Bijlage Concept Bovi - PDF 11 februari 2022.pdf
Tekst van het document
Maatregelen aan de bron zijn in de meeste gevallen de krachtigste manier om de negatieve gevolgen te beperken en hebben daarom de voorkeur. De kosten voor het beperken van de negatieve gevolgen of het vergoeden van nadeel zijn in principe voor de vervuiler/verstoorder.
Van opgaven naar koers Voor alle drie de opgaven hebben we een koers die we als gemeente willen varen gedefinieerd. Hierbij houden we rekening met de centrale opgaven die op ons afkomen. De structuur van de koers is hetzelfde. We hebben een koers gedefinieerd voor: -
4.1
Leefbare dorpen Een vitaal buitengebied Een sterke economische structuur
Leefbare dorpen De dorpen van Bergeijk zijn leefbare dorpen. Om ook in de toekomst onze dorpen leefbaar te houden, focussen we als gemeente op een aantal belangrijke pijlers: wonen, voorzieningen, omgevingskwaliteit en gezondheid
4.1.1
Wonen Wat willen we? De grote behoefte aan wonen lossen we in Bergeijk op door ieder jaar maximaal in te zetten op de bouw van nieuwe woningen en door het toevoegen van woningen in bestaande woningen en bijgebouwen in bepaalde situaties toe te staan. In Bergeijk bouwden we de afgelopen jaren gemiddeld zo’n 100 woningen per jaar. Dat is ruim meer dan volgens de provinciale prognoses nodig was, maar we realiseren ons dat de extreem gestegen behoefte juist nu ook meer van ons vraagt. Daarom wordt er op dit moment volop gebouwd en zijn we bezig met het voorbereiden van nieuwe woningbouwlocaties in alle kernen.
Onze ambitie is om in alle dorpskernen woningen te bouwen voor alle doelgroepen: starters, jonge gezinnen, doorstromers en senioren. Daarnaast streven we ernaar om voldoende betaalbare woningen, sociale huurwoningen en woningen voor zorgbehoevenden in onze gemeente hebben. Toch kan het probleem op de woningmarkt niet alleen opgelost worden met nieuwbouw. Het aandeel nieuwbouw ten opzichte van de bestaande voorraad woningen is relatief klein. Een deel van de oplossing moet dus ook gevonden worden in het beter benutten van de bestaande voorraad. Ook moeten we ons realiseren dat op langere termijn de groei van het aantal woningen eindig is. Des te belangrijker is het dat we nu de juiste woningen aan de voorraad toevoegen. Hoe willen we deze ambitie bereiken? De economie groeit sterk. Daarmee groeit de behoefte aan extra woonruimte in de hele Kempen, waaronder ook in Bergeijk. In de basis is het zaak dat er voldoende woningen zijn voor onze eigen inwoners. Maar we zien dat -net als elders in de Metropoolregio Eindhoven- de woningvraag verder wordt opgestuwd door mensen die hier in de buurt komen werken en vaak ook willen wonen). Ook de coronapandemie en de toename van het thuiswerken leidt tot een grotere druk op de woningmarkt in het landelijk gebied. Willen we in voldoende woonruimte voorzien, dan is bouwen voor enkel de lokale vraag onvoldoende.
Uit het participatieproces is gebleken dat onze inwoners dit één van de belangrijkste opgaven voor de gemeente vinden. We willen dus meer woningen bouwen. Daarbij stellen we onszelf als doel om binnen 10 jaar te versnellen tot 400 extra woningen boven de provinciale prognose van 600. Dus in totaal gaat het om 1000 woningen in 10 jaar. Dat is méér dan in de provinciale prognose wordt toegewezen, waarin de groei hoofdzakelijk in het stedelijk gebied nodig wordt geacht. Groei in de Bergeijk en de overige Kempengemeenten is echter om meerdere redenen nodig: Allereerst maakt Bergeijk, samen met de andere Kempengemeenten, deel uit van de Brainportregio. Het stedelijk gebied staat niet op zichzelf, het is onlosmakelijk verbonden met het achterland. We streven ernaar dat de mogelijkheden van het landelijk gebied, evenredig vertegenwoordigd zijn in de groei van de woningvoorraad. Bouwen van woningen ondersteunt de economie (aantrekkelijke vestiging voor arbeidskrachten in de Kempen en de rest van de Brainport) waardoor het een kans biedt voor de leefbaarheid van Bergeijk. En dat biedt daarmee een antwoord op vraagstukken als vergrijzing, het behoud van voorzieningen en verduurzaming.
Daarom moet de grotere behoefte aan wonen ook in Bergeijk opgevangen worden, zodat Brainport kan groeien en wonen in Bergeijk ook voor de Bergeijkenaren mogelijk blijft.*subregionale ontwikkelstrategie de kempen
We willen deze woningen wel zorgvuldig bouwen, zoals ook in de Brabantse Agenda Wonen* wordt verwoord: ‘zorgvuldig gaat boven zuinig’. Als inbreiding te zeer ten koste gaat van groen en openbare ruimte binnen de bebouwde kom, of van het realiseren van betaalbare woningen door de hoge kosten, is er weliswaar sprake van zuinig, maar niet van zorgvuldig ruimtegebruik. We ontkomen er daardoor niet aan om mee te werken aan uitbreidingslocaties onder voorwaarden. Uitgangspunt bij uitbreidingslocaties (maar ook bij inbreidingslocaties) is dat een kwaliteitsversterking op het gebied van landschap, natuur, klimaatadaptatie, toerisme of recreatie bewerkstelligd moet worden. Daarbij willen we initiatiefnemers ook zelf aan het denken zetten over onze leefomgeving: hoe kan bijgedragen worden aan het versterken van onze kernkwaliteiten? Met zorgvuldig bouwen bedoelen we ook dat we bouwen voor de doelgroepen. Daarbij zetten we het huidige beleid voort. In beginsel willen we dat op elke locatie 60% van de woningen gebouwd wordt voor de doelgroepen starters, senioren en zorg. Natuurlijk kijken we daarbij ook welke locatie het meest geschikt is voor welke doelgroep. Omdat we al veel grotere woningen hebben, hebben we meer aandacht voor kleinere woningen voor 1-2 persoonshuishoudens.
Van deze 60% moet de helft (dus 30% van het totaal) gebouwd worden in de sociale huur. Alleen met een zware motivering kan van de opdracht om sociale huurwoningen te realiseren worden afgeweken. Bovendien vragen we dan wel een financiële bijdrage om op andere locaties sociale huur mogelijk te maken (via het Vereveningsfonds).*woonvisie + lokaal volkshuisvestingsprogramma Naast nieuwbouw in iedere kern blijven we inzetten op het beter benutten van de bestaande woningvoorraad*. Zo kan binnen de kom een grote woning gesplitst worden, mogen er meerdere gezinnen in één woning wonen en kunnen kamers verhuurd worden. Ook mag een bijgebouw tijdelijk bewoond worden, bijvoorbeeld door er voor mantelzorg of een starter woonruimte te realiseren. Hiermee geven we ook invulling aan onze ambitie om de betaalbaarheid van de woning te vergroten. Door binnen de huidige voorraad meer ruimte te geven voor zorginitiatieven en initiatieven die de omvang van de woning verkleinen hopen we de betaalbaarheid te garanderen. Daarnaast willen we ook meer mogelijkheden bieden in het kader van mantelzorg. Mantelzorg start niet op het moment dat de doktersverklaring in bezit is. Mantelzorg start al eerder en om goede mantelzorg te kunnen verlenen moet hier tijdig op ingespeeld kunnen worden. Daarom willen we ook meewerken aan ‘preventieve mantelzorg’: anticiperen op mantelzorg vanaf een leeftijd van 65 jaar.
Waar willen we dat? Nieuwe woningen willen we in iedere kern naar rato toevoegen, gericht op een evenwichtige ontwikkeling van de gemeente.
Bergeijk
Aandeel woningen % naar rato 100
‘t Hof/’t Loo Luyksgestel Riethoven Weebosch Westerhoven
55 16 13 5 11
De gemeente is in de breedte bereid mee te denken over nieuwe woningbouwlocaties. Uitgangspunt dient te zijn dat de ontwikkeling van woningbouw in het kader van kwaliteitsversterking gekoppeld is aan het verbeteren van onze kernkwaliteiten én de ontwikkeling een bijdrage levert aan het voorzien van woningen voor onze doelgroepen.
