Bijlage BP Broekstraat 12 ontwerp.pdf
Tekst van het document
De planontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden. De gemeente Bergeijk heeft een verbreed gemeentelijk rioleringsplan (20202024), waarin het beleid ten aanzien van vuil- en regenwater is vastgelegd overeenkomstig met het beleid van het waterschap. Conform het gemeentelijk beleid mogen percelen die kleiner zijn dan 250 m2 hemelwater afvoeren op het gemeentelijk rioolstelsel, terwijl percelen met een oppervlak van meer dan 250 m2 verplicht zijn om hemelwater op eigen terrein te verwerken. Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan, 2020-2024. 4.9.2 Onderzoek De herontwikkeling van de locatie aan de Broekstraat 12 te Bergeijk behelst de realisatie van een extra vrijstaande woning. Momenteel is het plangebied grotendeels verhard (ca. 60%), omdat er ter plaatse een bedrijfsloods aanwezig is met bijbehorende verharding. Het deel ten oosten van deze loods is momenteel onverhard. In onderstaande tabel zijn de veranderingen betreffende toe en/of afname van verharde oppervlakken binnen het plangebied samengevat.
Hoofdstuk 4
30
Bruto (verharde) oppervlakten Dakoppervlakte Oppervlakte verhard oppervlak (wegen, parkeren) Onverhard oppervlakte Totaal verhard oppervlakte
Huidige situatie (m2) 738 750
Toekomstige situatie (m2) 579 450
946 1488
1405 1029
Door de planontwikkeling neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de oorspronkelijke situatie met 459 m2 af. Oppervlaktewater Binnen of in de nabijheid van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater In het kader van de voorgenomen nieuwbouw zal op eigen perceel een gescheiden stelsel aangelegd worden. Door de aanleg van een gescheiden stelsel wordt ingespeeld op een toekomstige scheiding van rioolstelsel. Gezien de beperkte omvang van het plan (toevoegen van één woning) is geen significante toename aan afvalwater te verwachten. Deze lichte hoeveelheid zal naar verwachting zonder aanpassingen in het bestaande gemeentelijke rioolstelsel verwerkt kunnen worden. Hemelwater De verharding neemt met 459 m2 af. Zoals beschreven is er vanuit het Waterschap geen verplichting tot het aanleggen van een infiltratievoorziening. Echter is het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan, 2020-2024 tevens van toepassing. In dit plan wordt gesteld dat bij ontwikkelingen (toename of sloop/herbouw/opnieuw aanleggen) >50 m² waarbij op een gemeentelijke voorziening wordt geloosd is het gemeentelijk hemelwaterbeleid van toepassing. Voor nieuwbouw verplicht de gemeente de aanleg van 60 mm hemelwaterberging op eigen terrein.
Als dit aantoonbaar niet doelmatig/haalbaar is of transport naar een opvanglocatie buiten het plangebied doelmatiger is, dan is verwerking buiten het plangebied toegestaan. Voor een herinrichting hanteert de gemeente voor woongebieden als uitgangspunt 60 mm hemelwaterberging gerekend over het openbaar her in te richten gebied. Omdat de lokale omstandigheden een dergelijke eis niet altijd toelaten hanteert de gemeente een gebiedsfactor, die per locatie verschilt. Hoe beter de doorlatendheid van de bodem voor hemelwaterinfiltratie des te hoger de eis. Hiervoor heeft de gemeente kaarten opgesteld, waarbij een indeling is gemaakt in 15, 30 en 60 mm waterberging. De meest kritische parameter bepaalt in welke categorie een gebied valt. In het geval bij herinrichting de waterbergingseis aantoonbaar praktisch niet haalbaar is, kan in overleg met de belanghebbende partijen hiervan worden afgeweken. Voor het realiseren van 192m2 aan verhard oppervlak kan worden bepaald wat de hoeveelheid hemelwater is waarvoor de voorkeursvolgorde kan worden doorlopen. Op basis van de het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan zal 60 mm moeten worden gecompenseerd per m2 verharding. Er geldt gevoeligheidsfactor 1 voor het plangebied. Dit betekent een totale te bergen som van (192m2 x 0,06 x 1) 11,52 m3.
