CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit ADRA Metaalbewerking

Gemeenteraad 26 juni 2025, gemeente BergeijkBij agendapunt: Advies aanvraag omgevingsvergunning Leemskuilen 24 a, uitbreiding bedrijfsperceel en bedrijfspand16.283 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5 alinea's met “bopa”: 55 93 124 142 300

Dit zijn gebieden waar bewust verschillende functies (wonen en bedrijvigheid) met elkaar worden gemengd, zoals (winkel)centra. Voor deze gebieden wordt een hogere milieubelasting aanvaardbaar geacht. In de volgende tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende indicatieve afstand weergegeven.

Beoordeling De milieucategorieën, zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan ‘Westerhoven en de Kempervennen 2012’ zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘gemengd gebied’ voor de woningen ten zuiden van de bestaande bedrijvigheid aan de Loveren. Uitgaande van dit omgevingstype, is in het uitbreidingsgebied een milieucategorie 3.2 mogelijk zonder dat dit tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat leidt (bestemming ‘Bedrijventerrein – 4’ in de systematiek van het vigerende plan). De hierbij behorende richtafstand is 50 m, uitgaand van omgevingstype ‘gemengd gebied’. De daadwerkelijke afstand tussen de nieuwe bedrijfsbestemming en de bouwvlakken binnen de bestaande woonbestemming aan de Loveren bedraagt 89 m of meer. Dit zal voor de nieuwbouw ook aan de orde zijn. Naast deze generieke richtafstand is voor de nieuwbouw gekeken naar de te verwachten hinder. Voor de nieuwbouw van ADRA Metaalbewerking is het aspect geluid maatgevend voor de omvang van de blad 21 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

milieugebruiksruimte. Er is geen sprake van enige geuremissie. Om te bezien of de activiteit past binnen het gebied, is een specifiek akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is nader toegelicht in paragraaf 5.5.2 van deze ruimtelijke motivering. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de beoogde bedrijfsvoering akoestisch inpasbaar is. Conclusie Op basis van het akoestisch onderzoek zijn er vanuit bedrijvigheid en milieuzonering geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.5

Omgevingsveiligheid Kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico’s worden weergegeven in PR-risicocontouren.

Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). De categorie zeer kwetsbare gebouwen is nieuw ten opzichte van de voorheen geldende regelgeving. De gebouwen in deze categorie vielen eerder onder de categorie kwetsbare objecten. Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).

Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

blad 22 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl. • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl. • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl). • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het projectgebied risicorelevante activiteiten, buisleidingen of transportassen zijn gelegen is de kaart Omgevingsveiligheid van Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Een uitsnede van de kaart is weergegeven in onderstaande figuur.

Figuur 4-1: Risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In rood indicatief het plangebied omcirkeld.

Transportassen In en in de omgeving van het projectgebied zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig.

blad 23 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

Risicovolle activiteiten In en in de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen risicovolle activiteiten. Op ongeveer 300 meter is een tankstation gelegen waar zones voor een LPG-vulpunt, opslagtank en tankzuil aangewezen zijn. Deze voorzieningen zijn echter niet meer aanwezig in de huidige situatie (het gaat om verouderde data). In beide gevallen geldt dat de aandachtsgebieden geen belemmeringen voor de voorgenomen activiteit veroorzaken. Buisleidingen In en in de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen buisleidingen. Meest nabijgelegen is de DPOleiding die ten westen van het projectgebied aanwezig is. Deze buisleiding heeft geen belemmeringen voor de voorgenomen activiteit. De ontwikkeling betreft het wijzigen van gebruiksactiviteiten: van agrarisch naar een bedrijfsruimte. Het groepsrisico verandert niet. Advies van de veiligheidsregio is niet aan de orde. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering. Conclusie Er zijn vanuit omgevingsveiligheid gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.6

Geluid Kader Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat’). Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het Omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Zolang een gemeente nog geen eigen regels heeft, zijn regels voor geluid opgenomen in afdeling 22.3 en 22.4 van het Omgevingsplan. Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Bkl heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het Omgevingsplan, zijn instructieregels voor bedrijfsmatige activiteiten van toepassing (5.59 Bkl). Beoordeling Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt geen geluidgevoelig gebouwd gerealiseerd.