4.1.2
Voorzieningen Wat willen we? Naar de toekomst zien we dat het voorzieningenniveau in onze dorpen verder onder druk komt te staan. Dit is een ontwikkeling die invloed kan hebben op de leefbaarheid van onze dorpen. We kiezen er als gemeente voor om ons binnen onze mogelijkheden te blijven inzetten voor de basisvoorzieningen in ieder dorp, dat wil zeggen: een peuterspeelzaal; een basisschool; speelvoorzieningen; een buitensportvoorziening; een gemeenschapshuis en een bibliotheekvoorziening. Hoe willen we deze ambitie bereiken?
Voorzieningen houden in beginsel hun eigen broek omhoog. Omdat wij belang hechten aan het vasthouden aan de basisvoorzieningen willen we wel blijven investeren in onze voorzieningen. Onze invloed daarin in is echter sommige gevallen beperkt. Voortzetting van de samenwerking met partners als onderwijsorganisaties, verenigingen en natuurlijk de dorps- en kernraden is dan ook nodig om deze doelstelling van behoud van voorzieningen te kunnen realiseren. Daarbij geldt: Eigen initiatieven die onze kernen aantrekkelijker en levendiger maken, worden ondersteund. We blijven investeren in gemeenschapshuizen. Er is ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. De gemeente blijft zich inzetten voor het behoud van een school in elke kern.*integraal huisvestingsprogramma onderwijs Daarin is dit streven aanvullend op koers voor Wonen: slechts wanneer voldoende jonge gezinnen in de kernen wonen is het behoud van scholen haalbaar. Speel- en ontmoetingsvoorzieningen zijn van groot belang. We zetten in op het ontwikkelen van speel- en ontmoetingsvoorzieningen op basis van onze richtlijnen uit het Beleidskader bewegen, spelen en ontmoeten uit 2020.* We realiseren ons ook dat het op langere termijn wellicht niet mogelijk zal zijn om het voorzieningenniveau overal op het huidig niveau te handhaven. Demografische ontwikkeling, (m.n.
de vergrijzing) veranderende behoefte of het niet meer kunnen voldoen aan kwaliteitseisen kunnen hiervoor reden zijn. De gemeente zal hier niet op sturen, maar mochten zich hier van uit de samenleving vragen ontstaan, dan zullen wij daarbij faciliteren. Het zou dan bijvoorbeeld kunnen gaan om verenigingen die zich genoodzaakt zien te fuseren en daarbij de gemeente om hulp vragen. Waar willen we dat? We zoeken naar oplossingen in ieder dorp. Dat kan per dorp verschillen. Per kern is maatwerk nodig. Wij denken als gemeente mee en ondersteunen ontwikkelingen in iedere kern.
4.1.3
Omgevingskwaliteit (groen, water en erfgoed) Wat willen we? Het waardevolle groene en historische karakter van onze gemeente vormt de ruimtelijke karakteristiek. Deze karakteristiek vind je in verschillende dorpen terug. De dorpen hebben een groen, dorps karakter dat bestaat uit: -
Historische linten met waardevolle historische boerderijen; Kleinschalige, rustige dorpen die op de overgang van beekdalen naar hoger gelegen zandruggen liggen. Het landschap is afwisselend met bossen, beken en boerenland. Het groen is in elke kern belangrijk onderdeel van straten en wijken.
Het groen bepaalt niet alleen de identiteit van de dorpen maar is ook belangrijk voor de natuur, de gezondheid, uitnodigend voor ontmoeting en zorgt voor verkoeling. Daarnaast draagt het groene karakter van Bergeijk bij aan de aantrekkelijkheid voor toeristen en recreanten uit de hele Brainportregio. We hebben aandacht voor de bereikbaarheid van het groen in het buitengebied via wandel-, fiets- en zandpaden. Behoud, uitbreiding van het groenareaal in de dorpen staat voorop in de koers voor leefbare dorpen. We denken hierbij aan meer groen in de dorpscentra en schoolpleinen, op bedrijventerreinen en in privétuinen. Daarbij gaat het ook om groen dat op kwalitatieve wijze de biodiversiteit ondersteunt of past bij cultuurhistorische uitgangspunten van beplanting.
Hoe willen we deze ambitie bereiken? Aan de ene kant willen we het groen en onze waardevolle historische leefomgeving beschermen voor aantastingen door nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Daarom gaan we niet langer uitsluitend uit van inbreiding. Maar ook als we kiezen voor inbreiding moet dat een meerwaarde hebben voor het groene, historische karakter. Bij nieuwe ontwikkelingen vragen wij initiatiefnemers om mee te denken en mee te werken aan het realiseren van onze kernwaarden. Dat kan vaak op gebied van natuurontwikkeling, aanplant van ander groen, alsook door behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle panden en waardevolle structuren. Ook binnen het openbaar gebied hebben we meer aandacht voor groen en biodiversiteit.*bosbeheerplan Bijvoorbeeld door het toepassen van natuurvriendelijke methoden bij beheer van de openbare ruimte (bijvoorbeeld het ecologisch maaien van bermen). Het beleid zal gericht zijn op uitbreiding van deze wijze van beheer. Bij momenten van verandering (bijvoorbeeld het vervangen van de riolering) nemen we de groenopgave integraal mee in het ontwerp, bijvoorbeeld door water en groen een volwaardige plek te geven in de ontwerpen.
Met succes pasten we dit principe in 2021 bijvoorbeeld in de Hoeverstraat toe, waar de vervanging van het riool aangewend werd om de waterhuishouding, de ruimtelijke kwaliteit van de straat, de verkeersveiligheid en de bestaande fruitboomgaard een kwaliteitsimpuls te geven. *verbeterd gemeentelijk rioleringsplan
Overigens gaat het niet alleen om de openbare ruimte: Iedereen kan op zijn of haar privéterrein bijdragen. Als gemeente willen we actiever inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties betrekken bij het verkrijgen en behouden van groene waarden en historische elementen.*klimaatadaptatiestrategie
Waar willen we dat? De uitdaging om de kernen en het buitengebied groen en landelijk te houden, alsook de klimaatopgaven, spelen in de hele gemeente. We passen dit beleid overal in de gemeente toe.
4.1.4
Gezonde dorpen Wat willen we? We zien de effecten van de veranderende maatschappij: ouderen wonen langer thuis, steeds meer kinderen kampen met overgewicht of obesitas, tieners zitten vaker binnen en eenzaamheid komt vaker voor bij ouderen. We willen door middel van bewegen, ontmoeten en spelen een bijdrage leveren om deze negatieve effecten op te vangen. Veel volwassenen hebben tegenwoordig meer aandacht voor gezond bewegen. Die aandacht heeft de gemeente Bergeijk ook. In juni 2020 is het Beleidskader Bewegen, Ontmoeten, Spelen* vastgesteld waarin de gemeente haar zorg voor bewegen, ontmoeten en spelen integraal oppakt. We werken aan ‘positieve gezondheid’.*lokaal gezondheidsbeleid 2021-2025 Positieve gezondheid gaat over gezondheid op zes dimensies: mentaal welbevinden, de lichaamsfuncties, het dagelijks functioneren, meedoen, de kwaliteit van leven en zingeving. Positieve gezondheid gaat niet uit van wat niet goed gaat, maar juist naar wat wél goed gaat en hoe je dat kunt versterken. Hierbij wordt veerkracht en eigen regie van inwoners bevorderd. Daarnaast gaat het om meer dan lichamelijke gezondheid: er wordt gekeken naar gezondheid op zes verschillende onderwerpen: mentaal welbevinden, de lichaamsfuncties, zingeving, kwaliteit van leven, meedoen en het dagelijks functioneren.
