CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Richtinggevend kader sociaal domein – Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2024)

Gemeenteraad 19 december 2024, gemeente BergeijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Scenariokeuze verbeterde toegang sociaal domein15.547 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Richtinggevend kader Toegang, lokale teams en integrale dienstverlening

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag Maart 2024

Samenvatting Er komt de komende periode veel op gemeenten af in het sociaal domein: de Hervormingsagenda Jeugd, het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming, het Integraal Zorgakkoord, Gezond, Actief Leven Akkoord, het Programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen, de Doorcentralisatie Beschermd Wonen, et cetera. Het laten slagen van deze programma's vergt een basis waarin dit kan landen: Een goed werkende toegang en lokale teams. Een belangrijke rode draad in deze akkoorden is dat gemeenten zorgdragen voor een laagdrempelige toegang tot ondersteuning die gemeenten binnen het sociaal domein verstrekken. Ook staan zij aan de lat voor krachtige, goed bereikbare lokale teams die aanwezig zijn op plekken waar inwoners1 van nature komen, direct hulp bieden en, als nodig, schakelen met gemeentelijke afdelingen, collectieve voorzieningen en aanvullende expertise. De teams vormen voor inwoners het vertrouwde gezicht en blijven aanspreekpunt zo lang als nodig. De rode draden uit de akkoorden en VNG-proposities2 vatten wij in de volgende drie waarden: onze gemeentelijke toegang en lokale teams zijn 1) dichtbij, 2) werken integraal, en 3) met mandaat. Er is een gedeeld beeld nodig wat inwoners op dit punt van gemeenten kunnen verwachten.

Het is aan gemeenten zelf om keuzes te maken over de specifieke inrichting van hun toegangsfunctie en lokale teams, afhankelijk van context, schaal, geschiedenis en problematiek. Maar een aantal basiskenmerken en -competenties dienen overal terug te komen. Dit richtinggevend kader biedt helderheid over deze basiskenmerken. Ze omvatten onder meer: laagdrempelig in de buurt aanwezig, brede blik en analyse, direct kunnen handelen, spil in netwerk van verschillende expertises, handelend met mandaat tussen gemeentelijke afdelingen, oog voor chroniciteit aan behoeften en daarnaar handelen, werken aan soepele overgangen in iemands levensloop en goede contacten met de sociale en pedagogische basis. Deze beweging ontstaat natuurlijk niet zomaar, maar vraagt wat van gemeenten; van de één meer dan van de ander. Om de beweging te realiseren kunnen gemeenten waar nodig hun opdrachtverleningen herijken, hun financiering verleggen en zorgen voor een permanente cyclus van leren en verbeteren. In dit alles bevorderen ze een cultuur waarin deze (nieuwe) professionaliteit en vakmanschap gedijt door zowel richting als ruimte te geven en een feedbackloop te organiseren voor uitvoering, beleid, management en bestuur. Tegelijkertijd gaat er al heel veel goed. Gemeenten werken al jaren aan het goed inrichten van hun toegangsfunctie en teams.

Wij bouwen daarom juist voort op de kennis die ook is opgedaan in deze jaren over wat helpt en wat werkt. Als gemeenten geven we met dit kader helder aan waar we komende tijd wat betreft de toegangsfunctie en lokale teams voor staan. Er komt hiermee veel op de toegang en lokale teams af, niet alles zal tegelijk kunnen. Daarnaast zijn er randvoorwaarden die nodig zijn om deze beweging te kunnen maken. Nu we de impact van alle landelijke programma’s en beleidsontwikkelingen gebundeld vertaald hebben naar de gemeentelijke werkvloer, vragen we het rijk en andere partners om dit ook in beleid te faciliteren en te steunen. Dat betekent concreet bijvoorbeeld geen (toekomstige) tegenstrijdige signalen over lokale teams en een financieringswijze die de (nieuwe) domeinoverstijgende aanpak stimuleert (dus geen SPUKS meer op afzonderlijke onderdelen, maar toereikende samenhangende structurele en dus voorspelbare financiering). Dit

1 Met ‘inwoners’ bedoelen wij alle leden van een huishouden. Dus ook kinderen. 2 Specifiek de proposities ‘De Waarde van het Sociaal Domein’ (2024) en ‘Propositie Toegang: leren en verbeteren Visienotitie doorontwikkeling gemeentelijke toegang sociaal domein, lokale teams en integrale dienstverlening’ (2023).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

3

kader brengt dus zowel de ambities bijeen uit verschillende landelijke afspraken, als wat nodig is om dit – met elkaar – te bereiken. Het richtinggevend kader past daarnaast naadloos bij de herijkte propositie ‘De waarde van het sociaal domein’i en de vastgestelde gemeentelijke Verenigingsvisie 2030ii. We geven helder aan wat we als gemeenten voor onze inwoners kunnen betekenen (in dit geval als het gaat om de toegang tot domeinoverstijgende ondersteuning en zorg).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

4

Inhoud Samenvatting ........................................................................................................................................... 3 Leeswijzer ................................................................................................................................................ 6 1.

Waarom een kader, en welke reikwijdte heeft het? ...................................................................... 7 Waarom een richtinggevend kader? ............................................................................................. 7 Reikwijdte en doelgroep van het richtinggevend kader ................................................................ 7 Gevolgen voor gemeenten ............................................................................................................ 9 Het VIT: zicht op waar gemeenten staan en welke stappen te nemen zijn ................................ 10

2.

Basiskenmerken van toegang en lokale teams .......................................................................... 11 DICHTBIJ .................................................................................................................................... 12 1. Een eenvoudig(er) systeem, met de inwoner als uitgangspunt............................................ 12 2. Laagdrempelig: dichtbij, vindbaar, zichtbaar, benaderbaar .............................................. 12 3. Werken aan een sterke relatie met de sociale en pedagogische basis ............................... 13 4. Achterliggende patronen en systeemknelpunten ................................................................. 14 INTEGRAAL ................................................................................................................................ 14 5. Brede blik, brede analyse ..................................................................................................... 14 6. Professionals met de juiste houding, vaardigheden en kennis ............................................ 14 7. Zelf (basis)hulp bieden en vertrouwd aanspreekpunt blijven ............................................... 15 8. Duidelijke afspraken voor integrale en domeinoverstijgende samenwerking....................... 16 9.

Streven naar soepelere overgangen in de levensloop ......................................................... 17 10. Inwoners met levenslange en/of levensbrede beperkingen ............................................... 17 MANDAAT ................................................................................................................................... 18 11. Mandaat over gemeentelijke beleidsterreinen heen ........................................................... 18 12. Oog voor (on)veiligheid....................................................................................................... 18 13. Bewust omgaan met wat passend is en nodig is, ook gezien de schaarste aan mensen en middelen. ............................................................................................................................. 19

3.

Hoe nu met elkaar verder? .......................................................................................................... 21

Bijlagen ......................................................................................................................................................i Bijlage I Interbestuurlijke afspraken en programma’s .....................................................................i Bijlage II Woordenlijst / definities met toelichting .......................................................................... iv Bijlage III Belangrijke documenten en literatuurlijst ...................................................................... ix Belangrijke documenten en kennisbronnen ............................................................................................ ix Literatuurlijst .............................................................................................................................................x

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

5

Leeswijzer 

 

Hoofdstuk 1, Waarom een kader en welke reikwijdte heeft het? Hier gaan wij in op de belangrijkste aanleiding voor dit richtinggevend kader, op wie het kader zich primair richt, en wat de rijkwijde is van het kader. Ook schetsen wij de mogelijke gevolgen voor gemeenten, en gaan we kort in op het vervolg en ondersteuningsmogelijkheden. Hoofdstuk 2, Basiskenmerken van toegang en lokale teams Belangrijke akkoorden overziend, komen wij tot drie belangrijke waarden: de gemeentelijke toegangsfunctie en lokale teams zijn 1) dichtbij, 2) werken integraal, en 3) met mandaat. Binnen deze drie waarden zijn er 13 basiskenmerken waar een goedwerkende toegangsfunctie en lokaal team aan moet voldoen om te voldoen aan de verschillende landelijke afspraken zoals de Hervormingsagenda Jeugd, het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming en het GALA. (Een uitwerking van alle interbestuurlijke afspraken en programma’s waar het richtinggevend kader aansluiting mee heeft, is te vinden in Bijlage I). Hoofdstuk 3, Hoe nu verder met elkaar? Het kader geeft richting aan de ontwikkelingen waar wij als gemeenten (meer) op in moeten zetten. Het vormt hiermee ook de basis voor de gesprekken met externe partners over de wederzijdse verwachtingen en benodigde samenwerking en randvoorwaarden. Verder afstemming over deze onderwerpen is hard nodig.

