Bijlage 22 Bijlage Toelichting Natuurtoets
Tekst van het document
Natuurtoets Weerderdijk 5 te Westerhoven 22 juni 2020
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Verantwoording Titel
Natuurtoets Weerderdijk 5 te Westerhoven
Opdrachtgever
Provincie Noord-Brabant
Projectleider
Tim Vaessen
Auteur(s)
Karin Boelens MSc.
Tweede lezer
Adrie van Hooff
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Karin Boelens MSc.
Projectnummer
1276779
Aantal pagina’s
27
Datum
22 juni 2020
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Tauw bv Ekkersrijt 4008 Postbus 1680 5602 BR Eindhoven T +31 40 23 25 55 0 E info.eindhoven@tauw.com
2/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Inhoud 1
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Doel .................................................................................................................................... 5
1.2
Wetgeving .......................................................................................................................... 5
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb ...................................................................................... 5
1.4
Werkwijze ........................................................................................................................... 6
1.5
Kwaliteit .............................................................................................................................. 6
1.6
Uitgangspunten .................................................................................................................. 6
Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 7 2.1
Huidige situatie................................................................................................................... 7
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 8
Gebiedsbescherming............................................................................................................... 10 3.1
3.1.1
Inleiding ..................................................................................................................... 10
3.1.2
Gebiedsbeschrijving en ligging ten opzichte van het plangebied ............................. 10
3.1.3
Effecten ..................................................................................................................... 12
3.2
4
Natura 2000-gebieden ..................................................................................................... 10
Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................ 12
3.2.1
Inleiding ..................................................................................................................... 12
3.2.2
Effecten ..................................................................................................................... 13
Soortenbescherming ............................................................................................................... 14 4.1
Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 14
4.2
Vrijstellingen ..................................................................................................................... 14
4.3
Zorgplicht ......................................................................................................................... 15
4.4
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 15
4.5
Effecten ............................................................................................................................ 16
4.5.1
Flora .......................................................................................................................... 16
4.5.2
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 16
4.5.3
Vleermuizen .............................................................................................................. 17
4.5.4
Broedvogels .............................................................................................................. 20
4.5.5
Reptielen ................................................................................................................... 21
4.5.6
Vlinders ..................................................................................................................... 22
3/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
5
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 23
6
Literatuur ................................................................................................................................. 26
4/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor toetsing.
1.1
Doel
In opdracht van Provincie Noord-Brabant heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming (Wnb) voor de sloop van de huidige bebouwing en de bouw van een nieuwe woning met een paardenfokkerij voor paarden in hogere sportsegment aan de Weerderdijk 5 te Westerhoven. De woning zal meer achter op de locatie geplaatst gaan worden. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In de rapportage worden de volgende vragen beantwoord: • • •
Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig?
•
Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
1.2
Wetgeving
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen “Wnb”) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Noord-Brabant is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb
Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming (vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna). Daarnaast is het noodzakelijk om het voornemen te toetsen aan beschermde gebieden. Dit is noodzakelijk omdat een deel van het plangebied in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt en circa 150 m ten zuidoosten van het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’. In deze rapportage blijft het onderdeel stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied buiten beschouwing. Er worden geen houtopstanden gekapt. Toetsing aan door Wnb beschermde houtopstanden is niet nodig.
5/27
Kenmerk
1.4
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook hoofdstuk 5) • • •
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van Tauw (www.tauw.nl/natuurkaart) Een oriënterend veldbezoek op 12 mei 2020
Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten en gebieden in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).
1.5
Kwaliteit
Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is Tauw aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
1.6
Uitgangspunten
De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: • Er vinden geen werkzaamheden in oppervlaktewater plaats.
6/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om de bebouwing aan de Weerderdijk 5 te Westerhoven met omliggende landerijen. De bebouwing bestaat uit een woonhuis met drie stallen. Aan de voorkant van het woonhuis is groen aangeplant. Rondom de bebouwing ligt een weiland. Het plangebied grenst aan de noordwest kant aan een bosschage. Het plangebied ligt aan de noordkant in het Natuurnetwerk Nederland en ligt op circa 150 meter van het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’, dit wordt verder beschreven in hoofdstuk 3 Gebiedsbescherming. Figuur 2.2 geeft een sfeerimpressie van het gebied.