Ook spelen we samen met de gemeenten Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden specifiek in op de jeugd als doelgroep, via de ontwikkeling van het programma #Kempenbranie*: Een aanpak om het gebruik van alcohol en drugs terug te dringen door in te zetten op een positieve omgeving waarin jongeren gezond, veilig en kansrijk kunnen opgroeien. In deze omgevingsvisie gaat het om de manier waarop de fysieke leefomgeving kan bijdragen aan gezondheid. Want een uitdagende en veilige openbare ruimte, ingericht met beweeg-, ontmoeten speelplaatsen geeft jongeren de kans om gezamenlijk te kunnen opgroeien en bewegen in een gezonde omgeving. We hopen te bereiken dat: • Ouderen fitter zijn en langer thuis kunnen wonen; • Kinderen een gezond gewicht hebben; • Tieners zich vaker buiten bevinden; • Inwoners van alle generaties en achtergronden elkaar vaker in de openbare ruimte ontmoeten; • Inwoners elkaar vaker in de natuur ontmoeten; • Alle inwoners de mogelijkheid hebben om op zijn of haar eigen niveau te bewegen, ontmoeten en spelen; • Nieuwe ontwikkelingen zorgen voor een afname van onwenselijke milieueffecten, zoals geur- of fijnstofoverlast.
Hoe willen we dat bereiken? Wat we de komende vijf jaar gaan doen om de fysieke leefomgeving nog geschikter te maken voor ontmoeten, spelen en bewegen, hebben we verwoord in het Beleidskader bewegen, spelen en ontmoeten uit 2020*. We hebben operationele plannen gekoppeld aan deze ambitie. Hierbij kan gedacht worden aan het creëren van ontmoetingsplekken voor iedereen (iedere kern moet er minstens één hebben), het creëren van verbindingen waarlangs bewogen kan worden of de natuur beleefd kan worden, het toevoegen van speelvoorzieningen die het speelaanbod in iedere kern laten voldoen aan onze “speelwaarden”. Een ander belangrijk onderdeel van gezondheid betreft het gedeelte “bescherming” tegen milieueffecten zoals geluid, luchtkwaliteit, geur, straling, externe veiligheid etc. Het Rijk en de provincie Noord-Brabant stellen op veel gebieden kaders die leidend zijn voor een gezonde, veilige en schone leefomgeving. De gemeente Bergeijk volgt deze regelgeving. Maar binnen de mogelijkheden die de gemeente heeft om sturing te geven, wil de gemeente het signaal afgeven dat we veel waarde hechten aan een gezond, veilig en schoon Bergeijk. De instrumenten hiervoor zijn opgenomen in onze Milieuvisie.* Ook is het bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, op basis van de Milieuvisie*, van belang om risico’s zoveel als mogelijk uit te sluiten.
Incidenten of overlast kunnen altijd voorkomen, denk aan branden in gebouwen, incidenten bij evenementen, geluid- of geurhinder. We denken als gemeente bewust na over de manier van inrichten van de omgeving en gebouwen, om zodoende risico’s zo klein mogelijk te houden. Daarbij vinden we het volgende van belang: Goede vluchtroutes; Toegankelijkheid van de gemeente voor hulpdiensten; Beperken van geluidhinder door wegverkeer; Beperken van geurhinder door veehouderijen en industrie; Voorkomen van problemen met de bodemkwaliteit; Beperken gezondheidsrisico’s door bedrijvigheid. Deze aspecten vragen altijd maatwerk. In elk geval toetsen we, zoals beschreven in onze Milieuvisie, op deze aspecten bij nieuwe ontwikkelingen. Ons uitgangspunt is dat ontwikkelingen de situatie niet mogen verslechteren.
Waar willen we dat? We streven een gelijkwaardig niveau na in elke kern. De operationele plannen zijn verwoord in het Beleidskader Bewegen, spelen en ontmoeten en de Milieuvisie.
4.2
Vitaal buitengebied We willen de vitaliteit en kwaliteit van ons buitengebied behouden en versterken. Het buitengebied in Bergeijk is een waardevolle combinatie van agrarisch landschap en natuurlijk landschap. Dit landschap vormt een tegenhanger van het stedelijk gebied binnen de Metropoolregio Eindhoven. Wat willen we? Ons landschap is waardevol en moet gekoesterd worden. We streven daarbij naar een vitale agrarische sector die in harmonie is met de omgeving, waar agrarisch landschap en natuur samengaan en elkaar aanvullen. Onze uitdaging is deze verschillende opgaven met elkaar te combineren: hoe dragen ontwikkelingen op het gebied van (agrarische) bedrijvigheid, wonen en mobiliteit bij aan de natuurlijke rust en uitgestrektheid van het agrarisch en natuurlijk buitengebied? We willen meer landschappelijke en natuurlijke kwaliteit in het buitengebied, ook buiten de beekdalen. Dat betekent dat we nog meer moeten inzetten op landschap, klimaat en natuur. Met name water speel hierin een essentiële rol.
Hoe willen we deze ambitie bereiken? We willen de vitaliteit en kwaliteit van ons buitengebied behouden en versterken. Dat betekent voor de vitaliteit dat: -
we streven naar behoud van ontwikkelperspectief voor blijvende agrariërs met een economisch maar ook maatschappelijk en milieutechnisch gezond bedrijfsmodel;
-
-
we beseffen dat de trend van stoppende agrarische bedrijven de komende jaren zal doorzetten en dat daarom hergebruik van gebouwen en locaties zorgvuldig moet worden afgewogen; de groene (natuurlijke en agrarische) ruimte, als voedingsbodem voor vitale bedrijven en vitale inwoners, verzorgd en behouden moet blijven.
Voor het behoud en versterken van de kwaliteit van het buitengebied is het ook nodig dat: er sprake is van de juiste functie op de juiste plek; functies optimaal ingepast worden in het landschap; de natuurlijke, landschappelijke en hydrologische waarden niet worden aangetast maar versterkt. We beseffen dat veranderingen in de agrarische sector een transitie zijn. Daarin hebben we als gemeente een rol en weten we dat we beperkt invloed hebben op de agrarische bedrijfsvoering. Maar we staan niet alleen in deze rol, alle schakels moeten meedoen. We zetten daarom in op een gezamenlijke inzet van alle betrokken partijen en een betere samenwerking tussen ondernemers, maatschappelijke organisaties en inwoners. Meer verbinding tussen stad en platteland, tussen natuurorganisaties, agrariërs en ook de gemeente. We willen structureel in contact met agrarische ondernemers, natuurorganisaties en andere partijen met een relatie met het buitengebied blijven investeren. De gemeente initieert en faciliteert hierbij. Ook bij realisatie van natuurontwikkeling door de provincie en het waterschap in bijvoorbeeld projecten ter realisatie van het Natuurnetwerk Brabant en de inrichting van ecologische verbindingszones willen wij faciliteren.
Daarnaast willen we ook bereiken dat de agrariërs die willen ontwikkelen actief meedenken en inzetten op de bijdrage die zij kunnen leveren aan behoud en versterking van onze kernkwaliteiten. Ook inwoners en omwonenden willen wij stimuleren om na te denken over hun rol: hoe kunnen Bergeijkse inwoners samen met de agrarische sector en de gemeente het vitale buitengebied, dat in het DNA verankerd is, behouden en verbeteren. Voor stoppende agrarische bedrijven geldt dat de mogelijkheden voor hergebruik afgewogen worden aan de bijdrage die geleverd wordt aan de vitaliteit van het buitengebied. Vanzelfsprekend mogen zij passende bestaande functies niet verstoren of belemmeren. Ook andere ontwikkelingen dienen bij te dragen aan de vitaliteit. Ongewenste activiteiten in de vorm van winning van schaliegas en opslag van kernafval passen hier niet bij. Andere ingrepen in de bodem worden zorgvuldig beoordeeld. Wij zijn niet op voorhand tegen initiatieven voor de winning van zand en grind door ontgrondingen als deze een bijdrage leveren aan gemeentelijke doelen zoals versterking van de ruimtelijke kwaliteit en versterking van de recreatieve functie. Zo nemen wij onze verantwoordelijkheid door mede te zorgen voor het vrijkomen van voldoende grondstoffen voor de bouw.
Om de vitaliteit en kwaliteit te optimaliseren vragen we voor het hele grondgebied van onze gemeente bij ruimtelijke ontwikkeling initiatiefnemers om een bijdrage te leveren aan klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, versterking van het landschap en/of de cultuurhistorische kwaliteiten van de bebouwde en onbebouwde omgeving. Het optimaliseren van de waterhuishouding speelt daarbij ook een rol. We moeten inzetten op het ontvangen van voldoende water via de wateraanvoer vanuit België, alsook het vasthouden en infiltreren van voldoende water. In samenwerking met het Waterschap en grondeigenaren willen we dit optimaliseren.