Wel wordt de bestaande bedrijfsvoering uitgebreid, wat ter plaatse van deze uitbreiding een toename aan industrielawaai kan veroorzaken. Door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. In het onderzoek zijn de in de omgeving optredende geluidniveaus ten gevolge van de toekomstige situatie in kaart gebracht en is getoetst aan de geldende geluidnormen. Uit de resultaten van de berekeningen kan worden geconcludeerd dat de toekomstige situatie akoestisch inpasbaar is. De onderzoeksrapportage (Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.) is als bijlage 2 bij deze ruimtelijke motivering gevoegd Conclusie Er zijn vanuit geluid gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

blad 24 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

4.7

Geur Kader Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden. Echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is realisatie van een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: ‘zorg voor de fysieke leefomgeving’). In het Bal zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour.

Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan. Beoordeling Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt geen geurgevoelige functie toegevoegd, noch wordt een functie toegevoegd die geuremissies veroorzaakt. De ontwikkeling ondervindt dus geen hinder door nabijgelegen geuremitterende activiteiten, noch veroorzaakt de ontwikkeling geuremissies die als hinderlijk kunnen worden ervaren door nabijgelegen geurgevoelige objecten. Conclusie Ten aanzien van het aspect geur zorgt de ontwikkeling voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Trillingen Kader Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn van mensen of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Gemeenten mogen zelf regels stellen over trillingen door milieubelastende activiteiten. De regels voor trillingen zijn op verschillende plaatsen terug te vinden. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. In paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat zijn eveneens regels voor trillingen opgenomen. Deze regels gelden voor trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Onder de Omgevingswet zijn de regels van trillingen door bedrijven (activiteiten) gedecentraliseerd. Dat betekent dat gemeenten zelf regels mogen stellen over trillingen van activiteiten.

In het omgevingsplan nemen gemeenten ook regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. De Gemeente Bergeijk heeft hier geen kader voor. Beoordeling De meest relevante trillingsbronnen zijn wegverkeer, railverkeer en industriële activiteiten. Het voornemen gaat niet over het toevoegen van een functie die gevoelig is voor trillingen. Trillingen zouden relevant kunnen zijn vanwege een toename van de hoeveelheid vrachtverkeer of door de plaatsing van zware machines die trillingen veroorzaken.

blad 25 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

Trillingen door vrachtverkeer Ten behoeve van de berekeningen voor geluidhinder is in beeld gebracht hoe veel vrachtverkeer de nieuwbouw van ADRA Metaalbewerking aantrekt. Hieruit blijkt dat het om een zeer beperkt aantal vrachtwagens gaat die ADRA Metaalbewerking bezoeken. Ook in de toekomstige situatie blijven deze laden en lossen op het bestaande laad- en lospunt aan de noordzijde. Er wordt hierdoor geen toename van trilling verwacht. Trillingen door industriële activiteiten De machines die ADRA Metaalbewerking nodig heeft voor het bewerken van metaal kunnen trillingen veroorzaken. Deze trillingen zijn echter altijd te ondervangen door op de juiste wijze te funderen. Dit is eveneens in het belang van ADRA, omdat trillingen die niet door de fundering opgevangen worden de werking van de machine schaden. In het technisch ontwerp is om deze reden een grondvloer opbouw met een gewapende betonvloer met een dikte van 60 centimeter, met daaronder een puinbed op schoon zandpakket. Hiermee worden trillingen buiten het pand van ADRA Metaalbewerking voorkomen. Conclusie Er zijn vanuit trillingen gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.9

Ecologie Kader In het Bkl zijn regels opgenomen voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Voorheen werd dit geregeld in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en /of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. In deze motivering is onderscheid gemaakt in een onderdeel gebiedsbescherming en een onderdeel soortenbescherming. Beoordeling Gebiedsbescherming Het projectgebied behoort niet tot Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Brabant of Stiltegebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Brabant en Stiltegebied, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Brabant en Stiltegebied geen externe werking kent in Noord-Brabant.

Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op op voorhand niet uitgesloten worden. Hierbij gaat het alleen om een potentieel effect door stikstofdepositie. Alle andere verstoringfactoren (bijvoorbeeld ruimtebeslag, geluidverstoring, optische verstoring of mechanische effecten) kunnen door de afstand tot Natura 2000 uitgesloten worden. Middels een AERIUS is berekend of er sprake kan zijn van een negatief effect door stikstofdepositie voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. Vanwege de relatieve nabijheid tot Belgische Natura 2000-gebieden is dit ook berekend voor Belgische natuurgebieden. Uit het onderzoek (NOX Advies, bijlage 4) blijkt dat de emissie die als gevolg van dit project vrijkomt leidt tot een depositieresultaat van maximaal 0,00 mol N/ha/jaar in de gecombineerde gebruiks- en bouwfase. Deze resultaten betekenen dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten zijn. Soortenbescherming In opdracht van ADRA Metaalbewerking BV heeft M&A Omgeving een quickscan ecologie (bijlage 3) uitgevoerd. Hierin is zowel een literatuuronderzoek als een veldonderzoek uitgevoerd. Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket).

Hieronder zijn de bevindingen per soortgroep gepresenteerd. blad 26 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

Vogels Hoewel tijdens het veldonderzoek een aantal inheemse soorten (holenduiven, zwarte kraaien) zijn waargenomen, zijn er geen verblijfplaatsen / nesten van jaarrond beschermde soorten waargenomen en tevens geen nietjaarrond beschermde nesten waargenomen. Bovengenoemde maakt het aannemelijk dat effecten kunnen worden uitgesloten. Er is geen aanvullend onderzoek benodigd. Vleermuizen Wat betreft de verblijfplaatsen van vleermuizen, zijn er geen geschikte openingen of kieren in de bedrijfsloodsen die als verblijfplaats kunnen dienen aanwezig. Er zijn tevens geen geschikte biotopen voor boombewonende vleermuizen. Daarom is nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen Voor overige soorten is tijdens het veldbezoek voornamelijk gelet op kleine marterachtigen. Er zijn geen sluip- of vraatsporen aangetroffen van deze soorten. De kans dat deze zullen worden aangetroffen zijn als klein te beschouwen. Op de locatie zijn geen geschikte gebouwen aanwezig, zodat verblijfplaatsen voor deze soorten niet aanwezig zijn. Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht voor een flora- en fauna-activiteit (artikel 11.27, Bal) houdt in dat planten en dieren niet onnodig beschadigd, gedood of verstoord mogen worden.

Het kan niet uitgesloten worden dat niet-beschermde of vrijgestelde plant- en diersoorten aanwezig zijn of gebruik maken van het werkgebied, dus dient er zorgvuldig gehandeld te worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de specifieke zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Conclusie De realisatie van de beoogde ontwikkeling leidt niet tot belemmeringen. Het aspect ecologie zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Luchtkwaliteit Kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Op basis van artikel 2.4 en artikel 2.5 van het Bkl gelden omgevingswaarden voor stikstofdioxide, stikstofoxiden en fijnstof. In de onderstaande tabel zijn de vastgestelde concentraties opgenomen. Tabel 4-5: Vastgestelde omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit

Stof NO2 NO2 NOx PM10 PM10 PM2,5

Soort norm Jaargemiddelde Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) Jaargemiddelde Jaargemiddelde 24-uurgemiddelde (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) Jaargemiddelde

Concentratie 40 µg/m3 200 µg/m3 30 µg/m3 40 µg/m3 50 µg/m3 25 µg/m3

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; of • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging blad 27 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit de artikelen 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Aandachtsgebieden Toetsing aan de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties is altijd nodig als het plangebied is gelegen in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51, lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. Dit is in de Gemeente Bergeijk niet aan de orde. Beoordeling Er dient te worden aangetoond dat de voorgenomen activiteit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen. Het voornemen leidt tot een toename van verkeer in de omgeving. De ontwikkeling van de bedrijfshal (2.921 m 2 bvo) leidt tot een verkeersgeneratie van 292 voertuigbewegingen per weekdagetmaal, waarvan een klein gedeelte (minder dan 10) zwaar vrachtverkeer betreft.

Dit verkeer veroorzaakt uitstoot van de voor de luchtkwaliteit relevante stoffen stikstofdioxiden (NO2) en fijnstof (PM10)). Op grond van artikelen 5.53 en 5.54 van het Bkl is met de NIBM-tool is een worstcase berekening gemaakt van de bijdrage die dit verkeer op de concentraties luchtverontreinigende stoffen heeft. De NIBM-tool rekent de bijdrage van wegverkeer met worstcase instellingen (smalle canyon, stagnerend stadsverkeer, etc.). De resultaten hiervan zijn weergeven in de onderstaande tabel.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie

2026

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

292 2,0%

NO2 in μg/m3

0,16

PM10 in μg/m3

0,03

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

Op basis van bovenstaande berekening kan geconcludeerd worden dat het project in niet betekenende mate bijdraagt aan de plaatselijke mate van luchtverontreiniging. De aannames zijn zeer worstcase aangenomen, waarbij zowel het aantal dagelijkse voertuigbewegingen als het aandeel vrachtverkeer is overschat. Er is geen nader onderzoek nodig. Conclusie Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zorgt de ontwikkeling voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11

Bodemkwaliteit Kader Het bodembeleid gaat over het voorkomen en wegnemen van bodemverontreiniging. Waar het bodembeleid eerder sterk gericht was op het saneren van bodemverontreiniging legt de Omgevingswet meer nadruk op het voorkomen van verontreinigingen en het beheren van bestaande verontreinigingen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven blad 28 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal): • regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22); • regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4). Beoordeling Door Silt Milieu BV is in januari 2025 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek zijn hieronder beschreven. De rapportages zijn in bijlage 6 bij deze motivering opgenomen. In algemene zin kan geconcludeerd worden dat er geen waarnemingen gedaan zijn die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid.

In detail zijn de conclusies als volgt: Grond De zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonsters MM01 t/m MM03 van de boven- en ondergrond voldoen aan de interventiewaarde. De kwaliteitsklasse betreft landbouw/natuur. Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB01 (gelegen op het meest oostelijk gelegen perceel) zijn analytisch licht verhoogde concentraties aan cadmium en zink aangetoond. Deze concentraties overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden. Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten, slechts licht verhoogde concentraties in het grondwater, formeel worden aanvaard. Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en zorgt daarmee voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12

Archeologie Kader Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Met de introductie van de Wamz zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in omgevingsplannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen. Met de Omgevingswet is de lijn dat gemeenten een centrale rol wordt toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed, doorgezet. De gemeente kan lokale regels stellen over archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Beoordeling Ten behoeve van de nieuwbouw voor ADRA Metaalbewerking BV is een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (booronderzoek) uitgevoerd.

blad 29 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

Bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek heeft het projectgebied een middelhoge verwachting. Op basis van de landschappelijke ligging binnen een zone met dekzandwelvingen en de archeologische onderzoeks- en vondstmeldingen uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een lage verwachting aan het plangebied toegekend. Inventariserend veldonderzoek Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke podzolbodem grotendeels is verdwenen maar dat het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont nog intact aanwezig is. Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum naar laag bijgesteld en blijft de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd.

De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Vervolg en borging van archeologisch belang De resultaten van het inventariserend veldonderzoek zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het genomen selectiebesluit gaat uit van een vervolgonderzoek middels het uitvoeren van proefsleuvenonderzoek. Dit onderzoek wordt op grond van het PvE voorafgaand aan de bouw uitgevoerd en voorgelegd aan bevoegd gezag. Het is mogelijk dat op basis van het uit te voeren proefsleuvenonderzoek een vlakdekkende opgraving noodzakelijk is. Indien dit nodig blijkt te zijn, zal dit ook voorafgaand aan de realisatie van de omgevingsvergunning worden uitgevoerd. Hiermee wordt voorkomen dat negatieve effecten optreden voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Conclusie Het aspect archeologie zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13

