CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 24 Bijlage Toelichting Ontheffing Soortenbescherming

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente BergeijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan “Weerderdijk 5, Westerhoven”10.397 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESCHIKKING VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN NOORD-BRABANT

Op de op 15 oktober 2021 ontvangen aanvraag van provincie NoordBrabant om een ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid en artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, voor de sloop van de huidige bebouwing en het realiseren van een woning met een paardenfokkerij aan de Weerderdijk 5, 5563 VG te Westerhoven, in de gemeente Bergeijk.

ons kenmerk Z/157823-302102

plaats / datum ‘s-Hertogenbosch, 10 mei 2022

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, namens deze,

De heer J. Reijnen Teammanager provincie

ODBN, Kenmerk

Pagina 1 van 33 Z/157823-302102

BESLUIT Onderwerp Op 15 oktober 2021 hebben wij van provincie Noord-Brabant een aanvraag ontvangen voor een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor het overtreden van verboden ten aanzien van beschermde soorten, dit als gevolg van de sloop van de huidige bebouwing en het realiseren van een woning met een paardenfokkerij aan de Weerderdijk 5, 5563 VG te Westerhoven, in de gemeente Bergeijk. Besluit Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in deze ontheffing, I. aan provincie Noord-Brabant, Postbus 1, 5200 MC te ‘s-Hertogenbosch, de gevraagde ontheffing te verlenen, op grond van artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, en artikel 3.10, tweede lid, juncto artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, van de bepalingen als bedoeld in: • artikel 3.1, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, voor het vernielen of te beschadigen van nesten of rustplaatsen van de: - huismus (Passer domesticus); - kerkuil (Tyto alba); • artikel 3.5, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, voor het opzettelijk verstoren van de: - gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); - gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus); • artikel 3.5, vierde lid, van de Wet natuurbescherming, voor het beschadigen of te vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de: - gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); -

gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus); • artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wet natuurbescherming, voor het opzettelijk te beschadigen of te vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de: - steenmarter (Martes foina); voor de periode tot en met 28 februari 2027; dat de beschrijving van de activiteiten in de aanvraag voor zover deze betrekking heeft op de soorten als bedoeld onder I, deel uitmaken van deze ontheffing; II. aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die zijn opgenomen onder het onderdeel ‘voorschriften’, en ook dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van de deze ontheffing: • Bijlage 1: overzichtstekening van de planlocatie • Bijlage 2: fasering van de werkzaamheden • Bijlage 3: locaties van de mitigerende en compenserende maatregelen • Bijlage 4: meldingsformulier start werkzaamheden (zie voorschrift 1) • Het ‘Activiteitenplan Weerderdijk 5 te Westerhoven’ (TAUW, 2021, projectnr.: 1276779), hiernaar activiteitenplan • De rapportage ‘Natuurtoets Weerderdijk 5 te Westerhoven’ (Tauw, 2020, projectnr.: 1276779), hiernaar natuurtoets • De rapportage ‘Nader soortgericht onderzoek Weerderdijk 5 te Westerhoven’ (Tauw, 2021, projectnr.: 1276779), hiernaar soortgericht onderzoek • De aanvullingen van 17 februari 2022 en 12 april 2022

ODBN, Kenmerk

Pagina 2 van 33 Z/157823-302102

Rechtsmiddelen Bezwaar Bezwaren tegen dit besluit kunnen binnen zes weken na de bekendmaking van dit besluit worden ingediend bij: Het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant Secretariaat van de hoor- en adviescommissie Postbus 90151 5200 MC te ‘S-HERTOGENBOSCH Wij vragen u om op de linkerbovenhoek van de envelop het woord "bezwaarschrift" te vermelden. Het bezwaarschrift moet zijn voorzien van een handtekening, naam en adres van de indiener, de dagtekening en ons kenmerk van het besluit. Ook dient u een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is en de gronden van het bezwaar hierin op te nemen. Daarnaast vragen wij u om een kopie van dit besluit bij te voegen. Kunt u ons ook uw telefoonnummer geven? De provincie kan dan, mocht dit nodig zijn, u bellen om samen de beste aanpak van behandeling van uw bezwaarschrift te bespreken. Meer informatie over de behandeling van bezwaarschriften vindt u op www.brabant.nl/bezwaar. U kunt het secretariaat van de Hoor- en adviescommissie bereiken via telefoonnummer (073) 680 83 04, faxnummer (073) 680 76 80 en e-mailadres bezwaar@brabant.nl. Voorlopige voorziening Bovenstaand besluit treedt in werking, ook al wordt een bezwaarschrift ingediend.

Het is daarom mogelijk om gelijktijdig met of na het indienen van een bezwaarschrift een zogenaamde “voorlopige voorziening” te vragen bij: de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant, sector Bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA 's-Hertogenbosch. Een voorlopige voorziening is in feite het nemen van een tijdelijke maatregel, bijvoorbeeld het schorsen van het besluit gedurende de tijd die nodig is om de bezwaren te behandelen en daarop een besluit te nemen. Voorwaarde om zo’n voorlopige voorziening te vragen is, dat er sprake is van spoedeisend belang. Voor het vragen van een voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd.

ODBN, Kenmerk

Pagina 3 van 33 Z/157823-302102

INHOUDSOPGAVE Besluit ....................................................................................................................................................... 2 Voorschriften............................................................................................................................................ 5 Procedurele overwegingen ...................................................................................................................... 7 Inhoudelijke overwegingen ...................................................................................................................... 8 1. Wettelijk kader - Wet natuurbescherming ................................................................................................. 8 1.1 Beschermingsregimes ............................................................................................................................. 8 1.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant...................................................................................... 8 2. Toetsing effecten ruimtelijke ingreep ......................................................................................................... 9 2.1 Aangevraagde activiteiten ......................................................................................................................

9 2.2 Onderzoek soorten .................................................................................................................................. 9 2.3 Mogelijke effecten op beschermde soorten .......................................................................................... 10 2.4 Alternatievenafweging ......................................................................................................................... 12 2.5 Belang van de aanvraag ....................................................................................................................... 13 2.6 Mitigerende en compenserende maatregelen en staat van instandhouding ....................................... 14 3. Conclusie ................................................................................................................................................... 21

Bijlage 1. Overzichtstekening van de planlocatie ................................................................................... 22 Bijlage 2. fasering van de werkzaamheden ............................................................................................ 23 Bijlage 3. Locaties van de mitigerende en compenserende maatregelen ............................................. 24 Bijlage 4. Meldingsformulier start handelingen beschermde soorten .................................................. 31