Daarnaast dragen we zorg voor de bescherming van ons grondwater, met name in het grondwaterbeschermingsgebied nabij Luyksgestel. De drinkwaterwinning die hier plaatsvindt dient duurzaam veilig gesteld te worden, activiteiten die het grondwater vervuilen worden geweerd. Een grote opgave voor het buitengebied is de opwekking van duurzame energie. Daarover hebben we in de Metropoolregio Eindhoven afspraken gemaakt in het verband van de Regionale Energiestrategie (RES)*. Een belangrijke afspraak in dat kader is dat we een voorkeursgebied voor grootschalige duurzame energieopwekking hebben aangewezen: zuidwest Bergeijk (De Pielis).*grootschalige opwekken duurzame zonne- en windenergie In dit gebied staan we (onder strikte randvoorwaarden) initiatieven toe voor grootschalige energieopwekking. Deze initiatieven worden onder toezicht van de gemeente, bewoners en belangenverenigingen vormgegeven.
Waar willen we dat? Agrarische bedrijvigheid ligt verspreid over ons hele grondgebied. Er zijn geen gebieden waar een sector of specifiek grondgebruik domineert of waar juist meer stoppende bedrijven gelegen zijn. De ontwikkelings- en hergebruiksmogelijkheden kunnen wél gebiedspecifiek zijn. Juist de waarden en kenmerken van de omgeving bepalen de mogelijkheden voor de toekomst. Deze worden daarop afgewogen en afgestemd. Omdat er veel maatschappelijke opgaven in ons buitengebied zijn op het vlak van transitie van de agrarische sector, klimaatbestendigheid, energieopwekking, versterking van natuur en landschap en cultuurhistorische kwaliteiten, moet er aandacht zijn voor de combinaties die hierin gemaakt worden. Hoe dragen ontwikkelingen op gebied van (agrarische) bedrijvigheid, wonen en mobiliteit bij aan de natuurlijke rust en uitgestrektheid van het agrarisch en natuurlijk buitengebied en de maatschappelijke opgaven? Omdat we als gemeente behoorlijk wat gronden in het buitengebied bezitten kunnen we ook zelf meer doen voor landschap, klimaat en natuur.
Dat deden we al en blijven we doen door via kavelruil gronden in de beoogde natuurgebieden (Natuurnetwerk Brabant) vrij te ruilen zodat deze voor natuur ingericht kunnen worden.*nota grondbeleid Maar we kunnen ook de lokale agrarische bedrijven helpen om meer grond rond het bedrijf te krijgen, goede landbouwgebieden beschermen en voorwaarden stellen om landbouw en natuur te combineren. Dat vraagt wellicht om een ander pachtbeleid.* Daarnaast vragen we bij ruimtelijke ontwikkeling van initiatiefnemers om een bijdrage te leveren aan klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, versterking van het landschap en/of cultuurhistorische kwaliteiten van bebouwde en onbebouwde omgeving. We streven ernaar ook buiten de beekdalen de landschappelijke en natuurlijke kwaliteit in ons buitengebied te versterken. Voor grootschalige energieopwekking sluiten we aan bij de in de nota Grootschalige zonne- en windenergie in de Kempen; Bergeijk zuidwest (de Pielis) is hiervoor het aangewezen gebied.
4.3
Sterke economische structuur Een sterke economische structuur bereiken we door ruimte te geven aan lokale bedrijvigheid, het vestigingsklimaat te versterken door de bereikbaarheid verder te optimaliseren en in te zetten op versterking van dagrecreatie, beleving, kunst en cultuurhistorie.
4.3.1
Bedrijventerreinen Wat willen we? We streven ernaar onze bedrijventerreinen vitaal te houden, van hoge ruimtelijke kwaliteit en passend bij de vraag en schaal van de dorpen. In de Kempische bedrijventerreinenafspraken 2020 zijn daarvoor 4 actielijnen opgenomen: 1. Borging en bevordering van de toekomstige kwaliteit en aantrekkelijkheid van bedrijventerreinen 2. Realiseren van toekomstig aanbod (grote en kleine kavels) 3. Verduurzaming en vergroening van bedrijfspanden en bedrijventerreinen 4. Samenwerking tussen gemeenten en ondernemers Hoe willen we dat bereiken? Omdat we vast kunnen stellen dat onze bedrijven erg honkvast zijn, is het belangrijk om lokaal in uitbreidingsruimte te voorzien. Volgens geluiden uit de markt zullen deze uitbreidingen snel vol zijn. Nieuwe uitbreidingen liggen dan voor de hand, maar ook het creëren van schuifruimte door verplaatsingen van grote bedrijven kan ruimte vrijspelen voor lokale (kleine) bedrijvigheid. We krijgen verschillende vragen over de huidige (vanuit provinciaal beleid opgelegde) grens van maximaal 5.000m2 voor bedrijfskavels. We willen ruimte bieden aan reeds bestaande bedrijven die vanwege schaalvergroting of groei van hun bedrijf behoefte hebben aan lokale ruimte voor hun bedrijvigheid. We willen in dat soort gevallen minder strikt vasthouden aan de 5.000m2-grens. Hier verbinden we wel voorwaarden aan.
Op de eerste plaats dient iedere uitbreiding een kwaliteitsversterking voor natuur, milieu, klimaatadaptatie en/of landschap te betekenen. Ten tweede willen we bestaande grootschalige bedrijvigheid niet op een kleinschalig terrein laten uitbreiden. Dat betekent dat bedrijvigheid groter dan 5.000m2 eigenlijk alleen op de goed ontsloten, relatief grote bedrijventerreinen mogelijk is. Daarbij wordt de ruimte die boven de 5.000m² nodig is ingezet op al bestaande percelen. Per saldo komt er dus geen extra bebouwd oppervlak op bedrijventerreinen bij als een bestaand bedrijf groeit. Naast het bovenstaande draait het op de bedrijventerreinen niet alleen om groter groeiende bedrijven. Aanwezige bedrijven onder de 5000m² moeten er ook goed vooruit kunnen en er moeten mogelijkheden zijn voor starters die hierbij kunnen helpen. Daarom willen we ondersteunende faciliteiten, zoals de oprichting van een bedrijfsverzamelgebouw faciliteren. Nieuwe, grootschalige bedrijvigheid, zoals grootschalige logistieke bedrijven, is echter in Bergeijk niet gewenst. Waar willen we dat? Per kern kan het beleid voor de bedrijventerreinen wisselen. Voorop staat dat we passend bij de schaal en aard van de bedrijventerreinen uitbreidingen willen faciliteren, zolang dat geen negatieve gevolgen heeft voor het buitengebied of onze kernkwaliteiten.
Uitbreidingen in Bergeijk, Westerhoven en Luyksgestel zijn ook ruimtelijk nog wel voorstelbaar. In Riethoven dienen we op zoek te gaan naar maatwerk bij aanvullende vraag en in de Weebosch is in de huidige situatie nauwelijks bedrijventerrein beschikbaar en dat blijft naar verwachting zo. Een kanttekening bij deze lokale insteek over bedrijventerreinen is dat we ook op regionaal afstemming zoeken. Naar aanleiding van de Kempische bedrijventerreinenafspraken uit 2020*
kempische bedrijvenvisie zijn we op Kempenniveau bezig om de ambities en doelstellingen voor (nieuwe) bedrijventerreinen in kaart te brengen. Naast vestiging op bedrijventerreinen is er ook op plekken in het buitengebied ruimte voor bedrijvigheid. Dat betreft de omschakeling van vrijkomende agrarische bedrijven (VAB’s) naar een andere functie onder de voorwaarde dat deze omschakeling bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van het vitaal buitengebied. Deze plekken zijn geschikt voor kleinschalige bedrijvigheid met geringe effecten op de omgeving.