Cultureel erfgoed Kader Onder erfgoed vallen cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke- en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Bal, de provinciale omgevingsverordening en het omgevingsplan. Het Bal stelt onder andere regels aan rijksmonumenten. De provinciale omgevingsverordening stelt regels aan provinciale monumenten (zoals provinciale monumenten, molenbiotopen en landgoed- en kasteelbiotopen). In het omgevingsplan legt de gemeente de te beschermen gemeentelijke en provinciale monumenten vast. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet de gemeente voldoen aan de instructieregels van het Rijk (paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl). Deze instructieregels gelden ook bij het afwijken van het omgevingsplan met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op basis van de instructieregels uit het Bkl dient in een omgevingsplan of een motivering bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoende rekening te worden gehouden met het behouden en het beschermen van cultureel erfgoed. Beoordeling De cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant en de erfgoedkaart van de samenwerkende Kempengemeenten.

Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart wordt onderscheid gemaakt in cultuurhistorisch waardevolle gebieden (waar een beschermingsregime aan gekoppeld is) en overige cultuurhistorische informatie (die niet op grond van de provinciale verordening beschermd zijn). Ter plaatse van het projectgebied komen geen cultuurhistorische waarden voor. In de nabijheid (ten zuiden) van het projectgebied ligt het historische lint van Westerhoven, maar door de aanleg van de Provincialeweg heeft deze al aan waarde ingeboet. De ontwikkeling heeft geenszins invloed op enige cultuurhistorisch waardevolle of landschappelijk waardevolle gebieden of structuren. blad 30 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

Conclusie Het aspect cultuurhistorie en erfgoed zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.14

Kabels en leidingen Kader Kabels en leidingen vervullen verschillende functies. De omvang en inhoud, en daarmee het risico bij beschadiging, verschilt hierdoor ook. Daarnaast kunnen kabels en leidingen in zowel openbare als privé-gronden gelegen zijn, waardoor verschillende belangen geraakt worden. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn de bestaande regels met betrekking tot de bescherming van kabels en leidingen opgenomen. Dit bestaat uit de ruimtelijke regels (beheersverordeningen en bestemmingsplannen) en de bruidsschat. Ruimtelijke regels In het tijdelijk deel van het omgevingsplan staan regels voor buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Deze regels richten zich op de ligging en het type leiding (aard van de stof en bij gas, de maximale druk). In het omgevingsplan kunnen ook regels over ondergrondse hoogspanningsverbindingen staan. Deze regels richten zich op de afstand van bepaalde gebouwen tot magneetvelden. Daarnaast kunnen ook voor andere kabels en leidingen regels staan in de ruimtelijke regels het omgevingsplan, omdat ze naar het oordeel van het bevoegd gezag ruimtelijk relevant zijn. Beoordeling De beoogde ontwikkeling wordt beoordeeld via de regels in het omgevingsplan.

In het omgevingsplan is te zien dat binnen en in de nabijheid van het projectgebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig zijn die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Ten aanzien van het aspect kabels en leidingen zorgt de ontwikkeling voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.15

Water Kader In deze paragraaf wordt inzicht verkregen in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid als het beleid van het waterschap. De beschrijving van de wateraspecten bestaat uit een beschrijving gegeven van de bestaande situatie, de revelante wet- en regelgeving en de voorgenomen ontwikkeling, met daarbij de mogelijke maatregelen. Algemeen In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen van een plan voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het besluitgebied is gelegen binnen het beheergebied van Waterschap De Dommel. Waterbeheerprogramma 2022‐2027 Waterschap De Dommel Vanaf 1 januari 2022 geldt het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5). Hiermee wil Waterschap De Dommel de watertransitie in gang zetten: een aanpak die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past.

Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. In de planperiode wordt gestart met de watertransitie. Dat vraagt om een omslag in denken en handelen van zowel het waterschap, onze gebiedspartners als alle watergebruikers. Daarbij zullen drie principes inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie. De drie richtinggevende principes zijn: 1. elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. 3. Wat schoon is moet schoon blijven. blad 31 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020‐2024 Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. In het ‘Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan, 2025-2029’ (vGRP) beschrijft de gemeente Bergeijk de beleidsvoornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater in Bergeijk voor de periode 2025-2029. In het vGRP is aangegeven dat de gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater betrekking heeft op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. Alleen als de houder van het verzamelde hemelwater dit redelijkerwijs niet kan afvoeren. Het gemeentelijk hemelwaterbeleid is strenger dan wat de keur voorschrijft. De gemeente geeft de voorkeur aan al het hemelwater scheiden van het rioleringswater. In het Verbreed GRP Bergeijk stelt de gemeente voor zowel tijdelijke als permanente ontwikkelingen eisen aan de verwerking van hemelwater op eigen terrein.

• Bij ontwikkelingen (toename of sloop/herbouw/opnieuw aanleggen) met een omvang van meer dan 50 m² waarbij op een gemeentelijke voorziening wordt geloosd is het gemeentelijk hemelwaterbeleid van toepassing; • Voor ontwikkelingen die direct op oppervlaktewater in beheer van het waterschap lozen is het beleid van Waterschap De Dommel van toepassing. Dit betekent dat bij een toename van meer dan 500 m² aan de bergingsopgave zoals beschreven in de Keur moet worden voldaan. • Voor nieuwbouw verplicht de gemeente de aanleg van 60 mm hemelwaterberging op eigen terrein. Als dit aantoonbaar niet doelmatig/haalbaar is of transport naar een opvanglocatie buiten het plangebied doelmatiger is, dan is verwerking buiten het plangebied toegestaan. Punt 1 en 3 zijn voor de ontwikkeling van ADRA Metaalbewerking BV aan de orde. Punt 2 niet. Er zijn geen oppervlaktewateren in de nabijheid gelegen die beheerd worden door het waterschap. Beoordeling Het projectgebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Tevens vindt geen grondwateronttrekking plaats vanwege de ontwikkeling. Hierom zijn effecten op het grondwater uitgesloten. Door de ontwikkeling is sprake van een toename van verharding. Op grond van het gemeentelijk rioleringsplan is er een bergend vermogen van 60mm per vierkante meter dakoppervlak. De toename van verharding leidt tot een bergingsopgave van 127,26m3 .

ADRA Metaalbewerking BV heeft ervoor gekozen om deze mogelijk te maken door te werken met een infiltratievoorziening die onder de zuidelijk gelegen parkeerplaatsen loopt. Hier wordt een ITbuis (500mm) gelegen in een buffer lavasplit aangelegd. Op basis van de specificaties van deze voorziening is een buis van 66,13 meter benodigd. De exacte situering hiervan is nader uitgewerkt in de technische aanvraag. Voor het ruimtelijk spoor is relevant dat deze voorziening voldoet om invulling te geven aan de gemeentelijke eisen ten aanzien van waterberging en verandert de infiltratiecapaciteit van het projectgebied niet, ondanks de toevoeging van verharding. Conclusie Het aspect Water zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.16

Gezondheid Kader Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Omdat de Omgevingswet het begrip niet inkadert, kan het veel verschillende onderwerpen raken, bijvoorbeeld regels voor het beweegvriendelijk maken van de omgeving. Milieunormen zijn in het verleden ook gesteld om gezondheid te beschermen. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Een van de maatschappelijke

blad 32 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Met de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. In de volgende artikelen van de Omgevingswet staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving: • In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. • In artikel 3.3 van de Omgevingswet van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen. • In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. • In artikel 5.32 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag de aanvraag van een omgevingsvergunning kan weigeren wanneer deze zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid en in artikel 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en artikelen 8.101 en 8.102 van het Bkl staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan wijzigen of intrekken in het kader van het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid.