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied met gebouwnummers. Gebouw 1 is het woonhuis, gebouw 2 t/m 4 zijn stallen.
7/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Figuur 2.2 Impressie van het plangebied.
2.2
Beoogde ontwikkeling
De huidige bebouwing wordt gesloopt. Er komt een nieuwe woning op de locatie en tevens een paardenfokkerij voor paarden in hogere sportsegment. Alle plannen blijven binnen het bouwblok en deze liggen buiten NNB (Natuurnetwerk Brabant). Figuur 2.3 geeft een impressie van de beoogde ontwikkeling.
8/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Figuur 2.3 Impressie van de beoogde ontwikkeling.
9/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
3 Gebiedsbescherming In dit hoofdstuk volgt de toetsing op Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland.
3.1
Natura 2000-gebieden
3.1.1
Inleiding
In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van Natura 2000-gebieden. Het is verboden om zonder vergunning ontwikkelingen te realiseren die verslechtering van de kwaliteit van habitats van instandhoudingsdoelen tot gevolg kunnen hebben (artikel 2.7). Dit geldt ook als de ontwikkeling een significant verstorend effect kan hebben op de instandhoudingsdoelen. In dat geval is het noodzakelijk om een passende beoordeling uit te voeren. Alleen als uit de passende beoordeling zekerheid wordt verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Als er geen effecten zijn, dan is er geen vergunning nodig. De wijze van toetsing van effecten op Natura 2000-gebieden blijft gelijk aan de werkwijze die is gebruikt onder de Natuurbeschermingswet 1998. Dit houdt in dat bij elke toetsing dient te worden bepaald of significante effecten op voorhand zijn uitgesloten of dat mogelijk verslechtering of significante verstoring optreedt. 3.1.2
Gebiedsbeschrijving en ligging ten opzichte van het plangebied
Het plangebied ligt nabij het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ (zie figuur 3.1). De afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied is ongeveer 150 meter. Het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ is opgedeeld in twee delen. Het plangebied ligt nabij het westelijk deel: De Plateaux, het dal van de Dommel en gedeelten van de beeklopen van de Run en de Keersop. De Plateaux is een deels bebost heidegebied. Tegen de Belgische grens aan liggen vloeivelden: hooilanden die al sinds lange tijd bevloeid worden met (kalkrijk) Maaswater door middel van een lang stelsel van geulen en kanaaltjes. In de heide van de Malpie liggen een aantal grote vennen. Op meerdere locaties zijn kleine jeneverbesstruwelen aanwezig. Langs de Dommel liggen vochtige en natte graslanden en bossen. Het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ is als zodanig aangewezen vanwege de aanwezigheid van kwalificerende habitattypen en soorten.
10/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Figuur 3.1 De ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’.
Habitattypen Het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ is voor de volgende habitattypen aangewezen: • Stuifzandheiden met struikhei (H2310) • • •
Zandverstuivingen (H2230) Zwakgebufferde vennen (H3130) Kranswierwateren (H3140)
• • •
Zure vennen (H3160) Droge heiden (H4030) Pioniersvegetaties met snavelbiezen (H7150)
• • •
Galigaanmoerassen (H7210) Oude eikenbossen (H9190) Hoogveenbossen (H91D0)
• • •
Overgangs- en trilvenen (H7140A) Vochtige heiden (H4010A) Actieve hoogvenen (H7110B)
• • •
Beken en rivieren met waterplanten (H3260A) Vochtige alluviale bossen (H91E0C) Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A)
11/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Habitatrichtlijnsoorten Gevlekte witsnuitlibel, beekprik, bittervoorn, kleine modderkruiper, kamsalamander en drijvende waterweegbree zijn voor het Natura 2000-gebied kwalificerende habitatrichtlijnsoorten. 3.1.3
Effecten
Effecten habitattypen Het plangebied ligt niet in het Natura 2000-gebied. Fysieke aantasting van habitattypen treedt daarom niet op. Er wordt niet gewerkt in oppervlaktewater, de beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de hydrologie van het Natura 2000-gebied. In deze rapportage blijft het onderdeel stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied buiten beschouwing. Echter, het bevoegd gezag kan om een AERIUS-berekening vragen. Deze berekening maakt effecten van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk. Effecten habitatrichtlijnsoorten De activiteiten vinden buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied plaats en er is geen sprake van aantasting van de oppervlakte van het leefgebied van soorten. Mogelijke effecten op dit (potentiele) leefgebied beperken zich tot verstoring tot licht, geluid en menselijke aanwezigheid. De beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd op de locatie van de huidige bebouwing. De verstoring in de nieuwe situatie zijn dus vergelijkbaar met de huidige situatie. Zodoende is er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen sprake van aantasting van het leefgebied van de soorten. Alle kwalificerende habitatrichtlijnsoorten van het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ zijn gebonden aan water.
