Bijlage 1 Systeembeschrijving
Tekst van het document
Nummer systeem
BWL 2018.05
Naam systeem
Warmtewisselaar; 50% reductie fijnstof (PM10)
Diercategorie
Additionele technieken voor emissiereductie van fijn stof bij de diercategorieën E, F en G
Systeembeschrijving van
Maart 2018
Vervangt
--
Werkingsprincipe
De wisselaar zorgt ervoor dat er warme ventilatielucht vanuit de stal verse lucht opwarmt. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt in de stal uitgeblazen. Voor menging van de warme lucht met de aanwezige stallucht kan per diercategorie en huisvestingsysteem een andere techniek worden toegepast. Variant A In het condensatievocht dat zich vormt op de pakketten in de wisselaar blijft stof achter. Samen met aanhechting van stof aan de wanden van de kanalen resulteert dit in een reductie van de emissie van fijnstof. Variant B De lucht uit de stal wordt gefilterd door filters met een verwijderingsrendement van 99% voor deeltjes ≥1 micrometer voordat deze door de warmtewisselaar gaat.
DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; TECHNISCHE VOORZIENINGEN Onderdeel
Uitvoeringseis
1
Huisvestingsvorm
Afhankelijk van diercategorie en huisvestingssysteem
2
Verwarmings- en luchtcirculatiesysteem
Er moet sprake zijn van minimaal één onderhoudsvriendelijke warmtewisselaar die verse lucht opwarmt. Deze lucht wordt vermengd met lucht in de stal. Bij jonge dieren dient aanvullende verwarming aanwezig te zijn om de gewenste staltemperatuur te bereiken.
3a
Warmtewisselaar
Warmtewisselaar(s) kunnen zowel buiten naast de stal zijn opgesteld, als binnen in de stal zijn geplaatst. De warmtewisselaar warmt vers binnenkomende ventilatielucht op alvorens deze in de stal komt. Het thermische rendement van de wisselaar is minimaal 70% bij warmtevraag op basis van: ( T inblaas –T buiten ) x 100% (T = temperatuur) T afzuig – T buiten
3b
Variant A; omschrijving
De warmtewisselaar is uitgevoerd volgens het tegenstroomprincipe. In een kast van isolerend materiaal zijn kunststof kanalen geplaatst. De kanalen zijn minimaal 7 m lang. De binnenkomende (koude) lucht stroomt door de kanalen. De uitgaande (warme) stallucht stroomt langs de buitenkant van de kanalen.
3c
Variant A; debiet
De minimaal geïnstalleerde capaciteit 1 van de warmtewisselaar(s) bedraagt bij: - opfokleghennen; 0,8 m3/dier/uur - leghennen; 1,8 m3/dier/uur - opfokvleeskuikenouderdieren; 1,9 m3/dier/uur - vleeskuikenouderdieren; 2,9 m3/dier/uur - vleeskuikens; 2,0 m3/dier/uur 2 - vleeskalkoenen, hennen; 5,6 m3/dier/uur - vleeskalkoenen, hanen; 11,7 m3/dier/uur - vleeseenden; 4,8 m3/dier/uur De capaciteit betreft de uitgaande luchtstroom.
1
Bij deze capaciteiten mag de luchtsnelheid in de kanalen niet hoger worden dan bij een capaciteit die nodig is voor het realiseren van 13% reductie op stalniveau bij de betreffende diercategorie. Zie hiervoor BLW 2012.03.
3d
Variant B1; omschrijving
De warmtewisselaar is uitgevoerd volgens het kruisstroomprincipe. In een geïsoleerde omkasting zijn lamellen voor warmte-uitwisseling en droge stoffilters geplaatst. Na de stoffiltering wordt de afgevoerde lucht door de warmtewisselaar geleid.
3e
Variant B2; omschrijving
De uitvoering van de warmtewisselaar is gelijk aan variant A, maar voordat de lucht door de warmtewisselaar gaat wordt deze gereinigd in droge stoffilters.
3f
Variant B; aantal filters
Het aantal filters is afgestemd op de capaciteit die door de warmtewisselaar gaat, volgens opgave leverancier.
3g
Variant B; type filters
De droge stoffilters hebben een verwijderingsrendement (op massabasis) van minstens 99% voor stof met een diameter van ≥1 micrometer. Dit verwijderingsrendement blijkt uit een bij de filters afgegeven certificaat.
3h
Variant B; reiniging filters
Voor het regelmatig reinigen van de droge stoffilters is een persluchtinstallatie aanwezig.
3i
Variant B; debiet
De minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmtewisselaar(s) bedraagt bij: - opfokleghennen; 0,6 m3/dier/uur - leghennen; 1,4 m3/dier/uur - opfokvleeskuikenouderdieren; 1,45 m3/dier/uur - vleeskuikenouderdieren; 2,1 m3/dier/uur - vleeskuikens; 1,45 m3/dier/uur 2 - vleeskalkoenen, hennen; 4,3 m3/dier/uur - vleeskalkoenen, hanen; 9,0 m3/dier/uur - vleeseenden; 3,6 m3/dier/uur De capaciteit betreft de uitgaande luchtstroom.