ODBN, Kenmerk

Pagina 4 van 33 Z/157823-302102

VOORSCHRIFTEN Algemene voorschriften 1. De ontheffinghouder dient, zodra de datum waarop de werkzaamheden aanvangen bekend is, doch uiterlijk 2 weken voor aanvang van de activiteiten, het bijgevoegde meldingsformulier volledig in te vullen en naar ons op te sturen. Met werkzaamheden en/of activiteiten worden alle handelingen bedoeld die invloed hebben op de beschermde soorten, zoals ongeschikt maken van de verblijfplaatsen. 2. De ontheffinghouder dient onmiddellijk contact met ons op te nemen via info@odbn.nl indien bij het uitvoeren van de activiteiten andere beschermde soorten dan de genoemde worden aangetroffen, of andere handelingen als bedoeld in onderdeel I en II van het besluit noodzakelijk zijn. 3. Deze ontheffing kan uitsluitend gebruikt worden door (medewerkers van) de ontheffinghouder of haar rechtsopvolgers of in opdracht van de ontheffinghouder handelende (rechts)personen. De ontheffinghouder of haar rechtsopvolgers blijven daarbij verantwoordelijk en aansprakelijk voor de juiste naleving van de aan deze ontheffing verbonden voorschriften. 4. Deze genoemde (rechts)personen dienen op de hoogte te zijn van de inhoud en het doel van deze ontheffing en de daaraan verbonden voorschriften, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven. 5.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een (digitaal) afschrift van deze ontheffing op de locatie van de werkzaamheden aanwezig te zijn en op eerste verzoek te worden getoond aan de daartoe bevoegde toezichthouder of opsporingsambtenaar. 6. De ontheffinghouder dient, met inachtneming van de hier genoemde voorschriften, de mitigerende en compenserende maatregelen uit te voeren zoals beschreven in de aanvraag, het activiteitenplan (hoofdstuk 5) en de aanvullende gegevens van 17 februari 2022 en 12 april 2022. 7. De activiteiten en hier genoemde voorschriften dienen te worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecologisch deskundige1 op het gebied van de soorten waarvoor ontheffing is verleend. 8. Alle handelingen en bevindingen dienen door de ecoloog te worden bijgehouden in een logboek. Ook dienen er duidelijke foto’s van de werkzaamheden en de geplaatste voorzieningen te worden opgenomen in het logboek. Dit logboek dient op verzoek van een toezichthouder direct te worden overhandigd. 9. De ontheffinghouder dient een ecologisch werkprotocol op te stellen op basis van de aanvraag en de hier genoemde voorschriften. Alle betrokken partijen, met name ook de uitvoerenden op de initiatieflocatie, dienen, voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden, van de inhoud van het werkprotocol op de hoogte gesteld te worden en dienen dit aantoonbaar na te leven. 10.

Dit ecologisch werkprotocol dient ter informatie aan ons te worden toegezonden vóór aanvang van de werkzaamheden, via info@odbn.nl, onder vermelding van het zaaknummer Z/157823.

1

Wat wij hieronder verstaan staat in de toelichting op het aanvraagformulier: https://www.brabant.nl/applicaties/producten/wet_natuurbescherming__ontheffing_beschermde_soorten_16411 ODBN, Kenmerk

Pagina 5 van 33 Z/157823-302102

Specifieke voorschriften 11. Indien de locaties van de permanente voorzieningen voor de beschermde soorten wijzigen ten opzichte van figuur 13 van bijlage 3 van onderhavig besluit dan dienen de nieuwe locaties van de permanente voorzieningen inzichtelijk gemaakt te worden op een kaart/plattegrond en ter informatie aan ons te worden toegestuurd, via het mailadres info@odbn.nl, onder vermelding van het zaaknummer Z/157823. 12. Indien werkzaamheden worden uitgevoerd vóór zonsopgang, tijdens schemering of ná zonsondergang dient de verlichting uitsluitend op die plekken gericht te worden waar deze benodigd is. Uitstraling van verlichting naar de omgeving en lucht is niet toegestaan. 13. Dekking biedende beplanting en rommel binnen het plangebied dient voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten de kwetsbare periode van 1 maart tot 31 juli te worden verwijderd. 14. De alternatieve verblijfplaats voor de steenmarter (marterbox) dient van voldoende beschutting te worden voorzien door het plaatsen van bladeren/takken of andere natuurlijke materialen. 15. De te slopen gebouwen dienen ten minste 1 week voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt gemaakt te worden voor vleermuizen.

Dit dient te gebeuren in het actieve seizoen van vleermuizen, globaal lopend van 1 april tot 15 oktober, en ten aanzien van gebouw 2 met daarin de jaarrond in gebruik zijnde verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis buiten de kwetsbare kraamperiode (1 mei tot 15 september). 16. Op het moment van het ongeschikt maken van de gebouwen en de drie daaropvolgende dagen dienen de weersomstandigheden gunstig te zijn conform het Vleermuisprotocol 2021. 17. Na het ongeschikt maken van de gebouwen dient uiterlijk 3 dagen voorafgaand aan de werkzaamheden in de actieve periode bij juiste weersomstandigheden, conform het Vleermuisprotocol 2021, een controleronde uitgevoerd te worden naar de aan-/afwezigheid van vleermuizen. 18. Indien tijdens de werkzaamheden toch vleermuizen worden aangetroffen, dient het werk direct stopgezet te worden totdat de vleermuizen uit zichzelf vertrokken zijn. Zolang een vleermuis aanwezig is, mogen werkzaamheden niet worden uitgevoerd. Een deskundige dient hierbij geraadpleegd te worden. 19. Er dienen ten minste vier invliegopeningen gerealiseerd te worden die toegang bieden tot de zolder met daarin de verblijfplaats voor de gewone grootoorvleermuis, waarbij de invliegopeningen 1,7- 2,5 cm breed of hoog dienen te zijn 20.

De acht permanente verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis dienen minimaal 50 centimeter breed bij 80 centimeter hoog te zijn, zoals beschreven wordt in paragraaf 3.2 van het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, (BIJ12, 2017). De oppervlakte van minimaal 50 centimeter breed bij 80 centimeter hoog kan gerealiseerd worden door kasten te schakelen of door een ander type kast te plaatsen. Ook kan ervoor gekozen worden om verblijfplaatsen van ten minste 50 centimeter breed x 80 centimeter hoog te realiseren in de spouw van de nieuwbouw conform de eisen gesteld in het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis van BIJ12 op pagina 33. 21. De nestlocaties van de huismus dienen ongeschikt gemaakt te worden door het handmatig verwijderen van de dakpannen van de woning. 22. Bij plaatsing van de permanente voorzieningen voor de huismus dient rekening gehouden te worden dat de voorzieningen niet te heet worden. Dit dient voorkomen te worden door de voorzieningen op een noord of oost expositie of een ligging in de schaduw te creëren van bijvoorbeeld beplanting, overstek of een dakgoot. 23. Indien er in de toekomstige situatie extra verlichting of verlichting met een hogere intensiteit wordt geplaatst in vergelijking met de oorspronkelijke situatie mag deze verlichting niet uitstralen naar boven toe of naar groen- of waterstructuren.

Daarnaast dient gebruik te worden gemaakt van dynamische verlichting of verlichtingsbronnen, welke afgeschermd zijn door armaturen om uitstraling naar de omgeving te voorkomen.

ODBN, Kenmerk

Pagina 6 van 33 Z/157823-302102

PROCEDURELE OVERWEGINGEN Aanvraag Op 15 oktober 2021 hebben wij van Provincie Noord-Brabant een aanvraag voor een ontheffing ingevolge artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, en artikel 3.10, tweede lid, juncto artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) ontvangen. De aanvraag is op 17 februari 2022 en 12 april 2022 aangevuld. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag en het activiteitenplan. De aanvraag is geregistreerd onder zaaknummer Z/157823. Gedragscode Er wordt geen gebruik gemaakt van een gedragscode. Bevoegd gezag Omdat de activiteit wordt verricht in de provincie Noord-Brabant zijn Gedeputeerde Staten (verder: GS) op grond van artikel 1.3 van de Wnb bevoegd om op de aanvraag te beslissen. Als dit aan de orde is betrekken wij tevens de gevolgen van de activiteit voor de soorten buiten onze provinciegrens bij ons besluit. Reguliere voorbereidingsprocedure In deze procedure wordt de reguliere voorbereidingsprocedure overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht toegepast. Ontvankelijkheid Voor de aspecten van de aanvraag waarvoor een ontheffing vanuit de Wnb is vereist hebben wij beoordeeld of de aanvraag volledig is en voldoende gegevens bevat.

Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van die aspecten waarvoor een ontheffing is gevraagd. Overige regelgeving Bij de beoordeling van deze aanvraag zijn andere aspecten dan gerelateerd aan soortenbescherming op grond van de Wnb en de daarbij behorende regelgeving niet betrokken. Een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving kan daarom aan de orde zijn, onder andere voor ruimtelijke ordening of bouwen. Deze aanvraag is niet getoetst aan het onderdeel Natura 2000 van de Wnb. Mogelijk is hiervoor ook een vergunningplicht op grond van de Wnb aan de orde. Als dit het geval is dient de aanvrager ook deze bij de provincie aan te vragen.