Middels een te realiseren infiltratieput met een buffercapaciteit van ten minste 11,52 m3 wordt hemelwater geïnfiltreerd. Hiermee wordt voldaan aan de regels uit het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan, 2020-2024. Omdat er een nieuwe uitrit wordt gerealiseerd aan de zijde van de Blauwe Hoef, zal de wadi die hier momenteel ligt aangepast moeten worden. Hiervoor is reeds een voorstel voor opgesteld (zie figuur 4.2), welke is goedgekeurd door omwonenden. Het oostelijk deel van de huidige wadi wordt verplaatst
Hoofdstuk 4
31
richting noordelijke richting ten behoeve van de nieuwe uitrit. De vervallen parkeerplaats wordt vervangen door een nieuwe parkeerplaats aan de westzijde.
Figuur 4.2: Voorstel aanpassing wadi Blauwe Hoef
Materiaalgebruik Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBomaatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. 4.9.3 Conclusie Het aspect ‘water’ zal niet voor belemmeringen zorgen voor de ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.
Hoofdstuk 4
32
4.10 Archeologie 4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.10.2 Onderzoek Volgens de Archeologische beleidskaart van de gemeente Bergeijk ligt het zuidelijke deel van het plangebied in een zone Categorie 3 (paars): gebied met hoge verwachting (historische kern). De oostelijke rand van het plangebied ligt in de zone Categorie 4.1 (oranje): gebied met een hoge archeologische verwachting.
Voor de leidende Categorie 3 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 250 m2 en dieper gaan dan 0,3 meter onder maaiveld. De beoogde nieuwbouwwoning ligt maar voor een zeer bepekt deel binnen de archeologische verwachtingszone. Ter plaatse van deze nieuwe woning is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. De reeds bestaande (bedrijfs)woning ligt in de categorie 3 zone. Aangezien er aan dit pand niets verandert en slechts de bestemming wordt omgezet naar burgerwoning, is hier geen archeologisch onderzoek nodig.
Hoofdstuk 4
33
Figuur 4.3: Uitsnede archeologische verwachtingskaart Kempengemeenten, beoogde woning in rood kader.
4.10.3 Conclusie Het aspect ‘archeologie’ zorgt niet voor belemmeringen voor dit plan.
4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.
Hoofdstuk 4
34
4.11.2 Onderzoek Binnen de grenzen van het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Daarnaast liggen er ook geen monumentale bomen, natuurmonumenten, molenbiotopen, MIP-panden of beeldbepalende panden in het plangebied. Het archeologisch waardevolle gebied waarbinnen het plangebied valt wordt nader beschreven in paragraaf 4.10. De ontwikkelingen van het plangebied doen geen afbreuk aan omliggende cultuurhistorisch en geografisch waardevolle lijnen, omdat de wegstructuur van de Broekstraat niet zal veranderen en de toekomstige woningen kwaliteitsverbeterend zal zijn voor de omgeving. Een uitsnede van de CHW-kaart (cultuurhistorische waardenkaart) van Noord-Brabant is weergegeven in figuur 4.4.
Figuur 4.4: Uitsnede CHW-kaart Noord-Brabant met ligging plangebied (rood omrand) (bron: Provincie Noord-Brabant)
4.11.3 Conclusie Binnen het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het aspect ‘cultuurhistorie’ zal geen invloed hebben op het plangebied.
4.12 M.e.r.-plicht Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. In het kader van de m.e.r.-beoordeling is door BRO een aanmeldingsnotitie opgesteld . Deze is als bijlage toegevoegd.
Hoofdstuk 4
35
Op basis van de aanmeldingsnotitie en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect. er sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Aanbevolen is daarom een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het voornemen “Bestemmingsplan Woongebieden Oost en West Bergeijk, herziening Broekstraat 12” geen milieueffectrapportage wordt vereist.