Daarnaast gaan wij in op enkele ondersteuningsvormen voor gemeenten in het oppakken van deze beweging. Bijlage I Interbestuurlijke afspraken en programma’s De noodzaak van een goede toegangsfunctie en stevige lokale teams is urgenter geworden als gevolg van diverse interbestuurlijke afspraken. In deze bijlage bieden wij overzicht op het geheel van interbestuurlijke afspraken en programma’s die onder dit kader liggen. Bijlage II bevat een begrippenlijst waarin wij toelichten wat wij bedoelen met de belangrijkste gebruikte termen. Bijlage III geeft, tot slot, een overzicht van belangrijke documenten op de diverse uitgangspunten en een literatuurlijst.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

6

1. Waarom een kader, en welke reikwijdte heeft het? Waarom een richtinggevend kader? Wanneer en waarvoor klop je als inwoners bij je gemeente aan voor hulp en ondersteuning? En wat mag je dan verwachten? Voor veel inwoners is dit niet duidelijk. Daarbij komt dat het in elke gemeente ook daadwerkelijk anders kan zijn. Gemeenten hebben op dit moment in te beperkte mate een gedeeld beeld van waar zij minimaal aan moeten voldoen wanneer inwoners zich bij hen melden. Wat moet in deze toegangsfunctie en het lokaal team in elk geval aan functionaliteiten zijn geborgd? Zie hier de aanleiding voor dit richtinggevend kader. Dit kader heeft extra urgentie gekregen doordat gemeenten geconfronteerd worden met diverse landelijke afspraken die nogal wat van hun toegangsfunctie en lokale teams vragen. Denk aan de Hervormingsagenda Jeugd, het Integraal Zorgakkoord (IZA), het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming, de Visie Eerstelijnszorg 2030. Meestal zijn dit afspraken die de al bestaande wettelijke taken vanuit de Wmo 2015, Jeugdwet, Participatiewet en Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) nader preciseren en inkleuren.

Maar welke gevolgen hebben die afspraken voor gemeenten? Waar kunnen inwoners, het Rijk of andere partners gemeenten aan houden? Het doel van dit kader is primair om overzicht te bieden van waar we als gemeenten in onze opdrachtgevende rol voor aan de lat staan als het gaat om toegang en lokale teams. Hierbij baseren wij ons voornamelijk op verschillende al gemaakte bindende afspraken, zoals de Hervormingsagenda jeugd. In dit stuk verwijzen wij daarom met eindnoten naar de bron(nen) waar de stellingen uit voortkomen, zodat de status hiervan helder is. Daarbij gaat het in dit stuk nadrukkelijk niet om de vormgeving en organisatie van de toegang en lokale teams – die kan per gemeenten verschillen – maar om de geborgde functionaliteiten. Gemeenten zijn vrij om te bepalen hoe ze hun toegangsfunctie en lokaal team vormgeven (bijvoorbeeld in eigen beheer, bij een apart rechtspersoon of in opdracht aan verschillende opdrachtnemers).3 Maar ongeacht de gekozen organisatievorm moeten gemeenten weten wat de basistaken zijn van de toegangsfunctie en het lokaal team, en dus wat ze in elk geval geborgd moeten hebben.

Reikwijdte en doelgroep van het richtinggevend kader Dit kader is primair gericht op het gemeentelijk beleid. Het is bedoeld als richtingwijzer voor de visie vanuit beleid en bestuur en alles wat daaruit volgt qua uitvoering, opdrachten, inkoop en andere randvoorwaarden. Wat de toegangsfunctie en lokale teams vraagt van samenwerkingspartners of van randvoorwaarden vanuit rijk, verzekeraars, zorgkantoren en aanbieders komt te staan in het in 2024 te ondertekenen

3 Waarbij ook in alle vormen, glashelder moet zijn voor gemeente, lokaalteam-organisatie en de burger waar de burger terechtkan met klachten en/of voor bezwaar en beroep. Zowel gemeente als organisatie moeten deze mogelijkheden actief en duidelijk vindbaar aanbieden aan burgers.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

7

‘Convenant Stevige lokale teams’4. Dit kader past in de gemeentelijke Verenigingsstrategieiii met zijn zogeheten ‘omkeringsgedachte’: als gemeenten geven we helder aan waar we van zijn en waar men ons op kan aanspreken, om vervolgens samen met onze partners de daarvoor benodigde randvoorwaarden te benoemen.

Wat bedoelen wij met ‘toegang’ en ‘lokale teams’? 

Dit kader gaat zowel over het proces van toegang naar advies, ondersteuning, hulp en zorg vanuit de verschillende sociaaldomeinwetten (de ‘toegangsfunctie’) als de bredere taken van lokale teams5. Een professional kan daarbij meer dan één taak of rol vervullen;

De toegangsfunctie gaat over de wijze waarop inwoners contact kunnen zoeken als zij een vraag om ondersteuning of zorg willen stellen en hoe de beschikbaarheid van hulp of zorg voor de inwoners wordt geregeld. Het is de toegang tot informatie en advies en eventuele zorg en ondersteuning. Een gemeente heeft de wettelijke verantwoordelijkheid deze toegang tot het sociaal domein goed te regelen.6

De gemeente kan de toegangsfunctie in de eigen organisatie beleggen, of bij een extern ingericht lokaal team (een zelfstandige, gemandateerde uitvoeringsorganisatie);

Ongeacht de exacte inrichting werken de medewerkers die deze toegangsfunctie vervullen integraal, generalistisch, interdisciplinair en outreachend in het kader van het sociaal domein;

Een lokaal team is een team7 dat integraal, generalistisch, interdisciplinair en outreachend werkt voor de ondersteuning en dienstverlening die een bepaalde gemeente biedt aan haar inwoners in het kader van de sociaaldomeinwetten.

De toegangsfunctie en lokale teams overlappen elkaar, maar zijn niet altijd hetzelfde. Inwoners kunnen zich zoals gezegd op verschillende manieren tot gemeenten wenden. Professionals in een lokaal team bepalen in hoeverre het team zelf ondersteuning kan bieden of dat aanvullende en/of andere hulp nodig is. ‘Toegang’ is daarmee geen eenmalige toegangspoort, maar een cyclisch doorlopend proces. Professionals in een lokaal team bieden zelf hulp en zijn ook ‘toegang’ tot (andere, meer gespecialiseerde vormen van) hulp.