ODBN, Kenmerk

Pagina 7 van 33 Z/157823-302102

INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN

1. Wettelijk kader - Wet natuurbescherming

1.1 Beschermingsregimes Op basis van de Wet natuurbescherming zijn er drie beschermingsregimes. Het eerste regime geldt voor vogels op grond van de Vogelrichtlijn. Artikelen 3.1, 3.2 en 3.4 van de Wnb hebben betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor vogelsoorten, waarvoor GS ontheffing kunnen verlenen. Artikelen 3.3 en 3.4 geven de voorwaarden voor het kunnen verlenen van de ontheffing. Het tweede beschermingsregime geldt voor planten en dieren op basis van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn. Artikelen 3.5 en 3.6 van de Wnb hebben betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor deze plant- en diersoorten, waarvoor GS ontheffing kunnen verlenen. De artikelen 3.8 en 3.9 geven de voorwaarden voor het kunnen verlenen van een ontheffing. Het derde regime beschrijft de bepalingen voor andere (nationaal beschermde) soorten. Artikel 3.10 van de Wnb heeft betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor deze plant- en diersoorten en geeft de voorwaarden waaronder GS ontheffing kunnen verlenen. Voor alle soorten geldt in alle gevallen de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). Het gaat dan zowel om beschermd als onbeschermde dier- en plantensoorten. De zorgplicht geldt ongeacht of er een vrijstelling geldt of een ontheffing is verleend.

Hierin wordt bepaald dat eenieder zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, schade aan deze soorten dient te voorkomen. In artikel 5.4 van de Wnb zijn gronden opgenomen waarop een verleende ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd. De ontheffing kan in elk geval worden ingetrokken als blijkt dat de ontheffinghouder zich niet houdt aan de voorschriften. 1.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten hebben ten aanzien van soortbescherming aanvullende kaders vastgesteld. Deze zijn neergelegd in paragraaf 2.6.1 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor bepaalde soorten en handelingen zijn vrijstellingen opgenomen.

ODBN, Kenmerk

Pagina 8 van 33 Z/157823-302102

2. Toetsing effecten ruimtelijke ingreep

2.1 Aangevraagde activiteiten De aangevraagde activiteiten betreffen de sloop van de huidige bebouwing bestaande uit een woonhuis en drie stallen aan de Weerderdijk 5, 5563 VG te Westerhoven, in de gemeente Bergeijk. Tevens wordt het groen verwijderd. Op de locatie van de huidige bebouwing komt een nieuwe woning en een paardenfokkerij voor paarden in het hoger sportsegment. De oppervlakte van het Natuurnetwerk Brabant wordt vergroot om de natuur rondom de Keersop te versterken. Zodoende valt het oude bouwvlak in de toekomstige situatie voor een gedeelte in het NNB. Het nieuwe bouwvlak is een kwartslag gedraaid om ruimte te maken, zodat de natuur rondom de Keersop kan worden versterkt. Alle plannen en werkzaamheden blijven binnen het bouwvlak. Een impressie van de beoogde ontwikkeling is weergegeven in de bijlagen ‘Figuur 1 – Toekomstige situatieschets.pdf’ en ‘Figuur 2 – Toekomstig landschappelijk inpassingsplan.pdf’ als onderdeel van de aanvullingen van 17 februari 2022. De planning is om begin 2022 te starten met de werkzaamheden. Omwille van de aangetroffen verblijfplaatsen van steenmarter, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, huismus en kerkuil wordt de planning aangepast. Alle onderdelen waarbij mogelijk negatieve effecten op deze soorten ontstaan worden uitgevoerd rekening houdend met de kwetsbare periodes en gewenningsperiodes van de soorten.

Dit is uitgewerkt in bijlage 4 van het activiteitenplan en figuur 2 van bijlage 2 van onderhavig besluit. De ontheffing is aangevraagd voor de periode van 1 maart 2022 tot en met 28 februari 2027. Een uitgebreide omschrijving van de activiteiten is opgenomen in de aanvraag. 2.2 Onderzoek soorten Het uitgevoerde onderzoek naar beschermde soorten is beschreven in de bij de aanvraag gevoegde rapportages natuurtoets, soortgericht onderzoek, hoofdstuk 3 van het activiteitenplan en de aanvullingen van 17 februari 2022 en 12 april 2022. Als vooronderzoek heeft literatuuronderzoek plaatsgevonden (NDFF/verspreidingsatlassen). Op 12 mei 2020 heeft een oriënterend veldbezoek (quickscan) naar de aanwezigheid van beschermde soorten plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat de aanwezigheid van een aantal (soort)groepen niet op voorhand uitgesloten kunnen worden in het plangebied. Het gaat hierbij om kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), steenmarter, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw, kerkuil, steenuil en algemene broedvogels. Het nader onderzoek naar kleine marterachtigen en steenmarter is uitgevoerd in 2020, op basis van de Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming.

De gewone cameraval en struikrover hebben van 30 juli 2020 tot 16 september 2020 in het veld gestaan, en de mostela camerakist heeft van 17 augustus 2020 tot 6 oktober dienst gedaan in het plangebied. De mostela camerakist stond ook vanaf 30 juli 2020 in het plangebied, echter heeft het apparaat in de periode van 30 juli tot 17 augustus 2020 geen foto’s gemaakt. Ook is het onderzoek niet in zijn geheel uitgevoerd in de actieve periode van kleine marters. Daarom wijkt de onderzoeksperiode af. Vanwege deze fout is de onderzoeksperiode verlengd, en is er wel voldaan aan de voorgeschreven onderzoeksinspanning. Er zijn geen waarnemingen van kleine marterachtigen gedaan, wel van steenmarter.

ODBN, Kenmerk

Pagina 9 van 33 Z/157823-302102

Het onderzoek naar de aangevraagde gewone dwergvleermuis is conform het Vleermuisprotocol 2017 uitgevoerd. Dit geldt niet voor het onderzoek naar kraam- en zomerverblijfplaatsen van de aangevraagde gewone grootoorvleermuis. Deze onderzoeksrondes zijn 10 tot 30 minuten te kort uitgevoerd, waardoor niet uit te sluiten valt dat dergelijke verblijfplaatsen aanwezig zijn. Daarnaast zijn zowel tijdens de onderzoeksronden in het voor- als najaar waarnemingen gedaan van gewone grootoorvleermuizen in gebouw 2. Om te kunnen borgen dat er in de toekomstige situatie voldoende geschikte verblijfplaatsen voor de gewone grootoorvleermuis aanwezig blijven dient ons inziens uitgegaan te worden van worst-case scenario. Wij zijn van oordeel dat de verblijfplaatsen in gebouw 2 jaarrond in gebruik zijn door de gewone grootoorvleermuis. Ten aanzien van de mitigerende- en compenserende maatregelen wordt voor de gewone grootoorvleermuis een zolder gecreëerd. Wij zijn van mening dat door het nemen van deze maatregel te allen tijde voldoende verblijfplaatsen voor de gewone grootoorvleermuis aanwezig zijn. Het onderzoek naar huismus heeft plaatsgevonden in 2020, op basis van het Soortinventarisatieprotocol voor de huismus (NGB, 2017). Er zijn vier veldbezoeken uitgevoerd in de periode 20 maart tot en met 20 juni 2020.

