Uitgangspunten meerjarenbegroting 2025-2028
Tekst van het document
Kaders meerjarenbegroting 2025-2028
Inleiding In de tussentijdse verantwoording (eerste tussenrapportage) over het jaar 2024 blijkt dat de financiële ontwikkelingen aanleiding geven tot zorg. Dit heeft effect op de meerjarenbegroting 2025-2028. In de begroting zullen ombuigingen moeten worden verwerkt om deze (gedeeltelijk) sluitend te maken. Tussen het vaststellen van deze uitgangspunten voor de meerjarenbegroting en het vaststellen van de meerjarenbegroting 2025-2028 in zal de raad in positie worden gebracht om concreet richting te geven aan de ombuigingen. We stellen voor om naast de reguliere kaders voor de begroting een aantal aanvullende kaders te hanteren. Hieronder worden de aanvullende kaders benoemd. a. b. c. d.
Het laatste jaar van de meerjarenbegroting 2025-2028 dient financieel structureel sluitend te zijn. De minimale stand van de algemene reserve van 10% van de algemene uitkering wordt tijdelijk losgelaten, waarbij in alle jaren de weerstandsratio van minimaal 1 dient te zijn. Indexering vindt plaats conform Centraal Economisch Plan 2024 Bij het sluitend maken van de begroting maken we gebruik van alle mogelijke ombuigingsvoorstellen
Aanvullende kaders voor de meerjarenbegroting 2025-2028 a. Het laatste jaar van de meerjarenbegroting 2025-2028 dient financieel structureel sluitend te zijn. Willen we voorkomen dat we onder preventief toezicht van de provincie komen te staan, dan is het noodzakelijk dat we in het eerste of het laatste jaar van de meerjarenperiode een sluitende begroting hebben. Voor het opstellen van de begroting is het uitgangspunt dat het jaar 2028 sluitend is. Deze keuze is ingegeven door twee aspecten. Ten eerste geeft het ruimte om in de jaren 2025, 2026 en 2027 ombuigingen door te voeren, die leiden tot een sluitende begroting in 2028. Het kan dus ook gaan om ombuigingen die pas in de loop van de meerjarenperiode effect hebben. Ten tweede heeft het Rijk middels de voorjaarsnota besloten om het invoeren van een opschalingskorting met ingang van 2026 terug te draaien, maar daarvoor in de plaats in 2025 een forse uitname uit het gemeentefonds te doen. Hierdoor valt in 2025 een lagere bijdrage vanuit het gemeentefonds te verwachten, wat het op voorhand lastig maakt om de begroting 2025 sluitend te krijgen. b. De minimale stand van de algemene reserve van 10% van de algemene uitkering wordt tijdelijk losgelaten, waarbij de weerstandsratio in alle jaren minimaal 1 dient te zijn. In de jaren 2025 tot en met 2027 zullen we van sommige ombuigingsvoorstellen al effecten zien.
Maar het blijft waarschijnlijk dat er alsnog tekorten zullen worden gepresenteerd in deze jaren. Deze tekorten kunnen we incidenteel dekken via de algemene reserve. Uitgangspunt hierbij is wel dat de weerstandsratio minimaal 1 blijft (conform onze nota risicomanagement en weerstandsvermogen), zodat we overige risico’s kunnen afdekken. Het minimum saldo van de algemene reserve is in onze nota reserves en voorzieningen bepaald op 10% van de algemene uitkering (afgerond op een veelvoud van 500.000 euro). Dat zal niet mogelijk blijven, dus hier moeten we tijdelijk vanaf wijken. c. Indexeren conform Centraal Economisch Plan 2024 Voor de meerjarenbegroting 2025-2028 willen wij andere indexpercentages dan die uit de Macro Economische Verkenning 2024 (conform financiële verordening) hanteren. De reden hiervoor is dat de meicirculaire 2024 wordt berekend aan de hand van cijfers uit het Centraal Economisch Plan 2024. Hierin is te zien dat met name de loonkostenindex een stuk lager ligt dan eerder voorspeld. Vandaar dat wij deze recentere cijfers willen hanteren. Zie onderstaand de indexcijfers. Indexcijfers MPB 2025-2028
2025
2026
2027
2028
Loonkostenindex
4,4%
3,8%
4,8%
4,0%
Materiële kostenindex
2,2%
2,2%
2,2%
2,2%
Gewogen kostenontwikkeling
3,3%
3,0%
3,5%
3,1%
Indexcijfers Sociaal domein MPB 20252028
2025
2026
2027
2028
Materiële kostenindex
2,2%
2,2%
2,2%
2,2%
5-jarig OVA-gemiddelde
4,7%
n.n.b.