4.3.2
Vestigingsklimaat Wat willen we? Een goede mobiliteit draagt bij aan een goede economie als het gaat om werkgelegenheid en vrijetijdsbesteding. Daarnaast draagt mobiliteit bij aan een goede leefomgeving, zorgt het ervoor dat mensen langer mobiel kunnen blijven en heeft het effect op de vitaliteit van mensen. Een verbindend vervoersmiddel wat daarbij hoort is de fiets. De ambitie is om mensen meer op de fiets te krijgen en minder met de auto te laten gaan. Uiteraard is de fiets niet de enige vervoersvorm die zorgt voor een goede mobiliteit. Met name de combinatie tussen de verschillende modaliteiten (auto, fiets, openbaar vervoer en andere slimme mobiliteitssystemen) zorgen voor een goede mobiliteit en een afwisseling aan keuzemogelijkheden voor de bewoner om zich te verplaatsen. Hoe en waar willen we dat bereiken? Als Kempengemeenten werken we binnen de Metropoolregio samen om de bereikbaarheid en leefbaarheid en daarmee ook het vestigingsklimaat te verbeteren. Dit is door de Kempische gemeenteraden vastgelegd in de Mobiliteitsstrategie de Kempen*. Met de komst van de N69 en Diepveldenweg hebben we de autobereikbaarheid voor een belangrijk deel op orde. Wel ligt er nog een belangrijk knelpunt op de N69-zuid, tussen de Kempervennen en de Belgische grens.
Hier willen we samen met de provincie, Valkenswaard, Lommel en ander gebiedspartijen zoeken naar een oplossing van de verkeersproblematiek in combinatie met een bredere gebiedsontwikkeling voor gericht op versterking van natuur en recreatie in dit gebied. Voor wat betreft fietsen is de ambitie hoog. Bij grote onderhoudswerkzaamheden streven we naar verbreding van de fietsvoorziening en verbetering van het comfort. Bij nieuwe fietsverbindingen willen we brede comfortabele fietsverbindingen voor grotere groepen fietsers en het stimuleren van meer verplaatsingen met de fiets. Bij de inrichting van deze verbindingen moet rekening gehouden worden met de opkomst van de e-bike. Daarbij zetten we in op de zes fietsverbindingen die we als opgave benoemd hebben in onze Fietsambitie*. Op het openbaar vervoer hebben we minder invloed, maar streven we er binnen onze mogelijkheden naar het huidige voorzieningenniveau te handhaven. In het kader van de verkeersveiligheid treden we op de voorgrond als het gaat om gedragsmaatregelen en informatie over veiligheid en te hard rijden in de gemeente. Tijdens evenementen schenken we aandacht aan verkeersveiligheid en verkeersgedrag. We communiceren over verkeersveiligheid en blijven hier aandacht op vestigen. We ondersteunen de provinciale campagne “Nul verkeersdoden Brabant”. Gedragsverandering is van de lange adem en herhaling.
Verkeersveiligheid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Als gemeente trachten we een bijdrage te leveren aan de verkeersveiligheid en waar nodig de juiste partijen met elkaar in verbinding te brengen om zo de verkeersveiligheid te vergroten. Deze uitgangspunten zijn
opgenomen in de Gemeentelijke Visie Mobiliteit*. Daarnaast zal in de toekomst met een risicogestuurde aanpak met maatregelen, gedragsbeïnvloeding en andere projecten getracht worden om de verkeersveiligheid te verbeteren en de risico’s op ongevallen te verkleinen. Waar mogelijk dragen we bij aan de duurzaamheid binnen onze gemeente en de regio. Mobiliteit kan bijdragen aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente. Dit doen we onder andere door de realisatie van openbare laadvoorzieningen voor elektrische voertuigen en het meewerken aan openbare laadvoorzieningen op basis van aanvraag door burgers. In het kader hiervan heeft de gemeente beleid vastgesteld in de Nota en beleidsregels openbare laadinfrastructuur*. Daarnaast trachten we met een goede mobiliteit onze burgers vitaal te houden en willen we met een goed leefklimaat, goede comfortabele fiets- en voetgangersvoorzieningen onze burgers langer zelfstandig laten wonen.
4.3.3
Detailhandel, horeca en toerisme Wat willen we? In principe hebben we weinig grip op de invulling van commerciële voorzieningen. Wel kunnen we met beleid sturen op waar we wel of geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. We streven ernaar om het huidige detailhandelaanbod te bestendigen en verder te blijven concentreren in het kernwinkelgebied op ’t Hof* centrumvisie en actualisatie. Voor horeca zien we mogelijkheden in alle kernen, ook om het recreatieve en toeristische belang te dienen. Daarvoor zien we ook in het buitengebied kansen, in de vorm van ondergeschikte horeca, ten dienste van een andere hoofdfunctie, zoals bijvoorbeeld een dagrecreatieve activiteit of zorgboerderij . Nieuwe grootschalige horeca in het buitengebied willen we, indien de vraag zich voordoet bij uitzondering faciliteren, maar alleen op plekken waar de draagkracht van het landschap en infrastructuur dit aan kan. En ook hier wordt gekeken naar kwaliteitsversterking voor natuur, milieu, klimaatadaptatie en/of landschap Hoe en waar willen we dat bereiken? In principe concentreren we detailhandel in het kernwinkelgebied op ’t Hof. Door winkels te concentreren versterken ze elkaar en wordt leegstand voorkomen. Om de levendigheid te vergroten ondersteunen we initiatieven die de ondernemers op ’t Hof helpen bij het levendiger maken van ’t Hof, zoals het initiatief ‘Belevingsboulevard’.
Ook staan we in beginsel open voor blurring, waarbij ondernemersactiviteiten ondernemen die niet direct hun core business zijn, bijvoorbeeld het aanbieden van een biertje in een kledingzaak. Dat vergroot de aantrekkingskracht van het winkelaanbod en stimuleert innovatie. Voor de horeca is samenwerking en de aanwezigheid van evenementen van belang. Wij faciliteren als gemeente de samenwerking van horecagelegenheden die hun handen ineenslaan om de levendigheid in onze kernen vergroten. Hierbij kan gedacht worden aan het gezamenlijk (door horecagelegenheden) organiseren van festiviteiten. Daarbij proberen wij ons als gemeente zo flexibel mogelijk naar ondernemers op te stellen. Wij zien bij initiatieven die de levendigheid vergroten ruimte voor maatwerk. We hebben als gemeente al veel te bieden met betrekking tot verblijfsrecreatie. Naast de grote, toonaangevende parken (De Paal, Centerparcs Kempervennen, het toekomstige Landal Forest Village) zijn er in het buitengebied en in mindere mate in de dorpen ook kleinschalige verblijfsvoorzieningen. Al deze voorzieningen richten zich hoofdzakelijk op verblijf. We zien
daarom vooral nog kansen voor dagrecreatie in de hele gemeente. Zowel in de kernen, met name in relatie tot kunst en cultuurhistorie, als in het buitengebied. Het buitengebied heeft een belangrijke functie voor extensieve vormen van recreatie zoals wandelen, fietsen en paardrijden. Er is een netwerk van routes beschikbaar en verspreid treffen we ondersteunende voorzieningen aan. Het in stand houden en uitbreiden van de mogelijkheden zijn belangrijk voor de bevordering van het toerisme en de recreatie in zijn algemeenheid. Maar zeker ook voor de vrijetijdsbesteding en gezondheid van eigen inwoners. Er zijn bijvoorbeeld mogelijkheden om de verbinding tussen stedelijk en landelijk gebied en de dorpen te versterken. Het moet uitnodigen tot recreatief medegebruik van het buitengebied. Kijken we naar extra voorzieningen, dan willen we ruimte bieden aan nieuwe kleinschalige voorzieningen die de netwerken versterken en aan functies die aanvullend zijn op dat wat er al is. * toetsingskader dag- en verblijfsrecreatie de kempen Bijvoorbeeld kleinschalige horeca (zoals een theetuin), maïsdoolhof, midgetgolf, een speelboerderij, routes met beleving, boerderijappartementen. We streven daarbij naar kwaliteit, beleving en variatie in het aanbod. Vooral het dagrecreatief aanbod biedt nog kansen voor groei.
Recreatief (mede)gebruik en kleinschalige voorzieningen moeten passend zijn en mogen geen afbreuk doen aan de waarden van het gebied. Ook een goede afstemming met onder andere het landbouwverkeer en waar nodig een passende infrastructuur vormen aandachtspunten. Het aanbod op de vrijetijdsmarkt is een samengesteld product van talloze ondernemers en andere organisaties. Om dit goed te laten functioneren is samenwerking en verbinding nodig. Niet alleen binnen de gemeentegrens van Bergeijk, maar bijvoorbeeld ook over de landsgrens heen. Daar waar nodig kunnen we dit faciliteren.
