Bijlage 3b Bijlagen notitie Thuis in de Kempen inburgeren in de Kempengemeenten vanaf 2022.pdf
Tekst van het document
Bijlagen notitie “Thuis in de Kempen, inburgeren in de Kempengemeenten vanaf 2022” Bijlage 1) Overzicht aanbodplicht per doelgroep, per taak
Bijlage 2) Startnotitie Wet inburgering
Startnotitie implementatie nieuwe Wet inburgering Kempengemeenten
Opgesteld door Pauline Coumans (gemeente Bladel), Daisy Follon (gemeente Bergeijk), Marit van Dooren (gemeente Reusel-De Mierden) en Nourdine Hmamoui (gemeente Eersel)
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Per 1 juli 2021 worden gemeenten verantwoordelijk voor de nieuwe Wet inburgering [1] 1. Kern van de nieuwe aanpak is dat de regie op het inburgeren (weer) wordt teruggebracht bij de gemeente. Gestreefd wordt naar een nadrukkelijker verband met de uitvoering van de Participatiewet. De inburgering krijgt met deze opzet een positie binnen het brede gemeentelijke sociaal domein. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat ze tijdig klaar zijn met de voorbereiding op de uitvoering van de wet.
1.2 Doel startnotitie Deze notitie legt een aantal keuzes en vragen voor waarmee uw college een besluit kan nemen over de manier waarop de Wet Inburgering wordt voorbereid en uitgevoerd. Denk daarbij aan de keuze voor lokale of (sub)regionale voorbereiding en uitvoering van de nieuwe wet en de beleidsambities voor inburgering. In deze notitie wordt ingegaan op de primaire processen. De secundaire processen (werkprocessen, ICT-systemen, communicatie, informatievoorziening etc.) komen pas later in het traject aan bod.
1.3 Leeswijzer De voorliggende keuzenota is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2: Voorbereiding (met een stappenplan voor de totstandkoming van de notitie) Hoofdstuk 3: Ontwikkelingen (wettelijke kaders en de huidige stand van zaken) Hoofdstuk 4: Uitgangspunten Hoofdstuk 5: Aandachtspunten Hoofdstuk 6: Vervolg Begrippenlijst Literatuur Bijlagen
1 Referenties in de lopende tekst zijn aangeduid met een cijfer. Bijvoorbeeld [1]. Deze zijn achter de eerste zin van de gebruikte referen-
tie geplaatst.
Inhoudsopgave 1. Inleiding .................................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................................. 3 1.2 Doel startnotitie..................................................................................................................................... 3 1.3 Leeswijzer ............................................................................................................................................. 3 2. Voorbereiding ........................................................................................................................................... 5 2.1 Aanpak ................................................................................................................................................. 5 2.2 Tijdspad ................................................................................................................................................ 5 3. Ontwikkelingen .........................................................................................................................................
6 3.1 Landelijke ontwikkelingen ..................................................................................................................... 6 3.2 (sub)regionale ontwikkelingen .............................................................................................................. 7 4. Uitgangspunten ........................................................................................................................................ 9 4.1 Ambities ................................................................................................................................................ 9 4.2 Doelstelling ........................................................................................................................................... 9 4.3 Samenwerkingsniveau ......................................................................................................................... 9 5. Aandachtspunten ................................................................................................................................... 13 6. Vervolg .................................................................................................................................................... 13 Begrippenlijst .............................................................................................................................................
14 Literatuur .................................................................................................................................................... 15 Bijlagen ....................................................................................................................................................... 16 Bijlage 1. Schematische weergave beleidstheorie veranderopgave inburgering .................................... 16
2. Voorbereiding Dit hoofdstuk gaat in op de te betrekken partners, de methodiek en bijbehorend tijdspad om te komen tot een implementatie van de wet per 1 juli 2021.
2.1 Aanpak Om te komen tot een startnotitie is met name gebruik gemaakt van een literatuurstudie. Daarbij is gekeken naar bestaand beleid van het rijk, de provincie, de regio en de gemeente op het gebied van inburgering en relevante voorbeelden voor de implementatie van de nieuwe wet (zie hoofdstuk 3). Bij de totstandkoming van deze notitie zijn bovendien Vluchtelingenhulp/-werk en KempenPlus betrokken.
2.2 Tijdspad De volgende fases dienen afgerond te worden om tijdig regie op inburgering te krijgen. • Fase 1: Voorbereidende fase: in deze fase is de startnotitie geschreven. • Fase 2: Besluitvormende fase: na vaststelling van de startnotitie door het college wordt de raad geinformeerd met een raadsinformatiebrief. Dit startdocument vormt het richtinggevend kader voor verdere uitwerking. • Fase 3: Realisatiefase: bestaande uit de daadwerkelijke uitvoering van de nieuwe Wet inburgering. • Fase 4: Nazorg: in deze fase wordt de implementatie gemonitord. Fase 1
Wat Voorbereidingen startnotitie + inkoop Marktoriëntatie taalaanbieders onder begeleiding van Bizob Portefeuillehouders Kempengemeenten informeren en om richting vragen voor verdere uitwerking van de notitie
Wanneer Februari – april
2
Startnotitie college + RIB aanbieden aan raad
Uiterlijk 12 mei in college (week 20) Bestuur KempenPlus 25 juni Mei/ juni
3
Bespreking startnotitie / standpunten Kempengemeenten t.a.v. invulling WIB en de rol van KempenPlus Inkoopstrategie (college) Informeren afdeling Maatschappelijke Dienstverlening over invulling WIB en mogelijke rol MD daarin Verordening & wijziging gemeenschappelijke regeling (college + raad) Onder voorbehoud: beleidsregels (college) Programma van eisen
4
Publicatie inkoop opdracht Inschrijving door taalaanbieders Gunningsbeslissers Contracten tekenen Nieuwe Wet Inburgering van kracht Monitoring en zo nodig bijstellen project
Maart
November/ december Voor zomervakantie gereed Begin september September/ oktober November December 1 juli 2021 Na ingang wet
3. Ontwikkelingen 3.1 Landelijke ontwikkelingen 3.1.1 De beoogde Wet inburgering De inburgering van nieuwkomers in Nederland dient eraan bij te dragen dat zij zo snel mogelijk meedoen in Nederland, het liefst via betaald werk[2]. Dit is in het huidige inburgeringsstelsel onvoldoende het geval. Zo blijkt uit de evaluatie van de Wet inburgering onder andere dat: • De eigen verantwoordelijkheid voor een grote groep inburgeraars niet realistisch is; • Driekwart van de inburgeraars uit 2013 aan de inburgeringsplicht voldoet; • Het inburgeringsstelsel op zichzelf staat en samenhang mist; • Er voldoende aanbod taalcursussen is, maar niet altijd passend bij de behoefte van inburgeraars; • De resultaatverplichting het doel voorbij schiet. Het inburgeringsstelsel stimuleert inburgeraars niet op een zo hoog mogelijk niveau examen te doen. Het huidige inburgeringsstelsel wordt dan ook grondig herzien. De veranderopgave Inburgering (VOI) is op vijf kernprincipes gebaseerd: tijdig starten, snelheid, maatwerk, dualiteit en kwaliteit. De hoofdlijnen van de veranderopgave Inburgering Het nieuwe stelsel zet in op een doorlopende lijn vanuit de opvang in het asielzoekerscentrum. Hierbij krijgt de gemeente de regierol. In de aanpak is veel meer aandacht voor de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van de statushouder[3].