Tijdens het veldwerk gericht op huismussen is tevens gelet op de aanwezige huis- en boerenzwaluwennesten. Tijdens het onderzoek zijn nestlocaties van de huismus, huiszwaluw en boerenzwaluw vastgesteld. Ten aanzien van de huiszwaluw en boerenzwaluw wordt gesteld dat voor deze soorten geen ecologische zwaarwegende factoren aanwezig zijn, waardoor aan hun nesten geen jaarronde bescherming kan worden toegekend. Dit gezien het aantal waargenomen individuen, het aantal bezette nesten tijdens het onderzoek en de aanwezigheid van geschikte alternatieve broedlocaties in de omgeving van het plangebied. Tot slot heeft het onderzoek naar de kerkuil en steenuil plaatsgevonden in 2021, op basis van de kennisdocumenten Kerkuil en Steenuil (BIJ12, 2017). 2.3 Mogelijke effecten op beschermde soorten Binnen het plangebied is een verblijfplaats (voortplantingsplaats) van de steenmarter vastgesteld. Op 30 augustus 2020 is door de camera in de struikrover een steenmarter vastgelegd. Ook tijdens veldbezoeken zijn verschillende sporen van de steenmarter aangetroffen. Tijdens het vleermuisonderzoek op 22 mei 2020 zijn in gebouw 3 uitwerpselen van de steenmarter waargenomen. Gedurende het vleermuisonderzoek op 2 juni 2020 is in gebouw 3 een steenmarter jong hoorbaar roepend en krabbend op de dakplaten waargenomen.

Tevens zijn hier prooiresten van duif, muizen, boerenzwaluw en zwarte roodstaart aangetroffen, zie figuur 3.2 van het soortgericht onderzoek. De locaties van de sporen en verblijfplaats zijn weergegeven in figuur 3.3 van het soortgericht onderzoek. Verder zijn één zomerverblijfplaats en één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Op 10 juli 2020 is tijdens de ochtendronde een half uur voor zonsopkomst één gewone dwergvleermuis waargenomen aan de zuidzijde (achterzijde) van de woning, gebouw 1. De aanwezigheid van een verblijfplaats op deze locatie is niet uit te sluiten. Daarnaast is op 22 augustus 2020 één baltsende gewone dwergvleermuis rond de gebouwen 1 en 3 waargenomen. Gelet op het gedrag is de aanwezigheid van een paarverblijf zeer waarschijnlijk, er is echter geen in- of aanvliegend gedrag waargenomen, waardoor het niet mogelijk was de precieze locatie van het paarverblijf vast te stellen. Tijdens het avondbezoek op 22 augustus 2020 is één gewone grootoorvleermuis vliegend in en rond gebouw 2 waargenomen. Op 12 september 2020 is één foeragerende en later invliegende gewone grootoorvleermuis aangetroffen. Er is geen gedrag geconstateerd dat duidt op een paarterritorium. Hoewel grootoorvleermuizen in de regel moeilijk waarneembaar zijn, zijn de mannetjes nabij paarverblijfplaatsen erg luidruchtig.

De paarroep is, anders dan de gewone echolocatiepulsen, erg goed waarneembaar met de batdetector. ODBN, Kenmerk

Pagina 10 van 33 Z/157823-302102

Er is nooit een paarroep waargenomen, waardoor de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen uitgesloten is. Op 22 mei 2020 is tijdens de avondronde één gewone grootoorvleermuis uitvliegend vanuit gebouw 2 waargenomen. De verblijfplaats bevindt zich vermoedelijk op het “zoldertje” aan de zuidzijde van gebouw 2. Op 10 juli 2020 zijn drie gewone grootoorvleermuizen invliegend waargenomen in gebouw 2. De verblijfplaatsen van de gewone grootoorvleermuizen bevinden zich vermoedelijk aan de noordzijde van gebouw 2, zie figuur 3.4 van het soortgericht onderzoek. De aanvrager stelt dat de aangetroffen verblijfplaatsen in gebruik zijn als zomerverblijfplaatsen waarin één of enkele mannetjes verblijven. Geen van de waarnemingen toont aan dat er enig gedrag plaatsvond dat duidt op de aanwezigheid van jonge grootoorvleermuizen. Ouderdieren zouden dan regelmatig terug moeten komen in de nacht om te zogen. Dit is in zijn geheel niet waargenomen. Bij twee van de bezoeken is één individuele grootoorvleermuis waargenomen en tijdens één bezoek zijn drie individuen waargenomen. Niets duidt volgens de aanvrager op de aanwezigheid van een kraamverblijf. Wij zijn het niet eens met bovengenoemde onderbouwing gezien het aantal waargenomen individuen in de kraamperiode en het feit dat de aanwezigheid van een mogelijke kraamverblijfplaats op basis van het uitgevoerde onderzoek niet is uit te sluiten.

Door het te kort uitvoeren van het onderzoek kunnen individuen van de gewone grootoorvleermuis zijn gemist om die reden kan niet uitgesloten worden dat de zomerverblijfplaatsen ook in gebruik zijn als kraamverblijfplaats. Gelet op de kenmerken van het gebouw (zeer slecht gebufferd) is de aanwezigheid van winterverblijfplaatsen in milde winterperioden niet uit te sluiten. Tevens blijkt uit het onderzoek dat zowel in het voor- als najaar individuen van de gewone grootoorvleermuis zijn waargenomen in gebouw 2 wat duidt op een jaarrond in gebruik zijnde verblijfplaats. Wij zijn van oordeel dat uitgegaan dient te worden van een jaarrond in gebruik zijnde verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis in gebouw 2. De locaties van de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis en het paarterritorium van de gewone dwergvleermuis is inzichtelijk gemaakt in figuur 3.6 van het soortgericht onderzoek. Daarnaast zijn tijdens het huismusonderzoek in gebouw 1 aan de zuidzijde/achterzijde van de woning twee nesten van de huismus waargenomen. Eén nest bevindt zich onder de derde kantpan vanaf de nok en één nest is in een verlaten nest van huiszwaluw vastgesteld. In één van de nesten is tijdens het onderzoek een actief broedgeval vastgesteld. Zie voor de locaties van de huismusnesten figuren 3.7 en 3.13 van het soortgericht onderzoek.

In de periode van 15 mei tot 15 juli 2020 zijn waarnemingen gedaan van kerkuil en steenuil tijdens de onderzoeken naar andere soort(groep)en. In deze periode zijn uilensporen gevonden in gebouwen 3 en 4. In gebouw 3 zijn veren en braakballen van kerkuil aangetroffen. Tevens zijn twee kerkuilen overdag uitvliegend uit gebouw 3 waargenomen. In gebouw 4 zijn braakballen van steenuil aangetroffen. Tevens is één steenuil ’s ochtends uit gebouw 4 uitvliegend waargenomen. Het is zeer aannemelijk dat er een nestplaats aanwezig is op bijvoorbeeld de dakplaten van gebouw 3. Om die reden heeft in 2021 aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar beide uilensoorten. Gedurende het veldbezoek op 2 februari 2021 is in gebouw 3 op de dakplaten een nestplaats aangetroffen van een kerkuil. De kerkuil is rustend waargenomen, waarna deze door het gebouw naar buiten vloog om te jagen in en rond het plangebied. De steenuil is niet waargenomen. Tijdens de andere twee onderzoeksronden zijn geen waarnemingen gedaan van kerkuil en steenuil. Wel zijn tijdens alle onderzoeksrondes waarnemingen gedaan van braakballen en prooiresten van kerkuil in gebouw 3. De waarneming in 2020 van steenuil is een indicatie dat de steenuil in het plangebied een tijdelijke roestplaats heeft gehad verder zijn in 2020 en 2021 geen waarnemingen gedaan van steenuil.