5
Werken met de omgevingsvisie In deze omgevingsvisie zijn voor onze gemeente de richting en ambities bepaald. De uitvoering hiervan strekt zich uit van korte naar lange termijn, afhankelijk van het opstellen van concrete plannen, maatregelen en financiering. Het initiatief ligt daarbij zeker niet altijd bij de gemeente. De omgevingsvisie biedt een handvat voor vernieuwing en initiatieven vanuit de samenleving en nodigt hier nadrukkelijk toe uit.
5.1
Relatie met bestaand beleid De Omgevingsvisie vormt geen nieuwe start. Bergeijk kent veel bestaand beleid. Wat goed is, is goed. Een deel van dit bestaande beleid zetten we daarom onverminderd voort, dit blijft als onderdeel van de Omgevingsvisie gehandhaafd. Dat komt omdat deze beleidsdocumenten: gedetailleerder zijn uitgewerkt dan de omgevingsvisie en daarmee beleidsmatig nog actueel zijn en blijven; beleid bevatten die in het nog op te stellen omgevingsplan moeten worden vertaald of relevant zijn voor toetsing van verzoeken; als (actie)programma gelden met een bijbehorend investeringsprogramma; gebiedsgericht en meer operationeel van aard zijn; waarvoor bijvoorbeeld een gebiedsprogramma de plek is waar dit beleid wordt ondergebracht; een evaluatie nodig is, voordat een definitieve afweging over het betreffende beleid kan worden gemaakt. Bij de periodieke actualisatie van de omgevingsvisie vindt daarom telkens de afweging plaats over de nog bestaande beleidsdocumenten en de op te stellen programma’s. Via deze link vindt u het voor deze omgevingsvisie gebruikt bestaand beleid.
5.2
Relatie met andere instrumenten uit de Omgevingswet De gemeente heeft 4 instrumenten uit de Omgevingswet ter beschikking: omgevingsvisie: deze bevat het strategisch gemeentelijk beleid; omgevingsprogramma: dit bevatten de uitwerking/ uitvoering van beleid; omgevingsplan: dit bevat de regels voor de fysieke leefomgeving; omgevingsvergunningen: deze bevatten toestemming voor activiteiten (zoals bouwen). Van omgevingsvisie naar programma’s De denkrichting en doelen in de omgevingsvisie zijn redelijk globaal gehouden en vragen om nadere uitwerking. Eén van de mogelijkheden daarvoor is het opstellen van programma’s. De aard van het programma kan verschillen: -
programma’s gericht op bescherming, beheer of ontwikkeling; programma’s gericht op een specifiek gebied of project; programma’s over thema’s zoals mobiliteit, energie, klimaatadaptatie, maatschappelijke voorzieningen of gezondheid.
Zoals hierboven aangegeven blijft bestaand beleid voorlopig relevant. Veel beleidsstukken hebben al het karakter van een programma, bijvoorbeeld de nota grootschalige zonne- en windenergie en de fietsambitie. Bij actualisering daarvan wordt beoordeeld of we kiezen voor de vorm van het
programma. Of ook voor nieuwe onderwerpen een programma noodzakelijk is nog punt van nadere afweging. Uitvoeringsparagraaf Voorbeelden van concrete projecten en beleidsactualisaties die op dit moment al uitvoering geven aan de ambities in deze omgevingsvisie zijn: • Wonen: realisatie div. woningbouwprojecten (o.a. Hooge Berkt II, Kapelledries III); • Uitvoering van de Klimaatadaptatiestrategie (o.a. bosbeheer); • Uitvoering van de Warmtetransitievisie , met bijv. de subsidieregeling BeEnergy; • Herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Bergeijk 2011 (aanpassingen in het VAB-beleid en herziening van de Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties); • Uitvoering beleid grootschalige zonne- en windenergie in de Kempen’ (o.a. projectvoorstellen Bergeijk Zuidwest) • Actualiseren participatiebeleid; • Vaststellen en hanteren Toetsingskader dag- en verblijfsrecreatie De Kempen; • Uitvoering Bedrijventerreinvisie de Kempen o.a.
uitvoering onderzoek Nieuwe werklocaties De Kempen; • Uitvoering van het Economisch ActiePlan; • Faciliteren van het gesprek tussen de agrarische sector en andere stakeholders; • Actualisering van het pachtbeleid; • Deelname aan de gebiedsgerichte aanpak Grenscorridor; • Deelname aan de gebiedsgerichte aanpak Kempenland West via het project De Levende Run; • Actualiseren Gemeentelijke visie mobiliteit; • Uitvoering fietsambitie; • Uitvoering beleid bewegen, ontmoeten en spelen; • Uitvoering Integraal Huisvestingsprogramma Primair Onderwijs 2022-2037 • Uitvoering Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024
Van Omgevingsvisie naar omgevingsplan Bij in werking treden van de Omgevingswet vormen de geldende bestemmingsplannen, verordeningen en beleidsregels van rechtswege het omgevingsplan. Gemeenten hebben tot eind 2029 de tijd om dit plan om te vormen tot een omgevingsplan dat in overeenstemming is met de Omgevingswet. We pakken de omvorming gefaseerd en gebiedsgericht aan. Voorlopig blijven veel regels intact en zijn ook in de toekomst de regels nodig. Juist waar regels bescherming bieden aan de te handhaven belangen blijven regels nodig. In andere gevallen is er ook ruimte om geleidelijk tot vereenvoudiging over te gaan en ruimte te bieden aan particulier initiatief en vernieuwing. Het einddoel is een beleid meer gericht op het behoud en versterken van kwaliteiten die er werkelijk toe doen.
5.3
Sturingsfilosofie en samenwerking De omgevingsvisie bevat veel ambities en doelen. De gemeente zal niet altijd het voortouw nemen. Haar rol varieert van het nemen van regie, tot het scheppen van voorwaarden of faciliteren van acties. We werken daarbij samen met private partijen (bedrijven, particulieren, beleggers), corporaties, instellingen en andere overheden. De rol van de gemeente bij initiatieven van anderen is faciliterend alsook voorwaardenscheppend. De initiatieven moeten bijdragen aan het behalen van de ambities, een meerwaarde hebben voor onze samenleving, kansrijk zijn en voldoende draagvlak hebben. Initiatieven, activiteiten en projecten pakken we integraal aan. Op die manier
brengen we alle relevante zaken in een vroegtijdig stadium in beeld en wegen we belangen tegelijk af. Want elke verandering of ingreep heeft gevolgen voor onze leefomgeving. Graag gaan we in gesprek met initiatiefnemers, gemeenten en andere betrokken instanties. Bij het uitoefenen van activiteiten en het opstellen van plannen kunnen meerdere belangen van toepassing zijn. Soms zijn deze tegengesteld, soms kunnen deze leiden tot verbeterde of nieuwe plannen. Daarom vragen we initiatiefnemers om al in een heel vroeg stadium van hun plan in gesprek te gaan met andere betrokken personen en partijen. Dat kan via een schriftelijke of mondelinge ‘omgevingsdialoog’, zoals een brief bij eenvoudige plannen, of een inloop- of informatieavond voor meer complexe initiatieven. In het kader van verwachtingenmanagement is wel van belang dat initiatiefnemers vooraf nagaan hoe hun plan in de omgevingsvisie en ander gemeentelijk beleid past. Zo nodig kan de gemeente daarbij ondersteunen. De Omgevingswet gaat uit van een integrale benadering van deze belangen. In sommige gevallen lukt het om meerwaarde te creëren door activiteiten of plannen te bundelen. Dit zal niet altijd mogelijk zijn. In het kader van een veilige en fysiek gezonde leefomgeving en een goede leefomgevingskwaliteit zijn keuzes onvermijdelijk.