Integraliteit in het sociaal domein in relatie tot de reikwijdte en doel van dit kader De inwoner die hulp nodig heeft is vaak, kort gezegd, niet geïnteresseerd vanuit welke wet of welk potje geld bepaalde hulp komt. Het streven naar meer integraliteit en samenwerking tussen de domeinen die er zijn is ook een rode draad in de verschillende akkoorden genoemd in de inleiding. Dit richtinggevend kader kan en wil dus ook niet pretenderen om voor te schrijven welke onderdelen van welke taken vanuit welke wetten wel en niet bij elkaar gebracht moeten worden en in welke vorm. 4 Uit de Hervormingsagenda jeugd: ‘De VNG ontwikkelt een bestuurlijk kader in de vorm van een convenant ‘Stevige lokale teams’, gericht op zowel Jeugd als

Wmo. Hierin zal ook de transitie richting stevige lokale teams inzichtelijk gemaakt worden. Het convenant wordt ontwikkeld in nauwe afstemming met onder andere de gemeenten, de Associatie Wijkteams, de SBJ, cliënt- en brancheorganisaties, VWS en partijen uit de brede sociale basis. Het streven is dit convenant in 2023 te ondertekenen door VNG en VWS, mogelijk aangevuld met bovengenoemde partijen.’ Hervormingsagenda jeugd 2023-2028 (2023) 5 Denk aan: vraagverheldering, mogelijk indiceren, het maken van een plan met de inwoner, signalering en preventie, bieden van ondersteuning, voeren van casusregie, waakvlamcontact, outreachend werken. 6 Voornaamste wetten in dit kader zijn de Wmo2015, inclusief de toegang tot Beschermd Wonen en Maatschappelijke- en vrouwenopvang, de Jeugdwet, de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet publieke gezondheid. Maar soms ook andere wetten zoals de OGGZ (bemoeizorg), de WvGGZ, en RMC-wetgeving, en denk ook aan bijvoorbeeld de Arbeidsmarktregio's voor inwoners die werk zoeken. 7 We spreken hier van een team, maar deze rollen kunnen lokaal natuurlijk verspreid zijn over twee teams, afhankelijk van de lokale vormgeving.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

8

Het is en blijft zoeken in de lokale praktijk hoe we zorgen dat er meer integraal gewerkt kan worden, vanuit de behoefte en leefwereld van de inwoner. Het aanvragen van bijvoorbeeld een uitkering voor de algemene bijstand zal vaak via een ander proces en door een andere medewerker beoordeeld worden dan een vraag over meedoen in de samenleving of opvoedproblemen. En de toegangsfunctie tot de maatschappelijke opvang zal anders zijn dan die van een inwoner met een enkelvoudige vraag om een scootmobiel. Maar met dit kader willen we wel duidelijk maken dat deze medewerkers, die contact hebben met de inwoner, deze vragen integraal dienen te benaderen. Dat zij alert moeten zijn op de zorgen (en kansen!) buiten hun eigen domein; dat zij dezelfde taal spreken en elkaar weten te vinden, in het belang van die inwoner.

Zo zien we in de Hervormingsagenda, hoewel deze primair is gefocust op jeugd, de afspraak dat professionals in stevige lokale teams ‘handelen met een brede blik op het gehele gezin en de context (participatie, wonen, armoede, scheiding, psychische problemen ouders en schoolklimaat)’.iv En zoals het RVS-advies ‘Kinderen uit de knel’ glashelder maakt, dient er juist in de 'volwassendomeinen’ (bijvoorbeeld wonen, inkomen, schulden) meer oog te zijn voor kinderen in het huishouden.v Integraliteit – ongeacht hoe het precies lokaal is ingericht – is dus niet alleen keihard nodig, maar ook een gemaakte afspraak waar wij als gemeenten ons aan hebben te houden.

Gevolgen voor gemeenten Voor de inrichting en toerusting van de toegang, de lokale teams en de wijze van domeinoverstijgende en integrale dienstverlening kan dit diverse consequenties hebben. Concreet kan het van gemeenten vragen: 1. een herijking (en eventuele aanpassing) van hun rol als opdrachtgever, namelijk: a. Herijking (en eventuele aanpassing) van opdracht aan de uitvoerders om de (nieuwe) functionaliteiten te borgen;8 b. Herijking (en eventuele aanpassing) van de benodigde financiering (zowel in hoogte als in vorm); c. Verschuiving van middelen (van specialistische zorg naar lokaal team). 2. meer en andere samenwerking tussen lokale teams en andere partijen, namelijk: a. soepele samenwerking met partijen uit de sociale basis en/of het specialistisch segment, of justitie; b. afspraken over de juiste randvoorwaarden voor interprofessionele samenwerking en verantwoordelijkheden (in uitvoering, management, beleid en bestuur). 3. meer werken vanuit de uitvoering, namelijk: a. uitgaan van praktijkervaringen van en met inwoners; b. deze vertalen in een cyclisch (leer)proces voor praktijk- en beleidsverbetering.

8 De Associatie Wijkteams ziet het als haar maatschappelijke opdracht om de gewenste opdracht van lokale teams te beschrijven als inhoudelijke basis voor het werk van het lokale team in iedere gemeente. Zij komen tot deze gewenste opdracht: ‘Lokale teams realiseren aansluiting en ondersteuning met inwoners en wijken, teneinde het dagelijkse leven te versterken. Dat doen ze zo lang als nodig en waar nodig halen ze aanvullende expertise erbij. Deze opdracht hebben ze voor alle inwoners. Samen met hen werken lokale teams in de leefwereld aan: 1) Bestaanszekerheid en participatie realiseren (ertoe doen), 2) Ontwikkelingskansen vergroten (gezien worden), 3) Steun en geborgenheid ervaren (steun en veiligheid ervaren)’

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

9

Het VIT: zicht op waar gemeenten staan en welke stappen te nemen zijn In de doorontwikkeling van toegang en lokale teams bevinden gemeenten zich in verschillende ontwikkelingsstadia. Voor de een zal dit kader een reminder zijn om een aantal zaken aan te scherpen. Voor de ander zal blijken dat ze nog een fors aantal stappen zal moeten zetten. Om gemeenten hierin de ondersteunen, is er diverse inzet vanuit de VNG: Om als gemeente te bepalen waar je staat, komt er een ‘Verkenningsinstrument Toegang’ (VIT). Dit biedt naast inzicht in het te doorlopen proces ook per uitgangspunt handvatten hoe dit in de praktijk te concretiseren. Daarnaast zal vanaf medio 2024 de ondersteuningslijn Stevige Lokale Teams kunnen worden ingezet. Op deze manier wordt er een verbinding gelegd met de verschillende ondersteuningsprogramma's.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

10

2. Basiskenmerken van toegang en lokale teams Op basis van een analyse van eigen proposities, waaronder de Propositie toegang leren en verbeterenvi diverse interbestuurlijke afspraken en programma’s en van wetenschappelijke inzichten komen we tot drie waarden (dichtbij, integraal, met mandaat) gespecificeerd in een dertiental uitgangspunten voor de gemeentelijke toegangsfunctie en de lokale teams. Dat lijken er veel, maar in de kern komt het neer op een eenduidige en transparante werkwijze, geredeneerd van uit de inwoner en hulpvrager. Deze werkwijze laat zich in algemene zin als volgt samenvatten:

Inwoners kunnen met hun hulpvraag laagdrempelig bij gemeenten terecht. De medewerker gaat met een brede blik in gesprek met de inwoner over diens vraag. Dit gesprek vraagt om de juiste houding, vaardigheden en kennis. Waar mogelijk biedt de medewerker advies en/of direct zelf hulp op vragen waar op dat moment het meest behoefte aan is. Zo lang als nodig blijft de medewerker aanspreekpunt en vertrouwd gezicht. Om (voor de langere termijn) passende hulp te bieden wordt samenwerking aangegaan met vrijwillige inzet, met voorzieningen uit de sociale basis en met (tijdelijke) specialistische expertise. Als de achterliggende problematiek vooral sociale oorzaken heeft zet het lokaal team zelf samenhangende hulp in, met mandaat over de verschillende gemeentelijke domeinen. Inwoners met levenslange levensbrede ondersteuningsbehoeften hoeven niet telkens ‘op herindicatie’, maar hebben een lijn met iemand van het lokaal team. Waar onveiligheid speelt blijft het lokaal team betrokken en zet zich met behulp van partners vasthoudend in op het vergroten van de veiligheid. Zowel direct als indirect (door bijvoorbeeld het proberen weg te nemen van onderliggende oorzaken die stress geven in het huishouden, door probleembesef te stimuleren en daarmee acceptatie van hulp), en vanuit het vrijwillig kader.