Er is dus geen vaste nest- of roestplaats van de steenuil binnen het plangebied aanwezig. De locaties van de waarnemingen van de uilen is weergegeven in figuur 3.15 van het soortgericht onderzoek. ODBN, Kenmerk

Pagina 11 van 33 Z/157823-302102

De aanvrager geeft aan dat door het uitvoeren van de activiteiten: - Eén voortplantingsplaats van de steenmarter wordt vernield. - Eén zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis wordt vernield. - Eén paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis wordt vernield. - Twee zomerverblijfplaatsen van de gewone grootoorvleermuis worden vernield. - Individuen van de gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis worden verstoord. - Twee nestlocaties van de huismus worden vernield. - Eén nestplaats van de kerkuil wordt vernield. Dit zijn overtredingen van de bepalingen zoals bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, artikel 3.5, tweede en vierde lid, en artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb. Ten aanzien van de gewone grootoorvleermuis zijn wij van oordeel dat de aangetroffen verblijfplaatsen in gebouw 2 in gebruik zijn als jaarronde verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis. De aanvrager heeft de mitigerende - en compenserende maatregelen hierop aangepast. Er wordt een zolder gerealiseerd en ingericht voor deze soort, waardoor in de toekomstige situatie geborgd is dat er te allen tijde voldoende alternatieve verblijfplaatsen voor de soort aanwezig zijn. 2.4 Alternatievenafweging Het is niet mogelijk om de ontwikkeling op een andere locatie uit te voeren.

De provincie heeft de locatie aangekocht ten behoeve van de versterking van het Natuurnetwerk Brabant van het ten noorden gelegen riviertje de Keersop. Het gaat om een totaalontwikkeling van het stroomdal van de Keersop (een natte natuurparel). De onderligger voor de natuurontwikkeling is het integrale gebiedsplan grenscorridor N69. De natuurontwikkeling is daarom locatie gebonden, een alternatieve locatie is niet mogelijk. Tevens is de boerderij door de provincie aangekocht om de stikstofdruk op de omliggende natuurgebieden te verminderen. Het niet wenselijk om hier een intensieve veehouderij te hebben vanuit de stikstofwetgeving. Daarom is gekozen voor het realiseren van een paardenstoeterij. Er is onderzocht of behoud van het woonhuis en de stallen met daarin de verblijfplaatsen van beschermde soorten mogelijk was, maar deze verkeren in een te slechte conditie. De woning en bijgebouwen zijn aan het einde van hun levensduur (end-of-life) en sloop is de enige optie. Daarnaast is asbest aangetroffen in de daken, de woning en in de drupzones naast de stallen. De omvang van asbestsanering betreft dus niet alleen de daken. Verder zijn er nog andere saneringen die verplicht moeten worden uitgevoerd in het kader van de Wet bodembescherming. Behouden is daarom geen goede optie en is wettelijk gezien niet mogelijk.

Bij het uitvoeren van de werkzaamheden is rekening gehouden met het optimaliseren van leefgebied, aanbieden van alternatieven, creëren van nieuw leefgebied, het weren van soorten om doden te voorkomen en een periodisering van de werkzaamheden. De werkzaamheden worden gefaseerd uitgevoerd, waarbij gelet is op de periodes waarin de soorten het meest actief zijn en de kwetsbare periodes van de aanwezige soorten steenmarter, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, huismus en kerkuil. Daarnaast worden de sloopwerkzaamheden uitgevoerd tijdens daglicht om lichtverstoring op nachtactieve soorten te voorkomen. Ook bij de inrichting van het plangebied wordt met de plaatsing van verlichting rekening gehouden met nachtactieve soorten om lichtverstoring te voorkomen. Er is geen gunstigere werkwijze die minder impact heeft op de aanwezige soorten. Een alternatieve werkwijze is dus wel mogelijk, maar zal eveneens (meer) negatieve effecten hebben op de soorten.

ODBN, Kenmerk

Pagina 12 van 33 Z/157823-302102

Bij de inrichting van het plangebied is rekening gehouden met de uitbreiding van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Brabant rondom de Keersop. Het nieuwe bouwvlak is een kwartslag gedraaid om ruimte te maken, zodat de natuur rondom de Keersop kan worden versterkt. In de toekomstige situatie wordt het plangebied opnieuw geschikt gemaakt voor de aangetroffen soorten. Voor de steenmarter wordt een steenmarterkast in de nieuwbouw en een marterhoop in de directe omgeving gerealiseerd. Ten aanzien van de gewone dwergvleermuis worden inbouwkasten in de gevels van de nieuwbouw gerealiseerd en voor de gewone grootoorvleermuis wordt één zolder gerealiseerd en ingericht ten behoeve van de soort. Voor de huismus dient nog een keuze gemaakt te worden tussen vogeldakpannen, inmetselstenen, mussenpotten, dakvoetsystemen (waaronder vogelvides) of vergelijkbare voorzieningen en voor de kerkuil worden twee kerkuilenkasten in de nieuwbouw geplaatst. Daarnaast worden door het handhaven van de boombeplanting langs de grenzen van het plangebied voldoende schuil- en foerageermogelijkheden behouden.

Ook wordt bij het te realiseren groen aandacht besteed aan het realiseren van voldoende foerageergebied voor huismussen door het realiseren van overhoekjes of stroken met een spontane ontwikkeling van ruigtekruid, voldoende dekking door bijvoorbeeld doornige struiken als vuurdoorn en meidoorn te plaatsen en groenblijvende heesters, klimplanten als klimop of wingerd en beukenhagen. Ook wordt gezorgd voor voldoende water, doordat de sloten onaangetast blijven en dus ook in de nieuwe situatie aanwezig zijn. In aanvulling hierop worden waterbakken geïnstalleerd voor de paarden waar huismussen ook gebruik van kunnen maken. Daarnaast kan het losse zand in de paardenbakken dienen als stofbadvoorziening voor de huismus. Hierdoor is het leefgebied in de toekomstige situatie weer beschikbaar en functioneel voor de aangetroffen soorten. Gezien het bovenstaande is ons gebleken dat er geen redelijke alternatieven mogelijk zijn, die zouden leiden tot een kwalitatief gelijkwaardig resultaat. De alternatievenafweging is hiermee dan ook voldoende onderbouwd.

2.5 Belang van de aanvraag De ontheffing is gevraagd op grond van de belangen ‘De volksgezondheid of de openbare veiligheid’ zoals genoemd in artikel 3.3, vierde lid, onder b, van de Wnb, en in het belang van ‘De volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’ zoals genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onder b, van de Wnb, en ‘In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde’ zoals genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onder a, van de Wnb. Volksgezondheid Bij een asbestinventarisatie van het perceel aan de Weerderdijk 5 in Westerhoven zijn een aantal materialen gevonden die asbestverdacht zijn. De onderzochte bodemlaag dient als asbesthoudend te worden beschouwd. Tevens zijn de daken van asbesthoudend materiaal die uit veiligheidsoverwegingen niet vrij worden bewerkt, hergebruikt of vrij worden toegepast. Ook is er asbest aangetroffen in de woning en in de drupzones naast de stallen. Verder is er nog sprake van andere saneringen die verplicht moeten worden uitgevoerd in het kader van de Wet bodembescherming. De locatie dient met gepaste spoedeisendheid gesaneerd te worden.

Het asbest wordt verwijderd wat een verbetering van de openbare veiligheid en volksgezondheid teweegbrengt.

ODBN, Kenmerk

Pagina 13 van 33 Z/157823-302102

Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling Voor het project is een intensieve veehouderij omgezet naar een meer recreatieve en minder milieubelastende functie als paardenstoeterij. Dit zorgt voor minder stikstofdruk. Het project is onderdeel van het Groenontwikkelfonds Brabant (GOB). Het GOB streeft naar het realiseren van één Natuurnetwerk Brabant. De locatie is aangekocht voor een totaalontwikkeling van het stroomdal van de Keersop (een natte natuurparel). Binnen de totaalontwikkeling van de Keersop worden projecten hersteld. De onderligger voor de natuurontwikkeling is het integrale gebiedsplan grenscorridor N69. De Keersop is een zijbeek van de rivier de Dommel. De Keersop ontstaat als Elzenloop ten noorden van Lommel en stroomt langs Luyksgestel, Bergeijk, Westerhoven en Dommelen. Even voorbij buurtschap Keersop mondt hij uit in de Dommel. Ter hoogte van Westerhoven stroomt de Beekloop in de Keersop. De thema’s voor project Keersop zijn: - Natuurlijk water Zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten. We richten deze goed in en beheren deze volgens de regionale uitwerking van de Kaderrichtlijn Water(KRW)-doelen. We maken de ooit rechtgetrokken Keersop weer natuurlijker, zodat de stroomsnelheid op stukken toeneemt. Dat is goed voor onder andere de beekprik. Op enkele kleine plaatsen is dat in het verleden al gebeurd.

De Keersop voldoet nu niet aan de KRW-doelstellingen. - Voldoende water Voor de natuur en landbouw mag er niet te veel en niet te weinig water zijn. Daarvoor regelt het waterschap het grondwater en het water in beken en sloten. Voor de Keersop betekent dit bijvoorbeeld het herstel Natte Natuurparels en het voorkomen van verdroging. Samen met de landbouw kijken we naar verbeteringen in de waterhuishouding. - Mooi water Stimuleren dat mensen de waarde van het water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Gelet op de naar voren gebrachte omstandigheden zijn wij van oordeel dat bovengenoemde belangen voldoende onderbouwd zijn om de ontheffing te kunnen verlenen. 2.6 Mitigerende en compenserende maatregelen en staat van instandhouding In de aanvraag, het activiteitenplan (hoofdstukken 5 en 6) en de aanvullende gegevens van 17 februari 2022 en 12 april 2022 is beschreven welke maatregelen worden genomen om de effecten voor de steenmarter, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, huismus en kerkuil zoveel mogelijk te voorkomen. De tijdelijke maatregelen, tenzij hieronder anders vermeld, worden geplaatst op het tegenoverliggend terrein van Montana Skihal aan de Kempervennendreef 4 te Westerhoven, zie voor de ligging van de locatie figuur 3 in bijlage 3 van onderhavig besluit.

Tevens geldt voor de locaties van de permanente voorzieningen voor de beschermde soorten, zoals weergegeven in figuur 13 van bijlage 3 van onderhavig besluit dat dit een voorstel betreft. Deze kunnen dus enigszins wijzigen tijdens de realisatie. Wijzigingen zijn mogelijk, maar dienen opnieuw door een ecoloog getoetst te worden. De te realiseren (permanente) maatregelen ten behoeve van de beschermde soorten worden vastgelegd als eis voor de nieuwe eigenaar van de Weerderdijk 5. In grote lijnen gaat het om de volgende maatregelen: Steenmarter • Dekking biedende beplanting en rommel direct rondom de gebouwen wordt verwijderd, zodat er geen geschikte schuil- en verblijfplaatsen rondom de gebouwen meer aanwezig zijn.

ODBN, Kenmerk

Pagina 14 van 33 Z/157823-302102

•

•

•

•

ODBN, Kenmerk

Eind november 2021 is een alternatieve verblijfplaats in de vorm van een marterbox (type ZK MA 01 Steen/boommater kast van Vivarapro) onder de overkapping ter hoogte van de groene stip geplaatst, zoals is weergegeven in de figuren 3 en 4 van bijlage 3 van onderhavig besluit. De locatie van de marterbox is ontoegankelijk voor bezoekers op het terrein van Montana Snowcenter, waardoor verstoring door menselijke activiteit wordt voorkomen. Ter aanvulling van de reeds geplaatste steenmarterkast wordt vóór 1 juni 2022 in de bosschage ten noordwesten van het plangebied één marterhoop gerealiseerd. Deze wordt gerealiseerd op basis van de eisen uit de ‘Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming’ (Brouwens, 2017). Een marterhoop bestaat uit een bodem van dun materiaal zoals takjes, riet of grap. Daarop komt een kern, bestaande uit een nestkast met daaromheen gestapelde stammen en dikke takken van minimaal een meter hoog. In de holten die ontstaan worden vervolgens takken en twijgen gestoken. Zo wordt voorkomen dat de stapel snel inzakt. Vervolgens wordt de marterhoop voorzien van een isolerende laag riet of hooi, van minimaal een halve meter dik. De materhoop is minimaal één meter hoog, twee meter breed en drie meter lang.

Een schematische weergave van een marterhoop en de locatie van de te plaatsen marterhoop zijn weergegeven in figuren 5 en 6 van bijlage 3 van onderhavig besluit. De locatie waar de verblijfplaats aanwezig is, wordt eerst deels ontmanteld voordat dit deel van het pand geheel gesloopt wordt. Hierbij worden gaten in de muren gedicht, gebouwen opgeruimd en leeggehaald, en openingen naar zolders worden ruimer gemaakt waarna daken worden verwijderd. Het ontmantelen van een gebouw gebeurt in één dag en vindt plaats bij alle gebouwen, nadat de gebouwen voor vleermuizen ongeschikt zijn gemaakt. Zo wordt aan eventueel aanwezige steenmarters de kans gegeven het gebouw te verlaten en wordt doden/opsluiten van dieren voorkomen. Bij het ontmantelen wordt één kant opgewerkt. De werkzaamheden moeten worden uitgevoerd onder ecologische begeleiding. Het ontmantelen van de verblijfplaats van de steenmarter vindt plaats begin september 2022, evenals de controle op de aan/afwezigheid van individuen van de steenmarter in gebouw 3. In de nieuwe situatie worden twee permanente verblijfplaatsen voor de steenmarter gerealiseerd: o Eén steenmarterkast Deze wordt in de bebouwing op het perceel aan de Weerderdijk 5 geplaatst. De locatie wordt zodanig uitgekozen dat deze vrij is van verlichting en predatoren. Om een geschikte dagrustplaats te creëren wordt de steenmarterkast op een vals plafond geplaatst.

De ruimte is bereikbaar via een opening in de gevel(nok). In de huidige situatie zijn de stallen onverwarmd, in de nieuwe situatie wordt de verblijfplaats ook in een onverwarmde omgeving geplaatst, zodat deze vergelijkbaar is met de oude situatie. Een voorbeeld van een type steenmarterkast is ZK MA 01 Steen/boommarterkast. Afwijken van deze kast is mogelijk, maar dit moet altijd in overleg met een ecoloog. o Eén marterhoop De marterhoop in de bosschage ten noordwesten van het plangebied, gerealiseerd als tijdelijke mitigatie, wordt duurzaam behouden waardoor deze een permanente functie krijgt. De marterhoop wordt voorzien van een isolerende laag riet of hooi, van minimaal een halve meter dik. Deze laag wordt jaarlijks aangevuld om de isolatiewaarde te behouden.

Pagina 15 van 33 Z/157823-302102

Gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis • Op 29 of 30 november 2021 zijn zestien tijdelijke vleermuiskasten (type ANS-1 Vleermuiskast) aan bomen binnen een straal van 100 (of maximaal 200) meter van het plangebied geplaatst, zoals is weergegeven in figuren 3 en 7 van bijlage 3 van onderhavig besluit. Er is gekozen om tijdelijke vleermuiskasten aan bomen te plaatsen, zodat de afstand tot de originele verblijfplaatsen zo klein mogelijk gehouden kan worden. Daarnaast is het aantal geschikte alternatieven in de omgeving beperkt, omdat er nauwelijks gebouwen staan. Tevens blijkt uit onderzoek dat vleermuiskasten vaak als eerste worden bezet door de gewone dwergvleermuis, ook aan bomen en zelfs diep in de bossen (Korsten, 2012). Wij zijn van mening dat de geplaatste tijdelijke kasten niet voldoen aan de eisen van de kennisdocumenten van desbetreffende soorten in relatie tot de aangetroffen verblijffuncties binnen het plangebied. Daarnaast geldt dat dit type tijdelijke kasten niet bewezen effectief is als vervangende verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. • In aanvulling op bovenstaande worden vóór 1 juni 2022, dus twee maanden voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden: o Vier tijdelijke vleermuiskasten (50 cm hoog, 20-30 cm breed, 1-2 compartimenten) voor de gewone dwergvleermuis opgehangen aan billboards.