5.4
Grondbeleid Bij het uitvoeren van projecten van initiatiefnemers maken wij als gemeente kosten. Deze kosten betaalt de initiatiefnemer. Hiervoor leggen we in principe afspraken vast in een overeenkomst met de initiatiefnemer. Lukt dit niet, dan zullen we met een exploitatieplan de kosten alsnog (achteraf) verhalen. Bij sommige projecten levert de initiatiefnemer een bijdrage aan bovenwijkse voorzieningen, bijvoorbeeld voor de aanleg van groen of infrastructuur binnen de gemeente. Op dit moment worden deze bijdragen in de reserve Ruimtelijke Ontwikkeling en Leefomgeving (ROL) gestort. De Omgevingswet stelt dat in de omgevingsvisie dan een onderbouwing van de zogenaamde functionele samenhang moet worden gegeven. Dit betekent dat inzicht moet worden gegeven in de doelen, de projecten die aan bijvoorbeeld een groenfonds moeten bijdragen en de toekenning van de gelden uit zo’n fonds. Dit vraagt om een zeker detailniveau van de omgevingsvisie. Voor deze omgevingsvisie is ervoor gekozen om het gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving meer op hoofdlijnen weer te geven en kaders te bieden voor ontwikkelingen. Hiermee sluit de visie onvoldoende aan op het vereiste detailniveau om de functionele samenhang te kunnen onderbouwen.
Omdat wij het wel belangrijk vinden om deze fondsvorming te handhaven wordt hier bij de aankomende actualisatie van de Nota Grondbeleid rekening mee gehouden. Deze nota/programma kan voorts worden opgenomen in een herijking van de omgevingsvisie, nadat de Omgevingswet in werking is getreden. Gemeenten kunnen via grondbeleid opgaven uit de omgevingsvisie realiseren. Juist vanuit maatschappelijk en ruimtelijk belang is soms een actieve rol van de gemeente gewenst. Het grondbeleid biedt kansen om de bouw en aanleg van infrastructurele en maatschappelijke voorzieningen mogelijk te maken. Maar niet in alle gevallen zal er sprake zijn van een actief grondbeleid. Samenwerken met andere partijen en faseren van plannen is nodig om de gezonde financiële basis te garanderen. Op dit moment heeft de gemeente een situationeel grondbeleid; per situatie wordt bekeken wat de beste grondstrategie is. Ook als er sprake is van faciliterende grondpolitiek neemt de gemeente echter een sterk regisserende rol op zich om de gewenste doelen te bereiken.
6
Perspectief per dorp De Omgevingswet vraagt om gebiedsgericht handelen. Per Bergeijks deelgebied geven we aan welke ambities we hebben en hoe we de ontwikkeling van de kern voor ons zien. Daarbij hebben we kaarten opgesteld waarin we de huidige waarden gevisualiseerd hebben. Dit zijn de kaders voor toekomstige ontwikkelingen in dat gebied. De koers in combinatie met de waarden die zichtbaar zijn op de kaarten vormen samen het kader voor toekomstige ontwikkelingen. Bij de kaartjes geldt telkens dezelfde legenda, namelijk: Nog te verwerken in de kaarten: a) In de legenda van de kaarten wordt de kleur groen voor ‘agrarisch gebied’ toegevoegd, wordt de kleur groen voor ‘sportpark’ verduidelijkt, daarnaast wordt de legenda in het algemeen op volledigheid en consistentie nagelopen; b) Op de kaart van de kern Bergeijk wordt de aanduiding voor woongebied bij de Hooge Berkt gewijzigd naar toekomstig woongebied (Hooge Berkt II); c) Op de kaart voor de kern Weebosch wordt de gele pijl die de open begrenzing tussen Weebosch en Spaanrijt markeert meer over het open gebied gelegd; d) Op de visiekaart voor het buitengebied worden de gebieden voor regionale waterberging en reservering waterberging en het grondwaterbeschermingsgebied en waterwingebied in beeld gebracht.
6.1
Bergeijk ‘t Hof Bergeijk ’t Hof is ontstaan op een akkercomplex, dat aan de noordzijde wordt begrensd door een bosgordel aan de noordzijde en ten zuiden door het beekdal van de Keersop. De eerste bebouwing concentreerde zich rond ’t Hof, Mr. Pankenstraat en Eykereind waardoor een bebouwingslint ontstond. Bergeijk ’t Hof heeft mede door de vestiging van bedrijvigheid een grote ontwikkeling doorgemaakt. Ten opzichte van het oorspronkelijke lint vonden uitbreidingen van woongebieden plaats in alle windrichtingen. In het zuidwesten is een grote concentratie van bedrijvigheid ontstaan welke de afgelopen jaren verder is gegroeid. Door de recente komst van de Diepenveldenweg neemt de verkeersdruk van de bedrijventerreinen op lokale wegen af. Wel blijft de Enderakkers een drukke ontsluitingsweg voor personenverkeer. Bergeijk ’t Hof is de grootste kern van de gemeente geworden en heeft een groot voorzieningenaanbod met winkels, horeca en instellingen. Deze zijn hoofdzakelijk geclusterd in het centrum en in de Burgemeester Magneestraat. Bergeijk ’t Hof ligt tamelijk ingeklemd tussen de bosgebieden, het beekdal, de bedrijventerreinen en de ontsluitingsweg Enderakkers. De afgelopen jaren is naast inbreiding ook ingezet op uitbreiding, onder meer op Terlo en meer recent op Hooge Berkt II.
Ingezet wordt op herstructurering binnen de huidige contouren in combinatie met zoeklocaties aan de randen, waarbij inpasbaarheid in de omgeving zorgvuldig moet worden afgewogen. Bergeijk ’t Hof beschikt over het grootste voorzieningenaanbod in de gemeente. Het centrum van het dorp is levendig, de leegstand van winkels is laag en er wordt voortdurend naar gestreefd om de beleving te verbeteren. Hiervoor is inspanning nodig. Voortzetting van concentratiebeleid voor zowel winkels als andere bezoekersintensieve functies is noodzakelijk. Voor alle ontwikkelingen geldt dat de opgave ligt in het versterken van de kwaliteit en identiteit van het dorp.
6.2
Bergeijk ’t Loo Het Loo ligt op de rand van de akker Waterlaat naar het beekdal van de Keersop. Ook hier vond de eerste bebouwing plaats langs de belangrijkste ontsluitingsweg ’t Loo, dat het verlengde is van de hoofdontsluitingsweg van Bergeijk in westelijke richting. Het Loo heeft een bescheiden ontwikkeling doorgemaakt. Het oorspronkelijke lint heeft zich wat meer verdicht en er is een kleine concentratie van bebouwing rondom de Frater Romboutsstraat ontstaan. Een kleine planmatige uitbreiding is er te vinden tussen Het Loo en de Weebosserweg (de Breerijt). Buiten enkele bedrijven in het oude lint is er geen sprake van een concentratie van bedrijven. De kernen Bergeijk ’t Hof en Bergeijk t Loo zijn door de ontwikkelingen in het verleden wel min of meer aan elkaar gegroeid. Door de ruimtelijke beperkingen van de kern Bergeijk ’t Hof zijn in het verleden enkele grotere bouwlocaties op ’t Loo gerealiseerd om de woonbehoefte van beide kernen op te vangen. De wijk Trilo is nagenoeg volgebouwd en de locatie Terlo is nog in aanbouw en biedt nog ruimte voor nieuwe woningen. Daarnaast is op de locatie van de voormalige Bernardusschool een woningbouwinitiatief in ontwikkeling. Hiermee is ’t Loo de afgelopen jaren het hardst gegroeid van de Bergeijkse kernen. Nieuwe woningbouw ontwikkelingen zijn op ’t Loo niet nodig en wenselijk.
Wel kan een eerder aangewezen uitbreidingslocatie (Achterste Loo) in combinatie met groen extensief ontwikkeld worden. Ruimtelijke opgaven voor ’t Loo liggen voornamelijk in behoud van de voorzieningen: de nieuwe school, het gemeenschapshuis en het verenigingsleven. Verder is op ’t Loo van belang dat het dorpse karakter behouden blijft. Daarbij hoort ook een positionering ten opzichte van Bergeijk ’t Hof.