Bijlage 1 geeft een schematische weergave van de beleidstheorie van de veranderopgave Inburgering. • De regierol van gemeenten begint met een brede intake, waaronder een leerbaarheidstoets. Dit geeft op individueel niveau inzicht in de startpositie en de ontwikkelingsmogelijkheden van een inburgeringsplichtige. Deze toets helpt dan ook bij de keuze van een gepaste leer-werkroute en komt in het persoonlijke Plan Inburgering en Participatie (PIP). • Het PIP wordt binnen 6 weken na huisvesting in de gemeente afgerond en hierin wordt een keuze vastgelegd voor een van de volgende drie leerroutes: 1. Onderwijsroute: gericht op het behalen van een Nederlands schooldiploma op minimaal mbo-2-niveau voor een goede startpositie op de arbeidsmarkt. De onderwijsroute geldt voor jongeren tot 28 jaar. 2. Reguliere B1-route: het leren van de taal wordt hierbij gecombineerd met (vrijwilligers)werk en participatie. 3. Z-route: voor mensen voor wie de onderwijs- of B1-route buiten bereik ligt, komt er een speciale leerroute, zodat iedereen leert zich in de maatschappij zelfstandig te redden. • Het leenstelsel vervalt en wordt vervangen door gemeentelijke inkoop van leerroutes. • Er wordt ingezet op het activeren en ontzorgen van de statushouder, door middel van het inhouden van woon- en zorgkosten en het verstrekken van leefgeld in de eerste 6 maanden.
Dit helpt om de focus van inburgeringsplichtigen in het begin bij integratie en participatie te leggen. • Mensen met Turkse nationaliteit die op of na 1 mei de verblijfsstatus asiel krijgen, moeten inburgeringsexamen doen om een permanente verblijfsvergunning te krijgen. Onzekerheden Over een aantal belangrijke zaken rondom de wetgeving en (financiering van de) uitvoering bestaat nog onzekerheid[4]. Zo is het nog onduidelijk wie de leerbaarheidstoets gaat afnemen. De uitwerking van het Besluit inburgering en de Regeling inburgering worden pas in het voorjaar van 2020 verwacht. Daarnaast is de Wet inburgering nog niet door het Kabinet bij de Tweede Kamer ingediend. De parlementaire behandeling is naar verwachting voor het zomerreces van 2020 gereed. De financiële middelen voor de lokale uitvoering van de Wet inburgering worden uiterlijk in de voorjaarsnota 2020 bekendgemaakt. Hoewel deze informatie later beschikbaar komt moeten gemeenten vanwege de ingangsdatum toch al hun voorbereidingen treffen. 3.1.2 Gemeentelijke taken Met het “Model Plan van Aanpak” van Divosa zijn er een aantal stappen te formuleren die gemeenten moeten zetten om regie op inburgering te krijgen[4]. Zo bestaat de inburgeringsketen uit vijf schakels. Deze paragraaf beschrijft per schakel de rol van gemeenten. In paragraaf 3.2.
wordt daarnaast schematisch weergegeven wat voor aanbodplicht gemeenten hebben ten aanzien van de inburgeringsdoelgroep. Figuur 1: schakels inburgeringsketen Vaststellen inburgeringsplicht
Voorbereiden op inburgering
Afnemen brede intake en vaststellen PIP
Inburgeren en participeren
Afronden inburgering
Schakel 1: vaststelling inburgeringsplicht Gemeenten hebben in de eerste schakel geen rol. Schakel 2: voorbereiden op inburgering Gemeenten dragen in deze schakel verantwoordelijkheid in de volgende stappen. Dit zijn geen nieuwe taken. • Kennisnemen en verwerken van de inhoud van het Taakstelling Volg Systeem (TVS) • Regelen van huisvesting voor en verhuizing van de inburgeraar • Inschrijven van de inburgeraar in de gemeente en regelen van overige administratieve zaken Schakel 3: afnemen brede intake en vaststellen PIP Gemeenten dragen in deze schakel verantwoordelijkheid in de volgende stappen: • Afnemen van de brede intake • Vaststellen van het PIP • Aanbieden van een leerroute • Bieden van maatschappelijke begeleiding • (financieel) ontzorgen van de inburgeraar • Starten van het Participatieverklaringstraject (PVT) • Aanbieden van de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP, voorheen ONA: Oriëntatie Nederlandse arbeidsmarkt) • Toezien (en eventueel handhaven) op naleving van inspanningsverplichtingen 2 Schakel 4: inburgeren en participeren Gemeenten moeten in deze schakel actie ondernemen in de volgende stappen: • Voor asielzoekers: aanbieden van leerroutes en KNM (Kennis van de Nederlandse Maatschappij) • Voor alle inburgeraars: aanbieden van het PVT, begeleiden bij en toezien op de voortgang van inburgering, informeren over de voortgang van de inburgering aan DUO ter
voorbereiding op de afronding van de inburgering, nakomen van verplichtingen ten aanzien van het uitkeren van de bijstand. • Alleen voor B1 en Z-route: aanbieden en registreren van MAP, toezien op naleving van resultaatverplichtingen • Alleen voor Z-route: uitvoeren van de participatiecomponent, toezien op naleving van de inspanningsverplichtingen, voeren van het eindgesprek Z-route. Schakel 5: afronden inburgering Gemeenten spelen alleen een rol bij het nagaan of de inburgeringsplicht nog actueel of inmiddels beëindigd is. Daarover communiceren zij met DUO, waarna de begeleiding of handhaving wordt afgestemd.