Hoofdstuk 4
36
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Dit bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de volgende ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken: Realisatie van een nieuwe vrijstaande woning na sloop van de bedrijfsbebouwing; Handhaving van de bestaande vrijstaande woning en gebruik van deze woning als burgerwoning. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De basis voor het opstellen van de regels en verbeelding is het opgestelde inrichtingsplan. De regels zijn daarnaast afgestemd op het geldende bestemmingsplan. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen en rechtsgelijkheid nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte
Hoofdstuk 5
37
begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen. Een bestemming kan als volgt zijn opgebouwd volgens de SVBP2012 (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. In de regels wordt per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd en welke gebruiksmogelijkheden er worden toegestaan. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.
Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Ten behoeve van preventieve zorgbehoefte kan hiervan onder voorwaarde worden afgeweken. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten, zoals kleine overschrijdingen van bouwgrenzen of bouwhoogten van bouwwerken. Verder zijn mogelijkheden opgenomen om een bed & breakfast bij de woning toe te staan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheden in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
overige regels: in dit artikel is een bepaling omtrent het parkeren opgenomen.
Hoofdstuk 5
38
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3 Bestemmingen In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: ‘Tuin’ en ‘Wonen’. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4.1’ opgenomen. In geval van strijdigheid prevaleren de bepalingen van deze dubbelbestemmingen boven de bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’. Tuin De voorerven van beide toekomstige woonpercelen zijn bestemd als ‘tuin’. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de aangrenzende hoofdgebouwen, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Bebouwing is slechts beperkt toegestaan in de vorm van aangebouwde bijbehorende bouwwerken (zoals erkers), alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen De overige gronden in het plangebied bestemd als ‘Wonen’. Deze gronden zijn bestemd voor het wonen in woningen, al dan niet met een beroep aan huis onder voorwaarden. Verder zijn bijbehorende voorzieningen zoals tuinen, erven, parkeervoorzieningen en dergelijke toegestaan. Op de verbeelding zijn twee bouwvlakken opgenomen: één ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning en een nieuw bouwvlak ten behoeve van de nieuwe woning. Binnen de bouwvlakken moet de hoofdbebouwing opgericht moeten worden. Het nieuwe bouwvlak is afgestemd op de ruimtelijk-stedenbouwkundige randvoorwaarden. De maximale goot- en bouwhoogte van de hoofdgebouwen zijn op de verbeelding aangegeven.
Per bouwvlak is één woning toegestaan. Daarnaast is een erfbebouwingsregeling opgenomen. Bijbehorende bouwwerken mogen ook buiten het bouwvlak worden opgericht, op minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw. De maximale gezamenlijke oppervlakte buiten het bouwvlak bedraagt 200 m². Ook zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. In de bouwregels zijn specifieke maatvoeringseisen voor de erfbebouwing opgenomen. Deze zijn conform de gemeentelijke standaarden opgenomen.
Hoofdstuk 5
39
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De termijn voor het vooroverleg is in week 42 2020 afgelopen.
De volgende partijen hebben gebruik gemaakt van het vooroverleg: - Provincie Noord Brabant - Veiligheidsregio Brabant zuidoost - Gasunie - Waterschap De Dommel De Provincie Noord Brabant heeft aangegeven dat het voorontwerp-bestemmingsplan in overeenstemming is met de provinciale belangen. De veiligheidsregio heeft aangegeven dat op basis
Hoofdstuk 6
40
van de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening zij akkoord gaan met de beoogde ontwikkeling. Ook de Gasunie heeft geen opmerkingen en stemmen in met het plan. Het Waterschap De Dommel stemt tevens in met het bestemmingsplan in het kader van de watertoetsprocedure. Hierbij geeft het waterschap het volgende aan: Het plan is van gering waterhuishoudkundig belang. Door de afname van de totale hoeveelheid verhard oppervlak is er zelfs sprake van een hydrologisch positief plan. Er wordt in dit plan op een goede manier omgegaan met de waterhuishoudkundige belangen. Hemelwater wordt op eigen terrein geïnfiltreerd in de vorm van een infiltratieput. Tevens heeft het Waterschap een aantal opmerkingen op de bestemmingsplantoelichting, die allen verwerkt zijn. 6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening.
Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.
Hoofdstuk 6
41
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl