CConstaterende datGeldrop-Mierlo
Koppel je AI →
Document · PDF

Tam Omgevinsplan Hoofdstuk 22a Oudvensestraat-Zuid bijlagen bij de regels (samengevoegd)

Commissie Ruimte 26 augustus 2024, gemeente Geldrop-MierloBij agendapunt: Tam Omgevingsplan Oudvensestraat-zuid24.765 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.

Afhankelijk van de lokale bodemkwaliteit neemt de grondroerder passende maatregelen om negatieve gevolgen voor de medewerkers en de omgeving (passanten, omwonenden enzovoort) te voorkomen. Dit kan alleen als van te voren voldoende bekendheid is over de lokale bodemkwaliteit, hetgeen wordt bereikt door middel van gedegen vooronderzoek. De grondroerder legt de risico’s ten aanzien van de veiligheid en gezondheid van de medewerkers en de omgeving en de wijze waarmee daarmee wordt omgegaan vast in het VG&M plan (zie ook artikel 5.4. tweede lid van het Handboek).

5.5. Peilen en hoofdafmetingen 1.

Het op de graaflocatie aangeven van peilen en hoofdafmetingen door de toezichthouder beperkt zich tot het eenmalig aangeven van hoofdmeetpunten en eventueel extra punten in bochten en dergelijke. De grondroerder kan daarna zelf d.m.v. eenvoudig meetwerk, zowel qua horizontale als verticale maatvoering, het tracé in detail uitzetten. Het college treedt slechts toetsend c.q. controlerend op. Het gewenste tijdstip van aanwijzing wordt door de grondroerder tenminste 2 weken van te voren aan de toezichthouder kenbaar gemaakt.

2.

Bij de aanleg van kabels of leidingen in een nieuwbouwplan, waarbij (nog) geen woningen etc. aanwezig zijn om als vast punt voor maatvoering te dienen, zal het college een aantal maten middels piketpaaltjes of krijtmarkeringen aangeven op verzoek van de grondroerder. De grondroerder vraagt dit 2 weken voor aanvang aan bij het college. Dit geldt alleen voor gronden die eigendom zijn van de gemeente. Bij graafwerk in particulier eigendom maakt de grondroerder met betreffende grondeigenaar of projectontwikkelaar rechtstreeks afspraken; het college is hierin geen partij.

3.

Het in stand houden (borgen/verklikken) van de eenmalig door de toezichthouder aangegeven peilen en hoofdafmetingen vallen onder de verantwoordelijkheid van de grondroerder.

5.6. Grondwaterstanden en bronbemaling 1.

Afwijkingen of veranderingen in de (door het college) opgegeven grondwaterstanden geven de grondroerder geen recht op schadevergoeding of andere financiële tegemoetkomingen.

2.

Indien naar inzicht van de grondroerder bronbemaling noodzakelijk is om de werkzaamheden uit te kunnen voeren zorgt de grondroerder zelf voor de noodzakelijke vergunning(en). Voor het onttrekken van grondwater en voor lozing op het oppervlaktewater is in veel gevallen een watervergunning van een Waterschap nodig.

3.

Indien bronneringswater op het gemeentelijke rioolstelsel moet worden geloosd, vraagt de grondroerder voor aanvang van de werkzaamheden daarvoor schriftelijk toestemming bij het college.

4.

Bij het verlagen van de grondwaterstand binnen de wortelzone van te handhaven bomen of beplanting, word door de grondroerder in het groeiseizoen beschermende maatregelen genomen. De grondroerder geeft in overleg met de toezichthouder de beplanting water. Hiervoor wordt leidingwater gebruikt.

6. HANDHAVING https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

13/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

1.

De in deze nadere regels gestelde procedures, richtlijnen, voorwaarden, eisen en werkafspraken worden altijd opgevolgd.

2.

Mondelinge of schriftelijke (hieronder valt ook e-mail) aanwijzingen en geboden die door de vertegenwoordigers van het college m.b.t. de inhoud van deze nadere regels of de Verordening Ondergrondse Infrastructuur worden gegeven worden onverwijld opgevolgd.

3.