3.2 (sub)regionale ontwikkelingen 3.2.1 Aanbodplicht per inburgeringsdoelgroep Voor het aanbieden van de drie leerroutes is het van belang om zicht te krijgen op de samenstelling en omvang van de doelgroep. Er zijn grofweg twee soorten inburgeraars te onderscheiden: 1) asielstatushouders en 2) gezinsmigranten. 1. Asielstatushouders zijn personen die een asielaanvraag hebben ingediend, en een (tijdelijke) verblijfsvergunning toegewezen hebben gekregen. Dit geldt dus ook voor nareizende gezinsleden. Zij zijn hier immers op een asielvergunning. 2. Gezinsmigranten (niet te verwarren met nareizende gezinsleden) zijn de buitenlandse partners van Nederlanders. De volgende tabel laat de verantwoordelijkheid van gemeenten zien voor het aanbod aan alle inburgeraars. De aanbodplicht verschilt per inburgeringsdoelgroep. In tegenstelling tot asielstatushouders zijn gezins- en overige migranten die gebruik maken van een inburgeringslening zelf verantwoordelijk voor het regelen van hun inburgeringscursussen, maar zij kunnen gebruik maken van het gemeentelijke aanbod. Gemeenten dienen wel een brede intake en een persoonlijk Plan voor Inburgering en Participatie (PIP) bij hen af te nemen en voortgangsgesprekken te voeren. Daarnaast dienen we de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en het Participatieverklaringstraject aan te bieden en bekostigen.
Aanvullend kan de gemeente adviseren over de te volgen leerroute. Gezins- en overige migranten hoeven dus alleen taalonderwijs en ‘Kennis van de Nederlandse maatschappij’ (KNM) te bekostigen. 2
De inburgeringstermijn is maximaal 3 jaar maar het liefst minder. De planning wordt beschreven in het PIP en bekrachtigd met een beschikking. Dit vergemakkelijkt de handhaving. Er is een boeteregime ingericht voor het ondersteunen van de handhaving. Daarnaast zijn er voor uitkeringsgerechtigden maatregelen uit de Participatiewet van toepassing. Deze is bij samenloop met de Participatiewet wat sanctionering betreft voorliggend.
Aanbod
Asielstatushouders
Maatschappelijke begeleiding Ontzorgen Begeleiding bij inburgering (intake, persoonlijk Plan voor Inburgering en Participatie (PIP), advies, voortgang) Alfabetisering (voor zover opgenomen in het PIP) Een van de 3 leerroutes, incl. ’Kennis van de Nederlandse Maatschappij’ (KNM) Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) Participatieverklaringstraject (PVT) In het PIP opgenomen afspraken over aanbod voor (andere) participatie-componenten
X X X
Gezins- en overige migranten
X
X X X X X
X X *3
3.2.2 Omvang doelgroep De primaire groep inburgeraars waarvoor gemeenten een inburgeringsaanbod moeten doen zijn dus de asielstatushouders. Per gemeente is inzichtelijk gemaakt wat de instroom de afgelopen jaren is geweest, en welk aantal daarvan inburgeringsplichtig is. Omdat over het algemeen veel gezinnen (met kinderen) worden gehuisvest is er een aanzienlijk lager aantal inburgeringsplichtigen dan de totale instroom. Gemeente
Jaar
Totaal instroom
Bladel
2016 2017 2018 2019 2020 2016 2017 2018 2019 2020 2016 2017 2018 2019 2020 2016 2017 2018 2019 2020
10 26 18 26 5 (taakstelling t/m juni is 7) 14 25 12 5 5 20 27 17 22 18 29 27 14 12
RDM
Bergeijk
Eersel
Waarvan inburgeringsplichtig (asielstatushouders) 6 15 13 7 1 8 11 4 2 4 6 16 9 11 8 17 15 8 1
3.2.3 Prognose deelname per leerroute Zowel het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als KempenPlus hebben indicatieve percentages geleverd voor de kandidaten per leerroute: 1. Onderwijsroute: gericht op ‘kansrijke’, jonge inburgeringsplichtigen tot 28 jaar, gefocust op instromen in een vervolgopleiding. Prognose KempenPlus: maximaal 10%, prognose Ministerie: 25% 2. B1 route: focus van deze route ligt op het leren van de Nederlandse taal op B1 niveau en gelijktijdig participeren. Prognose KempenPlus: 25% à 30%, prognose Ministerie: 65%. 3. Z-route: deze route is bedoeld voor inburgeringsplichtigen met lage leerbaarheid en een onderwijsachterstand. Prognose KempenPlus: 65% à 70%, prognose Ministerie: 10% De veranderopgave inburgering gaat uit van instroom in de B1 route, “tenzij…”. Dit verklaart mogelijk het grote verschil in de prognoses. De prognose van KempenPlus is gebaseerd op het huidige klantenbestand waarbij een realistische schatting is gemaakt op basis van het hoogst haalbare taalniveau van de statushouders. Veel statushouders hebben op dit moment al moeite met de Nederlandse taal op A2 niveau. Je moet er voor waken dat inburgeraars niet worden overvraagd. Wanneer je uitgaat van instroom in de B1 route, maar geen rekening houdt met mogelijke uitval of het afschalen naar de Z-route, zijn de percentages hoger.
De instroom is uiteraard ook afhankelijk van de leerbaarheidstoets en de fluctuerende taakstelling. Vraag is wat er financieel gezien gebeurt als de verhoudingen in de diverse leerroutes sterk afwijken van de verwachtingen van het Ministerie. Dit is nog onduidelijk. Tot slot blijft het een inschatting op basis van de huidige ervaringscijfers. We weten niet welke toestroom van statushouders we in de toekomst kunnen verwachten. 3 Mensen die niet vallen onder de participatiewet hebben ook geen verplichtingen m.b.t. de participatiecomponent van het PIP.