Hieronder sommen wij de 13 uitgangspunten op, zoals deze voortkomen uit bestuurlijke afspraken, proposities en de ervaringen uit de praktijk en stand van de wetenschap. Vervolgens lichten wij elk uitgangspunt uitgebreider toe. De gemeentelijke toegang en onze teams, die wettelijke taken van de gemeente uitvoeren en waar gemeenten verantwoordelijk voor zijn in de opdrachtgevende en faciliterende sfeer, zijn passend bij de lokale situatie ingericht. De toegangsfunctie en lokale teams… Zijn dichtbij, ze… 1) werken vanuit een eenvoudig(er) systeem, met de inwoner als uitgangspunt; 2) zijn laagdrempelig: dichtbij, vindbaar, zichtbaar, toegankelijk benaderbaar voor inwoners; 3) werken aan een sterke relatie met de sociale en pedagogische basis; 4) vertalen vragen naar achterliggende patronen en brengen zo systeemknelpunten aan het licht; Werken integraal, ze… 5) kijken met een brede blik en maken een brede analyse; 6) hebben professionals met de ‘juiste’ houding, vaardigheden en (inhoudelijke) kennis; 7) bieden waar mogelijk zelf (basis)hulp en zijn zo lang als nodig vertrouwd aanspreekpunt; 8) werken vanuit heldere organisatieafspraken die de brede samenhangende hulp ondersteunen; 9) streven naar soepelere overgangen in de levensloop; 10) hebben voldoende (extra) inzet, aandacht en expertise voor inwoners met levenslange en/of levensbrede beperkingen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

11

Met mandaat, ze… 11) hebben mandaat over gemeentelijke beleidsterreinen heen; 12) hebben oog voor en kennis van (on)veiligheid, betrekken anderen en blijven zelf betrokken; 13) gaan bewust om met wat passend is en wat nodig is, ook gezien de schaarste aan mensen en middelen. Nader uitgewerkt betekenen bovenstaande kenmerken het volgende:

DICHTBIJ 1. Een eenvoudig(er) systeem, met de inwoner als uitgangspunt 

 

Inwoners, hun (hulp)vraag of ideeën zijn in alles het uitgangspunt.vii Het contact is mensvriendelijk en gaat uit van vertrouwenviii, zonder dat dit leidt tot ‘u vraagt, wij draaien’. Kern is dat niet de regels het start- en eindpunt vormen, maar de vraag en situatie van de hulpvrager.ix De sleutel is oprecht luisteren naar de hulpvraag. Een open gesprek over de levenssituatie en het opbouwen van een relatie is cruciaal voor een succesvolle toegang.x Oprecht luisteren helpt ook om individuele en terugkerende vragen te vertalen naar structurele verbeteringen.xi Iedere inwoner kan bij zijn hulpvraag een beroep doen op cliëntondersteuning. Deze is onafhankelijk, beperkt zich idealiter niet tot één wet of afdeling en kan tijdens het gehele traject betrokken zijn. Toegangsmedewerkers of lokale teams wijzen altijd zelf op deze mogelijkheid van ondersteuning.xii Daarnaast is er veel te winnen met de inzet van ervaringsdeskundigheid. Gemeenten zorgen ervoor dat inwoners zo min mogelijk last hebben van achterliggende procedures, afstemming of financieringswijzen. Gemeenten gebruiken de uitvoeringspraktijk als basis voor hun beleid. Hierbij worden zowel de ervaringen van uitvoerende professionals als die van inwoners gebruikt als input voor het beleid.

2. Laagdrempelig: dichtbij, vindbaar, zichtbaar, benaderbaar 

De toegangsfunctie en lokale teams zijn laagdrempelig en (waar mogelijk fysiek) dichtbij inwoners georganiseerd.xiii Fysieke locaties zijn toegankelijk voor mensen met een beperking en informatie over toegang en teams wordt via uiteenlopende kanalen gedeeld, met daarbij oog voor inwoners met een (visuele en/of auditieve) beperking. De gebruikte taal is eenvoudig en concreet. Laagdrempeligheid komt ook tot uiting in het contact met inwoners, dat in alles vertrouwen en betrouwbaarheid uitstraalt. Mensen voelen zich uitgenodigd hun verhaal te delen in het besef dat hun vragen zorgvuldig en deskundig worden behandeld. Onderdeel daarvan is eerlijkheid en duidelijkheid, bijvoorbeeld als het gaat over het ervaren spanningsveld met handhaving van de Participatiewet. Medewerkers van de toegang en lokale teams zijn aanwezig waar mensen leven, naar school gaan, samenkomen en elkaar ontmoeten.xiv Daarnaast zijn er toegankelijke digitale mogelijkheden, zowel voor vragen en contact als voor hulpverlening zelf (hybride vormen). De professionals kennen het gebied waar zij werken, de mensen die er wonen en de vragen die er spelen. Ze hebben goed contact met andere publieke voorzieningen in hun gebied, zoals huisartsen, Jgz, welzijnswerk, scholen, steunpunten mentale gezondheid en woningcorporaties.

Over en weer weet men elkaar goed te vinden.xv Zij werken outreachend (de inwoner hoeft niet altijd zelf een hulpvraag te formuleren).xvi

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

12

De ervaringen met deze laagdrempeligheid van inwoners en professionals worden door gemeenten actief opgehaald en eventueel gebruikt voor aanpassingen.

3. Werken aan een sterke relatie met de sociale en pedagogische basis De herpositionering van toegang en lokale teams kan alleen in relatie tot een sterke sociale basis. Die basis bestaat uit drie verschillende ‘sferen’: persoonlijk, gemeenschappelijk en institutioneel9. Kern is dat de ondersteuning zoveel mogelijk plaatsvindt binnen of in aansluiting op de bestaande, vanzelfsprekende relaties die mensen hebben: op school, met buren, in een ontmoetingscentrum, op de voetbalvereniging, in het gebedshuis, et cetera.  Medewerkers in de toegang en lokale teams hebben een gedegen en actuele kennis van de sociale basis. Ze kennen en benutten de sociale basis bij de beantwoording van hulpvragen, ook omdat hulp die aansluit bij de leefwereld van mensen vaak passender en duurzamer is.10 Ook werken zij met partners (samenlevingsopbouw, kind- en jeugdwerk, en veel meer) aan het versterken van de sociale basis en collectieve oplossingen.xvii De lokale teams zien vooral het informele netwerk als cruciaal.xviii Hulp die daarbij aansluit, beklijft langer en versterkt immers het ‘zelfoplossend vermogen’ van inwoners.xix Formele en informele hulp worden gezien als gelijkwaardige partners met beide een unieke en andersoortige kennis en ervaring.xx Ervaringsdeskundigheid en ervaringskennis krijgen in de toegangsfunctie en lokale teams een stevigere rol.

 Met het oog hierop zijn toegangsfunctie en teams dicht bij inwoners gepositioneerd. Ze werken ‘outreachend’, leggen verbindingen met netwerken en partners rondom inwoners en zijn daar aanwezig waar de doelgroep is.xxi  Ook brengt het team samen met inwoners in beeld wat lokaal veelvoorkomende vraagstukken zijn en welke collectieve oplossingen daarbij passen.xxii Er is georganiseerd dat deze inzichten beschikbaar zijn voor en worden gebruikt door de gemeentelijke organisatie.  Een belangrijke randvoorwaarde waar gemeenten een rol in hebben is het zorgen voor de aanwezigheid van een stevige infrastructuur hiervoor in de buurt. Voldoende collectieve voorzieningen waar mensen (bij vrijwilligers of betaalde krachten) terecht kunnen voor een luisterend oor, voor vragen naar praktische hulp of kennis over andere (wettelijke) voorzieningen.xxiii Tot slot vraagt deze beweging maken volgens experts ook om een herwaardering van bepaalde expertises (met name het zogeheten opbouwwerk11). Opbouwwerkers zowel in een lokaal team als in nauwe samenwerking met een lokaal team kunnen helpen in de omslag naar meer collectieve ondersteuning waardoor de druk op het lokale team (op termijn) vermindert.xxiv