Indien de grondroerder de gemaakte afspraken negeert kan de gemeente de grondroerder een (schriftelijke) waarschuwing geven. Zo nodig wordt het werk tijdelijk stilgelegd zonder dat aanspraak op schadevergoeding mogelijk is.

4.

Handhaving geschiedt conform de vigerende Verordening Ondergrondse Infrastructuur.

5.

Indien blijkt dat werknemers van de grondroerder of haar (onder)aannemers zich niet houden aan de gemaakte afspraken of zij zich op de werkvloer onbehoorlijk of overlast gevend gedragen of dat er zich tijdens de uitvoering onregelmatigheden voordoen of dat de werkzaamheden niet naar behoren worden uitgevoerd, kan het college van de grondroerder eisen dat dit personeel de toegang tot het werk wordt ontzegt.

6.

De grondroerder houdt zelf toezicht op alle werkzaamheden van de (onder)aannemer(s) en voert de nodige controles en steekproeven uit.

7.

Namens het college ziet de toezichthouder erop toe dat de voorschriften uit het instemmingsbesluit of de vergunning, de VOI en de nadere regels door de grondroerder worden nageleefd.

8.

Als er bomen worden beschadigd of zonder toestemming van het college worden gerooid, zal aan de grondroerder een boete per boom worden opgelegd, afhankelijk van de waarde van de betreffende boom, berekend volgens de Richtlijnen NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen).

Het college zal, indien zij dit nodig acht, bij in gebreke blijven van de grondroerder zelf, noodzakelijke (herstel)werkzaamheden uit (laten) voeren. Dit geschiedt tegen marktconforme tarieven vermeerderd met de hierbij gemaakte gemeentelijke kosten. Het college brengt de grondroerder hiervan schriftelijk op de hoogte.

DEEL B: (TECHNISCHE) EISEN / VOORSCHRIFTEN

7. RICHTLIJNEN TEN BEHOEVE VAN DE (TRACÉ)ENGINEERING 7.1. Tracé inspectie t.b.v. de aanleg van kabels of leidingen 1.

De grondroerder inspecteert het beoogde tracé waarop de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd moeten gaan worden vooraf en onderzoekt of de werkzaamheden (verkeers-)technisch uitvoerbaar zijn t.a.v. de aanwezige wegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, spoorwegen, (waterkerende) dijken, overige kabels of leidingen, bomen, wegmeubilair, taluds en gebouwen. Met inachtname van de terzake geldende technische eisen, NEN normen etcetera.

2.

De grondroerder inventariseert in de engineeringsfase welke overige netbeheerders belangen hebben in het beoogde tracé en informeert deze tijdig over de voorgenomen werkzaamheden en de gegevens over de aard en ligging van betreffende kabels of leidingen. Daartoe dient de grondroerder een oriëntatiemelding te doen bij het Kadaster- sectie Klic. De grondroerder geeft de overige netbeheerders de gelegenheid tot reactie waarbij de netbeheerders zelf kunnen toetsen of de voorgenomen werkzaamheden geen belemmering zijn voor een ongestoorde exploitatie van hun kabels of leidingen. Zo nodig treden zij in overleg met de grondroerder teneinde nadere afspraken te maken.

3.

De grondroerder inventariseert zelf of er, behalve het instemmingsbesluit of de vergunning, voor bepaalde uit te voeren activiteiten eventueel een omgevingsvergunning noodzakelijk is, bijvoorbeeld voor het graafwerk in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarde al dan niet met nadere voorschriften in het kader van de bescherming van monumentale of archeologische waarden, het kappen

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

14/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

van gemeentelijke bomen, het oprichten/plaatsen van bovengrondse voorzieningen, bouwketen of portakabins, materiaalcontainers etc.. Tevens vraagt de grondroerder alle voor het werk benodigde vergunningen, ontheffingen etc. die noodzakelijk zijn vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) aan.

7.2. Tracé bepaling t.b.v. de aanleg van kabels of leidingen Bij de tracébepaling van kabels of leidingen zijn twee aspecten van belang: •

de horizontale ligging;

•

de verticale ligging.

Het doel van het vooraf bepalen van deze liggingen is: 1.

een optimaal gebruik van de openbare ruimte;

2.

een ongestoorde exploitatie van kabels of leidingen;

3.

optimaliseren van de veiligheid.