4. Uitgangspunten 4.1 Ambities De focus ligt nu op de voorbereiding en uitvoering van de wettelijk verplichte taken die verbonden zijn aan de veranderopgave Inburgering. Daarmee zijn voor de Kempengemeenten Bladel, Reusel-De Mierden, Bergeijk en Eersel de volgende ambities geformuleerd, gekoppeld aan de uitvoering van de Wet. 1. Duurzame uitstroom naar betaald werk 2. Participatie naar vermogen (indien 1 niet haalbaar is) 3. Sociale integratie met respect voor ieders cultuur/achtergrond 4. Doorgaande lijn voor het ontwikkeltraject (het inburgeringstraject) 4 5. Integrale aanpak op alle leefgebieden 6. Zelfredzaamheid op alle leefgebieden 7. Inburgeren is een wederkerig proces
4.2 Doelstelling Daarbij zijn de volgende doelen geformuleerd: 1. Kandidaten van de onderwijsroute stromen binnen een jaar uit naar een opleiding op MBO2-niveau of hoger; 2. Kandidaten van de B1-route behalen binnen 3 jaar een diploma op (minimaal) taalniveau B1 en stromen duurzaam uit naar werk; 3. Kandidaten van de Z-route stromen binnen drie jaar duurzaam uit naar werk of dagbesteding. Indien dat niet mogelijk blijkt is er sprake van duurzame inzet op het gebied van vrijwilligerswerk.
4.3 Samenwerkingsniveau Gemeenten hebben de keuze voor lokale of (sub)regionale voorbereiding op en uitvoering van de Wet inburgering. De omvang van de doelgroep in de Kempengemeenten vereist op onderdelen samenwerking op (sub)regionaal niveau. Voordeel van deze samenwerking is dat het gemeenten in staat stelt om hun expertise, mensen en middelen te bundelen. Het voorziet gemeenten daarnaast van meer mogelijkheden om inburgeraars een gedifferentieerd aanbod te doen. In de kamerbrief van het ministerie wordt aangegeven dat regionale samenwerking niet bij voorbaat verplicht gesteld. De minister behoudt echter de mogelijkheid middels een aanwijzingsbevoegdheid om regionale samenwerking tussen gemeenten alsnog verplicht te stellen, mocht dit nodig blijken. Deze paragraaf gaat in op de positionering van de gemeentelijke taken per onderdeel en de rol van verschillende partijen daarbij. 1. Regie gemeente vanaf opvang 1.1 Casusregie Gemeenten dienen regie te voeren van de start tot en met de afronding van de inburgering. Onder casusregie verstaan we de regie op het gehele proces van brede intake, opstellen Persoonlijk Plan voor Inburgering en Participatie (PIP) tot aan monitoren en handhaven gedurende het gehele inburgeringstraject van het individu. Hieronder worden bijbehorende deelprocessen verder uitgewerkt.
Brede intake en persoonlijk Plan voor Inburgering en Participatie (PIP) Dit omvat de eerste stappen in het inburgeringstraject onder regie van de gemeente. Momenteel is nog onduidelijk wie de leerbaarheidstoets afneemt om het niveau van de statushouders vast te stellen. De uitkomst van de leerbaarheidstoets heeft invloed op het inburgeringstraject van de statushouder. Na het afnemen van deze toets en de koppeling van de statushouder aan de vestigingsgemeente moet een brede intake plaatsvinden. In het wetsvoorstel kan de brede intake ook al in het AZC worden afgenomen, maar in de meeste gevallen zal de brede intake plaatsvinden als de statushouders zich gevestigd hebben in één van de Kempengemeenten. Op basis van de uitkomsten van de brede intake wordt door de gemeente een persoonlijk Plan voor Inburgering en Participatie opgesteld. In dit plan wordt de route naar inburgering en participatie vastgelegd. Het PIP krijgt de vorm van een beschikking met een vastgestelde termijn waarbinnen het inburgeringstraject doorlopen moet worden.
4
Indien een vastgesteld traject niet blijkt te passen bij de (capaciteit van de) inburgeringsplichtige dan kan dit traject bijgesteld worden.
Voortgang en handhaving Na vaststelling van het PIP dient verwijzing en overdracht naar de ketenpartners (aanbieders leerroutes, vluchtelingenhulp/-werk etc.) te worden ingezet. Gedurende de eerste periode kan nog van leerroute worden gewisseld indien nodig. De casusregisseur volgt verder het gehele traject door middel van terugkoppeling, rapportages en evaluaties en besluit aan het einde of aan de inburgeringsplicht is voldaan. De gegevens en bevindingen worden opgeslagen in een klantvolgsysteem en naar DUO ter registratie doorgezet. Naar verwachting zal de IND vervolgens haar gewenste gegevens waaronder het inburgeringsresultaat digitaal ophalen bij het DUO. Waar nodig zal de casusregisseur ook handhaven met boetes en bij uitkeringsgerechtigde inburgeraars maatregelen afstemmen met de uitvoerder van de Participatiewet. Degene die de casusregie voert heeft daarom een zware verantwoordelijkheid zowel binnen de gemeente als ten aanzien van de individuele inburgeraar. 1.2 Procesregie Gemeenten zijn ook verantwoordelijk voor de procesregie. Procesregie is niet gericht op de individuele situatie maar gaat over het grotere, overkoepelende geheel. Wanneer bijvoorbeeld afspraken structureel niet door een taalaanbieder worden nagekomen is de procesregisseur verantwoordelijk voor het maken van verbeterafspraken, niet de casusregisseur.