Uit het beheerplan [1] blijkt dat (potentieel) leefgebied van de volgende soorten in de omgeving van het plangebied aanwezig is. De habitatvoorkeur van de gevlekte witsnuitlibel is voornamelijk laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. Het leefgebied van de beekprik (onder water), bittervoorn (onder water), kleine modderkruiper (onder water) en kamsalamander (onder water of verscholen in strooisel laag van bos/struikgewas) heeft geen invloed van de ontwikkeling. De drijvende waterweegbree is ongevoelig voor eventueel licht en geluid dat de ontwikkeling veroorzaakt. Effecten op habitatrichtlijnsoorten zijn daarom uitgesloten.
3.2
Natuurnetwerk Nederland
3.2.1 Inleiding Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) is een netwerk van natuurgebieden waarmee de biodiversiteit behouden en versterkt wordt. De NNN is planologisch beschermd via de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het NNN geldt het 'nee, tenzij' -
[1] Provincie Noord-Brabant. (2017). Natura 2000 - Beheerplan Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Geraadpleegd op 16-06-2020 van: https://www.google.com/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=&ved=2ahUKEwj4jefT1IXqAhUkJcUKHdIpBHQQFjAAegQIARAB&url=https%3A%2F %2Fwww.brabant.nl%2F-%2Fmedia%2Feceae4e18566415ab25cdcde8c28c534.pdf&usg=AOvVaw3DhFD6_FxRrryWVnehaMSK
12/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
principe. Tot slot beperkt het beschermingsregime zich tot het Natuurnetwerk zelf. Natuurnetwerk Brabant (NNB) is onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Het NNB kent externe werking. Ook ontwikkelingen en activiteiten buiten de begrenzing van het NNB dienen daarom getoetst te worden. Figuur 3.2 toont dat het plangebied overlapt met het NNB.
Figuur 3.2 De ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland.
3.2.2 Effecten Het noordelijk deel van het plangebied ligt op een perceel met het beheertype ‘N00.01 - Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting)’. Op dit moment bestaat het perceel uit grasland met een (extensieve) agrarische functie. Er wordt geen agrarisch natuurbeheer uitgevoerd. Op het perceel zijn daarom geen belangrijke natuurwaarden aanwezig. De huidige bebouwing ligt buiten het NNB. De nieuwbouw wordt op de plaats van de huidige bebouwing gerealiseerd. Alle plannen blijven binnen het bouwblok en deze liggen buiten NNB (zie ook figuur 2.3).
13/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
4 Soortenbescherming In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op de vraag of beschermde plant- en diersoorten door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing noodzakelijk is.
4.1
Beschermingsregime en bepalingen
In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: • Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn (VR) • •
Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn (HR) en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in tabel 4.1. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie NoordBrabant kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
4.2
Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie “Nationale soorten”, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Noord-Brabant heeft bij verordening deze soorten vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.
14/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Tabel 4.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb (VR = vogelrichtlijn, HR = habitatrichtlijn)
Verbodsbepaling
A
B
C
D
E
Vogels
Dieren
Planten
Dieren
Planten
(VR)
(HR)/
(HR)/
(‘nationaal’)
(‘nationaal’)
Bonn/Bern
Bonn/Bern
Dieren of planten: Doden of vangen
3.1.1
3.5.1
Storen/verstoren
3.1.4 (tenzij
3.5.2
3.10.1.a
3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen
3.1.2
nesten Beschadigen of vernielen
3.5.4
voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen
3.10.1.b (vaste vp)
3.1.2
3.5.4
3.10.1.b (vaste rp)
Eieren: Vernielen (of –VR- beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming Oranje
verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet
Rood
verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is
4.3
Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken / ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt.