De GGD geeft een praktische invulling aan dit kader door middel van verschillende kernwaarden met bijbehorende gezondheidsadviezen. De GGD heeft de volgende kernwaarden opgesteld: 1. rookvrije omgeving; 2. aantrekkelijke plekken; 3. gezond gewicht; 4. wonen en druk verkeer; 5. voorzieningen dichtbij; 6. actief vervoer; 7. fiets- en ov-verbindingen; 8. gezond binnenklimaat; 9. prettig wonen; 10. geschikte woningen. Verder stelt de GGD dat het voldoen aan de wettelijke normen niet automatisch betekent dat er geen gezondheidseffecten kunnen optreden. In het GGD-omgevingsadvies zijn daarom gezondheidskundige advieswaarden opgenomen. De GGD heeft gezondheidskundige advieswaarden voor de thema’s luchtkwaliteit, geur, geluid, bodem, elektromagnetische velden (straling), veehouderijen en akkerbouw. Beoordeling Het beoogde ontwerp van voorliggende motivering zorgt in de bouwfase voor een tijdelijke storing in luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem. De bouwfase is beperkt van duur en de bouwwerkzaamheden zijn niet ingrijpender dan bij andere bouwprojecten. Overschrijving van normen als gevolg van het voornemen is daarmee niet aan de orde. Het voornemen leidt tot één bouwmassa welke wordt ingepast in het landschap en waarbij duurzaamheid van de ontwikkeling behoort tot het ontwerp.

Ruimtelijk gezien is er daarmee geen sprake van een bouwwerk dat effecten veroorzaakt die negatief kunnen zijn voor het gezondheidsaspect. Uit andere toetsingen in dit hoofdstuk blijkt ook dat er aan milieunormen voldaan wordt en dat op grond daarvan gezondheidseffecten uit te sluiten zijn. Gelet op de reeds bestaande activiteiten en het de afstand tot gevoelige bestemmingen rondom de projectlocatie worden geen negatieve gezondheidseffecten verwacht. Specifieke aandacht op deze locatie dient geschonken te worden aan geitenhouderijen. Op basis van de GGDrichtlijn dienen gevoelige functies meer dan 2 kilometer afstand te houden tot geitenhouderijen. De ontwikkeling is weliswaar binnen 2 kilometer van een geitenhouderij gelegen, maar voorziet niet in een gevoelige functie. Ook ten aanzien van endotoxinen en gewasbeschermingsmiddelen geldt dat de ontwikkeling niet voorziet in een gevoelige functie, en er dus geen negatieve effecten optreden als gevolg hiervan. Conclusie

blad 33 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

Ten aanzien van het aspect gezondheid zorgt de ontwikkeling voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.17

Klimaatadaptatie Kader Het klimaat verandert: het wordt warmer er natter. Ook zijn er vaker lange periodes van droogte en neemt de kans op overstromingen toe. Inspelen op de gevolgen van klimaatverandering wordt klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is een opgave voor én door iedereen. De gevolgen van klimaatverandering zijn de 4 thema’s: hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen. Rijk, gemeenten, waterschappen, provincies en veiligheidsregio’s zijn met dit onderwerp bezig met als doel in 2050 klaar te zijn voor extremere weersomstandigheden en de stijgende zeespiegel. Klimaatverandering heeft grote impact op de bebouwde omgeving. Om schade en overlast door weersextremen te beperken, moet de manier waarop steden worden gebouwd en ingericht worden aangepast. Beoordeling Het afwijken van het vigerende planologisch regime heeft betrekking op het bebouwingspercentage. Om deze reden vermindert, zonder mitigerende maatregelen, de klimaatadaptiviteit van het projectgebied. Zoals echter gemotiveerd in de waterparagraaf, compenseert ADRA het verlies aan waterbergend vermogen door de aanleg van infiltratievoorzieningen. Door deze voorzieningen verslechtert de klimaatdaptiviteit door de ontwikkeling niet. Conclusie Ten aanzien van het aspect klimaatadaptie zorgt de ontwikkeling voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.18