Indien echter op individueel niveau blijkt dat een statushouder bijvoorbeeld de afspraken van het PIP niet nakomt is niet de procesregisseur maar de casusregisseur aan zet. Een procesregisseur ziet er daarnaast op toe dat de samenwerking tussen de diverse partners soepel verloopt. Procesregie hoort bij de reguliere taken van de verantwoordelijke beleidsmedewerker bij de gemeente. Ambtelijk voorstel gemeente Bladel, Bergeijk en Reusel-De Mierden: • Voorgesteld wordt om de casusregie (inclusief brede intake, PIP, voortgang en handhaving) op Kempenniveau te organiseren en te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om dit te beleggen bij KempenPlus. Door te kiezen voor een regisseur die de casusregie uniform oppakt voor alle Kempengemeenten wordt duidelijkheid gecreëerd voor alle ketenpartners en voor de inburgeraar zelf. Op deze manier hoeft een statushouder daarnaast niet vaak hetzelfde verhaal te herhalen omdat de verschillende taken bij dezelfde persoon zijn belegd die het overzicht bewaakt. De casus regisseur betrekt daarbij op alle onderdelen en niveaus van het persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) de ketenpartners lokaal/(sub)regionaal en bewaakt de voortgang vanaf start PIP tot einde inburgering. De regisseur is een verbindende partij en heeft inzicht in- en overzicht van alle schakels vanaf de ‘voor’ inburgering (COA) tot aan einde inburgering.
Omdat het PIP tot slot de vorm heeft van een beschikking, moet daarop ook handhaving plaatsvinden. Het is van belang om dit juridisch te borgen bij een professionele organisatie zoals KempenPlus. KempenPlus heeft al ervaring met participatiecoaches vanuit begeleiding naar werk/participatie vanuit hun huidige takenpakket. Ambtelijk voorstel gemeente Eersel: • Voorgesteld wordt om de casusregie (inclusief brede intake, PIP, voortgang en handhaving) lokaal te organiseren bij de gemeente Eersel. Deze regisseur betrekt op alle onderdelen en niveaus van het PIP de ketenpartners lokaal/(sub)regionaal en bewaakt de voortgang vanaf start PIP tot einde inburgering. De regisseur is een verbindende partij en heeft inzicht in- en overzicht van alle schakels vanaf de ‘voor” inburgering (COA) tot aan einde inburgering. Hierbij gaat gemeente Eersel uit van groei, maatwerk, duurzaamheid en gefaseerde aanpak. Voor het werk, inkomen en participatie onderdeel van het PIP word nauw afgestemd met KempenPlus.
2. Aanbieden leerroutes Gemeenten zijn in het nieuwe stelsel verantwoordelijk voor het aanbieden van taaltrajecten voor asielstatushouders. Op basis van de brede intake en het PIP kan worden bepaald welke van de drie leerroutes het beste past bij de inburgeringsplichtige. Indien de vastgestelde leerroute niet blijkt te passen bij de (capaciteiten van de) inburgeringsplichtige dan kan er gewisseld worden van route. Het PIP dient dan gewijzigd te worden. Er zijn 3 routes te onderscheiden die door gemeenten moeten worden vormgegeven. De B1-route, de onderwijsroute en de Z-route. Naast deze formele vormen van taalonderwijs blijft er altijd ruimte voor non-formele vormen van taalonderwijs. Er wordt momenteel nog vanuit gegaan dat taalaanbieders in de nieuwe situatie ook het onderdeel ‘Kennis van de Nederlandse maatschappij’ (KNM) aanbieden als onderdeel van de cursus, net zoals
dat in het huidige stelstel het geval is. De module Arbeid en Participatie (MAP) vervangt de oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA) in het nieuwe stelsel. ONA is momenteel vaak onderdeel van de taalaanbieder. De MAP wordt gezien als apart onderdeel en krijgt een meer praktische invulling. Denk aan een stage of werkervaringsplek wat aansluit bij de intrinsieke motivatie van de inburgeraar. Ambtelijk voorstel gemeente Bladel, Bergeijk, Reusel-De Mierden en Eersel: • De B1 route op het niveau van de subregio Eindhoven in te richten om tot een passend aanbod te komen: - Samenwerking B1-route is noodzakelijk omdat de doelgroep in de Kempengemeenten te klein is om het lokaal vorm te geven (in 2019 zou ca. 25%/6 inburgeraars van heel de Kempen hiervoor in aanmerking komen). Het voorziet gemeenten van meer mogelijkheden om inburgeraars een gedifferentieerd aanbod te doen dat doorlopend plaatsvindt. De minister behoudt de mogelijkheid middels een aanwijzingsbevoegdheid om regionale samenwerking tussen gemeenten verplicht te stellen, mocht dit nodig blijken. Dit willen we niet afwachten, maar juist voorsorteren zodat we het op voorhand goed geregeld hebben. Daarnaast kunnen we niet voldoen aan de kernprincipes ‘tijdig starten’ en ‘maatwerk’ van de veranderopgave inburgering, als we niet samenwerken.
Behartiging van lokale belangen gebeurt middels een ambtelijke vertegenwoordig namens elk cluster zodat (incidenteel) input kan worden geleverd tijdens het inkoopproces. • De Onderwijsroute op het niveau van de subregio Eindhoven in te richten om tot een passend aanbod te komen; - Voor de Onderwijsroute zijn we afhankelijk van MBO/HBO/WO onderwijsinstellingen. Het verwachte aantal deelnemers aan deze route is 10%/3 inburgeraars per jaar. Dit is iets dat onmogelijk op lokaal niveau is vorm te geven, hier is geen andere keuze dan aansluiten bij arbeidsmarktregio Eindhoven. Dit is echter geen probleem. Voor een vervolgopleiding moet de statushouder ook naar Eindhoven. Behartiging van lokale belangen gebeurt middels een ambtelijke vertegenwoordig namens elk cluster zodat (incidenteel) input kan worden geleverd tijdens het inkoopproces. • De Z-route op bovenregionaal niveau in te richten waarbij de borging op Kempenniveau als uitgangspunt wordt genomen. - Voor de Z-route worden in de Kempengemeenten de meeste deelnemers verwacht (ca. 65%; 20 personen per jaar). Bij de inkoop onder begeleiding van Bizob met andere randgemeenten van Eindhoven wordt gekeken of samen opgetrokken kan worden, maar waarbij de daadwerkelijke inburgeringslessen lokaal kunnen worden uitgevoerd (bijv. bij KempenPlus op locatie).
In Eersel loopt nu een traject met deze specifieke doelgroep en onderzocht zal worden om bij voldoende aantallen (statushouders) in 2021 deze werkwijze lokaal voort te zetten in overleg met betrokken partijen in de uitvoering.
