BIJL3TOE.pdf
Tekst van het document
.. .. .. .. .. Quickscan Natuurtoets
Inventarisatie en beoordeling van natuurwaarden in het kader van natuur- en regelgeving
Weebosserweg 71 Bergeijk
Quickscan
Opdrachtgever: T Wassink Weebosserweg 71 5571 LL Bergeijk
Opdrachtnemer: Groenpartner Avereest Heinbaaswijk 10 7701 PA Dedemsvaart E info@groenpartner-avereest.nl Website www.groenpartner-avereest.nl Datum: 13 februari 2020
2
Quickscan
INHOUDSOPGAVE
1. 1.1 1.2
Aanleiding Quickscan Flora en Fauna. ................................................................. 4 Ontwikkeling mantelzorg woning ......................................................................... 4 Werkwijze QuickScan ............................................................................................ 4
2. 2.1 2.2
Huidige situatie en ontwikkeling .......................................................................... 5 Huidige situatie. .................................................................................................... 5 Toekomstige situatie. ........................................................................................... 6
3. 3.1
Toetsing. ............................................................................................................... 6 Natuurbeschermingswet 2017............................................................................... 6
4 4.1 4.2
Methode................................................................................................................. 9 Bureauonderzoek .................................................................................................. 9 Terreinbezoek ....................................................................................................... 9
5. 5.1 5.2 5.3
Onderzoeksresultaten ........................................................................................... 9 Uitkomsten terreinverkenning .............................................................................. 9 Uitkomsten bureauonderzoek ..............................................................................10 Beschermde soorten ............................................................................................10
6. 6.1 6.2 6.3
Conclusie en vervolg ...........................................................................................12 Soortenbescherming ............................................................................................12 Consequenties en aanbevelingen ........................................................................12 Afbakening. .........................................................................................................12
LITERATUURLIJST ........................................................................................................14 Bijlage 1.........................................................................................................................15
3
Quickscan
1.
AANLEIDING QUICKSCAN FLORA EN FAUNA.
1.1
Ontwikkeling mantelzorg
Op de locatie Weebosserweg 71 in Bergeijk wordt voormalige agrarisch bedrijfsgebouw van 421 m2 gesloopt en te gaan hergebruiken ten dienste van woonbestemming. Het geheel wordt landschappelijk ingepast. Voor dit voornemen wordt een uitwerkingsplan opgezet. Een onderdeel van dit uitwerkingsplan behelst het inzicht hebben in de aanwezige (beschermde) natuurwaarden. Voorliggende Quickscan Flora en fauna geeft hiervan inzicht en dient als onderbouwing voor de uitvoerbaarheid van het plan. Ruimtelijke plannen dienen ook te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Getoetst dient te worden aan de Natuurbeschermingswet. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die vanuit deze wetgeving op onoverkomelijke bezwaren stuiten. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties voor realisering van de gewenste nieuwbouw. Dit wordt gedaan op basis van een QuickScan. In deze rapportage zijn de resultaten van de uitgevoerde Quickscan beschreven. In Figuur 1.1 wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven Figuren 1 en 1b: ligging van de locatie Weebosserweg 71, Bergeijk
Bron: kadasterkaart
1.2
Werkwijze QuickScan
De mogelijke aanwezigheid van beschermde dier- en/of plantensoorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: een oriënterend veldbezoek door Groenpartner Avereest (Jeroen Lisser) op 17 januari 2020 vrij beschikbare gegevens van het Natuurloket [www.Natuurloket.nl] regionale verspreidingsatlassen verspreidingsgegevens van amfibieën, reptielen en vissen [www.ravon.nl] Het oriënterende veldbezoek was erop gericht te controleren in hoeverre soorten, waarvan op basis van literatuurgegevens wordt aangenomen dat deze aanwezig kunnen zijn, daadwerkelijk in het plangebied voorkomen of in hoeverre het plangebied voldoet aan de eisen die deze soorten aan hun leefomgeving stellen. In Nederland bestaan er rode lijsten voor soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Deze rode lijsten hebben echter geen juridische status, maar zijn wel richtinggevend in deze Quickscan. Vervolgens is bekeken of er in de wetgeving bepalingen zijn die – op basis van de gevonden waarnemingen – een beperking opleggen in de gewenste ontwikkelrichting.