9 Voorbeelden in de institutionele sfeer zijn het welzijnswerk, samenlevingsopbouw, kind- en jongerenwerk, de Jgz, het onderwijs, enzovoorts. Deze lijst is niet uitputtend en ook afhankelijk van lokale inrichting en geschiedenis. 10 De Associatie Wijkteams ziet de rol van het lokaal team als volgt: ‘[deze] stimuleert het ontstaan van krachtige, bloeiende, veilige buurten en duurzame netwerken, ten behoeve van álle inwoners. Zo levert zij een bijdrage aan een inclusieve samenleving, met kansen voor iedereen’ De brede opdracht van een lokaal team, versie 1.0 Maart 2023 Associatie Wijkteams. 11 Opbouwwerk is een professionele variant binnen het sociaal werk. Opbouwwerkers geven vanuit hun relatie met lokale gemeenschappen vorm aan de missie van het sociaal werk. Centraal in het werk staat de relatie van mensen tot andere mensen, van mensen tot een concrete omgeving. Opbouwwerkers werken samen met bewoners om collectieve oplossingen te ontwikkelen die bijdragen aan sociale rechtvaardigheid.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

13

4. Achterliggende patronen en systeemknelpunten Medewerkers van toegang en lokale teams zijn belangrijke oren en ogen wat er in wijk of gemeente speelt. 

Bestuur en beleid committeren zich aan de teams door hen een klimaat aan te bieden waar zij open staan voor deze sociale praktijkantennes. Dit vraagt om een wederkerige relatie waarin allerhande patronen eenvoudig op de beleid- en bestuurstafels komen. Dat zijn gemeenten in hun rol als opdrachtgever van de toegangsfunctie en het lokaal team verplicht. Gemeenten zorgen voor periodieke evaluaties van individuele en collectieve vraagstukken, mede met het oog op eventueel noodzakelijke aanpassing van beleid.xxv Het lokaal team brengt (samen met inwoners) in beeld wat lokaal veelvoorkomende vraagstukken zijn en welke collectieve oplossingen daarbij passen, gericht op zowel het zichtbare probleem als op de onderliggende oorzaken en beschermende factoren.xxvi Deze informatie vormt input voor het gemeentelijk beleid.

INTEGRAAL 5. Brede blik, brede analyse Laagdrempelig contact tussen inwoners en de gemeente helpt bij een open gesprek over achterliggende problematiek bij een hulpvraag.xxvii  De medewerkers in de toegang en het team hanteren daarom een brede blik en doen, samen met inwoners, een brede analyse met oog voor de context en verschillende leefgebieden van hulpvrager en (waar van toepassing) het gezin en omgeving.12  Tegelijkertijd kan het overvragen van inwoners drempelverhogend werken als ze voor een specifieke hulpvraag komen en vervolgens het hemd van het lijf worden gevraagd. Dit vraagt van medewerkers een juiste professionele houding, met oog op privacy en de op te vragen informatie.  Medewerkers maken in het gesprek de behoeften en zogeheten mate van ‘zelfregie’13 van de hulpvrager leidend, aangezien dit een belangrijk werkend element in de toegang is.xxviii Uitgangspunt is dat de hupvrager zelf zoveel als realistisch mogelijk ‘eigenaar’ is van zijn ondersteuning, waarbij de betrokken professional een vast aanspreekpunt is, die de inwoner in zijn zelfregie ondersteunt.  Ze hebben specialistische expertise dichtbij beschikbaar. Ze halen deze expertise ‘erbij’ om in te zetten ter consultatie of als daadwerkelijk hulptraject. Hierbij wordt samen opgetrokken om elkaars inzet te verrijken. (Zie ook uitgangspunt 6.)

6. Professionals met de juiste houding, vaardigheden en kennis 

Medewerkers die de toegangsfunctie vervullen en medewerkers die in lokale teams werken beschikken over een goede mix van vaardigheden, zoals een sociaal-communicatieve houding en inlevingsvermogen, en inhoudelijke kennis. xxix Dit geldt bijvoorbeeld voor de kennis over en aandacht voor (chronische) stress als gevolg van financiële problemen in gezinnen en wat dat met mensen doet,xxx en ook bijvoorbeeld voor kennis over en aandacht voor psychische problemen van ouders. Ze beschikken ook over vaardigheden om voortdurend te schakelen met andere hulpverleners. Specialistische expertise is niet langer bedoeld om aan over te dragen maar om dichtbij aanwezig te zijn: voor overleg, voor tijdelijke inzet of voor een langer hulptraject. Specialisten uit

12 Vanuit de Hervormingsagende Jeugd wordt gewerkt aan een ‘Kwaliteitskader brede analyse’. Ook zijn er helpende richtlijnen hiervoor zoals de ‘Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming’. 13 Zie de begrippenlijst in bijlage II.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

14

verschillende disciplines trekken meer dan voorheen samen op om het lokale team te verrijken met hun expertise.xxxi Als complexe casuïstiek (waar jeugdigen bij betrokken zijn) vastloopt komen de Regionale Expert Teams (RET) in beeld, die overigens ook bereikbaar moeten zijn voor meedenken en samenwerken voordat casussen vastlopen.xxxii De relatie tussen teams en specialistische expertise is wederkerig. De teams weten specialisten makkelijk te vinden en de lokale teams zijn goed benaderbaar wanneer specialistische zorgaanbieders merken dat een andere of bredere aanpak nodig is.xxxiii Bij langdurig inzet van specialistische expertise blijft contact tussen inwoner en lokaal team mogelijk en laagdrempelig. Niet vanuit controle – bijvoorbeeld het onnodig opvragen van (medische) dossiers – maar om als team voorbereid te zijn op het aflopen van het specialistisch traject en daarop passend te kunnen handelen.

7. Zelf (basis)hulp bieden en vertrouwd aanspreekpunt blijven Er zijn aanwijzingen dat het snel zelf bieden van hulp door teams, zonder te hoeven wachten op een indicatie, voordelen heeft voor de inwonerxxxiv en wellicht ook voor de houdbaarheid van het lokaal stelselxxxv Bovendien is het bereik van dit type teams groter onder inwoners met een lage sociaaleconomische status, en onder inwoners met een migratieachtergrond. xxxvi  De lokale teams bieden daarom waar mogelijk zelf direct (basis)hulp. Die hulp kan zowel licht als zwaar (of intensief) zijn en zowel kort- als langdurig (in de vorm van waakvlamcontact bijvoorbeeld).xxxvii  Voor deze (basis)hulp is in beginsel geen indicatie nodig en ze is dus ‘vrij toegankelijk’.14 Er vindt tijdig en geregelde evaluatie plaats of de ingezette hulp helpt en passend is.xxxviii  Voor medewerkers van een team kan dit veel tijd en inzet vergen, zeker als mensen van ‘crisis naar crisis’ gaan of op wachtlijsten staan voor andere hulp of zorg. Gemeenten anticiperen hierop met voldoende inzet en middelen.

Gemeenten stimuleren vanuit goed werkgeverschap ‘lange relaties’ tussen hulpverlener en hulpvrager, uitgaande van gelijkwaardigheid.xxxix  De invulling van wat basishulp is, verschilt per situatie, maar omvat in algemene zin de volgende elementen: o advies en meedenken om problemen in eigen netwerk op te lossen of er mee om te kunnen gaan; o geruststellen van inwoners en vertrouwd aanspreekpunt zijn; o verbinding leggen met het informele netwerk en het helpen steviger maken van dit helpend netwerk; o opvoedondersteuning; o helpen met financiën; o bieden van psycho-educatie; o bemiddelen op school of werk; o andere hulpverleners erbij halen; o waakvlamcontact als stimulans voor mensen om zelf meer durven op te pakken, of snel te kunnen opschalen als een crisis dreigt; o samen met inwoners creatieve maatwerk oplossingen bedenken (waarbij medewerkers altijd moeten kunnen uitleggen waarom ze kiezen voor deze oplossing, waardoor de overwegingen transparant zijn).xl  Geen medewerker kan dit zelfstandig. Het gaat letterlijk om teamwerk, waarbij het aan het team is om te bepalen wanneer extra specifieke kennis nodig is (variërend van schuldhulpverlening, 14 Dit is zowel een inhoudelijk als juridisch complex vraagstuk (waaronder de rechtspositie van de cliënt). De grens wanneer ondersteuning een beschikking

nodig heeft en wanneer niet, zijn niet keihard te trekken en afhankelijk van veel factoren.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

15

onveiligheid, tot kennis over bepaalde psychische kwetsbaarheden). ‘Doormodderen’ terwijl andere hulp nodig is, is uit den boze.