3. Ontzorgen eerste zes maanden Omvat trajecten om bijstandsgerechtigde inburgeringsplichtigen zelfredzaam te maken op het gebied van financiën. Ontzorgen bestaat uit twee elementen: gemeenten moeten de financiële zelfredzaamheid van inburgeraars stimuleren en moeten de eerste zes maanden van het inburgeringstraject verplicht betalingen van huur, gas, water, stroom en zorgverzekering verrichten uit de toegekende bijstand. Dit laatste element heet ‘verplicht ontzorgen’. Dit proces geldt alleen voor asielstatushouders met een bijstandsuitkering. Ambtelijk voorstel gemeente Bladel, Bergeijk, Reusel-De Mierden en Eersel: • Voorgesteld wordt om het financieel ontzorgen op Kempenniveau te organiseren en dit te beleggen bij KempenPlus. KempenPlus verstrekt de uitkeringen voor de Kempengemeenten en moet ongeacht regierol volgens de aanstaande wetswijziging in de Participatiewet statushouders financieel ontzorgen. Om daarnaast financiële zelfredzaamheid van inburgeraars te stimuleren kan KempenPlus bovendien in samenwerking met afdeling Maatschappelijke Dienstverlening (MD) een programma ontwikkelen. MD heeft dan ook de kennis van het voorkomen van schulden en schuldhulpverlening. Om te voorkomen dat inburgeraars na deze 6 maanden meteen in de problemen komen is het van belang dat er
ook na deze periode speciale aandacht en begeleiding is. In overleg met bovengenoemde partijen worden deze mogelijkheden verder onderzocht.
4. Participatieverklaringstraject Gemeenten moeten naast de drie leerroutes ook het participatieverklaringstraject (PVT), Module arbeid en participatie (MAP) en maatschappelijke begeleiding aanbieden. Zowel het PVT als MAP moeten binnen 18 maanden na vestiging in de gemeente worden afgerond. Bij het participatieverklaringstraject draait het om het kennismaken en kennisnemen van de Nederlandse kernwaarden (zoals gelijkheid, vrijheid, participatie etc.). Door ondertekening van de participatieverklaring tonen ze hun betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving, en hun bereidheid om daar actief aan bij te dragen. Gemeenten zijn ook nu al verantwoordelijk voor PVT’s, maar de minimumtijd van de cursus gaat omhoog van minstens 4 uur naar minstens 12 uur. Daarnaast moet vanaf 1 juli 2021 een aanvullende activiteit of excursie opgenomen worden in het PVT. Voorwaarde voor deze activiteit of excursie is dat hij maatschappelijke meerwaarde moet hebben (bijvoorbeeld bezoek aan bibliotheek, verzorgingstehuis, etc.). In het huidige stelsel is een eigen bijdrage van gezins- en overige migranten voor het PVT verplicht. Deze valt weg met de invoering van het nieuwe stelsel. Ambtelijk voorstel gemeente Bladel, Bergeijk, Reusel-De Mierden en Eersel: • Voorgesteld wordt om de uitvoering van het Participatieverklaringstraject op Kempenniveau te organiseren in samenwerking met lokale partners.
De ervaring leert dat de statushouders bekend zijn met Vluchtelingenhulp of -werk, al voordat zij aan het participatieverklaringstraject starten. Hierdoor kan makkelijker contact gemaakt worden met de statushouders en komen discussies mogelijk beter los. Participatieverklaringstrajecten moeten uitgevoerd worden in groepen van ca. 15 personen. Wanneer een gemeente zelf te weinig deelnemers heeft is het combineren van statushouders uit verschillende gemeenten in één groep is goed mogelijk. Op die manier realiseer je meer instroommomenten. Nu moeten statushouders soms bijna een jaar wachten voordat in een gemeente een traject wordt gestart. Daarbij kan ook een gezamenlijk Kempenprogramma opgesteld worden voor de Participatieverklaringstrajecten met betrokken partijen (vluchtelingenhulp/-werk, KempenPlus). Bovendien kan er dan meer rekening gehouden worden met de afkomst en het taalniveau van de statushouder.
5. Maatschappelijke begeleiding Maatschappelijke begeleiding biedt hulp bij het opstarten van de inburgering, en stimuleert participatie en integratie. Concreet houdt dit in dat er ondersteuning wordt geboden bij hulpvragen op verschillende gebieden en dat er voorlichting wordt gegeven over leefgebieden en maatschappelijke instituties. Deze begeleiding vindt zo spoedig mogelijk plaats nadat de asielstatushouder vanuit de opvang wordt gehuisvest in de gemeente. In deze periode moet immers het meest geregeld worden en is de behoefte aan praktische informatie bij de nieuwkomers het grootst. In het huidige stelsel zijn gemeenten ook al verantwoordelijk voor het verzorgen van maatschappelijke begeleiding, maar de inhoud van de ‘maatschappelijke begeleiding’ verandert wel. In de nieuwe situatie zijn enkele onderdelen die in het huidige stelsel bij maatschappelijke begeleiding horen onderdeel van andere trajecten. Zo wordt de kennismaking met lokale organisaties in het nieuwe stelsel bij het PVT gevoegd. De taken zijn complementair aan elkaar. Ambtelijk voorstel gemeente Bladel, Bergeijk, Reusel-De Mierden en Eersel: • Voorgesteld wordt om de maatschappelijke begeleiding lokaal te organiseren en de huidige inzet te continueren. Waar dit momenteel wordt belegd verschilt per gemeente, denk aan vluchtelingenhulp of -werk.
Zij kennen de lokale gemeenschap als geen ander en weten waar de behoefte ligt.