4
Quickscan
2.
HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING
2.1
Huidige situatie.
Op de huidige locatie vinden we nu een erf aan met een aantal bomen en weiland met randbeplanting De bomen zijn in een redelijke staat. Onderstaande 6 foto’s geven een impressie van de locatie waar het om gaat.
Impressie perceel
Woning voorzijde
inrit
Te slopen schuur
5
Quickscan 2.2
Toekomstige situatie.
figuur 2 huidige situatie
Figuur 2a: situering nieuwe woning op het erf.
3.
T OETSING.
3.1
Natuurbeschermingswet 2017
De Flora- en Faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet zijn per 1 januari 2017 opgegaan in de nieuwe Wet Natuurbescherming. De Wet natuurbescherming kent drie aparte beschermingsregimes, één voor - Soorten van de Vogelrichtlijn - Soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en - Andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd dienen te worden. Elk beschermingsregime kent zijn eigen bepalingen en vereisten. Natura 2000-gebieden In Nederland hebben meerdere natuurgebieden een beschermde status als ‘Natura 2000’- gebied. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa en bestaat uit gebieden . Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen, waarbij de kern van de bescherming is dat de instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Regels omtrent de Natura 2000gebieden zijn opgenomen in de Wet Natuurbescherming, hoofdstuk 2. In de Natura 2000-gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van: - De leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de vogelrichtlijn, of - De natuurlijke Habitats en de Habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. Gedeputeerde Staten moeten ervoor zorgdragen dat in hun provincie voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan wordt opgesteld.
Natuurbeschermingswet Het plangebied ligt ver buiten de invloedssfeer van door de Natuurbeschermingswet beschermde gebieden. Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde gebied, het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’, ligt op ongeveer 5 km afstand van het plangebied. Effecten van de voorgenomen ruimtelijk ontwikkeling over deze afstand zijn daarom redelijkerwijs uit te sluiten. De vanuit de Natuurbeschermingswet beschermde beek ‘De Keersop’, die onderdeel is van het Natura 2000- gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’, ligt op 800 meter aan de noordzijde van het plangebied. Effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op de kwaliteit van de beek zijn over deze afstand redelijkerwijs uit te sluiten. Vanuit het plan hoeft daarom geen rekening gehouden te worden met wettelijke gebiedsbescherming.
6
Quickscan Status:NNB Ambitie-Beheertype: N16.03 Droog bos met productie figuur 3b Kaart Natuurbeheerkaart provincie Noord Brabant
7
Quickscan Soorten en Zorgplicht Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van soorten: - §3.1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, - §3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn, - §3.3. Beschermingsregime andere soorten Of dier- of plantensoorten wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en dun directe omgeving. De Wet Natuurbescherming gaat uit van de intrinsieke waarde van alle dieren en planten. De mens moet daar zorgvuldig mee omgaan en daarom is de zorgplicht in de wet opgenomen. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Naar redelijkheid moeten nadelige effecten voorkomen of beperkt worden of ongedaan gemaakt kunnen worden. Onder de Wet Natuurbescherming vallen alle vogels die van nature in het wild voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. Alle vogels, in totaal ruim 700 soorten, zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Van deze bepalingen mag onder voorwaarden worden afgeweken. Vogels die gefokt of nakomelingen zijn van gedomesticeerde vogels, vallen niet onder deze bescherming.
