rustige woonwijk'. Voor een school resulteert dit voor het milieuaspect geluid in een richtafstand van 30 meter. Aan

35/60

deze richtafstand wordt niet voldaan. Om deze reden is een akoestisch onderzoek omgevingslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij deze onderbouwing gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen. De geluidemissie als gevolg van de representatieve situatie en als gevolg van indirecte hinder is beoordeeld aan de opgestelde geluideisen. Aan de hand hiervan is bepaald of er in de toekomstige situatie sprake is van een akoestisch verantwoord woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende geluidgevoelige gebouwen, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en daarmee een veilige en gezonde fysieke leefomgeving is gewaarborgd. Tevens is bezien of de toekomstige situatie vergunbaar geacht kan worden. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) kan worden gesteld dat in de dagperiode niet op alle woningen in de nabijheid van de school voldaan wordt aan de gestelde standaardwaarde van 50 dB(A) uit de instructieregels van het Bkl. De overschrijding is ten hoogste 2 dB. Met betrekking tot de maximale geluidniveaus (LAmax) kan worden gesteld dat er voldaan kan worden aan de standaardwaarden uit de instructieregels van het Bkl. De hoogst berekende waarde is 70 dB(A) in de dagperiode.

Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidsniveau (LAmax) kan worden gesteld dat er voldaan kan worden aan de geluidseisen uit het omgevingsplan gemeente Bergeijk (stemgeluid uitgezonderd van toetsing). De situatie na realisatie wordt daarmee vergunbaar geacht. Met betrekking tot indirecte hinder van het verkeer van en naar de school kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Conform de Omgevingsregeling wordt geluid door activiteiten niet benoemd in de voorschriften voor het berekenen de hinderlijkheid. De hoogste geluidbelasting (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau) door het geluid van activiteiten bedraagt 52 dB(A). Wanneer deze waarde wordt aangehouden kan dit conform de methode Miedema (zie tabel 5.2) worden gekwalificeerd als•'redelijk'. In de Omgevingsregeling is wel een hinderweging voor industrielawaai opgenomen bij het bepalen van het gecumuleerde geluid. In het kader van ETFAL wordt deze hinderweging voor geluid door activiteiten aangehouden. Inclusief de hinderweging voor industrielawaai•bedraagt de hoogste waarde 54 dB, wat kan worden gekwalificeerd als •gredelijk. Overige maatgevende geluidbronsoorten in de omgeving bestaan voornamelijk uit wegverkeerslawaai.

Wanneer voor de omliggende woningen overige maatgevende geluidbronsoorten ook worden beschouwd zou conform de methode Miedema ook de kwalificatie 'matig' als resultaat kunnen volgen. Overige geluidbronsoorten zijn in dit onderzoek niet beschouwd. In het akoestisch rapport zijn de geluidniveaus tijdens de representatieve situatie berekend, inzichtelijk gemaakt en tevens getoetst aan de gestelde geluideisen. Op basis van de resultaten kan worden gesteld dat de toekomstige situatie vergunbaar wordt geacht. Uiteindelijk dient het bevoegd gezag te beoordelen of het geluid door het kindcentrum aanvaardbaar is. Conclusie In dit onderzoek is de totale geluiduitstraling bepaald ten gevolge van de geluidrelevante (milieubelastende)

36/60

activiteiten op het terrein. Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat in de toekomstige situatie sprake is van een akoestisch verantwoord woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende geluidsgevoelige gebouwen. De toekomstige situatie wordt vergunbaar geacht. Vanuit omliggende functies en activiteiten is ten opzichte van het kindcentrum geen (extra) hinder te verwachten.

5.7

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Beoordelingskader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

37/60

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling Gebouwen met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied (kinderdagverblijven) en gebouwen met een onderwijsfunctie zijn in het Bkl aangewezen als een geluidgevoelig gebouw. Om de geluidsbelasting op de projectlocatie te meten, is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai uitgevoerd, zie bijlage 5. Uit dit onderzoek komen de volgende onderzoeksresultaten: Voor de gemeentewegen geldt dat het geluid op de gevels van het kindcentrum de standaardwaarde van 53 dB nergens overschrijdt. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het geluid op het kindcentrum ten gevolge van deze geluidbronsoort aanvaardbaar is. Het kindcentrum wordt beoogd in het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen. Het gecumuleerd geluid op de gevels van het kindcentrum is daarmee gelijk aan het geluid ten gevolge van de gemeentewegen. Het gecumuleerde geluid bedraagt daarmee maximaal 49 dB. Conform de methode Miedema kan het gecumuleerd geluid worden gekwalificeerd als “goed”. Voor onderhavig kindcentrum bedraagt het gezamenlijk geluid maximaal 49 dB.