7.2.1. Horizontale ligging 1.

Het kabel- en leidingentracé wordt in het algemeen en bij voorkeur in het trottoir gesitueerd.

2.

In het overig deel van de openbare weg wordt de riolering en transportleidingen gesitueerd.

3.

De minimale afstand tussen het kabel- en leidingentracé en perceelgrens is situatie afhankelijk. De algemene profielen staan in hoofdstuk 10, bijlage 10.1 van het handboek.

4.

Bij de plaatsbepaling van kabels of leidingen in de nabijheid van bomen wordt de afstand tussen het kabel- en leidingentracé en de stam van de boom bepaald door de leidraad minimale graafafstanden in de bomenposter hoofdstuk 10, bijlage 10.2. van het handboek. De leidraad staat in onderstaande tabel:

5.

Binnen het kabel- en leidingentracé worden de kabels of leidingen qua horizontale maatvoering volgens een vaste volgorde ten opzichte van elkaar ingedeeld. De horizontale indeling is weergegeven in de algemene profielen, zie bijlage 10.1.

6.

In bermen langs wegen dient de afstand van ligging van de kabels of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk te zijn aan de diepteligging ervan, tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder.

7.

Het bovengenoemde basisprincipe wordt zoveel mogelijk nagestreefd. In bijzondere gevallen kan het college een andere indeling toestaan c.q. voorschrijven.

8.

Handholes c.q. distributiepunten mogen niet aangebracht worden in kabel- en leidingtracés, rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- of uitritten van percelen en binnen een afstand van 5,00 m vanaf bomen en niet binnen de kroonprojectie. De handholes c.q. distributiepunten worden bij voorkeur geplaatst in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen. In overleg met de toezichthouder kunnen andere afspraken worden gemaakt over deze voorschriften.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

15/30

29-04-2024 10:45

9.

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

De grondroerder vraagt vooraf aan het college toestemming om (mede)gebruik te maken van voorzieningen die eigendom zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van mantelbuizen, kabelgoten of holle ruimten die onder een weg of in een kunstwerk (b.v. bruggen, tunnels, viaducten en dergelijke) van de gemeente aanwezig zijn.

7.2.2. Aanvullende eisen horizontale ligging 1.

Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen worden zoveel mogelijk vermeden. Hiermee wordt bij de engineering terdege rekening gehouden en waar mogelijk worden bij voorkeur alternatieve routes gekozen. Is het werken aan- of bij bomen of andere groenvoorzieningen toch onvermijdelijk dan wordt er eerst overleg met de toezichthouder gevoerd.

2.

Voorafgaand aan de engineering wordt door de grondroerder bij het college de (digitale) bomenkaart opgevraagd. Indien er zich in het tracé te handhaven (monumentale) bomen bevinden worden die, inclusief kroonprojectie) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven.

3.

Wegkruisingen die d.m.v. een persing of gestuurde boring worden gerealiseerd worden op minimaal 5,00 m vanaf de stam van een boom gesitueerd.

4.

Bij wegkruisingen bij gescheiden rijbanen of fietspaden met tussenliggende groenstroken bestaat de mantelbuis (indien mogelijk) uit één lengte. De mantelbuizen worden alleen aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen, niet in de kruisingsvlakken van wegen.

5.

Als het onvermijdelijk is dat er in de nabijheid van bomen of andere groenvoorzieningen moet worden gewerkt, dan worden er een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen (Hoofdstuk 9) dat schade aan de betreffende boom, groenvoorziening en aan de te leggen kabel of leiding voorkomt. Indien de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1 vierde lid worden er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast of er worden (gestuurde) boringen gemaakt.

7.2.3. Verticale ligging 1.

Binnen het kabel- en leidingentracé worden de kabels of leidingen ten opzichte van het maaiveld qua verticale maatvoering volgens een vaste volgorde ingedeeld. De verticale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie hoofdstuk 10, bijlage 10.1.

2.

Uitgangspunten bij verticale ligging:

3.