5. Aandachtspunten Om succesvolle inburgering mogelijk te maken moeten met de volgende zaken rekening gehouden worden: a. Kinderopvang: veel inburgeraars hebben jonge kinderen die nog niet naar school gaan. Goede kinderopvang kan sterk bijdragen aan de mate waarin deze mensen om te kunnen voldoen aan hun inburgeringsplicht. b. Bereikbaarheid: inburgeraars moeten de locatie van de inburgeringsactiviteiten kunnen bereiken. Zeker in landelijke gebieden, waar taalaanbieders vaak niet in de woonplaats van de inburgeraar zitten, is dit niet altijd eenvoudig voor een inburgeraar. Er zijn verschillende manieren waarop gemeenten dit kunnen oplossen. Soms wordt een fiets aangeschaft voor de inburgeraar, op andere plekken worden de kosten van vervoer vergoed. Zo zou er aansluiting kunnen worden gezocht bij bestaande verbindingen. c. Spanningsveld inburgering en re-integratie: de gemeentelijke regie op het inburgeringsaanbod maakt het beter mogelijk om de inburgering te verbinden met andere relevante beleidsterreinen in het sociaal domein, zoals de Participatiewet. Dit betreft zowel de aspecten van doelmatigheid (de weg naar betaald werk) als rechtmatigheid (ontzorgen en inkomen). Zo is er sprake van een spanningsveld tussen inburgering en re-integratie.
Centraal staat daarbij de vraag in hoeverre gemeenten kiezen voor snelle of duurzame uitstroom van statushouders (en andere bijstandsgerechtigden). Het huidige beleid biedt reeds mogelijkheden om maatwerk te leveren aan bijstandsgerechtigden. Daarbij kun je bijvoorbeeld kiezen om klanten zo snel mogelijk uit te laten stromen richting werk, ‘tenzij..’. Het is immers vanuit de Participatiewet niet alleen de taak van gemeenten om mensen aan het werk te krijgen, maar ook om ze aan het werk te houden. d. Financiën: de financiële middelen voor de lokale uitvoering van de Wet inburgering worden uiterlijk in de voorjaarsnota 2020 bekendgemaakt. Hoewel deze informatie later beschikbaar komt moeten gemeenten vanwege de ingangsdatum toch al hun voorbereidingen treffen. Een financiële doorvertaling van de lokale invulling van de wet wordt gemaakt zodra er meer bekend is over de middelen die vanuit het Rijk beschikbaar worden gesteld. De uitwerking van deze vervolgkeuzes zal dan ook op een later moment ter besluitvorming aan uw college worden aangeboden. e. KempenPlus mogelijk als partner voor een deel van de gemeente: zoals terug te lezen in paragraaf 4.3 wijkt het ambtelijke advies van de gemeente Eersel op een onderdeel af van de andere Kempengemeenten, namelijk de invulling van de casusregie.
Dit zou kunnen betekenen dat KempenPlus verantwoordelijk wordt voor de uitvoering van een aantal taken voor de Kempengemeenten, behalve voor de gemeente Eersel. Dit wordt door KempenPlus en de overige gemeenten niet gezien als een wenselijke situatie. De eventuele consequenties hiervan komen in de verdere uitwerking aan de orde.
6. Vervolg Deze notitie legt een aantal keuzes en vragen voor waarmee uw college een besluit kan nemen over de manier waarop de Wet Inburgering wordt voorbereid en uitgevoerd. Dit vormt het richtinggevend kader voor onder andere het inkooptraject, de nieuwe verordening en op te stellen beleidsregels. De secundaire processen (werkprocessen, ICT-systemen, communicatie, informatievoorziening etc.) komen later in het traject aan bod. Voor het tijdspad wordt verwezen naar hoofdstuk 2.
Begrippenlijst 1. Arbeidsmarktregio en subregio Eindhoven: de arbeidsmarktregio is een samenwerking tussen gemeenten, werkgevers, werknemers, onderwijs en het UWV. De regio voert het arbeidsmarktbeleid uit: werkgevers en werknemers worden aan elkaar gekoppeld. Er zijn vier regio’s: Zuidoost- (twee subregio’s Eindhoven en Helmond, die nauw samenwerken), Noordoost-, West- en Midden-Brabant. Dit zijn de arbeidsmarktregio’s. 2. Asielstatushouders: personen die een asielaanvraag hebben ingediend, en een (tijdelijke) verblijfsvergunning toegewezen hebben gekregen. Dit geldt dus ook voor nareizende gezinsleden. Zij zijn hier immers op een asielvergunning. 3. Asielzoekerscentrum (AZC): een plaats waar vluchtelingen verblijven totdat over hun asielaanvraag een beslissing is genomen. 4. B1-route: leerroute waarbij het leren van de taal op B1 niveau wordt gecombineerd met (vrijwilligers)werk en participatie. 5. Bovenregionaal niveau: hiermee worden de randgemeenten van Eindhoven bedoeld. 6. Brede Intake: met de brede intake ontstaat een zo compleet mogelijk beeld van de situatie van de vluchteling. Denk aan onderwijs- en arbeidskansen, motivatie, interesses, digitale vaardigheden, praktische competenties, de gezinssituatie, gezondheid en het netwerk. Gemeenten geven de brede intake zelf vorm, bijvoorbeeld via assessments of met meerdere gesprekken.
Op basis van de brede intake wordt een individueel Plan Inburgering en Participatie (PIP) opgesteld. 7. Casusregie: onder casusregie verstaan we de regie op het gehele proces van brede intake, opstellen Persoonlijk Plan voor Inburgering en Participatie (PIP) tot aan monitoren en handhaven gedurende het gehele inburgeringstraject van het individu. 8. Gezinsmigranten (niet te verwarren met nareizende gezinsleden): buitenlandse partners van Nederlanders. Gezinsmigranten 9. Inburgeringsplichtige/ inburgeraar: personen die verplicht zijn hun inburgeringsexamen te halen. Dit zijn vreemdelingen, conform de Vreemdelingenwet, met een verblijfstatus die tussen 16 en 67 jaar oud zijn. 10. Module Arbeid en Participatie (MAP): vervangt de oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA) in het nieuwe stelsel. Het speelt een belangrijke rol bij het bekend raken van inburgeringsplichtigen met de Nederlandse arbeidsmarkt en het eigen maken van vaardigheden en capaciteiten die benodigd zijn om te participeren. 11. Onderwijsroute: leerroute die is gericht op het behalen van een Nederlands schooldiploma op minimaal mbo-2-niveau voor een goede startpositie op de arbeidsmarkt. De onderwijsroute geldt voor jongeren tot 28 jaar. 12.