Mits bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen kan worden voldaan aan de minimaal vereiste GA;k van 20 dB, is reeds een aanvaardbaar geluidbinnenniveau gewaarborgd. Derhalve wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het project maakt geen nieuwe geluidsbron met betrekking tot (spoor)wegen of industrieterrein mogelijk. De akoestische situatie vanwege (gemeente)wegen in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor het kindcentrum. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geluid van (spoor)wegen en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.8

Trillingen

Beoordelingskader Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximaal optredende trillingsniveau en het gemiddeld trillingsniveau. Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (wonen, onderwijs ed.) staan in de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtingen voor trillingen" grens- en streefwaarden voor maximaal optredende trillingsniveaus en gemiddelde trillingsniveaus. In de beoordeling van trillingshinder moet in het algemeen onderscheid worden gemaakt naar bestaande, te wijzigen of gewijzigde en nieuwe situaties. Bij bestaande situaties moet het bestaande trillingsniveau worden geaccepteerd en kunnen de veroorzaker normaal gesproken geen (aanvullende) eisen worden opgelegd. Voor te wijzigen situatie is het uitgangspunt dat de gewijzigde situatie geen overschrijding van de grens- of streefwaarden mag opleveren. Indien er al sprake was van overschrijding geldt dat de situatie niet mag

38/60

verslechteren. Ten slotte geldt voor nieuwe situaties dat de grens- of streefwaarden niet zouden mogen worden overschreden. In de laatste twee situaties zal het aanwezige trillingsniveau vooraf moeten worden vastgesteld. Beoordeling De ontwikkeling is niet relevant voor trillingen, omdat er in de omgeving van de projectlocatie geen trillingsveroorzakende bronnen zoals spoorwegen aanwezig zijn. Conclusie Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is sprake van een evenrichtige toedeling van functies aan de locatie.

5.9

Bodemkwaliteit

Beoordelingskader Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Beoordeling Om te bepalen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het te ontwikkelen kindcentrum is een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de agrarische bestemming uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 6 bij deze motivering. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit

39/60

milieu hygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Beoordelingskader Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.

Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Beoordeling Archeologie Het projectgebied heeft volgens de interactieve erfgoedkaart van Bergeijk grotendeels een hoge archeologische verwachtingswaarde en een klein gedeelte is aangewezen als historische kern.

40/60

Figuur 5.2: Uitsnede erfgoedkaart Bergeijk (ODZOB) Om na te gaan of er archeologische waarden aanwezig zijn in de bodem van het projectgebied, is besloten een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd. Binnen het plangebied is op basis van het proefsleuvenonderzoek een behoudenswaardige vindplaats uit de volle middeleeuwen aanwezig. Het gaat hierbij om minstens één bootvormig gebouw, een mogelijke erfgreppel en een palencluster. Bij dit erf kunnen mogelijk ook nog een waterput en andere sporen verwacht worden. Gezien de locatie nabij de oude middeleeuwse kern van Bergeijk, is verder vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving de meest aangewezen methode om de archeologische waarden veilig te stellen en om kenniswinst op te leveren over deze vroege fase van de ontwikkeling van Bergeijk. In onderstaand figuur is aangegeven voor welk gebied wordt overgegaan tot opgraving. Het veldonderzoek in de vorm van opgraving wordt afgerond voor verlening van deze omgevingsvergunning. Daarmee kunnen de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden binnen de projectlocatie.

41/60

Figuur 5.3: Allesporenkaart met advies opgraving (BAAC) Cultuurhistorie Binnen het projectgebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel maakt het projectgebied onderdeel uit van een omgeving met een hoge concentratie rijks- en gemeentemonumenten die bewaard en beschermd dienen te worden. Het gaat om de protestantse kerk, de langgevelboerderij van het Cultuurhuis (voormalige Teutenhuis), een voormalig marechausseegebouw aan de Domineestraat en het kapelletje aan de Kerkstraat. Daarnaast zijn een aantal woonhuizen aan de Meester Pankenstraat en de Kerkstraat cultuurhistorisch gewaardeerd. Op onderstaande afbeelding zijn de cultuurhistorische waarden in de omgeving weergegeven, welke naar voren komen op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.

Figuur 5.4: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (provincie Noord-Brabant)

42/60

Gezien de ligging van de projectlocatie aan een historisch lint met verschillende monumentale- en cultuurhistorisch waardevolle panden is het belangrijk om hiermee rekening te houden bij de ontwikkeling van het kindcentrum. Hierna wordt aangegeven op welke manier het planvoornemen aansluit bij de cultuurhistorisch waardevolle elementen in of nabij de projectlocatie: Het landelijke karakter van de Kerkstraat Het unieke karakter van dit historische lint wordt bepaald door de smalle rijbaan begeleid met hagen, beeldbepalende bomen en boomgroepen, de weitjes en akkertjes met kavelrandbeplanting. Parallel aan dit lint en op afstand, staat de ingetogen landelijke bebouwing. Behoud deze ingrediënten. Het planvoornemen voorziet in nieuwbouw op afstand van de Kerkstraat en draagt daarmee bij aan het behoud van de bestaande karakteristiek. Cultuurhistorische percelering en beplanting Behoud en versterk kavelrandbeplanting en daarmee de kenmerkende percelering. Evenals de volwassen bomen langs de Kerkstraat in combinatie met weitjes zodat het open en luchtig blijft en bijdraagt aan het landelijke karakter. De beoogde inrichting van het projectgebied voorziet in een duidelijke begrenzing van het nieuwe perceel met beplanting en hagen conform het ruimtelijk kader van he Kindcentrum-Oost (zie ook figuur 2.3). Daarmee wordt aangesloten bij de bestaande structuren.

Markante hoeken en zichten Behoud en/of pas beeldbepalende hoeken in, zoals: kerk en cultuurhuis, markante volwassen bomen op de akkers en de treurbeuken. De bestaande bomenrij op de hoek Kerkstraat en Domineestraat blijft behouden. Daarnaast blijft de oudbouw van de Prinses Beatrixschool behouden. Daarmee worden de bestaande hoeken en zichten zoveel mogelijk intact gelaten. Herbestem, indien mogelijk, de oudbouw van de Prinses Beatrixschool Ingetogen en landelijke sfeer bebouwing Koester de historische bebouwing en houd ook jongere bebouwing en nieuwbouw passend bij de landelijke sfeer. De oudbouw van de Prinses Beatrixschool blijft behouden. Groene voorruimtes (de akkertjes aan de Kerkstraat) Bebouwde ontwikkelingen liggen altijd op afstand van de weg. De ruimte tussen het lint en bebouwing heeft een openbare functie met landelijk karakter, zoals een moestuin, appelgaard met buurttafel of een weide die te gebruiken is als trapveldje. Het planvoornemen voorziet in nieuwbouw op afstand van de Kerkstraat en de Domineestraat en draagt daarmee bij aan het behoud van de bestaande karakteristiek. Hagen als leidmotief Lage hagen omzomen de verschillende functies zoals school, parkeren en wonen. Het planoornemen voorziet hierin.

43/60

Conclusie Het project is niet in strijd met instructieregels voor cultureel erfgoed. De ondergrond is onderzocht op archeologische waarden. Op basis van het proefsleuvenonderzoek en het veldonderzoek in de vorm van opgravingen kan de projectlocatie vrijgegeven worden voor voorgenomen werkzaamheden. Daarnaast is bij de ontwikkeling voldoende rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden in de omgeving. Met de beoogde ontwikkeling worden er geen landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed geschaad. De bestaande bomenrij op de hoek Kerkstraat en Domineestraat blijft behouden. Daarnaast blijft de oudbouw van de Prinses Beatrixschool behouden.

5.11 Ladder voor duurzame verstedelijking Beoordelingskader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn. Beoordeling Uit artikel 5.129g blijkt dat dit artikel alleen van toepassing is wanneer sprake is van een voldoende substantiële ontwikkeling.

Uit de jurisprudentie blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In de overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724 ) is aangegeven dat een omgevingsplan dat voorziet in niet meer dan 500 m² aan uitbreiding of nieuwbouw van overige functies in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Met dit plan wordt de bouw van een Kindcentrum met een footprint van ongeveer 1.220 m² en een bruto vloeroppervlak (inclusief verdieping) van circa 2.155 m² mogelijk gemaakt. De nieuwbouw komt in plaats van het huidige schoolgebouw, dat een footprint heeft van 1.620 m² en een bruto vloeroppervlak van nagenoeg hetzelfde oppervlak. Per saldo neemt de bebouwingsfootprint met (1.620 m² - 1.220 m² =) 400 m² af. Er is dan ook geen sprake van nieuw ruimtebeslag. Omdat er in de nieuwe situatie wordt gebouwd in 2 bouwlagen neemt het bruto vloeroppervlak toe met ongeveer (2.155 m² - 1.620 m² =) 535 m². De beoogde ontwikkeling voorziet dus in een uitbreiding van 500 m² of meer. Hiermee is de ontwikkeling ladderplichtig en dient er getoetst te worden

44/60

aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van het samenvoegen van twee scholen, waardoor geen volledige nieuwe functie mogelijk wordt gemaakt. Het nieuwe kindcentrum wordt gerealiseerd op basis van het Integraal Huisvestings Plan. Daarin is onderzocht en aangetoond dat behoefte is naar realisatie van één nieuw integraal kindcentrum op deze locatie. Daarmee is de behoefte op deze locatie voldoende aangetoond. Conclusie Gelet op het voorgaande is het project niet in strijd met de instructieregels inzake de ladder voor duurzame verstedelijking.