•

Distributiekabels en -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen;

•

Vrijverval leidingen hebben voorrang boven drukleidingen;

•

Kabels of leidingen worden niet binnen het ontgravingsprofiel van de riolering aangelegd. Het ontgravingsprofiel is bekend bij de rioolbeheerder van de gemeente;

•

Bij kruisingen van kabels of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m;

•

Er wordt een strook tussen 0,60 m -mv en 1,0 -mv vrijgehouden i.v.m. kruisende vrijverval rioolaansluitingen.

Het bovengenoemde basisprincipe wordt zoveel mogelijk nagestreefd, mede in verband met kruisende rioolaansluitingen. In bijzondere gevallen kan de gemeente een andere verticale ligging toestaan c.q. voorschrijven.

7.2.4. Aanvullende eisen voor verticale ligging 1.

Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale afstand ten opzichte van de te kruisen kabels of leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding dient te worden gevoerd.

2.

Bij het kruisen van watergangen wordt een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang aangehouden.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

16/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

3.

Indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte wordt een gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de aanwezige bodem aangehouden.

4.

Indien het onvermijdelijk is dat een kabel of leiding door een groenvoorziening wordt gelegd of er onderdoor wordt geperst dan bedraagt de gronddekking van die kabel of leiding (of mantelbuis) minimaal 1,00 m.

5.

Kabels of leidingen mogen alleen onder een overbouwing worden gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de onderzijde van de overbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil minimaal 2,50 m bedraagt. Dit in verband met de benodigde werkruimte voor mechanisch- en ander materieel.

6.

Kabels of leidingen worden alleen boven een onderbouwing (kelder, duiker etc.) gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de bovenzijde van de onderbouwing en het ter plaatse vastgestelde maaiveld ten minste 1,00 m bedraagt. Dit in verband met benodigde gronddekking voor de kabels of leidingen.

7.

Koppelbalken t.b.v. funderingen worden alleen gekruist als de verticale afstand tussen de bovenkant van de koppelbalken en het maaiveld ten minste 1,00 m bedraagt en de te overbruggen ruimte tussen de koppelbalken is voorzien van een gewapende betonplaat waarboven de kabels of leidingen een veilige ligging verkrijgen.

8. VOORWAARDEN EN TECHNISCHE EISEN T.A.V. DE UITVOERING 8.1. Werkafspraken en voorwaarden m.b.t. de uitvoering 1.

De grondroerder zorgt ervoor dat een afschrift van het instemmingsbesluit of de vergunning incl. de tekening(en), de nadere regels, en de afschriften van de toestemmingen van derden incl. de voorwaarden en de gegevens van de Klic-melding op de graaflocatie aanwezig zijn; deze worden desgevraagd aan de coördinator of toezichthouder getoond.

2.

De grondroerder houdt zich aan de CROW-richtlijnen “Schade voorkomen aan kabels en leidingen” (CROW publicatie 500) en de VOI-, nadere regels en WION.

3.

Indien het voor aanvang bekend is dat er kabels of leidingen van meerdere netbeheerders in het trace, in de directe nabijheid daarvan of aansluitend aan een te roeren tracé gelegd of gerooid moeten worden, dan worden deze werkzaamheden zoveel mogelijk gecombineerd, maar in ieder geval aansluitend aan elkaar in een werkgang, uitgevoerd. De grondroerder(s) moet(en) dit als zodanig onderling of met de betreffende netbeheerder(s) afstemmen (combiwerk).

4.

Verder kunnen ook projecten aan de orde zijn waarbij werkzaamheden van het college en netbeheerder(s) binnen een gezamenlijk afgesproken tijdvak uitgevoerd moeten worden. Deze afspraken zijn voorafgaand aan de instemmings- of vergunningsaanvraag bekend.

5.

De grondroerder biedt overige kabel- of leidingeigenaren altijd de mogelijkheid om eventuele werkzaamheden aan hun kabels of leidingen onbelemmerd uit te voeren.

6.

De locatie van het opslagterrein van de grondroerder wordt in overleg met het college bepaald. De grondroerder vraagt hiervoor een vergunning aan.

7.

Per dag mag geen grotere sleuflengte worden opengemaakt, dan op die dag weer volledig kan worden dichtgemaakt. Ook worden alle montage- c.q. lasgaten dichtgemaakt tenzij anders overeengekomen met toezichthouder.

8.