8. Duidelijke afspraken voor integrale en domeinoverstijgende samenwerking Om met een brede blik samenhangende, passende hulp te bieden is een veelheid aan relaties nodig. Die relaties gelden voor de gemeentelijke domeinen als Wmo15, Jeugdwet, werk en inkomen en schuldhulpverlening, maar ook welzijnswerk, (passend) onderwijs, leerplicht, kinderopvang en het medisch domein van huisartsen, jeugdartsen, jeugdgezondheidszorg, wijkverpleging, (volwassen)ggz en andere zorgpartijen, en tenslotte partijen met een veiligheidsexpertise.xli  Deze relaties vragen om duidelijke werkafspraken met elkaar. Op systeemniveau vraagt het om goede afspraken met onder andere zorgverzekeraars en zorgkantoren.  Gemeenten bevorderen de onderlinge samenwerking door brede invoering van (praktijk)ondersteuners jeugd bij huisartsen.xlii Een verbeterde samenwerking tussen huisarts, ggz en het sociaal domein moet zorgen dat de hulpvrager sneller passende hulp ontvangt en dat onnodige instroom in bijvoorbeeld de ggz wordt voorkomen.xliii Inmiddels zijn er veel goede voorbeelden voor verbindingen tussen team, huisarts, welzijnsorganisaties en ggz.

Denk aan Welzijn op Recept 2.0, Welzijn op consult en Waar is Wally.xliv De teams zetten in op goede contacten met huisartsen onder meer via een vaste contactpersoon voor huisartsen,xlv als onderdeel van de beoogde hechte wijkverbanden.xlvi  De relatie met het onderwijsveld is – zeker in relatie tot de jeugdhulp en pedagogische basis – ook van belang. Het onderwijs is zowel een ‘vindplaats’ voor kinderen en gezinnen die wellicht steun kunnen gebruiken, als bij niet passend onderwijs, een mogelijke belemmering voor het kansrijk opgroeien. Maar bovenal, het onderwijs is een cruciale speler binnen de pedagogische basis waarin geïnvesteerd moet worden.  Gemeenten voorkomen dat inwoners in de knel raken door conflicterende mensbeelden en prikkels achter wetgevingen. Elke gemeente heeft daarom (in de geest van de vAMS16) een coördinatorsfunctie voor inwoners met domeinoverstijgende problemen.xlvii Dit is bij voorkeur geen nieuwe functie, maar een mandaat bij een al bestaand persoon. Deze functie kan ook bij een netwerkpartner belegd worden. Dat geldt ook voor de in de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken aan te wijzen coördinatorfunctie als naast jeugdhulp ook andere hulp nodig is of wordt ingezet.

Ook dit moet niet leiden tot extra lagen of personen.xlviii Tot slot kan de samenwerking binnen het sociaal domein een stimulans krijgen door het gebruik van een integrale verordening.xlix  Huisvesting is cruciaal bij het oplossen van veel problemen in het sociaal domein. Lokale teams hebben daarom goed contact met wooncollega’s voor het vinden van creatieve oplossingen. Gemeenten gebruiken de Huisvestingswet immers mede om te bepalen wie voorrang krijgt bij woningen en hoe een woning mag worden gebruikt.l In hun woonvisies maken gemeenten afspraken met woningcorporaties over kwantiteit, kwaliteit, locaties, woonruimteverdeling, doelgroepen, de rol van woningcorporaties, et cetera.  Soms kunnen zogeheten maatwerkoplossingen uitkomsten bieden, gefinancierd vanuit integrale doorbraak- of maatwerkbudgetten. Die zijn waardevol, maar mogen geen excuus zijn om systeemproblemen ongemoeid te laten. We streven ernaar om juist in reguliere werkwijzen maatwerk toe te passen. Dat kan door de casuïstiek van de huidige maatwerkoplossingen goed te analyseren en waar nodig te vertalen naar regulier beleid. Afzonderlijk maatwerk wordt dan steeds minder nodig omdat het in feite staande praktijk wordt (het zogeheten 3e orde leren). 15 Wmo in de volle breedte: dus ook beschermd wonen en maatschappelijke en vrouwenopvang. 16 Versterking aanpak meervoudige problematiek sociaal domein

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

16

Samenwerking over domeinen kan alleen bij goede gegevensuitwisseling zodat hulpvragers niet altijd hetzelfde verhaal hoeven te doen. Natuurlijk is dat aan regels gebonden, maar tot op heden blijven professionals vaak (onnodig) aan de veilige kant waardoor ze niet alle bestaande mogelijkheden benutten.li o Deze handelingsverlegenheid bij professionals komt vaak voort uit het feit dat gemeenten de gegevensverwerking bij samenwerking onvoldoende hebben doordacht en georganiseerd. Hierdoor blijven de mogelijkheden om op een zorgvuldige wijze gegevens te delen buiten beeld. o Daarom is het van belang dat de gemeenten meer aandacht geven aan de inrichting van de gegevensverwerking bij samenwerking en afspraken met de partners daarover, die de basis vormen voor praktische handvatten aan de medewerkers. Tegelijk blijven we als gemeenten en teams kritisch op de vraag welke informatie, met welk doel en op welke grondslag nodig is.

9. Streven naar soepelere overgangen in de levensloop Levensgebeurtenissen kunnen van grote invloed zijn op (het welzijn van) inwoners en gezinnen.  Gemeenten spannen zich met partners zo goed mogelijk in om de ondersteuning of zorg tijdens deze overgangen te continueren. Het gaat hier om het brede palet aan (jeugd)hulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs en begeleiding op gebied van werk en meedoen (participatie).  De lokale teams besteden lang van tevoren aandacht aan de overgang naar de formeel meerderjarige leeftijd van 18 jaar, aangezien niet alle jongeren zonder hun vertrouwde hulp en begeleiding kunnen.17 Jeugdhulpaanbieders en gemeenten committeren zich gezamenlijk om met en voor deze jongeren tijdig een toekomstplan te formuleren, nog voordat zij de jeugdhulp verlaten.lii Inzet hierbij is het op orde krijgen van de zogeheten ‘big 5’, de leefgebieden: 1. support, 2. wonen, 3. school en werk, 4. inkomen en schulden, en 5. welzijn en gezondheid door middel van toekomstgerichte ondersteuning die bij de jeugdige blijftliii.