6.3
Luyksgestel De kern Luyksgestel is de meest zuidwestelijke kern van de gemeente en ligt aan de route naar Lommel (België). Luyksgestel is van de Bergeijkse dorpen het verst weg gelegen van Nederlandse stedelijke bebouwingsconcentraties. Het dorp is gelegen in de omgeving van een hoofdzakelijk groene en landelijke omgeving. Ten zuiden van de kern ligt het zuidwest-noodoostgerichte beekstelsel bestaande uit de Bosscherweijerloop en Fortjeswaterloop. Ten noorden van deze beken is een aantal akkercomplexen ontstaan. Op de rand van deze akkercomplexen is een drietal bebouwingsconcentraties ontstaan: Een bebouwingslint langs Boscheind en Dorpstraat; Een concentratie rondom de katholieke kerk (Kerkstraat); Een concentratie in het noorden bij de Hoge Rijt en Neerrijt. De structuur van het dorp is geconcentreerd parallel aan de lijn van de Bosscherweijerloop. Latere uitbreidingen zijn vooral in het noorden gelegen. Mede hierdoor zijn de twee eerstgenoemde bebouwingsconcentraties langzaamaan aan elkaar gegroeid. De buurten zijn min of meer planmatig uitgebreid met kleinere ontwikkelingen. Luyksgestel kent een redelijk zelfstandig voorzieningenniveau en is van alle dorpen het meest “op zichzelf gericht”. Daarnaast is deze kern van alle dorpen het meest gericht op België.
Nieuw ontwikkelingen zijn het meest logisch aansluitend op het historisch patroon van groei in noordoostelijke richting. In de afgelopen jaren is de wijk Tiliaans verder ontwikkeld. Logisch is dat verdere woningbouwontwikkeling op de akkerpercelen ten noorden of ten oosten hiervan worden uitgevoerd. Ook binnen de kern zijn er nog mogelijkheden voor woningbouw, o.a. op (voormalige) bedrijfslocaties, waarbij met name de voormalige Boerenbondlocatie een aandachtspunt is. Ontwikkeling van bedrijvigheid is mogelijk op De Rijt. Het bedrijventerrein Loonsebaan aan de oostzijde van Luyksgestel is tamelijk vol en wordt beperkt door de ligging tegen een woonwijk: herstructurering lijkt logisch. De toekomstige ontwikkeling van Forest Village betekent, naast de kwaliteitsverbetering op die locatie zelf, ook een impuls op gebied van recreatie en economie. Voor de bereikbaarheid van Luyksgestel zijn veilige fietsverbindingen van belang. De verbinding naar de kern Bergeijk ’t Loo is al eerder aangelegd. De fietsverbinding van Weebosch naar Luyksgestel staat op de planning. Ten zuidwesten van Luyksgestel is buurtschap De Pielis gelegen. De Pielis is aangewezen als zoekgebied voor grootschalige duurzame energieopwekking. De gemeente is hier onder voorwaarden bereid mee te werken aan initiatieven voor de grootschalige opwekking van duurzame energie (wind en zon).
6.4
Riethoven en Walik Riethoven is midden op het grote akkercomplex in het noordoosten van de gemeente gelegen. Het dorp is ontstaan op de kruising van een aantal wegen die dwars over het akkercomplex lopen. In eerste instantie heeft Riethoven zich dan ook langs deze wegen (Schoolstraat/Dorpsstraat en Gildestraat/Molenstraat) ontwikkeld. Uitbreiding van het dorp heeft daarna eerst langs lintvormige uitlopers als Tonterstraat en Willibrordusstraat plaatsgevonden. Naast de oude linten zijn de kenmerkende elementen in Riethoven de driehoekige ruimte van het Dorpsplein en met name de bosperceeltjes in en rond de kern. Vrijwel iedere weg die naar Riethoven leidt, gaat door bosgebieden die afgewisseld worden met open akkerpercelen. Riethoven is door de ligging nabij het stedelijk gebied gunstig gelegen voor forensen. Ten noordwesten van Riethoven is in het bosgebied het buurtschap Walik gelegen. Walik bestaat uit een cluster van boerderijen en boswoningen op ruimere percelen. Ten zuiden van Riethoven ligt in oost-westrichting het beekje ’t Rijtje ,waaraan parallel de Boshovensestraat, de Voorderstraat, Eind en Heijereind met lintbebouwing zijn gelegen. Hier vindt men veel typerende boerderijen, die we graag willen behouden. Ontwikkelingen in Riethoven zijn, na de grotere planmatige ontwikkelingen van Mortakkers en Galbergen in de afgelopen decennia, vooral gericht op inbreiding.
Het nieuwbouwplan Achter de Sleutel is hier het meest recente voorbeeld van. Nieuwbouwontwikkelingen zijn logisch op akkerbouwpercelen aan de oostzijde van Riethoven waarbij de Molenstraat of Eind ontsluitingen zouden zijn. Aan de noordzijde van de Schoolstraat is een beperkte ontwikkeling als afronding van de kom mogelijk. Ontwikkeling van bedrijventerreinen is in Riethoven een knelpunt. Het huidige bedrijventerrein is vol, ligt volledig omsloten door woningen en heeft geen uitbreidingsruimte. De nabijheid van woningen maakt herstructurering logisch, maar dit is vooral afhankelijk van de ontwikkeling en wensen van de hier aanwezige bedrijven. Mocht blijken dat een herstructurering richting woningbouw (op verzoek van bedrijven) aan de orde is, dan zal op dat moment worden bepaald of er behoefte is aan een nieuw bedrijventerrein in Riethoven. Ook hiervoor geldt dat uitbreiding in oostelijke richting het meest voor de hand ligt. Infrastructurele ontwikkeling ligt vooral in de fietsbereikbaarheid. De wegen van en naar Riethoven zijn voor fietsers matig veilig. De gemeente zet in op het aanleggen van vrijliggende fietsverbindingen vanuit Bergeijk via Eikestraat - Walik - Broekhoven naar het stedelijk gebied. Vanaf Walik wordt ook een fietsverbinding naar Steensel voorzien. Daarnaast wordt de fietsverbinding met Westerhoven gerealiseerd.
De verwachting is dat door de realisatie van de N69 het sluipverkeer door Riethoven zal afnemen. Dit zal worden gemonitord.
6.5
Weebosch Weebosch is gelegen op de westelijke rand van het akkercomplex De Weebossche Akkers , op de overgang van het beekdal van de Run aan de westzijde van het dorp. De Run vindt haar oorsprong ten zuiden van de Weebosch. De eerste bebouwingslinten zijn langs de Weebosch (straat) gesitueerd. Later zijn er ook beperkte uitlopers langs de Spaanrijt, Gerardusweg en Witrijtseweg ontstaan. Weebosch is van alle dorpen in de gemeente het kleinst en meest geïsoleerd gelegen. Bij het “klein zijn” horen ook de uitdagingen: het basisvoorzieningenniveau passend bij het dorp overeind houden, jongeren in het dorp houden en veilige verkeersverbindingen naar andere kernen. Om te voorzien in de vraag naar woningen wordt de wijk Kapelledries planmatig aangelegd. Daarmee is vooralsnog ook de langetermijn vraag naar woningen in de Weebosch goed voorzien. In de Weebosch is geen bedrijventerrein. Er is enige bedrijvigheid te vinden in de oude bebouwingslinten. Die positie wordt gehandhaafd.
6.6
Westerhoven Westerhoven ligt op de overgang van het grootschalige akkercomplex Rijtakkers, Lange Akkers en Daalakkers enerzijds en het beekdal van de Keersop anderzijds. De oorsprong van het dorp (en de eerste bebouwing) is gelegen aan de ontsluiting Heijerstraat-Dorpstraat-Hoeverstraat, parallel aan de Keersop. In eerste instantie was Westerhoven een langgerekt straatdorp. De eerste bebouwingsconcentraties ontstonden bij de Dorpstraat, van waaruit de Aarperstraat, Kerkstraat en Heuvel richting de akkers lopen. De groei van het dorp heeft zich voornamelijk langs deze wegen (richting het noorden) voorgedaan, waarbij in eerste instantie sprake was van natuurlijke groei en later van planmatige uitbreidingen in de “oksels” van het oude lint en de Heuvel. Westerhoven ligt ingeklemd tussen de oude provinciale weg (die gedeeltelijk op en gedeeltelijk parallel aan de oude ontginningslijn is gelegen) en de nieuwe provinciale weg N397. Voor nieuwe ontwikkelingen zijn ook het beekdal van de Keersop en de bosgebieden aan de noordzijde belemmerende factoren. Ruimte voor nieuwe ontwikkelingen dient gezocht te worden op de akkergebieden die direct aan de kern gelegen zijn, of op grootschaligere inbreidingslocaties (te denken valt aan voormalige bedrijfslocaties en akkergebieden in de nabijheid van het sportcomplex).