4.4
Literatuuronderzoek
In de omgeving van het plangebied zijn verspreidingsgegevens bekend van de soortgroepen zoals deze in tabel 4.2 weergeven zijn. Van sommige soort(groep)en kan op voorhand al uitgesloten worden dat ze in het plangebied voorkomen of dat de werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken. Door gebrek aan oppervlaktewater en geschikt habitat ongeschikt voor de
15/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
soortgroepen amfibieën, libellen en vissen. Deze soortgroepen worden om die reden niet verder behandeld in deze rapportage. Tabel 4.2 Soorten in de omgeving van het plangebied Soortgroep
Aanwezige soorten in omgeving
Flora
Grote leeuwenklauw, kleine wolfsmelk
Grondgebonden zoogdieren
Bever, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis, kleine marters (bunzing, hermelijn, wezel)
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis
Vogels
Algemene soorten
Vogels jaarrond beschermd
Boomvalk, buizerd, havik, huismus, kerkuil, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief
Reptielen
Hazelworm, levendbarende hagedis
Vlinders
Bruine eikenpage, gentiaanblauwtje
4.5
Effecten
4.5.1
Flora
Op basis van globale verspreidingsgegevens (NDFF) komen grote leeuwenklauw en kleine wolfsmelk in of nabij het plangebied voor. De grote leeuwenklauw komt voor op zonnige, open plaatsen op vochtige tot vrij droge, goed gedraineerde, matig voedselrijke tot voedselrijke, kalkhoudende grond (lemig zand, löss, leem, zavel en klei). De kleine wolfsmelk staat op open, zonnige, vrij warme, vochtige, matig voedsel- en stikstofrijke, kalkhoudende, kleiige, niet te sterk bemeste, omgewoelde grond (leem, klei, löss en mergel). De bodem van het plangebied voldoet niet aan deze eisen, aangezien het is geclassificeerd als gooreerdgronden (pZn21) (kaartbank.brabant.nl/viewer/app/bodematlas). Gooreerdgronden zijn namelijk gronden met de samenstelling leemarm en zwak lemig fijn zand. Tevens zijn de grote leeuwenklauw en de kleine wolfsmelk tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten. 4.5.2 Grondgebonden zoogdieren Op basis van globale verspreidingsgegevens (NDFF) komen bever, eekhoorn, steenmarter en waterspitsmuis in of nabij het plangebied voor. Daarnaast zijn kleine marters (bunzing, hermelijn, wezel) te verwachten. Het plangebied heeft potentie als habitat voor verblijfplaatsen en foerageergebied voor kleine marterachtigen en steenmarter vanwege de aanwezigheid van dichte struiken, takkenhopen en rommelige hoekjes.
De bebouwing in het plangebied is niet geheel afgesloten en is zodoende toegankelijk voor steenmarter. Negatieve effecten op kleine marterachtigen en steenmarter zijn op voorhand niet uit te sluiten. Nader onderzoek voor deze soorten is voor deze ontwikkeling nodig.
16/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Tijdens het veldbezoek waren de bomen in het plangebied goed te inspecteren op mogelijke verblijfplaatsen van eekhoorn. In de bomen zijn geen eekhoornnesten waargenomen. Vanwege de afwezigheid van oppervlakte water in het plangebied zijn verblijfplaatsen van bever en waterspitsmuis uitgesloten. Negatieve effecten op eekhoorn, bever en waterspitsmuis zijn voor deze ontwikkeling uitgesloten. 4.5.3 Vleermuizen Inleiding Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Foerageergebieden en vliegroutes zijn essentieel (en beschermd) wanneer er geen gelijkwaardige alternatieven aanwezig zijn en het functioneren van een verblijfplaats ervan af hangt. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied bevat geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes van vleermuizen. Er zijn geen bomenrijen aanwezig die als vliegroute gebruikt kunnen worden.