10. Inwoners met levenslange en/of levensbrede beperkingen Veel (zorg)systemen zijn slecht afgestemd op inwoners en gezinnen met levenslange en/of levensbrede beperkingen.18  Gemeenten spannen zich in om de kwaliteit van leven van deze inwoners en gezinnen te vergroten. Dit vraagt van toegang en teams voldoende kennis en expertise over deze doelgroep.liv Dit vraag van medewerkers een intrinsieke alertheid hierop en weet daar naar te handelen via een passend toekenningproces van zorg en ondersteuning.lv  Waar mogelijk bieden gemeenten passende beschikkingen aan qua duur (looptijd), aard en omvang.lvi Voor hulpmiddelen die met de jaren niet veranderen, is geen jaarlijkse legitimering nodig vanwege alle stress en bureaucratische last voor de inwoner die daarmee gepaard gaat. Wel is periodiek contact wenselijk, waarbij de associatie van eventueel stop te zetten hulp natuurlijk moet worden vermeden. Langduriger beschikken is ook belangrijk waar het gaat om Beschermd Wonen. 17 In het verleden werd vooral gefocust op de overgang naar de wettelijke volwassenheid (18-/18+). Tegenwoordig zien we dat deze overgang zich over een

langere periode voordoet. Daarom spreken we van '16-27' of 'overgang naar volwassenheid'. Tussen de 16 en 27 jaar doorlopen jongeren de fase van adolescentie. De overgang van jeugd naar volwassenheid is voor veel jongeren een turbulente periode waarin verschillende veranderingen plaatsvinden op lichamelijk, intellectueel en sociaal-emotioneel gebied. Er verandert ook veel in het dagelijks leven van jongeren: ze gaan zelfstandig wonen, eigen geld verdienen en beslissen steeds meer zelf. De meeste jongeren leren dit vanzelf, met vallen en opstaan en met ondersteuning van ouders en vrienden. https://www.nji.nl/van-jeugd-naar-volwassenheid/waar-lopen-jongeren-tussen-16-en-27-jaar-tegenaan 18 Waarmee wij hier niet de indruk willen wekken dat dit de enige doelgroep is die (extra) aandacht vraagt van toegang en lokale teams.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

17

 

Voor levensloopbestendig ondersteuning is een toekomstgericht (langjarig) perspectiefplan nodig dat meegroeit met de hulpvrager en het eventuele gezin.lvii Al naar gelang de situatie ligt het initiatief hiertoe bij het lokaal team of bij de zorgaanbieder. Waarbij als de zorg volledig uitbesteed is, het ook logisch is dat de verantwoordelijkheid ook bij die organisatie ligt. Er van uit gaande dat de inwoner en/of de zorgaanbieder het lokaal team weten te vinden waar nodig. Tot slot: om de ondersteuning en zorg zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de desbetreffende inwoner of het gezin dient er keuzevrijheid te zijn in zorgverleners en financieringsvorm (zorg in natura en persoonsgebonden budget).lviii

MANDAAT 11. Mandaat over gemeentelijke beleidsterreinen heen Degene bij wie een vraag binnen komt is niet altijd degene die de juiste kennis en/of interventies in huis heeft. Soms is het overduidelijk dat de hulp vanuit (alleen) het lokaal team niet voldoende zal zijn en dat de oplossing elders in de gemeentelijke organisatie ligt, of daarbuiten bij bijvoorbeeld de volwassen-ggz.  Mandaat hierbij is cruciaal. Als een medewerker in de toegangsfunctie of het lokaal team na een goed gesprek en gedegen analyse samen met de hulpvrager constateert dat een ander gemeentelijk domein aan zet is dan heeft de medewerker mandaat dat hieraan opvolging plaatsvindt. Dit vraagt binnen de gemeente om bestuurlijk en beleidsmatig commitment op alle niveaus. Integraliteit is niet alleen iets van de uitvoering maar juist ook van bestuur, management en beleid.  Gemeenten zorgen intern voor dit mandaat zodat de uitvoering minimale tijd kwijt is om te regelen dat anderen hun verantwoordelijkheid nemen. De eerdergenoemde coördinatorfunctie kan hierbij behulpzaam zijn.  Waar het gaat om samenwerking met domeinen of partijen die buiten de invloedssfeer van de gemeente liggen, vraagt het om duidelijke afspraken onderling, redenerend vanuit de behoefte van de inwoner.

12. Oog voor (on)veiligheid Niemand wil een onveilige omgeving en desondanks krijgen veel mensen ermee te maken. Het is daarom belangrijk om (on)veiligheid uit de taboesfeer te halen. Vaak zit er veel onmacht achter: over relaties, over opvoeden, over geldzorgen, over het eigenbeeld, over schulden.  Dit bespreekbaar maken vraagt vertrouwen. Vertrouwen tussen medewerker en de inwoner, wat mogelijk gemaakt wordt door de eerdergenoemde lange relaties aan kunnen gaan.  Medewerkers van toegang en lokale teams hebben een rol om onveiligheid te signaleren en om inwoners te helpen bij het krijgen van passende hulp en daarbij vinger aan de pols te houden. Dat maakt deel uit van hun ‘brede blik’.lix Bij zorgen over onveiligheid maken ze dat zo goed als mogelijk bespreekbaar. Niet als dreigende interventie maar als onderdeel van het totaal van hulpverlening. Ze kennen de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en betrekken waar nodig Veilig Thuis (of in de toekomst het Regionaal Veiligheidsteam).lx  Als blijkt dat (dreigende) onveiligheid speelt dan draagt het lokaal team niet over, maar kijkt hoe het met behulp van partners een context kan creëren dat betrokkenen in staat stelt de veiligheid te

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

18

herstellen (bijvoorbeeld door stressreductie vanuit bestaanszekerheid of het betrekken van een steunend netwerk). Het streven is om veiligheid zoveel mogelijk te benaderen vanuit reguliere relaties en ondersteuning vanuit het normale leven. o Bij het streven naar veiligheid, hulpverlening en herstel heeft het lokaal team een netwerkfunctie, bijvoorbeeld door samen te werken met het toekomstige Regionaal Veiligheidsteam en de Jeugdbescherming en -reclassering.lxi o Het team is betrokken zo kort- of langdurig als de situatie vraagtlxii vanuit het vrijwillig kader. o Het lokale team verleent (ook) ‘intensieve vrijwillige hulp’. Dat betekent dat zij mensen actief benaderen (bijvoorbeeld omdat er een melding bij Veilig Thuis is binnen gekomen of n.a.v. een ander signaal). Soms zijn mensen niet (meteen) gemotiveerd om hulp te accepteren en wordt er eerst door het lokale team gewerkt aan probleembesef en motivatie om hulp te accepteren. Het is belangrijk dat ook in die fase (voor gezinnen/ huishoudens en betrokken professionals) duidelijk is wat rechten van inwoners zijn.19 Het is altijd zoeken naar balans wanneer specialistische veiligheidsexpertise nodig is.

o Voor specialistische zaken als hulp bij trauma of verslaving betrekt het team specifiek daarvoor opgeleide expertise dat voldoet aan de daarvoor gelden kwaliteitskaders en gericht is op het wegnemen van de risicofactoren van huiselijk geweld en kindermishandeling.lxiii o Als hulp in het vrijwillig kader niet (meer) werkt en complexe, meervoudige casuïstiek of zelfs vraagstukken over zorg en straf gaan spelen, is het een logische vervolgstap expertise uit het Zorg- en Veiligheidshuis (ZVH) of het Regionaal Veiligheidsteam erbij te halen. lxivDe ZVH zijn voor de sociale wijkteams adviseur, vraagbaak en de plek waar ze terecht kunnen met complexe domeinoverstijgende casuïstiek waar ze in vastlopen.lxv

13. Bewust omgaan met wat passend is en nodig is, ook gezien de schaarste aan mensen en middelen. Keuzes ten aanzien van ondersteuning en zorg zijn mede ingegeven door verschillende aspecten. Zowel gemeentelijke bestuur en beleid als uitvoerende professionals maken voortdurend afwegingen over wat nodig en passend is. Niet elke hulpvraag heeft een professioneel antwoord nodig, niet elke zorgvraag vraagt om dezelfde reactie. Bovendien vinden afwegingen altijd plaats in een context van subjectiviteit en van schaarste aan tijd, geld en middelen.  Gemeenten zorgen voor een omgeving waarin dit morele gesprek een plek kan krijgen. Uitgangspunt is dat professionals in ontmoetingen met inwoners altijd laveren tussen handelen met en zonder aanzien des persoons tegelijkertijd.lxvi Om hen daarin bij te staan hanteren wij een aantal uitgangspunten. o Ten eerste gaat de prioriteit naar de mensen die (de verwijzing naar) tijdige en passende ondersteuning echt nodig hebben. o Ten tweede zijn professionals in toegang en teams alert in hoeverre een hulpvraag een professioneel antwoord nodig heeft.lxvii Het behoort tot hun professionaliteit hierin afwegingen20 te maken (en zij dienen hiervoor dus mandaat te hebben).