Gewone dwergvleermuizen zijn gebouwbewonende vleermuizen. Zodoende wordt door middel van een billboard een gevelstructuur gecreëerd. Deze wordt aan de noordkant bij de bosschage geplaatst, binnen een straal van 100 meter van de aangetroffen verblijfplaatsen. Om vleermuizen van voldoende landingsoppervlak te voorzien, worden de kasten aan het bord gemonteerd onder een houten plaat. TAUW heeft al goede resultaten behaald met kasten aan billboards. Een impressie van tijdelijke kasten aan een billboard en de locatie waar deze wordt geplaatst is weergegeven in figuren 8 en 9 van bijlage 3 van onderhavig besluit. o Zes bolle vleermuiskasten mét kraamfunctie aan bomen geplaatst. Een voorbeeld van een geschikte vleermuiskast is type VK WS 04 van Vivarapro. De vleermuiskasten worden geplaatst in de bomenopstand ten zuiden van het plangebied, zie figuur 9 van bijlage 3 van onderhavig besluit. Doordat er gebruik wordt gemaakt van verschillende soorten tijdelijke vleermuiskasten en daarbij wordt overgecompenseerd ontstaat een diversiteit aan verblijfplaatsen, waardoor er te allen tijde voldoende alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn voor beide vleermuissoorten. Om die reden gaan wij akkoord met bovengenoemde tijdelijke vleermuiskasten. • De verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis zijn aangetroffen in gebouw 1, de woning.

De verblijfplaatsen bevinden zich in de spouwmuur van de woning. Om vleermuizen te weren worden exclusion flaps toegepast. Op basis van de karakteristieken van de woning worden twee types exclusion flaps, namelijk gaas spannen over opening en plastic flap over opening, gebruikt. Gebouw 1 wordt begin augustus 2022 ongeschikt gemaakt. • De controleronde naar de aan-/afwezigheid van individuen van de gewone dwergvleermuis in gebouw 1 wordt uitgevoerd in de tweede helft van oktober 2022. • Gebouw 2 waarin de verblijfplaatsen van de gewone grootoorvleermuis aanwezig zijn wordt begin juli 2022 ongeschikt gemaakt. De verblijfplaatsen zijn aangetroffen achter balken in de schuur. Vleermuizen worden geweerd door het gebruik van zeer felle verlichting in combinatie met het deels ontmantelen van het dak ter plaatse van de verblijfplaatsen om ongeschikte omstandigheden te creëren. De verlichting dient gedurende vijf dagen te worden ingezet conform de richtlijn uit het Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis van BIJ12. Daarnaast wordt het dak er voorzichtig afgehaald om ervoor te zorgen dat er geen gesloten omgeving meer is. ODBN, Kenmerk

Pagina 16 van 33 Z/157823-302102

•

•

•

•

•

Huismus •

ODBN, Kenmerk

Het dak wordt daarbij zonder gebruik te maken van grof sloopgeweld gedemonteerd, zodat tocht ontstaat en regen invloed krijgt op de verblijfplaatsen. De weersomstandigheden dienen op deze dagen gunstig te zijn (minimaal 8 graden en een maximale windkracht van 4 Bft). Na het ongeschikt maken van gebouw 2 en voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een controlebezoek uitgevoerd met behulp van een batdetector om de aanwezigheid van vleermuizen in de bebouwing uit te sluiten, alvorens het plangebied wordt vrijgegeven en de sloopwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Het ongeschikt maken van de gebouwen gebeurt deels door het ontmantelen van gebouwdelen, deels door het plaatsen van verlichting en waar mogelijk door het gebruik van exclusion flaps. Op locatie moet blijken waar welke maatregel mogelijk is en of vorengenoemde uitvoerbaar is. Dit wordt ter plaatse door een ter zake kundig ecoloog bepaald waarbij aannemende partij aanwezig is. Indien mogelijk wordt een natuuraannemer ingeschakeld om de vleermuiswerende maatregelen uit te voeren. In de nieuwbouw worden acht inbouwkasten (bijvoorbeeld type IB VL 05 van Vivarapro) ingebouwd ter vervanging van de zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.

Deze worden in de gevels geplaatst aan de noord-, oost-, zuid- en westkant, zodat verschillende microklimaten worden aangeboden wat de diversiteit aan verblijven ten goede komt. De inbouwstenen worden zodanig geplaatst dat deze vrij zijn van verlichting, predatoren en een vrije aanvliegroute hebben. Voor de gewone grootoorvleermuis wordt als permanente verblijfplaats één zolder ingericht in de bebouwing op het perceel aan de Weerderdijk 5. De locatie van de verblijfplaats wordt zodanig gekozen dat deze vrij is van verlichting, predatoren en beschikt over een vrije aanvliegroute. In de huidige situatie is de stal, waarin de verblijfplaatsen zich bevinden achter balken, onverwarmd. In de nieuwe situatie wordt de verblijfplaats ook in een onverwarmde omgeving gerealiseerd, zodat deze vergelijkbaar is met de oude situatie. Ter compensatie wordt er één zolder met onderstaande voorzieningen gerealiseerd, zodat er klimatologisch een uitgebreide variatie aan verblijfplaatsen wordt aangeboden: o bolle vleermuiskasten tegen de muren; o stenen met boorgaten aan het plafond; o balken en resthout aan het plafond en tegen de muren, zodat er verschillende kiervormige ruimten ontstaan.

Nadat de permanente verblijfplaatsen zijn ingebouwd, moet opnieuw de gewenningsperiode van drie maanden (zomerverblijfplaatsen) en zes maanden (paarverblijfplaatsen) verstreken zijn, voordat de tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen verwijderd kunnen worden. De tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen kunnen daarnaast pas verwijderd worden als deze door een ecoloog gecontroleerd en vrijgegeven zijn.

Op 29 of 30 november 2021 zijn binnen een straal van 200 meter van het plangebied vier tijdelijke nestkasten (type NK MU 08 Nestkast Mus) geplaatst aan de noordzijde van het transformatorhuisje, op het parkeerterrein aan de oostkant van de skihal, zoals is weergegeven in de figuren 3 en 10 van bijlage 3 van onderhavig besluit. Op deze locatie zijn ruim voldoende schuilmogelijkheden aanwezig in de vorm van bomen en struiken. Deze bomen en struiken verzorgen tevens voedsel in de vorm van zaden en insecten. Ook zijn er stofbadmogelijkheden aanwezig in de vorm van los zand. De nestkasten van de huismus blijven behouden op het terrein van Montana Snowcenter zolang deze duurzaam meegaan. De nestkasten worden gemonitord op duurzaamheid totdat de permanente alternatieven gerealiseerd zijn en de gewenningsperiode voorbij is.