Het aangeplante groen is hiervoor te klein van omvang en staat ook niet in directe verbinding met andere landschapselementen die de functie van essentiële vliegroute kunnen vervullen. Vleermuizen zouden wel boven het weiland kunnen foerageren. Echter, rondom het plangebied is voldoende alternatief en meer gevarieerde gebieden beschikbaar waardoor in het plangebied geen essentieel foerageergebied aanwezig is. Verblijfplaatsen in bomen In het plangebied staan bomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn door het ontbreken van geschikte holtes, dode takken en loshangende schors uitgesloten in de boven van het plangebied. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn dus op voorhand uit te sluiten. Onder deze groep vallen de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen in gebouwen In het plangebied is bebouwing aanwezig. In de muren van gebouw 1 (zie figuur 4.2) zitten scheuren en loshangende loodflappen die voldoende breed zijn voor vleermuizen (zie figuur 4.1). Via deze open stootvoegen hebben vleermuizen toegang tot de spouwmuur waar ze vaak een verblijfplaats hebben. Het is dus niet uit te sluiten dat gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied voorkomen en daar ook een verblijfplaats hebben. Het voorkomen van een kraam-, zomer-, paar- of winterverblijfplaats is niet uit te sluiten (zie ook tabel 4.1).
Onder deze groep vallen de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis.
17/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
De geschiktheid van het gebouw verschilt per vleermuissoort, en wel als volgt: Gewone dwergvleermuis: komt in Nederland het gehele jaar voor. De soort heeft als voorkeur een verblijfplaats in spouwmuren, achter gevelbetimmering, daklijsten en vensterluiken, onder dakpannen, spleten en nissen in muren (BIJ12, 2017a). • Het gebouw in het plangebied voldoet aan deze kenmerken. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van deze soort zijn daarom niet uitgesloten. Gewone grootoorvleermuis: komt in Nederland het gehele jaar voor. De soort heeft bij voorkeur een ruime verblijfplaats zoals zolders van kerken (BIJ12, 2017b) en in gebouwen aan de rand van bosgebieden. • Het gebouw in het plangebied voldoet aan deze kenmerken. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van deze soort zijn daarom niet uitgesloten. Kleine dwergvleermuis: komt in Nederland het gehele jaar voor. De soort heeft als voorkeur een verblijfplaats in spouwmuren van gebouwen (Zoogdiervereniging, 2009). •
Het gebouw in het plangebied voldoet aan deze kenmerken. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van deze soort zijn daarom niet uitgesloten.
Laatvlieger: is een van de grootste vleermuissoorten van Nederland. De soort komt in Nederland het gehele jaar voor en heeft als voorkeur een verblijfplaats op zolder, in spouwmuren, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen (Zoogdiervereniging, 2017). • Het gebouw in het plangebied voldoet aan deze kenmerken. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van deze soort zijn daarom niet uitgesloten. Meervleermuis: komt in Nederland het gehele jaar voor. De soort heeft als voorkeur een verblijfplaats in spouwmuren van gebouwen. Daarnaast voldoen bunkers, ijskelders, groeven en boomholtes ook als winter- en paarverblijfplaats (Zoogdiervereniging, 2011). • Het gebouw in het plangebied voldoet aan deze kenmerken. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van deze soort zijn daarom niet uitgesloten. Ruige dwergvleermuis: komt in Nederland het gehele jaar voor. De zomerverblijfplaats is bij voorkeur in spleten en gaten in bomen, achter loshangend schors, boomholtes en in nest-/ vleermuiskasten. De winter- en paarverblijfplaatsen zijn bij voorkeur in gebouwen achter voegspleten en in spouwmuren, onder dakpannen en achter betimmeringen. Er zijn geen waarnemingen van kraamverblijfplaatsen bekend. (BIJ12, 2017d). •
Het gebouw in het plangebied voldoet aan deze kenmerken. Negatieve effecten op verblijfplaatsen, met uitzondering van kraamverblijfplaatsen, van deze soort zijn daarom niet uitgesloten.
18/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Tweekleurige vleermuis: komt in Nederland het gehele jaar voor en heeft de voorkeur voor verblijfplaats in spleten in of aan hoge gebouwen. De soort wordt steeds vaker gevonden in Nederland. In Nederland is tot dusver slechts één kraamverblijfplaats bekend. De kans op een kraamverblijfplaats is daardoor gering. (BIJ12, 2017e). •
Het gebouw in het plangebied voldoet niet aan deze kenmerken. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten.
Negatieve effecten op deze verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet uit te sluiten. Om te bepalen of het gebouw gebruikt wordt als verblijfplaats is nader onderzoek naar vleermuizen nodig. Dit nader onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het Vleermuisprotocol 2017. Dit houdt in dat gedurende een jaar vijf veldbezoeken nodig zijn om de verschillende functies van het gebouw voor vleermuizen te onderzoeken. Drie van de veldbezoeken vinden plaats in de periode 15 mei tot 15 juli en twee in de periode 1 augustus tot 15 september.