Bij weloverwogen besluiten is een ambtelijke toets hierop dan ook overbodig.lxviii o Ten derde wordt bij de toekenning van ondersteuning altijd meegewogen wat bekend is wat werkt en wat niet.lxix 19 Het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming werken de rechtsbescherming verder uit voor lokale teams. Zie ook het advies van De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) ’Intensieve vrijwillige hulp. Heldere grenzen aan drang in de jeugdzorg’ (2019) 20 Gebruikmakend van de professionele richtlijnen die er zijn. Bijvoorbeeld (waar het jeugdigen betreft) Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

19

Gemeenten zorgen in hun beleid, opdracht en randvoorwaarden en bestuurlijk en de interactie tussen bestuur en raad, dat medewerkers van toegang en teams ruimte en rugdekking krijgen voor deze morele afwegingen en de moeilijke keuzes die zij dag in en dag uit maken.lxx Dat geldt ook als het misgaat (wat onvermijdelijk soms zal gebeuren). Uitgangspunt is dan om hier van te leren en niet terug te schieten in de risico-regelreflex. Gemaakte afwegingen zijn onderwerp van dialoog in een gezamenlijk leercyclus. Gemeenten faciliteren professionals met de tijd en middelen om met regelmaat te kunnen reflecteren op hun vakmanschap.lxxi Om hen in hun afwegingen bij te staan maken gemeenten heldere, concrete en realistische verordeningen en beleidsregels. Heldere kaders vanuit politiek en beleid helpen immers om in het maken van afwegingen, en deze ook bespreken met de verschillende belanghebbenden (in de eerste plaats de inwoner / het huishouden zelf).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

20

3. Hoe nu met elkaar verder? Waar brengt dit ons nu, en hoe gaan wij verder? Met dit kader geven wij als gemeenten richting aan de ontwikkelingen waar wij (meer) op in moeten zetten. Het vormt hiermee ook de basis voor de gesprekken met externe partners over de wederzijdse verwachtingen en gezamenlijke inspanning. Verder afstemming is nodig met onze rijkspartners (in ieder geval het ministerie van VWS, SZW, OCW en JenV), de Associatie Wijkteams, Divosa, zorgbranches, kennisinstituten, cliëntorganisaties en andere partijen met een rol in de sociale basis.21 Dit helpt om de verwachtingen over- en weer met samenwerkingspartners te verhelderen. Deze gesprekken vormen de basis voor het nog met elkaar vast te stellen ‘Convenant stevige lokale teams’. Kort samengevat  Geeft dit kader dus richting op wat ons te doen staat (het ‘wat’).  Het nog te sluiten convenant maakt duidelijk welke bijdrage de verschillende belanghebbenden hieraan gaan leveren en vanuit welke rol. Daarnaast zijn er diverse ondersteuningsvormen gefaciliteerd door de VNG.  Het Verkenningsinstrument Toegang (VIT) gaat gemeenten helpen met inzicht in waar zij staan richting het ‘wat’ en welke ondersteuningsbehoefte zij hebben om daar te komen, (het ‘hoe’). Ook gaat dit VIT inzicht bieden welke kennis en ondersteuning er beschikbaar is per basiselement uit het Richtinggevend kader.

 De ondersteuningslijn stevige lokale teams kan gemeente ondersteunen met de beweging maken naar stevige lokale teams. De drie waarden (dichtbij, integraal en met mandaat) en 13 uitgangspunten geven voor langere tijd richting. Deze beweging is niet van vandaag of morgen. Tegelijkertijd staat de praktijk (net als de kennis erover) natuurlijk niet stil. Waar de komende tijd lopende trajecten zich verder ontwikkelen, zal dit document waar nodig worden geactualiseerd.22 In het VIT worden de ontwikkelingen zichtbaar gemaakt. Dit Richtinggevend Kader is ingestoken op een beweging naar meer samenhang en samenwerking in het brede sociaal domein. Er wordt veel gevraagd en niet alles zal tegelijkertijd kunnen. De benodigde samenhang en samenwerking is in eerste instantie gelegen in het brengen van overzicht, terwijl er gelijktijdig verschillende programma’s lopen. Deze programma’s kunnen afwisselend dienen om de gewenste beweging op gang te brengen en houden. Op de korte termijn geldt de Hervormgingsagenda vooral als die aanjager. Later kan dit ook gaan gelden voor de vAMS en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. Gemeenten maken tot slot qua prioritering hierin natuurlijk ook hun eigen keus.

Waarschuwingen op maakbaarheid Onze toegang en lokale teams, en de (inrichtings)keuzes die wij als gemeenten maken, kunnen niet alles oplossen, en wij opereren als gemeenten niet in een vacuüm, maar juist binnen een context waar veel uitdagingen liggen. Wij dienen daarom ook naar de inwoners toe voorzichtig te zijn met het wekken van de verwachting dat alles maakbaar is, en dat professionele zorg ‘de oplossing’ kan bieden. Stellen dat dit wel zo is, schept verkeerde en te hoge verwachtingen bij onszelf, bij onze medewerkers en bij inwoners.

21 Denk aan Sociaal Werk, MantelzorgNL, VSO maar ook LSA Bewoners en NZVE, BPSW. 22 Een korte (niet uitputtende) opsomming: Het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming ontwikkelt zich, De vAMS, het Kwaliteit en blijvend lerentraject. Nog op te stellen kwaliteitskaders, enzovoorts.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

21

Deze ambitie kunnen gemeenten en lokale teams niet alleen. Het vraagt ook iets van anderen In gesprekken over dit kader, geven gemeenten aan dat de ambitie die wij hier schetsen ook iets vraagt in de samenwerking met verschillende overheden, met (welzijns- hulp- en zorg)organisaties, met (beroeps)opleidingen, met zorgverzekeraars en -kantoren, met professionals en tot slot met inwoners zelf. Hier gaan wij kort op in. Herwaardering van het vak van lokaal team-medewerker In het algemeen is het nodig dat de waardering en beloning van de verschillende soorten medewerkers in de lokale teams in verhouding komt te staan met de hoge verwachtingen die wij nu als beleid, bestuur en maatschappij van deze teams (en de mensen daarbinnen) hebben. De verwachtingen blijven zich stapelen, maar de waardering en beloning is onvoldoende meegegroeid. Maatschappelijke dialoog Haast maken met het daadwerkelijk voeren van een landelijk maatschappelijk dialoog (conform de Hervormingsagenda) over normaliseren en het versterken van het gewone leven voor huishoudens en gezinnen en hun netwerk en hoe we samen een zorgzame samenleving kunnen vormen. Deze dialoog is landelijk nodig, waarbij de inbreng van inwoners en cliëntenorganisaties onmisbaar is. Voldoende woningen In tal van sociaal maatschappelijke opgaven is het tekort aan woonruimte een groot knelpunt.

Een korte (niet uitputtende) opsomming: de negatieve rol van te kleine en/of ongezonde woonruimte op de (mentale) gezondheid binnen een gezin, de doorstroom en uitstroom uit instellingen, het stapelen van kwetsbare doelgroepen in dezelfde wijken en buurten, het onvermogen om kinderen en/of (één van) hun opvoeders in hun eigen leefomgeving te kunnen houden als zij (voor hun eigen veiligheid) uit huis worden gehaald, enzovoorts. Het voorzien in voldoende, passende woningen, en de afspraken die je vervolgens kan maken over bepaalde doelgroepen, is niet iets wat aan één belanghebbende is toe te schrijven. Maar het is wel een cruciale randvoorwaarde, en een onmisbaar onderdeel van bestaanszekerheid. Daarnaast zijn er op landelijk systeemniveau qua beleid, financiering en regelgeving rond financiering een aantal zaken nodig en helpend:  Voorspelbaarheid en continuïteit in middelen. Dus minder incidentele middelen en ‘potjes’, maar een langjarige basis om op te bouwen. Alleen zo kunnen de investeringen gedaan worden om de grote maatschappelijke opgaven waar we voor staan het hoofd te bieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=e7cc4d4d-5272-4328-bb20-3725c8d5f2eb