Participatieverklaringstraject (PVT): bij het participatieverklaringstraject draait het om het kennismaken en kennisnemen van de Nederlandse kernwaarden (zoals gelijkheid, vrijheid, participatie etc.). Door ondertekening van de participatieverklaring tonen ze hun betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving, en hun bereidheid om daar actief aan bij te dragen. 13. Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP): in dit plan wordt de route naar inburgering en participatie vastgelegd. Het PIP krijgt de vorm van een beschikking met een vastgestelde termijn waarbinnen het inburgeringstraject doorlopen moet worden. 14. Procesregie: procesregie is niet gericht op de individuele situatie maar gaat over het grotere, overkoepelende geheel. Wanneer bijvoorbeeld afspraken structureel niet door een taalaanbieder worden nagekomen is de procesregisseur verantwoordelijk voor het maken van verbeterafspraken, niet de casusregisseur. Indien echter op individueel niveau blijkt dat een statushouder bijvoorbeeld de afspraken van het PIP niet nakomt is niet de procesregisseur maar de casusregisseur aan zet. Een procesregisseur ziet er daarnaast op toe dat de samenwerking tussen de diverse partners soepel verloopt. 15. Statushouder: wanneer een vluchteling in Nederland een verblijfsvergunning ontvangt, dan gebruiken we daarna de term statushouder (afgeleid van verblijfstatus). 16.
Z-route: leerroute voor mensen met een lage leerbaarheid, voor wie de onderwijs- of B1-route buiten bereik ligt.
Literatuur 1. Wolters Kluwer (2020). Actualiteitendag Wet inburgering. Geraadpleegd van https://www.wolterskluwer.nl/shop/opleiding/actualiteitendag-wet-inburgering/PROD02732/ 2. Divosa (2019). Nieuwe wet Inburgering 2021 van kracht. Geraadpleegd van https://www.divosa.nl/nieuws/nieuwe-wet-inburgering-2021-van-kracht 3. Binnenlands bestuur (2019). Geef nu al vorm aan de veranderopgave inburgering. Geraadpleegd van https://www.binnenlandsbestuur.nl/bestuur-en-organisatie/kennispartners/bmc/geef-nu-al-vorm-aande-veranderopgave-inburgering.9626550.lynkx 4. Divosa (2020). Model Plan van Aanpak Implementatie nieuwe Wet inburgering. Geraadpleegd van https://www.divosa.nl/publicaties/model-plan-van-aanpak 5. VNG (2019). Veldonderzoek kosten nieuw inburgeringsstelsel. Geraadpleegd van https://vng.nl/publicaties/veldonderzoek-kosten-nieuw-inburgeringsstelsel
Bijlagen startnotitie Bijlage 1. Schematische weergave beleidstheorie veranderopgave inburgering
Bijlage 3) Overzicht belangrijkste wijzigingen Wet inburgering Onderwerp Aanbod Inburgering
Wet inburgering (nu) Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) verstrekt leningen en is verantwoordelijk voor het afnemen van de inburgerings- en staatsexamens NT2.
Wet inburgering 2021 (straks) Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de inkoop van inburgeringscursussen bij de door hen geselecteerde aanbieders voor asielmigranten. Er zijn 3 leerroutes: Reguliere route (B1-route), waarbij de taalnorm verhoogd wordt van A2 naar B1; een taalniveau waarmee de inburgeraar ook op de arbeidsmarkt kan functioneren; Onderwijsroute, gericht op het behalen van een Nederlands schooldiploma; mbo-niveau 2 of hoger; Zelfredzaamheidsroute (Z-route), voor mensen voor wie de andere 2 routes buiten bereik liggen.
Brede intake en persoonlijk inburgeringsplan (PIP)
Inburgeraars hebben geen persoonlijk inburgeringsplan waarin het juiste niveau is vastgelegd. Inburgeraars leren de Nederlandse taal vaak op een te laag of juist een te hoog niveau.
Inburgeraars hebben wel een persoonlijk inburgeringsplan waarin het juiste niveau is vastgelegd.
Voortgang en handhaving
Geen periodieke controle van de voortgang of handhaving. DUO handhaaft op termijnen en eventueel op niet afgeronde verplichte onderdelen.
Gemeenten volgen de voortgang van de inburgeraar. Indien afspraken van het PIP niet worden nagekomen kan de gemeente bij onvoldoende inspanningen van de inburgeraar handhavend optreden. DUO handhaaft op termijnen en eventueel op niet afgeronde verplichte onderdelen.
Financieel ontzorgen en financiële zelfredzaamheid
Inburgeraars worden niet verplicht financieel ontzorgd. Er is geen verplichte ondersteuning georganiseerd bij het aanleveren van financiele vaardigheden.
Statushouders met een uitkering worden in de beginperiode (eerste zes maanden) ontzorgd. Hieronder wordt verstaan het automatisch inhouden en doorbetalen van de vaste lasten op de Participatiewet-uitkering. Dit wordt opgenomen in de Participatiewet.
Gemeenten nemen een brede intake af, die samen met de leerbaarheidstoets wordt vastgelegd in een persoonlijk Plan voor Inburgering en Participatie (PIP). Daarin wordt dus het juiste niveau vastgelegd, in samenspraak met de inburgeringsplichtige.
Daarnaast dienen gemeenten ondersteuning te organiseren bij het aanleggen van financiele vaardigheden. Zo kunnen asielstatushouders zoveel mogelijk financiële taken zelf uitvoeren na afloop van deze ontzorgingsperiode. Participatieverklaringstraject (PVT)
Gemeenten bieden het verplichte Participatieverklaringstraject aan van vier uur. Eigen bijdrage van gezins- en overige migranten voor het PVT is verplicht
Gemeenten bieden het verplichte Participatieverklaringstraject aan van twaalf uur. Daarnaast moeten gemeenten een aanvullende activiteit of excursie opnemen in het PVT die van maartschappelijke meerwaarde is. De eigen bijdrage van gezins- en overige migranten voor het PVT is niet meer verplicht
(Arbeids-) participatie
Via de taalaanbieder volgen inburgeraars een aanbod Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA).
De ONA wordt vervangen door de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en heeft een aanvullend praktisch element. In de MAP moeten de inburgeraars kennismaken met de Nederlandse arbeidsmarkt en doen ze kennis en vaardigheden op die nodig zijn om duurzaam te participeren op de arbeidsmarkt