5.12 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Beoordelingskader In artikel 5.162 van het Bkl is bepaald dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in dat omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Hetzelfde uitgangspunt geldt voor een bopa waarmee van het omgevingsplan wordt afgeweken. Beoordeling Met de realisatie van het kindcentrum wordt de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen op verschillende manier bevordert en/of behouden. Bij de inrichting van de openbare buitenruimte is als uitgangspunt genomen om veilige overzichtelijke fiets- en wandelroutes te creëren, waar zo min mogelijk kruisingen met autoverkeer plaatsvinden. De locatie is daarmee goed te bereiken voor het langzaam verkeer. Daarbij wordt rekening gehouden met een toegankelijke openbare buitenruimte voor personen met functiebeperking. Ook zullen er fietsenstallingen aanwezig zijn binnen het projectgebied, zodat deze niet in openbaar gebied opgevangen hoeven te worden en eventueel voor belemmering in mobiliteit rondom het kindcentrum kunnen zorgen.

Conclusie Bij de ontwikkeling is voldoende rekening gehouden met de toegankelijkheid van de openbare ruimte.

5.13 Mobiliteit en parkeren Beoordelingskader Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan loca-ties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Besluit Kwaliteit Leefomgeving stellen geen regels op dit gebied. De gemeente Bergeijk gaat met het 'Parkeer- en Elektrisch Laden Beleid 2025 Gemeente Bergeijk' (vanaf nu: het gemeente-lijk parkeerbeleid) wel op deze aspecten in. Naast het gemeentelijk parkeerbeleid

45/60

bieden de CROW-richtlijnen een be-langrijk kader voor de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Aangezien het richtlijnen betreft, kan er onder-bouwd worden afgeweken. Daarvoor is specifiek op de ontwikkeling van toepassing zijnde toegesneden informatie van belang. In de beoordeling van het project op het omgevingsaspect mobiliteit zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerswijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer). De beoordeling van het project op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. Beoordeling Voor de ontwikkeling is een 'notitie verkeer en parkeren' opgesteld waar wordt ingegaan op de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid . Deze notitie is toegevoegd als bijlage 7. Hierna worden kort de resultaten toegelicht. Ontsluiting Voetgangers benaderen de projectlocatie over de Domineestraat, Kerkstraat en Kept. Niet bij alle wegen zijn trottoirs aanwezig. Daarmee zijn de faciliteiten voor voetgangers niet overal ideaal. Gezien de beperkte verkeersomvang op deze straten leidt dat echter niet tot een verkeersveiligheidsknelpunt. De projectlocatie is goed per fiets bereikbaar voor een groot deel van de beoogde gebruikers.

De fietsers die op of ten noorden van Meester Pankenstraat, Eerselsedijk, Van Beverwijkstraat en Nieuwstraat hun bestemming hebben moeten gebruik maken van wegen die fors afwijken van de richtlijnen uit de Ontwerpwijzer Fietsverkeer vanwege het ontbreken van fietspaden langs genoemde 50 km/u-wegen. Een tekort aan veiligheid en comfort kan voor hen een belemmering zijn. Automobilisten met een bestemming in de noordelijke helft van Bergeijk maken gebruik van de Domineestraat vanaf de Meester Pankenstraat. De parkeervoorziening aan de Domineestraat is goed te bereiken vanuit het noorden. Vanuit het zuiden is dit lastiger. Verkeer van of naar het zuiden van Bergeijk maakt gebruik van de Kept of de Kerkstraat en Dokter Raupstraat. Deze wegen zijn smal, en aan deze zijde van de locatie zijn weinig parkeervoorzieningen. De parkeervoorziening aan de Domineestraat is vanuit deze zuidelijke richting niet bereikbaar vanwege gedeeltelijk eenrichtingsverkeer op de Domineestraat. Verkeer vanuit het zuiden dient om te rijden via het Sterrepad. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is vastgesteld op 129 autobewegingen per (werkdag)etmaal. Deze bewegingen zullen voor het belangrijkste deel worden afgewikkeld via de Domineestraat tussen de kruising met de Hof/Meester Pankenstraat en het parkeerterrein.

Echter voor de kinderen uit het zuiden van Bergeijk is de aanrijroute via de Kept of de Dokter Rauppstraat en de Kerkweg sneller. Ongeveer een kwart van de Bergeijkse huishoudens kunnen sneller via deze route de school bereiken. Gezien de smalle Kerkstraat ligt het voor de hand dat automobilisten die de school via de Kept benaderen, via de Dokter Rauppstraat weer wegrijden en vice versa.

46/60

Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid De enige straat waar een significante toename van het gemotoriseerde verkeer zal optreden is de Domineestraat. Op overige wegen is de toename van het verkeer zo gering dat de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid niet merkbaar veranderen. Op de Domineestraat stijgt de het aantal motorvoertuigen op een werkdag van ongeveer 1.100 tot ongeveer 1.200. Vooropgesteld dat de verkeersafwikkeling afhankelijk is van de inrichting van wegvakken en kruispunten, kan worden gesteld dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat het verkeer op 30 km/u-wegen ook bij gebruik van de weg door fietsers tot 4.000 mvt/etmaal veelal vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Aangezien de toekomstige verkeersintensiteit ook na realisatie van het plan hier (ruim) onder blijft, kan worden geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling voldoende gewaarborgd zal zijn. Verder kan worden geconcludeerd dat de verkeersveiligheid niet verslechtert gezien de beperkte toename van het verkeer. De huidige praktijk wijst verder uit dat in de huidige situatie geen verkeersveiligheidsknelpunten aanwezig zijn. Parkeren auto Overeenkomstig het parkeerbeleid hanteert de gemeente de meest recente richtlijnen van het CROW. De meest recente richtlijnen liggen vast in de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 (publicatie 744) van het CROW.

Van belang is om zowel de parkeeropgave voor het personeel als voor het halen en brengen mee te nemen. In onderstaande tabel is de totale parkeeropgave weergegeven. Tabel: Berekening parkeerbehoefte auto's

In figuur 5.5 is weergegeven waar parkeren is beoogd. Aan de oostzijde van de locatie wordt een parkeerterrein gerealiseerd voor halen en brengen (22 parkeerplaatsen). Aan de zuidoostzijde van de locatie worden parkeerplaatsen voor het personeel gerealiseerd (10 parkeerplaatsen). Hieruit blijkt dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd om te voldoen aan de parkeerbehoefte.

47/60

Figuur 5.5: Indeling terrein met parkeerplaatsen Aandachtspunt is de bereikbaarheid van het parkeerterrein voor het halen en brengen. Deze is alleen vanuit het noorden bereikbaar. Zonder maatregelen is het aannemelijk dat veel ouders niet van het parkeerterrein gebruik zullen maken, maar hun auto op de Kerkstraat zullen parkeren om hun kinderen naar school te brengen. Dit kan overlast opleveren. Overwogen kan worden om vanuit het kindcentrum de ouders te instrueren dat aanrijden vanaf de noordzijde dient te gebeuren om overlast te voorkomen. Ook als daarmee 100% i.p.v. 75% van het verkeer via de noordzijde wordt afgewikkeld, blijven de conclusies met betrekking tot verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid gehandhaafd. Parkeren fiets Voor fietsparkeren gelden normen die op vergelijkbare wijze worden berekend als parkeren voor auto’s. De normen zijn gebaseerd op de meest recente kencijfers van het CROW. In onderstaande tabel is de totale parkeeropgave voor fietsen weergegeven. Tabel: Berekening parkeerbehoefte fietsen

De fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd in het in figuur 5.5 aangegeven rode vlak. Hier is voldoende ruimte om de benodigde fietsparkeerplaatsen te realiseren. Conclusie

48/60

Voor mobiliteit gelden geen instructieregels vanuit het Rijk of de provinciale omgevingsverordening. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is dit aspect wel beoordeeld en geconcludeerd kan worden dat het project niet tot problemen met de verkeersontsluiting, -afwikkeling en -veiligheid zal leiden. Daarnaast kan binnen het projectgebied in voldoende parkeergelegenheid worden voorzien.

5.14 Ecologie: soortenbescherming en gebiedsbescherming Beoordelingskader Gebiedsbescherming Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot ecologie. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op flora & fauna en natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Dit vergt doorgaans onderzoek, zoals een quickscan ecologie en een stikstofberekening. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Een voorbeeld is een woningbouwontwikkeling. Deze kan tot gevolg hebben dat planten en dieren op de ontwikkellocatie verdwijnen, bijvoorbeeld door het bouwen van woningen, aanleggen van verharding, het rooien van bomen en het dempen van sloten. De bouw en het gebruik van de woningen kunnen ook gevolgen hebben voor een Natura 2000- of ander natuurgebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied vanwege de bouwfase maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de nieuwe ontwikkeling worden veroorzaakt. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een Bopa voor het toelaten van een nieuwe ontwikkeling speelt ecologie daarom mee bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Naast een omgevingsvergunning voor een bopa kan een omgevingsvergunning nodig zijn voor een flora- en fauna-activiteit en/of een Natura 2000-activiteit. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Beoordeling Gebiedsbescherming

49/60

De projectlocatie ligt niet binnen of direct naast Natuur Netwerk Nederland. Het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 680 meter afstand tot de projectlocatie. Het project ligt op een afstand van een ruimte 200 meter ligt het dichtsbijzijnde onderdeel van Natuur Netwerk Nederland.

Figuur 5.5: Natura 2000-gebieden net Natuur Netwerk Nederland in de omgeving van het projectgebied (bron: Atlas Leefomgeving) Om na te gaan of de beoogde ontwikkeling negatieve effecten heeft op omliggende natuurgebieden, is een ecologisch onderzoek uitgevoerd, hieruit blijkt het volgende: Het plangebied ligt ruim buiten de invloedsfeer van Natura 2000-gebieden voor alle mogelijk effecten met uitzondering van verrijkende effecten ten gevolge van stikstofdepositie. Gezien de afstand en de aard en duur van de werkzaamheden kunnen negatieve effecten van stikstofuitstoot en depositie op daarvoor gevoelige habitattypen en de leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen niet op voorhand uitgesloten worden. Daarom is het noodzakelijk een stikstofberekening (AERIUS-berekening) uit te laten voeren om vast te stellen of sprake is van additionele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Is er sprake van een bijdrage aan de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dan dient deze nader beoordeeld te worden in het kader van de Omgevingswet. In het kader van het bovenstaande is een Stikstofonderzoek uitgevoerd voor de gebruiksfase en aanlegfase. De resultaten van dat onderzoek zijn opgenomen in bijlagen 10, 11, 12 en 13. AERIUS Calculator geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr. voor de gebruiksfase. Dit geldt ook voor de hersteldoelen.

Er is in de berekeningen geen gebruik gemaakt van intern salderen. Op grond van de Omgevingswet voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project. De ingreep vindt niet plaats in het NNB. Daarnaast zijn negatieve effecten op wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB ten gevolge van externe werking uitgesloten. Hierdoor is een vergunning of nadere toetsing in de

50/60

vorm van een effecttoets (Nee-tenzij-toets) niet noodzakelijk. Soortenbescherming Om na te gaan of er binnen het projectgebied beschermde dier- en plantsoorten aanwezig zijn die eventueel negatieve gevolgen kunnen ervaren door het projectvoornemen, is een quickscan flora fauna uitgevoerd (bijlage 8). Hieruit volgen de volgende onderzoeksresultaten: Vogels Onder de daken van de aanwezige gebouwen zijn mogelijk nesten aanwezig van gierzwaluw en huismus. Bij het slopen van de gebouwen gaan deze nestplaatsen verloren wanneer ze aanwezig zijn. Binnen het plangebied zijn hagen en begroeiingen aanwezig welke mogelijk essentiële functies voor huismussen vervullen, zoals slaapplaatsen en kwetterplekken en foerageergebied. Daarnaast kunnen bij de werkzaamheden huismussen en gierzwaluwen worden verstoord, gedood en verwond wanneer deze vaste rust- en verblijfplaatsen hebben in deze gebouwen. Het is daarom noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren naar de huismus en gierzwaluw om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen. Het is aan te raden dit onderzoek uit te voeren conform de richtlijnen uit de kennisdocumenten van BIJ12 voor deze soorten. Volgens de richtlijnen uit het kennisdocument voor de gierzwaluw (BIJ12, 2023) is het noodzakelijk om in de periode 15 mei – 15 juli drie gerichte veldbezoeken te brengen, waarvan tenminste een bezoek in de periode 20 juni – 7 juli (i.v.m.

aanwezigheid jongen). De bezoeken dienen plaats te vinden tussen anderhalf uur voor zonsondergang tot een half uur na zonsondergang, onder gunstige (droge) weersomstandigheden met niet te veel wind. Volgens de richtlijnen uit het kennisdocument voor de huismus (BIJ12, 2023) is het noodzakelijk om in de periode in de periode 1 april - 15 mei twee gerichte veldbezoeken te brengen aan het plangebied. Deze veldbezoeken moeten bij voorkeur plaatsvinden onder gunstige weersomstandigheden gunstige weersomstandigheden (geen regen, geen kou en met een maximale windsterkte van windkracht 4, of te hoge temperaturen). De veldbezoeken moeten uitgevoerd worden op geschikte momenten op de dag wanneer de meeste activiteit is waar te nemen: vaak zijn dit enkele uren na zonsopkomst wanneer de temperatuur is opgelopen. Meestal is dit enkele uren na zonsopkomt of voor zonsondergang. Tussen beide bezoeken dient een tussenperiode van minimaal tien dagen te liggen. Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen beschermde functies van overige broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 1 t/m 4 te verwachten. Daarmee zijn negatieve effecten op deze soorten ook uitgesloten.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 5, zoals huiszwaluw, ekster, koolmees en pimpelmees zijn voldoende alternatieve broedlocaties aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Bovendien zijn de broedplaatsen die eventueel aanwezig zijn na de werkzaamheden weer beschikbaar voor deze soorten. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Omgevingswet, artikel 5.1 lid 2 en artikel 11.34 Bal. Voor het broedseizoen stelt de wet

51/60

geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van maart tot en met augustus. Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het in dat geval aan te raden het afval dat vrijkomt in het plangebied (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken. Het is voor de voorgenomen ingreep niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedgevallen van vogelsoorten welke van nature broeden in Europa en op natuurlijke wijze in Nederland gekomen zijn. Vleermuizen De aanwezigheid van essentieel foerageergebied of vaste vliegroutes van vleermuizen is uitgesloten op basis van dit onderzoek. In de gebouwen kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Bij de sloop van de gebouwen gaan deze verblijfplaatsen verloren als zij aanwezig zijn. Daarnaast kunnen vleermuizen worden verstoord, gedood en verwond als er onvoldoende rekening gehouden wordt met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen in de gebouwen. Dat kan leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Voorafgaand aan de ingreep dient een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden.