n.n.b.
n.n.b.
NEA-index
n.n.b.
n.n.b.
n.n.b.
n.n.b.
Daar waar contractueel andere afspraken zijn gemaakt over indexering worden deze uiteraard toegepast. 2
Bij het sluitend maken van de begroting maken we gebruik van alle mogelijke ombuigingen Er zijn scherpe inhoudelijke keuzes nodig binnen alle portefeuilles en binnen alle programma’s om in voldoende mate op kosten te bezuinigingen, dan wel de inkomsten te verhogen.
Reguliere kaders voor de meerjarenbegroting 2025-2028 Hieronder wordt kort toegelicht welke reguliere kaders er gehanteerd worden voor de berekeningen in onze Meerjarenbegroting 2025-2028. Dit zijn de kader voor de zogenaamde begroting bestaand beleid. Op basis van de ombuigingsvoorstellen kunnen bij het vaststellen van begroting nadere besluiten genomen worden. Nieuwe rentepercentages te hanteren Het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) schrijft voor dat wij ieder jaar opnieuw moeten bepalen met welke rentepercentages wordt gerekend in de gemeentelijke begroting. De rente die aan taakvelden wordt doorbelast (= rente activa) wordt bepaald op basis van voorcalculatie. Het is een verplichting in het BBV om in de jaarrekening de werkelijke rentepercentages te bepalen op basis van nacalculatie. De nieuwe percentages zijn nog niet bekend. De meest actuele rentepercentages zijn die uit de jaarrekening 2023. Deze zijn als volgt; Bespaarde rente over voorziening verliesgevende complexen bouwgrond: 2,00% Rente grondexploitatie: 0,77% Rente activa afgerond: 0,50% In de begroting 2024 zijn de volgende rentepercentages vastgesteld; Bespaarde rente over voorziening verliesgevende complexen bouwgrond: 2,00% Rente grondexploitatie: 1,18% Rente activa afgerond: 1,2%. Algemene uitkering te verwerken De meicirculaire wordt in zijn geheel verwerkt in deze meerjarenbegroting.
Zodra de uitkomsten ervan bekend zijn, informeren wij u hierover via een raadsinformatiebrief. Kostendekkende tarieven te hanteren Voor de tarieven van rioolheffing, afvalstoffenheffing en leges wordt als uitgangspunt een kostendekkendheid van maximaal 100% gehanteerd. Dit betekent dat de totale opbrengsten van een exploitatie niet hoger zijn dan de totale kosten. Onroerende Zaakbelasting (OZB) te actualiseren Bij de berekening van de ramingen voor de OZB in meerjarenperspectief wordt aangesloten bij de toename of afname van de WOZ-waarden. De totale OZB-opbrengst neemt, naast de indexering, toe met de areaaluitbreiding gebaseerd op het woningbouwprogramma van onze gemeente. 1.400 productieve uren per fte te hanteren In het beleidsgedeelte van de begroting is per programma het capaciteitsbeeld per taakveld opgenomen. Bij het opstellen van deze overzichten gaan wij uit van 1.400 productieve uren per fte, het overige is naar rato (dus bijvoorbeeld: 0,5 fte = 700 productieve uren).
3