Exoten die ontsnapt zijn en zich in het wild hebben kunnen voortplanten zijn geen beschermde diersoort maar vallen wel onder de algehele zorgplicht. De verbodsbepalingen voor vogels en de habitatrichtlijnsoorten in de Wet Natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de gelijknamige richtlijnen. Zie hiervoor bijgaande tabel die inzicht biedt in de relatie van de beschermingsregimes en de Wet Natuurbescherming (Wn). Tabel 3.1. Verband beschermingsregimes soorten Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en beschermingsrichtlijn andere soorten in relatie tot de Wet natuurbescherming (Wn). Vogelrichtlijn § 3.1 Vangen, doden
Verstoring
Plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen, vernielen
Wn Art 3.1 lid 1: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen Art 3.1 lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Art 3.1 lid 4 en 5: Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. n.v.t.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2. Wn Art 3.5 lid 1: Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen Art 3.5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.
Andere soorten §3.3 Wn Art 3.10 lid 1a: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
n.v.t.
Art 3.10 lid 1b: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen/ n.v.t.
Art 3.5 lid 5: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Natuurwet Nederland / Ecologische hoofdstructuur Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden, in de wet bekend als de Ecologische hoofdstructuur (EHS). Doel is dat natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarische gebied verbonden worden. Hiermee is het Natuurnetwerk te beschouwen als de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van deze gebieden. In of in de directe nabijheid van de NNN/EHS geldt het ‘nee, tenzij’- principe. Hiermee wordt bedoeld dat er geen ontwikkelingen worden toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied 8
Quickscan aantasten. Als er bij ontwikkelingen mogelijk effecten denkbaar zijn, is een NNN/EHS-toetsing raadzaam en soms noodzakelijk. Rode Lijst Rode lijsten vestigen de aandacht op planten- en dierensoorten die bedreigd worden of al verdwenen zijn. Een Rode Lijst geeft een opsomming van soorten die in een bepaald gebied in de problemen zitten. Nederland heeft een eigen Rode Lijst. De Rode Lijsten bevatten een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Sinds november 2012 wordt de lijst in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken opgesteld. In oktober 2015 zijn nieuwe Rode Lijsten voor korstmossen, mossen, vaatplanten, libellen, sprinkhanen en krekels en voor vissen opgesteld. De bescherming is vanaf 1 januari 2016 van kracht. Voor opname op de Rode Lijsten zijn twee criteria gehanteerd, namelijk zeldzaamheid en de trend in het verloop van de talrijkheid. Rode lijsten hebben geen juridische status. Plaatsing op de Rode Lijst betekent dus niet dat de soort beschermd is. De Rode Lijsten hebben een belangrijke signaalfunctie. Immers, vermelding op een Rode Lijst geeft een indicatie over hoe het met een soort gaat, het is geen indicatie over de zeldzaamheid. Binnen deze rapportage wordt alleen ingegaan op soorten die beschermd zijn en worden de Rode Lijst-soorten niet aangehaald. 4
METHODE
Allereerst wordt weergegeven op basis waarvan getoetst wordt. Vervolgens wordt aangegeven wat de resultaten van de toetsing zijn. De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een bestaande inventarisatiegegevens en verkennend veldbezoek. 4.1 BUREAUONDERZOEK Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en, indien beschikbaar, regionale verspreidingsinformatie. Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) De soortgegevens hebben daarom veelal betrekking op de regio en specifiek op het plangebied. Daarnaast is gebruik gemaakt van enkele natuuronderzoeken uit de omgeving van het plangebied. De bijgevoegde literatuurlijst geeft de geraadpleegde bronnen. Bij het opstellen van de QuickScan Flora en fauna is gebruik gemaakt van bestaande atlasgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen et al, ), Atlas van de Nederlandse vleermuizen (Limpens, et al,) en diverse websites die informatie verschaffen over de verspreiding van soorten. Het gaat om de websites van de provincie Noord-Brabant, de gemeente Bergeijk, het Brabants Landschap, het Groenloket en het Natuurloket.