Het verdient aanbeveling dit aanvullende onderzoek uit te voeren volgens het Vleermuisprotocol 2021 van de Gegevensautoriteit Natuur. Bij gebruikmaking van het vleermuisprotocol wordt een eventuele ontheffingsaanvraag vrijwel zeker in behandeling genomen. Tevens geeft het vleermuisprotocol invulling aan de minimale onderzoeksinspanning voortkomend uit de Omgevingswet. Aanvullend vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol dient plaats te vinden in de periode van mei tot en met september. Deze bezoeken moeten door een vleermuisdeskundige met behulp van een heterodyne batdetector met time expansion uitgevoerd worden. Marterachtigen Steenmarter, boommarter en kleine marterachtigen maken mogelijk van het plangebied gebruik tijdens het foerageren. Ook kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen niet uitgesloten worden op basis van dit onderzoek. Bij de sloop van de kinderboerderij en de herinrichting van het gebied gaan mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van deze soorten verloren. Het nader onderzoek naar kleine marterachtigen moet uitgevoerd worden conform de richtlijnen uit het kennisdocument van BIJ12 (BIJ12, 2024). Onderzoek naar steenmarter en boommarter kunnen hiermee gecombineerd worden. Er zijn verschillende methodes welke geaccepteerd worden. In overleg met een marterdeskundige kan de best passende methode voor dit gebied gekozen worden.

Overige soorten Overige beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn in het plangebied niet te verwachten. De ingrepen leiden dan ook niet tot overtreding van de Omgevingswet voor deze soorten. Overzicht

52/60

Uit het bovenstaande blijkt dat er verschillende diersoorten negatieve effecten kunnen ervaren door de beoogde ontwikkeling. In dit kader dient er nader onderzoek gedaan te worden naar vleermuizen, marterachtigen, de huismus en de gierzwaluw. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van broedvogels. Nader onderzoek ecologie Op 28 oktober 2025 is nader onderzoek gedaan naar huismussen, vleermuizen, kleine marterachtigen, steenmarters en boommarters. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 9. Hieronder worden de resultaten samengevat. Binnen het onderzoeksgebied en de verstoringszone van de ingreep zijn geen jaarrond beschermde nesten of andere beschermde gebiedsfuncties van de huismus aangetroffen. Deze zijn daarmee redelijkerwijs uitgesloten. Het onderzoeksgebied en de directe omgeving daarvan fungeert als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Gezien het lage aantal dieren dat hier aanwezig was om te jagen en de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving is er geen sprake van een essentieel foerageergebied. Binnen het onderzoeksgebied en de verstoringszone van de ingreep zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Deze zijn daarmee redelijkerwijs uitgesloten.

Gedurende het onderzoek werden geen essentiële vliegroutes van vleermuizen waargenomen binnen het onderzoeksgebied of de verstoringszone van de werkzaamheden. Binnen de verstoringszone van de ingreep is tijdens het onderzoek een bunzing waargenomen met behulp van een wildcamera. Het plangebied maakt onderdeel uit van het functioneel leefgebied van deze soort, maar beslaat slechts een heel klein deel van het gehele territorium. Vaste rust- en verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen. Wel kan de kinderboerderij een relevante bijdrage leveren aan de voedselvoorziening van de bunzing. Daarmee kan de ingreep leiden tot een negatief effect op de bunzing. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen of functioneel leefgebied van de hermelijn, wezel, steenmarter en boommarter aangetroffen. De aanwezigheid van beschermde gebiedsfuncties voor deze marterachtigen is daarmee redelijkerwijs uitgesloten. Op basis van het bovenstaande wordt het volgende aanbevelen: Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een ecologisch werkprotocol met mitigerende maatregelen opgesteld te worden waarmee negatieve effecten op de bunzing uitgesloten worden. Bij het treffen van voldoende maatregelen worden significant negatieve effecten en overtreding van de Omgevingswet voorkomen.

In dat geval is het niet noodzakelijk een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aan te vragen voor deze ingreep. Ook dient er rekening gehouden te worden met het broedseizoen en geldt de algemene zorgplicht. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project geen negatieve effecten op beschermde

53/60

soorten veroorzaakt, indien er gebruik wordt gemaakt van een ecologisch werkprotocol bij het uitvoeren van de werkzaamheden. De beoogde ontwikkeling veroorzaakt geen negatieve effecten op omliggende beschermde natuurgebieden.

5.15 Geur Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan.

De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl). Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Met de realisatie van een kindcentrum wordt er een geurgevoelig object mogelijk gemaakt. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van het projectgebied en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad.

In de omgeving komen geen relevante kleinschalige functies voor met milieugebruiksruimte voor geur of deze bevinden zich op een grote afstand van het nieuwe kindcentrum. Ook ligt het projectgebied niet binnen het invloedsgebied van een industriële functie met milieugebruiksfunctie, RWZI of veehouderij. In het kader van

54/60

een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het relevant om de achtergrondbelasting geur van veehouderijen te beschouwen. Dit kan aan de hand van de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen het concentratiegebied en dat de achtergrondbelasting ter plaatse als 'zeer goed' (< 3 ouE/m³) mag worden beschouwd.