Figuur 4.1 Openingen naar de spouwmuur geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen.
Tabel 4.3 Mogelijke aanwezigheid van type verblijfplaats met gebouwnummer en vleermuissoorten Type verblijfplaats
Gebouwnummer
Vleermuissoorten
Kraam- en zomerverblijfplaats
1
Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis,
in gebouw Paar- en winterverblijfplaats in
kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis 1
gebouwen
Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis
Massawinterverblijf in gebouw
.
Uitgesloten
(alleen gewone dwergvleermuis) Verblijfplaatsen in boom
Uitgesloten
Foerageergebied
Uitgesloten
Vliegroute
Uitgesloten
19/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
4.5.4 Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Tijdens het veldbezoek zijn in de bomen die in en in de directe omgeving van het plangebied staan, geen nesten aangetroffen die door boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en/of wespendief gebruikt zouden kunnen worden. De bomen waren tijdens het veldbezoek goed te inspecteren op nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tijdens het veldbezoek zijn enkele exemplaren van huismus waargenomen (figuur 4.2). Het is niet uit te sluiten dat de huismussen verblijfplaatsen in het plangebied hebben. Nader onderzoek naar huismus is voor deze ontwikkeling nodig.
Figuur 4.2 Huismussen waargenomen tijdens het veldbezoek.
Tevens zijn de gebouwen mogelijk geschikt voor kerkuil en steenuil. De kerkuil en steenuil zijn bewoners van (half)open landschappen, en komt in Nederland vooral voor op boerenland. Op basis van globale verspreidingsgegevens (NDFF) komen kerkuil en steenuil nabij het plangebied voor. Het is dus niet uit te sluiten dat beide soorten in het plangebied voorkomen. Nader onderzoek is nodig. De gebouwen zijn niet geschikt als nestlocatie voor de slechtvalk. De slechtvalk is een soort die uitsluitend broed op hoge gebouwen. Het plangebied voldoet niet aan de habitat eisen van deze soort. Het is dan ook uit te sluiten dat de slechtvalk in het plangebied broeden. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels De nesten van deze soorten zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. Tijdens het veldbezoek zijn 40 à 50 boerenzwaluwen waargenomen en zijn 12 nesten van boerenzwaluw in gebouw 4 (figuur 4.3) aangetroffen. Boerenzwaluw is een categorie 5 soort, te weten een vogel die jaarlijks terugkeert naar hetzelfde nest of de directe omgeving daarvan, maar die voldoende flexibel is om zich elders te vestigen. Onderzoek naar boerenzwaluw is nodig indien ecologisch zwaarwegende factoren aanwezig zijn.
20/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Figuur 4.3 Nest van boerenzwaluw (links) en boerenzwaluwen (rechts) waargenomen tijdens het veldbezoek.
Bij het oriënterende veldbezoek zijn geschikte plekken aangetroffen waar ook andere soorten broedvogels een nest kunnen bouwen. Rond het plangebied zijn bomen aanwezig waarin vogels kunnen broeden. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart t/m augustus (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. Aangeraden wordt om niet tijdens het reguliere broedseizoen te starten met de beoogde ontwikkelingen. Als er wel in het broedseizoen gestart wordt met de beoogde ontwikkelingen, adviseert Tauw: • Periodieke broedvogel controle op nesten in het plangebied; o Bij aanwezigheid van nesten bepaald de ter kundige ecoloog of en hoe de •
werkzaamheden doorgang kunnen vinden. Het ongeschikt maken van het plangebied voor broedvogels buiten het broedseizoen.
4.5.5 Reptielen Op basis van globale verspreidingsgegevens (NDFF) komen hazelworm, levendbarende hagedis nabij het plangebied voor. De hazelworm komt over het algemeen voor op bos- en heideterreinen. De soort heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. De levendbarende hagedis heeft als voorkeurshabitat heide en hoogveen. De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. het plangebied ontbreken de habitateisen voor deze soorten. Negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten.
21/27
Kenmerk
4.5.6
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Vlinders
Op basis van globale verspreidingsgegevens (NDFF) komen bruine eikenpage, gentiaanblauwtje nabij het plangebied voor. De bruine eikenpage komt voor aan bosranden, open bospaden, eikenhakhout, kapvlakten in eikenbossen en jonge eikenaanplant. Ten zuiden van plangebied staan dergelijk gemengde loofbossen met eiken geschikt voor bruine eikenpage. Het gentiaanblauwtje komt voor op natte heide, vochtige heischrale graslanden en blauwgraslanden. Ten zuiden van het plangebied is natte heide aanwezig, geschikt voor gentiaanblauwtje. In het plangebied ontbreken de habitateisen voor deze soorten. Door het ontbreken van geschikt habitat, waardplanten en nectarplanten is in het plangebied niet geschikt voor de bruine eikenpage en het gentiaanblauwtje. Negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten.
22/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
5 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van provincie Noord-Brabant heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming voor de sloop van de huidige bebouwing en de bouw van een nieuwe woning met een paardenfokkerij voor paarden in hogere sportsegment aan de Weerderdijk 5 te Westerhoven. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen als opgenomen in de Wnb, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming (vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna). Daarnaast is het noodzakelijk om het voornemen te toetsen aan beschermde gebieden. Dit is noodzakelijk omdat een deel van het plangebied in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt en circa 150 m ten zuidoosten van het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’. In deze rapportage blijft het onderdeel stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied buiten beschouwing. Er worden geen houtopstanden gekapt. Toetsing aan door Wnb beschermde houtopstanden is niet nodig. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Significante verstoring binnen Natura 2000-gebieden is uitgesloten. De ontwikkeling is daarom niet strijdig met de Gebiedsbescherming Wnb.
Er vindt geen aantasting plaats van wezenlijke kenmerken waarden van het NNN, hierbij is rekening gehouden met externe werking. De ontwikkeling is daarom niet strijdig met de Wro. Door maatregelen (zie hierna) is de ontwikkeling evenmin strijdig met de soortenbescherming Wnb. Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig? Voor de volgende soortgroepen is nader onderzoek nodig: kleine marters/steenmarter, vogels en vleermuizen. Uit deze nadere onderzoeken blijkt of maatregelen en/of ontheffing nodig zijn. Nader onderzoek naar kleine marterachtigen en steenmarter In het plangebied worden vier cameravallen opgehangen die minimaal zes weken op locatie hangen. Tijdens het eerste bezoek worden de camera’s geplaatst, tussendoor worden de cameravallen gecontroleerd en worden batterijen/kaartjes vervangen en na minimaal zes weken worden de cameravallen weer opgehaald. Nader onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten: huismus, kerkuil en steenuil Het onderzoek naar huismussen wordt uitgevoerd op basis van het betreffende kennisdocument. Deze schrijft voor dat twee bezoeken moeten worden uitgevoerd in de periode tussen 1 april en 15 mei of vier bezoeken tussen 20 maart en 20 juni.
23/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Het ecologisch onderzoek naar kerkuil en steenuil wordt uitgevoerd conform de voorgeschreven onderzoeksinspanning als benoemd in het kennisdocument steenuil en het kennisdocument steenuil (BIJ12, 2017). Hiervoor zijn drie inventarisatiemomenten nodig in de periode 15 februari tot en met 30 april, waarbij minimaal één maand zit tussen het eerste en laatste bezoek. Het onderzoek vindt ’s avonds plaatst, vanaf zonsondergang tot en met twee uur daarna. Dit bij de juiste weersomstandigheden (droog, weinig wind). Ook andere functies van het leefgebied (onder andere voedselgebied en schuilmogelijkheden) worden meegenomen. Nader onderzoek vleermuizen Nader onderzoek naar vleermuizen dient in de periode 15 mei – 15 juli en de periode 1 augustus – 15 september uitgevoerd te worden. Het onderzoek moet verspreid over vijf veldbezoeken (3 in het voorjaar en 2 in het najaar) uitgevoerd worden. Als blijkt dat verblijfplaatsen aanwezig zijn en negatieve effecten niet zijn uitgesloten, dan is de aanvraag van een ontheffing nodig. De werkzaamheden mogen dan niet starten voordat een ontheffing verkregen wordt en voordat mitigerende maatregelen genomen en de bijbehorende gewenningsperiode is verstreken. De beoordelingstermijn van een ontheffingsaanvraag bedraagt 13 weken met een maximale verlenging van zeven weken.
Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? De planning voor het nader onderzoek staat hiervoor toegelicht. Pas na afronding van deze onderzoeken zijn conclusies over maatregelen en/of ontheffing te trekken. Daarnaast is voor broedvogels is een broedvogelcontrole noodzakelijk voorafgaand aan de werkzaamheden als in de periode maart t/m augustus gestart wordt met de werkzaamheden. Als tijdens de controle blijkt dat een broedgeval aanwezig is, dan dient een verstoringsvrije zone rond het nest bepaald te worden. In deze zone mag niet gewerkt worden totdat het nest weer verlaten is. In tabel 5.1 is een samenvatting opgenomen van de toetsing aan de soortenbescherming. Tabel 5.1 Conclusies toetsing soorten- en gebiedsbescherming Soortenbescherming
Effecten
Vervolgstappen
Flora
Geen overtreding artikel 3.5 of 3.10
N.v.t.
Grondgebonden zoogdieren
Mogelijk overtreding artikel 3.5 of
Nader onderzoek naar kleine
3.10
marterachtigen en steenmarter
Vleermuizen
Mogelijk overtreding artikel 3.5
Nader onderzoek naar
Vogels
Mogelijk overtreding artikel 3.1
gebouwbewonende vleermuizen Nader onderzoek naar boerenzwaluw; Als de werkzaamheden starten in het broedseizoen (maart – augustus) dan voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole.
24/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
Soortenbescherming
Effecten
Vervolgstappen
Vogels jaarrond beschermd
Mogelijk overtreding artikel 3.1 of 3.5
Nader onderzoek naar huismus, kerkuil en steenuil.
Reptielen
Geen overtreding artikel 3.5 of 3.10
N.v.t.
Vlinders
Geen overtreding artikel 3.5 of 3.10
N.v.t.
25/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
6 Literatuur Provincie Noord-Brabant, 2016. Verordening wet natuurbescherming. PRB, publicatienr. 6933. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Herder J.E., A.
van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014. Soortenstandaarden, Ministerie van Economische Zaken. van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013. Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl
26/27
Kenmerk
R001-1276779KHB-V01-efm-NL
www.vleermuis.net www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl BIJ12.a, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis. [online] Geraadpleegd op 28-5-2020 op: https://www.BIJ12.nl/assets/BIJ12-2017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis1.0.pdf BIJ12.b, 2017. Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis. [online] Geraadpleegd op 28-5-2020 op: https://www.BIJ12.nl/assets/BIJ12-2017-005-Kennisdocument-Gewone-grootoorvleermuis-1.0.pdf BIJ12.c, 2017. Kennisdocument Rosse vleermuis. [online] Geraadpleegd op 28-5-2020 op: https://www.BIJ12.nl/assets/BIJ12-2017-016-Kennisdocument-Rosse-vleermuis-1.0.pdf BIJ12.d, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis. [online] Geraadpleegd op 28-5-2020 op: https://www.BIJ12.nl/assets/BIJ12-2017-018-Kennisdocument-Ruige-dwergvleermuis-1.0.pdf BIJ12.e, 2017. Doelsoorten Tweekleurige vleermuis. [online] Geraadpleegd op 28-5-2020 op: https://www.BIJ12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-enlandschap/agrarisch-natuurbeheer-anlb/kennisbank/doelsoorten/tweekleurige-vleermuis/ BIJ12.f, 2017. Kennisdocument Watervleermuis. [online] Geraadpleegd op 28-5-2020 op: https://www.BIJ12.nl/assets/BIJ12-2017-020-Kennisdocument-Watervleermuis-1.0.pdf Zoogdiervereniging, 2009. Kleine dwergvleermuis [online] Geraadpleegd 28-5-2020 op: https://www.zoogdiervereniging.nl/kleine-dwergvleermuis-waargenomen Zoogdiervereniging, 2017.
Laatvlieger [online] Geraadpleegd op 28-5-2020: https://www.zoogdiervereniging.nl/jaar-van-de-laatvlieger Zoogdiervereniging, 2011. Meervleermuis [online] Geraadpleegd op 28-5-2020: http://www.batweter.nl/attachments/article/4/2012_Haarsma_De%20meervleermuis%20in%20Ned erland.pdf
27/27