Bij de uitvoering van het herstel en onderhoud van de verharding geldt dat het herstel van de verharding in één of meerdere centrumgebieden (zie hoofdstuk 10, bijlage 10.3) op dezelfde dag en in de rest van de gemeente binnen 2 werkdagen uitgevoerd wordt door de grondroerder met een onderhoudstermijn van 12 maanden.

9.

Indien herstel van de verhardingen niet conform de termijnen in art 8.1 achtste lid gerealiseerd is of niet van dezelfde kwaliteit voor aanvang van de werkzaamheden is, laat het college het herstel verrichten.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

17/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

10.

Tijdens het werk worden (bestratings-)materialen naast de sleuf opgetast. Zand, grond en eventueel funderingsmateriaal wordt gescheiden ontgraven, gescheiden opgeslagen en gescheiden teruggebracht in de sleuf.

11.

Als er direct naast de sleuf geen ruimte is wordt de plaats van tijdelijke opslag van (bestratings-) materialen vooraf in overleg met de toezichthouder bepaald. Na beëindiging van het werk of op eerste aanzegging van het college worden deze (bestratings-)materialen verwijderd. Indien van toepassing wordt de ondergrond hersteld in de staat zoals vooraf aanwezig was.

12.

Alle (bestratings-)materialen worden onbeschadigd herplaatst. De grondroerder zorgt bij beschadiging zelf voor herstel of vervangend (bestratings-)materiaal. Uitzondering hierop zijn situaties waarbij in gezamenlijke vooropname van het tracé met de toezichthouder nadere afspraken zijn gemaakt over het leveren van (bestratings-)materiaal door de gemeente.

13.

Al het te gebruiken (bestratings-)materiaal is van dezelfde soort en minimaal dezelfde kwaliteit als het oorspronkelijk aanwezige (bestratings-)materiaal en de door de gemeente gebruikelijk toe te passen (bestratings-)materialen.

14.

Nadat de werkzaamheden gereed zijn wordt het tracé volledig hersteld en de werkomgeving opgeruimd achtergelaten. Bermen en onverharde grond zijn vrij van stenen en dergelijke en indien van toepassing ingezaaid. Al het overtollige puin, grond, zand, beplantingsresten of afval van de werkzaamheden wordt afgevoerd naar een erkende, gecertificeerde verwerker. Er mag ook geen zand of vuil achterblijven in (mol)goten, lijnafwatering, beplanting en straat- en trottoirkolken (indien nodig dient de grondroerder deze te reinigen). Eventueel gemaakte bronneringsgaten worden weer opgevuld. De werkomgeving wordt opgeleverd in tenminste de oorspronkelijke staat. De grondroerder en toezichthouder leveren het tracé gezamenlijk op. Het opleverdocument wordt door beide partijen ondertekend.

15.

De bepalingen in artikel 7.2.1 t/m 7.2.4 zijn tevens van toepassing voor de uitvoering. Indien tijdens de uitvoering afgeweken wordt van het ingestemde tracé (in horizontale of verticale zin) is hiervoor goedkeuring van de toezichthouder vereist. De grondroerder stuurt daarna binnen 5 werkdagen een gewijzigde tracétekening met afwijkingsrapport naar het college t.b.v. het instemmings- of vergunningsdossier.

16.

Toezichthouder meldt aan grondroerder wanneer straatwerk gevaar oplevert voor de omgeving. De grondroerder herstelt dit na deze melding binnen 2 uur. Indien dit wordt nagelaten wordt dit door het college gedaan.

17.

In de gebieden als aangegeven in bijlage 10.3 wordt het werkgebied, na beëindiging van elke kalenderdag, afgesloten met een afrastering. Alle materialen en hulpmiddelen worden of binnen deze afrastering geplaatst of worden afgevoerd.

8.2. Eisen t.a.v. opbreken en (indien van toepassing) herstellen open verharding 1.

Wegkruisingen in wegen met een open verharding met een (gebonden) puinfundering of met een waterdoorlatende verharding en -fundering opbouw worden altijd gerealiseerd d.m.v. een persing of (gestuurde) boring conform artikel 8.5, tenzij met de toezichthouder anders wordt overeengekomen.

2.