Pagina 17 van 33 Z/157823-302102

•

• •

•

Het grootschalig verwijderen van groen (kruiden, bomen en struweel) wordt buiten de broedtijd van de huismus gedaan, namelijk in de tweede helft van oktober 2022. Op dit moment wordt bekeken of een deel van het bestaand groen geïntegreerd kan worden in het plan. Door het handhaven van de boombeplanting langs de grenzen van het plangebied, blijven voldoende schuilmogelijkheden en foerageermogelijkheden bestaan. De nestlocaties van de huismus in gebouw 1 worden half oktober 2022 ongeschikt gemaakt door het demonteren van het dak zonder grof sloopgeweld te gebruiken. In de toekomstige situatie wordt voor de huismus overcompensatie aangeboden door het realiseren van twaalf permanente verblijfplaatsen. De duurzame verblijfplaatsen voor de huismus voldoen aan de voorwaarden als genoemd in het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Het gaat om de volgende typen permanente voorzieningen: o vogeldakpannen; o inmetselstenen; o mussenpotten o dakvoetsystemen (geen vogelvides). In figuur 11 van bijlage 3 van onderhavig besluit is een impressie van de permanente voorzieningen weergegeven en in figuur 13 van bijlage 3 van onderhavig besluit zijn de locaties hiervan weergegeven. In de toekomstige situatie wordt het plangebied ingericht conform het landschappelijk inpassingsplan voor de Weerderdijk 5, zoals is weergegeven in figuur 14 van bijlage 3 van onderhavig besluit.

Er wordt bij de inrichting rekening gehouden met aanplant van beukenhagen die als schuilplaats en foerageergebied dienen voor de huismus. Door open waterbakken (met uitklimvoorzieningen) en het losse zand in de paardenbakken zijn wateren stofbadvoorzieningen voor huismussen in de toekomstige situatie aanwezig. Daarnaast blijven de sloten onaangetast en is er in de toekomstige situatie voldoende water aanwezig.

Kerkuil •

•

•

ODBN, Kenmerk

Er worden twee kerkuilkasten aan de gevels van de schuren van de Weerderdijk 3 te Westerhoven geplaatst. De eigenaar van de Weerderdijk 3 heeft hiervoor goedkeuring gegeven. De kerkuilkasten worden door de uilenwerkgroep Valkenswaard, onderdeel van de vrijwillige uilenbescherming van het Brabants Landschap in Noord-Brabant, geplaatst en onderhouden. De kerkuilkasten worden zo geplaatst dat deze te allen tijde bereikbaar en functioneel zijn; vrij zijn van verlichting en vrij zijn van predatoren. Ook mogen er geen obstakels voor de kasten hangen, zodat de aanvliegroute vrij blijft. Naar verwachting zullen de nestkasten in de tweede helft van mei 2022, conform de planning in figuur 2 van bijlage 2 van onderhavig besluit, worden geplaatst. De nestlocatie van de kerkuil in gebouw 3 wordt ongeschikt gemaakt begin september 2022 door het dak er voorzichtig af te halen, zodat er geen gesloten omgeving meer is. Het dak wordt daarbij zonder gebruik te maken van grof sloopgeweld gedemonteerd, zodat tocht en regen invloed krijgen op de verblijfplaats en deze ongeschikt raakt. Op de locatie aan de Weerderdijk 5 te Westerhoven worden in de bebouwing twee kerkuilkasten geplaatst.

Deze locatie biedt een ideale plek voor het plaatsen van de kerkuilkasten, omdat het plangebied op voldoende afstand van bestaande uilenkasten in de omgeving ligt (ruim 1 km) en de geplande paardenstoeterij een ideaal biotoop is voor het voedsel dat de uilen nodig hebben, zoals muizen, juveniele ratten, kevers, wormen, rupsen etc. Aangezien er ook maatregelen worden genomen voor steenmarter op en nabij het perceel is gekozen voor een zogenaamde ‘pijpenkast’, zie figuur 12 van bijlage 3 van onderhavig besluit. Aan de pijp (invliegopening) is een plexiglasplaat bevestigd, waardoor de steenmarter de opening van de kerkuilenkast niet kan bereiken. Deze kast is volgens de uilenwerkgroep Valkenswaard bewezen effectief en houdt de steenmarter uit de kerkuilenkast. Pagina 18 van 33 Z/157823-302102

De kerkuilenkasten worden zo geplaatst dat deze te allen tijde bereikbaar en functioneel zijn; vrij zijn van verlichting en vrij van predatoren. Er mogen geen obstakels voor de kasten hangen, zodat de aanvliegroute ook vrij blijft. Door het realiseren van een vals plafond in de nieuwbouw wordt een geschikte dagrustplaats gecreëerd. De ruimte is bereikbaar via een opening in de gevel(nok). In de huidige situatie zijn de stallen onverwarmd, in de nieuwe situatie wordt de verblijfplaats ook in een onverwarmde omgeving gerealiseerd, zodat deze verblijfplaats vergelijkbaar is met de oude situatie. Verlichting • In de toekomstige inrichting van het plangebied wordt de verlichting aan de openbare weg niet aangepast. In de nieuwe situatie wordt de paardenrenbak verlicht. Om te voorkomen dat er tijdens de gebruiksfase lichtverstoring plaatsvindt op nachtactieve beschermde soorten, moet de verlichting aan de volgende eisen voldoen: o te allen tijde moet uitstraling richting het Natuurnetwerk Brabant worden voorkomen; o de gerealiseerde verblijfplaatsen mogen niet worden aangelicht; o de verlichting in de paardenrenbak mag niet uitstralen naar de omgeving en/of toepassen van verlichting met sensor (verlichting alleen aan wanneer in gebruik). De voorgestelde maatregelen zijn in grote lijnen voldoende.

Wij nemen ter borging van deze maatregelen extra voorschriften op om de gunstige staat van instandhouding van de steenmarter, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, huismus en kerkuil te kunnen borgen. Het betreft de volgende aanvullende mitigerende maatregelen: • Indien de locaties van de permanente voorzieningen voor de beschermde soorten wijzigen ten opzichte van figuur 13 van bijlage 3 van onderhavig besluit dan dienen de nieuwe locaties van de permanente voorzieningen inzichtelijk gemaakt te worden op een kaart/plattegrond en ter informatie aan ons te worden toegestuurd, via het mailadres info@odbn.nl, onder vermelding van het zaaknummer Z/157823. • Indien werkzaamheden worden uitgevoerd vóór zonsopgang, tijdens schemering of ná zonsondergang dient de verlichting uitsluitend op die plekken gericht te worden waar deze benodigd is. Uitstraling van verlichting naar de omgeving en lucht is niet toegestaan. Dit voorschrift is opgenomen om lichtverstoring op nachtactieve soorten te voorkomen. • Dekking biedende beplanting en rommel binnen het plangebied dient voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten de kwetsbare periode van 1 maart tot 31 juli te worden verwijderd.

Dit voorschrift is opgenomen zodat voorkomen wordt dat mogelijke verblijfplaatsen van de steenmarter en nestlocaties van broedvogels worden vernietigd in de meest kwetsbare periode, namelijk de periode wanneer er jongen aanwezig zijn. • De alternatieve verblijfplaats voor de steenmarter (marterbox) dient van voldoende beschutting te worden voorzien door het plaatsen van bladeren/takken of andere natuurlijke materialen. Dit voorschrift is opgenomen omdat de marterbox, geplaatst onder de overkapping, op dit moment is geplaatst zonder beschutting, waardoor deze niet functioneel zal zijn als vervangende verblijfplaats voor de steenmarter. • De te slopen gebouwen dienen ten minste 1 week voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt gemaakt te worden voor vleermuizen. Dit dient te gebeuren in het actieve seizoen van vleermuizen, globaal lopend van 1 april tot 15 oktober, en ten aanzien van gebouw 2 met daarin de jaarrond in gebruik zijnde verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis buiten de kwetsbare kraamperiode (1 mei tot 15 september). Dit voorschrift is opgenomen zodat de verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis ongeschikt wordt gemaakt buiten de meest kwetsbare periode.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=9769bedd-cdbf-4c42-9ad4-2c24522201a1