Deze bronnen vermelden soortgegevens naar uurhokken (5 bij 5 kilometer). 4.2 TERREINBEZOEK Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het plangebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is op 17 januari 2020 door Jeroen Lisser van Groenpartner Avereest uitgevoerd. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Er zijn geen bijzonderheden aangetroffen. 5.
O NDERZOEKSRESULTATEN
5.1
UITKOMSTEN TERREINVERKENNING
In januari 2020 is het plangebied en de directe omgeving verkend. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid voor de verschillende soortengroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie; het laagfrequent veldbezoek geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en Habitats op basis van enkele momentopnamen. 9
Quickscan
Bezocht is de locatie aan de Weebosserweg 71 en het omliggende terrein. Ook is de omgeving bij de inventarisatie betrokken. Op het terrein zijn geen bijzondere soorten waargenomen. De soorten die zijn aangegeven in het kilometerhok 149-369 zijn bij het veldbezoek niet waargenomen. Ook zijn er geen sporen van winterverblijven gevonden. Er is specifiek gezocht naar winterverblijven van vleermuizen en uilen. Deze zijn niet aangetroffen. Verder is er gezocht naar sporen en uitwerpselen van andere soorten dieren. Deze zijn ook niet aangetroffen. 5.2 UITKOMSTEN BUREAUONDERZOEK Natuurloket Het Natuurloket geeft aan dat in het kilometerhok waarbinnen het plangebied en zijn invloedsgebied is gelegen (149-369), geen strikt beschermde soorten zijn waargenomen (bijlage 1). Planologische gebiedsbescherming Het omliggende gebied valt niet binnen de door de provincie Noord-Brabant aangewezen natuurgebieden van de NNB/EHS Figuur 5.1. Uitsnede kaart Verordening Ruimte, het plangebied is hierin globaal met rode pijl aangegeven.
FIGUUR 5.1 AFSTAND 200 METER
5.3 BESCHERMDE SOORTEN Amfibieën, reptielen en vissen Op de bezochte locatie worden alleen algemeen voorkomende soorten als bruine kikker, gewone pad en bastaardkikker verwacht. In de winterperiode zijn er geen waarnemingen geweest van sporen van amfibieën. Er zullen zeker wel enkele amfibieën aanwezig tussen de wortels van de bomen en de beplanting. Geschikte biotopen voor strikt beschermde amfibieën zijn niet aanwezig op de bezochte locatie. Gezien het ontbreken van geschikte biotopen en de ligging te midden van agrarische cultuurgronden en woonhuizen, worden geen reptielen ter plaatse verwacht. Vissen komen niet voor op de locaties. De bestaande sloten staan droog in de zomer. Dagvlinders, libellen en overige ongewervelden Beschermde dagvlinders en libellen zijn gebonden aan specifieke biotopen als (natte) heide, vennen, schraalgraslanden, hoogvenen en laagvenen. Deze biotopen ontbreken op de locatie. Alleen zeer algemeen voorkomende en niet beschermde soorten dagvlinders en libellen kunnen voorkomen ter plaatse van de locatie. Beschermde overige ongewervelden (kevers, slakken, mieren) worden wegens het ontbreken van hiervoor geschikte biotopen evenmin verwacht op de locatie. Zoogdieren In het plangebied is er gelet op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdiersoorten. Er zijn geen loopsporen en keutels van konijnen waargenomen.
Behalve konijnen kunnen enkele diersoorten als mol, veldmuis en bosspitsmuis, op enige wijze in het gebied voorkomen. Vleermuizen 10
Quickscan Volgens het cursusdictaat "Vleermuizen en Planologie" (Limpens et al. 2010) is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, franjestaart, ingekorven vleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen binnen het plangebied is over het algemeen geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuren en ruimte onder de dakpannen. Het is door de onderlinge afstand tot de bestaande bebouwing tevens niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de bouwkavel potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de bouwwerkzaamheden. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving zijn voldoende geschikte foerageermogelijkheden voor vleermuizen aanwezig in de vorm van onder meer kleine bosschages. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden.
Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken binnen het plangebied, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Eekhoorn De onderzoek locatie vormt enigszins geschikt habitat voor de eekhoorn. De bomen op de onderzoek locatie zijn onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of verblijfplaats van eekhoorn momenteel kan worden uitgesloten. Het is echter niet uit te sluiten dat een eekhoorn hier in de nabij toekomst mogelijk één of meerdere nesten zal bouwen. Hier dient met betrekking tot eventuele kapwerkzaamheden rekening mee gehouden worden. Vanwege het ontbreken van geschikte biotopen worden geen beschermde soorten in het plangebied verwacht. Binnen het onderzoeksgebied is hooguit een enkele vaste verblijfplaats van een laag beschermde zoogdiersoort als huisspitsmuis, bosmuis of rosse woelmuis aanwezig. Een geschikt biotoop is vooral buiten de planlocatie te vinden. Marter De boommarter komt hoofdzakelijk in bebost gebied met een voorkeur voor naaldbos of gemengd bos voor; soms ook in meer open terrein, mits voldoende bosjes en lijnvormige elementen als heggen en houtwallen aanwezig zijn. Het is een erg schuwe soort.
Op basis van de huidige biotoop (gecultiveerde, verspreide bomen) en de aard van het omliggende landschap (open, weilanden) is het voorkomen van de boommarter niet te verwachten binnen het plangebied. Het plangebied kan wel deel uitmaken van het leefgebied van de steenmarter. Binnen de potentieel te bebouwen delen zijn echter geen verblijfsmogelijkheden aanwezig en gezien de (relatief) staat van de bestaande woningen en goed onderhouden tuinen, is het niet aannemelijk dat de steenmarter hier zal verblijven. Verder is de steenmarter niet kieskeurig omtrent foerageermogelijkheden. Deze vindt zijn/haar voedsel zowel binnen als buiten stedelijk gebied. Daarbij is het leefgebied dusdanig groot dat er met betrekking tot de voorgenomen plannen zeker geen sprake zal zijn van het aantasten van essentieel leefgebied van de steenmarter. Vogels Omdat dit een QuickScan betreft, is geen volledige broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde veldbezoek in combinatie met de terreingesteldheid, bekende verspreidingsgegevens (verspreidingsatlassen en internet) en expert judgement is echter wel een goede uitspraak te doen over de te verwachten soorten. Nesten De Wet natuurbescherming verbiedt het vernietigen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels.
Vogelnesten van jaarrond beschermde vogelsoorten zijn niet in het plangebied aangetroffen en worden vanwege het ontbreken van geschikte nestellocaties in de aanwezige bomen ook niet verwacht. Overige soorten Gezien de terreingesteldheid zijn nauwelijks broedvogels te verwachten, mogelijk dat vink en merel in de aanwezige bomen broeden. Het plangebied fungeert vooral als foerageergebied van in de omgeving broedende vogels. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen dienen buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels te worden gestart. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de 11
Quickscan datum. Voor de meeste te verwachten soorten kan de periode tussen half maart en eind juli worden aangehouden als broedseizoen. De broedperiode verschilt per soort en soms ook per jaar. Voorkomen van beschermde soorten In het kader van Wet Natuurbescherming moet worden getoetst of ter plaatse van de ruimtelijke ingrepen sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde ontwikkelingen kunnen biotoopverlies of verstoring (indirect biotoopverlies) tot gevolg hebben. Tijdens het veldbezoek aan het plangebied zijn in het geheel geen beschermde of bedreigde plantensoorten waargenomen. De begroeiing rond het erf van het plangebied bestaat voornamelijk uit coniferen, eik, berken, walnoten en diverse heesters. Op basis van de resultaten uit het veldbezoek is het voorkomen van beschermde of bedreigde soorten in het plangebied redelijkerwijs uit te sluiten. In de planvorming hoeft daarom geen rekening gehouden te worden met beschermde plantensoorten. 6.