Duurzaamheid Kader Onder huidig recht stellen de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving geen eisen aan duurzaamheid die in acht genomen moeten worden. Als er sprake is van dergelijke eisen vloeien die meestal voort uit gemeentelijk beleid of uit het Besluit bouwwerken leefomgeving als het om bouwwerken gaat. Wel stelt artikel 1.3 van de Omgevingswet dat de doelen van de wet gesteld zijn met het oog op duurzame ontwikkeling. Deze bepaling kan duurzaamheid een prominente positie in planvorming geven. Vooralsnog is dat niet het geval omdat omgevingsplannen in de eerste fase na inwerkingtreding van de wet vooral beleidsneutrale omzettingen van bestaande regels zijn. Beoordeling Duurzaamheid is een belangrijk onderdeel van de strategie van het ontwikkelen van een bedrijfshal. De nieuwbouw zal in ieder geval voldoen aan de regels over duurzaamheid uit het Besluit bouwwerken leefomgeving en wordt compleet gasloos opgeleverd. Tevens beschikt het toekomstige gebouw zonnepanelen en mogelijk andere duurzame energietechnieken, waaronder een batterijpakket. Onlosmakelijk verbonden aan dit voornemen is echter de groeiende vraag naar elektriciteit. Het gaat echter om een relatief kleine elektriciteitsvraag die waar mogelijk duurzaam ingevuld wordt. Conclusie Ten aanzien van het aspect duurzaamheid zorgt de ontwikkeling voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

blad 34 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

5.

Uitvoerbaarheid

5.1

Ruimtelijke uitvoerbaarheid In de voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe de voorgenomen ontwikkeling van de bedrijsfhal met de benodigde afwijking van de bestaande bestemmingen ter plaatse van de projectlocatie past binnen het beleid. Daarnaast is aangetoond met de toetsing van het voornemen aan de omgevingsaspecten dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee uitvoerbaar.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1

Participatie ADRA Metaalbewerking heeft uit eigen beweging en op basis van het participatiebeleid invulling gegeven aan een omgevingsdialoog en heeft dat in twee fasen gedaan. Alle omwonenden zijn persoonlijk geïnformeerd en hebben hun aandachtspunten mee kunnen geven aan ADRA. Deze zijn waar mogelijk verwerkt in het project. Vanwege een tussentijdse wijziging in het ontwerp van de groenstrook heeft ADRA vervolgens de omwonenden die het aangaat nogmaals geïnformeerd. Uit de omgevingsdialoog komen aandachtspunten naar voren, maar geen onoverkomelijke verschillen tussen initiatiefnemer en omwonenden. Als bijlage bij deze motivering is een verslag van de uitgevoerde omgevingsdialoog opgenomen.

5.2.2

Bestuurlijk afstemming De motivering wordt conform artikel 2.2 van de Omgevingswet toegezonden naar andere bestuurlijke instanties voor een bestuurlijke afstemming. De resultaten van deze bestuurlijke afstemming worden te zijner tijd in deze motivering verwerkt.

5.3

Financiële uitvoerbaarheid Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. Is sprake van een ontwikkeling die niet op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het afwijken van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken. De initiatiefnemer sluit een anterieure overeenkomst met de gemeente over kostenverhaal van dit project.

blad 35 van 36

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit 15 mei 2025 ADRA Metaalbewerking BV

6.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de ontwikkeling van ADRA Metaalbewerking BV in Westerhoven. De beoogde ontwikkeling ziet toe op een bedrijfbestemming op thans agrarisch in gebruik zijnde gronden. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt er op de grond van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) een omgevingsvergunning aangevraagd. Om de omgevingsaanvraag te kunnen indienen dient er aangetoond te worden dat de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op basis van voorliggende motivering kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het voornemen heeft geen negatieve effecten op milieuen/of omgevingsaspecten. Een voorwaarde voor deze conclusie is dat het archeologisch onderzoek conform het op te stellen PvE uitgevoerd wordt.

blad 36 van 36

Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1800 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.

Contactgegevens Beneluxweg 125 4904 SJ Oosterhout Postbus 40 4900 AA Oosterhout

Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct een melding te maken bij security@antegroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.

Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=aedbfb51-bacc-429b-8071-33ae1ecb645d