Figuur 5.6: Uitsnede digitale kaart Achtergrondblasting geur van ODZOB, met projectgebied rood omcirkeld. Conclusie Het project maakt geen nieuwe geurbron mogelijk. De geursituatie is ter plaatse van het projectgebied aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geur en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.16 Milieubelastende activiteiten Binnen het omgevingsplan en bij het wijzigen of afwijken van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Voor de inwerktreding van de Omgevingswet werd gebruik gemaakt van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009) om aan te tonen of geluid, geur, gevaar en stof relevant waren voor een ontwikkeling. Met de invoering van de Omgevingswet heeft de VNG een nieuwe handreiking gepubliceerd, de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024, welke de oude brochure vervangt. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de directe toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige

55/60

activiteiten aanwezig zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met: de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving door milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten. Onder een milieuhinderlijke activiteit wordt in deze handreiking verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder. Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de aanvullende regeling in deze handreiking niet is gericht op deze milieuthema’s. In de handreiking is in bijlage A5 een ‘Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur' opgenomen. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om indicatieve afstanden. In een concrete situatie dient de werkelijk aan te houden afstand nader te worden bepaald. De richtafstanden worden gemeten van de bestemmingsgrens van de milieuhinderlijke inrichting ten opzichte van de gevels van de woningen van derden. Toetsing Op de locatie aan de Domineestraat wordt een kindcentrum mogelijk gemaakt. In de handreiking is in bijlage A5 een ‘Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur' opgenomen. In deze lijst wordt voor een kindcentrum (in de lijst opgenomen als school voor basisonderwijs en als kinderopvang) het volgende aangegeven:

Figuur 5.7: Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur De omgeving van het plangebied kan worden gekenmerkt als een 'rustig woongebied'. Voor het aspect geur wordt ten hoogste FM (richtafstand 0 of 10 meter) ingeschat. Het kindcentrum in onderhavige situatie brengt geen activiteiten met geuremissie met zich mee. Er is daarom geen sprake van hinder op gevoelige functies in de omgeving. Voor het aspect geluid geldt score '1' (richtafstand 30 meter). Het nieuwe kindcentrum en de bijbehorende functies zoals het parkeerterrein en speelterreinen wordt gerealiseerd op een afstand kleiner dan 30 meter ten

56/60

opzichte van de woningen aan de Domineestraat (circa 10 meter) en de Kerkstraat (circa 10 meter). Daarom is een akoestisch onderzoek omgevingslawaai uitgevoerd (bijlage 4). In paragraaf 5.6 zijn de resultaten van dit onderzoek toegelicht. Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat in de toekomstige situatie sprake is van een akoestisch verantwoord woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende geluidsgevoelige gebouwen. De toekomstige situatie wordt vergunbaar geacht. Het nieuwe kindcentrum is een milieugevoelige functie. Daarom is ook relevant in hoeverre de ontwikkeling andere functies in de omgeving belemmerd. In de omgeving zijn enkel ten noorden van de projectlocatie een cultuurhuis en een supermarkt aanwezig. Een cultuurhuis kan wellicht gelijkgesteld worden aan 'Bibliotheken, musea, ateliers, e.d.' (richtafstand 0 of 10 meter) of worst-case 'Buurt- en clubhuizen' (richtafstand 30 meter). De afstand tot het cultuurhuis bedraagt circa 45 meter. Daarmee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan en geen hinder verwacht. Een supermarkt heeft een richtafstand van 0 of 10 meter. De afstand van het kindcentrum tot het parkeerterrein van de supermarkt bedraagt circa 15 meter. Daarom wordt ook hier geen hinder verwacht. Beide functies worden daarmee niet belemmerd.

Conclusie In de omgeving van het plangebied zijn geen milieugevoelige functies aanwezig die een belemmering kunnen zijn voor de beoogde vestiging van het kindcentrum. Omgekeerd is een koestisch verantwoord woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende geluidsgevoelige gebouwen aangetoond in het akoestisch onderzoek.

57/60

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het project. Vanuit de Omgevingswet gelden de volgende vereisten: 1. de ruimtelijke ontwikkeling mag niet evident financieel onuitvoerbaar zijn, en; 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, moet het kostenverhaal verzekerd zijn.

6.1

Financiële uitvoerbaarheid

Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. De ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van een kindcentrum door gemeente Bergeijk. De gemeente is de eigenaar van de gronden en draagt de kosten voor het bouwrijp maken. De bouwrijpe gronden worden om niet overgedragen aan het bestuur van het kindcentrum die zorgen voor de realisatie en exploitatie van het vastgoed. De samenwerking en verdeling van kosten is vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. De gemeente heeft middelen beschikbaar vanuit de begroting om de ontwikkeling te faciliteren. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=8d26e768-48be-46f4-a367-728e7fb5b12a