CONCLUSIE EN VERVOLG
Op basis van deze QuickScan wordt er geconcludeerd dat er geen nader onderzoek naar soorten/ soortgroepen hoeft te worden uitgevoerd. Er hoeft daarom geen ontheffing te worden aangevraagd 6.1 SOORTENBESCHERMING In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de ingreep worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dieren opzettelijk worden verontrust. De beoogde ontwikkelingen kennen geen biotoopverlies of slechts een beperkte tijdelijke verstoring (indirect biotoopverlies). Invloeden die leiden tot een verminderde geschiktheid van het plangebied als bijvoorbeeld foerageergebied zijn niet ontheffing plichtig, tenzij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook de vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten niet langer kunnen functioneren. Door de sloopwerkzaamheden, de grondbewerking zullen eventueel aanwezige soorten slechts beperkt negatieve effecten ondervinden van de ingreep. Voor de meeste soorten is dit tijdelijk van aard. In de toekomst zal het plangebied grotendeels weer en waarschijnlijk meer geschikt zijn als leefgebied. Door het inrichten van een nieuw erf met de nodige landschappelijke beplanting en nog nieuw aan te leggen tuin zal er meer rust komen met meer kans voor meerdere soorten om zich in de omgeving te kunnen ontwikkelen.
Dit zal uiteindelijk zeker bijdragen aan meer biodiversiteit. 6.2 CONSEQUENTIES EN AANBEVELINGEN Deze verkennende QuickScan, op basis van een eenmalig veldbezoek en literatuuronderzoek, heeft aangetoond dat effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten nagenoeg geheel zijn uit te sluiten. Er is daarom geen aanleiding voor een nader onderzoek. Verder is een tweetal algemene voorwaarden vanuit de wetgeving altijd van toepassing: In het broedseizoen van vogels (half maart tot half juli) mogen de vegetatie, bosjes en opstallen in het plangebied niet worden verwijderd. Werkzaamheden tijdens deze periode zouden leiden tot directe verstoring van broedvogels en het broedsucces. Alle vogels zijn beschermd. Er is hiervoor geen vrijstelling te verkrijgen. - Op basis van de in de Wet Natuurbescherming opgenomen zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met dan aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.
Dit kan door: o Voortijdig maaien van het plangebied zodat dieren de mogelijkheid hebben weg te trekken; o Het beperken van verlichting tijdens de avonduren in zomer, voorjaar en herfst voor vleermuizen en andere nachtdieren; Het slopen en rooien starten buiten het voortplantings- en het winter(slaap)seizoen. 6.3
Afbakening. 12
Quickscan De initiatiefnemer, respectievelijk opdrachtgever is verantwoordelijk voor het gebruik van de rapportage. Groenpartner Avereest aanvaardt dan ook geen aansprakelijkheid voor de inhoud, interpretaties of conclusies indien gebruik wordt gemaakt van deelaspecten uit deze rapportage zonder verwijzingen naar dit rapport. Tevens aanvaardt Groenpartner Avereest geen aansprakelijkheid voor kosten en vertragingen die optreden als gevolg van het voorkomen van beschermde Flora- of fauna.
13
Quickscan
LITERATUURLIJST ANWB Vogelgids van Europa P.J. Grant, K. Mullarney, L. Svensson, D. Zetterström, 2019 Tirion Uitgevers BV, Baarn. ISBN 978-90-18-02092-7 De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera. Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna deel 7, Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay., I. Wynhoff en De Vlinderstichting, 2006] Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij en European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. ISBN 90-5011-227-7. Veldgids Europese zoogdieren. J.P. Bekker, A van Diepenbeek, P. Twisk 2010 KNNV Uitgeverij, Zeist. ISBN 9789050112604 Websites:
www.atlas.brabant.nl www.bergeijk.nl www.brabant.nl en het groenloket Brabant op de website van de provincie www.brabantslandschap.nl www.natuurloket.nl www.ravon.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl
14
Quickscan BIJLAGE 1
15