4
Registratieapparatuur
De volgende registratieapparatuur dient aanwezig te zijn: apparatuur voor het registreren van het aanstaan van de warmtewisselaar (urenteller); apparatuur voor het registreren van de gerealiseerde temperatuur(curve), binnen-, inblaas- en buitentemperatuur; apparatuur voor het registreren van het gerealiseerde ventilatiedebiet in warmtewisselaar en eventueel aanwezige filters apparatuur voor het registreren van de schoonmaakfrequentie van de filters (alleen variant B)
HET GEBRUIK VAN HET SYSTEEM
a
2
Onderdeel
Gebruikseis
Instelling capaciteit warmtewisselaar
Dieren met verwarmingsbehoefte: Ingaande luchtstroom; Zolang er een warmtebehoefte is in de stal, is de ventilator ingeschakeld. Het debiet wordt aangestuurd op basis van de ventilatiebehoefte van de stal. Als er geen verwarming (meer) nodig is, mag deze ingaande luchtstroom worden uitgeschakeld. Uitgaande luchtstroom; De ventilator voor de uitgaande luchtstroom is gedurende de gehele productieperiode ingeschakeld. De capaciteit van de uitgaande
Bij vleeskuikens kan een productiewijze worden toegepast waarbij kuikens in de stal uit het ei komen en daarna opgefokt gedurende een beperkte periode in deze stal. Na de opfokperiode worden de dieren overgeplaatst naar een vervolghuisvesting. Deze productiewijze is, met bijbehorende leeftijden voor overplaatsen, vastgelegd in categorie E 5.9. Afhankelijk van de leeftijd van overplaatsen is de ventilatiebehoefte in de opfokstal mogelijk lager dan de hier gevraagde minimale capaciteit. In dat geval kan de geïnstalleerde capaciteit van de opfokstal worden berekend met de formule: y = 0,1363*e0,0908x (waarin y = te installeren debiet en x is leeftijd van overplaatsen in dagen, e staat voor ‘exponentiele functie’ en heeft de afgeronde waarde 2,7183).
luchtstroom wordt gestuurd op basis van de ventilatiebehoefte van de stal. De uitgaande luchtstroom wordt in de periode dat er verwarming nodig is gelijk gehouden aan die van de ingaande luchtstroom. Bij toenemende ventilatiebehoefte, als er geen verwarming nodig is, neemt de capaciteit van de uitgaande luchtstroom toe tot de maximale capaciteit van de warmtewisselaar. Dieren zonder verwarmingsbehoefte: Ingaande luchtstroom; De ingaande luchtstroom is afgestemd op de eisen ten aanzien van de beluchting. Uitgaande luchtstroom; De ventilator voor de uitgaande luchtstroom is gedurende de gehele productieperiode ingeschakeld. De capaciteit van de uitgaande luchtstroom wordt gestuurd tot de maximale capaciteit van de warmtewisselaar op basis van de ventilatiebehoefte van de stal. Het debiet is minimaal gelijk aan de ingaande luchtstroom. b
Reiniging variant A
De buitenzijde van de kunststofkanalen in de wisselaar moeten na iedere ronde en minimaal één keer per twee maanden worden gereinigd.
Reiniging variant B
Bij groeiende dieren: Vanaf 10 dagen na opzetten van de dieren dienen de filters minimaal 1 keer per dag automatisch worden gereinigd met de persluchtinstallatie. Na 20 dagen dient dit minimaal 2 keer per dag plaats te vinden. Bij volwassen dieren: Minimaal 2 keer per dag reinigen. Na elke ronde dienen de filters met water worden gereinigd evenals de ruimte onder de filters.
c
Vervanging filters
Om een goed verwijderingsrendement te garanderen worden de filters na 5 jaar ieder jaar getest op het verwijderingsrendement, of de filters worden iedere 5 jaar vervangen.
d
Registratie
Ten behoeve van een controle op de werking van het systeem moeten de volgende gegevens automatisch worden geregistreerd: het aan staan van de warmtewisselaar en de ventilator hiervan; de temperatuur(curve); het aanstaan van de filterreinigingsinstallatie (alleen variant B); datum in gebruik name van de filters; vervangingsdatum van de filters, of rapport waaruit na 5 jaar gebruik blijkt dat verwijderingsrendement ≥99% is voor PM10.
Werkingsresultaat
Emissiereductie fijnstof (PM10) van 50% ten opzichte van de emissiefactor van het stalsysteem waarmee het wordt gecombineerd.
Verwijzing meetrapport
Rapport 621; Maatregelen ter vermindering van fijnstofemissie uit de pluimveehouderij: validatie van een warmtewisselaar op vleeskuikenbedrijven Rapport 657; Emissies uit een vleeskuikenstal met strooiselbeluchting en warmtewisselaar. Meetprogramma Integraal Duurzame Stallen
Principeschets warmtewisselaar
Variant A
Variant B1
Variant B2
Naam: Warmtewisselaar; 50% reductie fijnstof
Nummer: BWL 2018.05 Systeembeschrijving: Maart 2018