Wegkruisingen in wegen met een open verharding met een zandfundering mogen in open ontgraving (per rijbaan) gerealiseerd worden. Ter plaatse van de wegkruising wordt een mantelbuis gelegd waardoorheen de kabel of leiding wordt gevoerd. De mantelbuis dient minimaal 0,50 m (bij kabels) of 1 m (bij leidingen) aan weerszijden van het te kruisen vlak door te lopen. Tenzij met de toezichthouder anders wordt overeengekomen.

3.

Het opbreken van de open verharding gebeurt handmatig en zorgvuldig, machinaal opnemen van de open verharding is niet toegestaan. Indien tijdens het opbreken van open verharding elementen breken of beschadigen vervangt de grondroerder deze zelf door elementen van gelijke samenstelling en hoedanigheid. Indien voorradig kunnen deze eventueel worden geleverd door het college. Indien tijdens een vooropname gezamenlijk (toezichthouder en grondroerder) geïnventariseerd en vastgelegd is dat een verharding van een nog op te breken tracé een bovengemiddeld aantal (> 5%) gebroken of beschadigde elementen bevat kan het vervangende materiaal mogelijk door het college beschikbaar worden gesteld. Hierover dienen afspraken gemaakt te worden met de toezichthouder.

4.

Lijnafwatering heeft vaak een fundering van (stamp)beton of gestabiliseerd zand en wordt nooit verwijderd. De lijnafwatering inclusief funderingsconstructie moet in tact blijven. Ook trottoirbanden die

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

18/30

29-04-2024 10:45

5.

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

gefundeerd zijn worden niet verwijderd. Wanneer een lijnafwatering of een gefundeerde trottoirband gekruist moet worden dient over de toe te passen werkwijze overlegd te worden met de toezichthouder. Bij waterdoorlatende verhardingen wordt de werkwijze m.b.t. het opbreken en herstel en de eventueel toe te passen voegvulling altijd vooraf afgestemd met de toezichthouder.

6.

Het opbreken en herstellen van bijzondere (sier)bestrating (onder andere natuursteen en gepolijste tegels) kan een specifieke werkwijze vereisen. Om ervoor te zorgen dat het zichtoppervlak van het bestratingsmateriaal niet beschadigt neemt de grondroerder de nodige beschermende maatregelen waarbij aanwijzingen van de toezichthouder altijd opgevolgd worden.

7.

Bij herbestrating worden de elementen onderling en ten opzichte van de ongeroerde elementen even hoog gestraat. Binnen het terug aangebrachte straatwerk komen geen oneffenheden voor. Het straatwerk wordt onder hetzelfde profiel en verband gestraat als voor de werkzaamheden aanwezig was. Er worden geen klinkers op zijn kant terug gestraat.

8.

Uitgevoerd straatwerk wordt schoongeveegd afgetrild en daarna, meerdere keren en met tussenpozen van minimaal 24 uur, ingeveegd met schoon brekerzand (bij klinkers), schoon straatzand (bij tegels) of schoon split (bij gebakken bestratingsmateriaal). Alle voegen in het straatwerk zijn in de eindsituatie voldoende met de ter plaatse toe te passen voegvulling gevuld.

9.

De werkomgeving wordt opgeleverd zoals omschreven in artikel 8.1 veertiende lid.

8.3. Eisen t.a.v. opbreken en (indien van toepassing) herstellen gesloten verhardingen 1.

Wegkruisingen in wegen met een gesloten verharding worden altijd gerealiseerd d.m.v. een persing of (gestuurde) boring conform artikel 8.5.

2.

Het is in beginsel verboden ontgravingen te verrichten in wegen met een gesloten verharding. Behoudens in het geval wanneer er in deze wegen al kabels of leidingen aanwezig zijn die moeten worden gerepareerd of dat er aansluitingen op moeten worden gemaakt. In die gevallen wordt er gewerkt met voorafgaande (schriftelijke) toestemming van het college.

3.

Voordat een asfaltconstructie wordt verwijderd, worden de grenzen van het betreffende uit te breken gedeelte op steenmaat tot de gewenste diepte ingezaagd

4.

Bij mechanisch te verrichten grondwerk dient de asfaltsleuf minimaal 0,50 m breder te zijn dan de bakbreedte van de graafmachine. Het ondergraven van de asfaltverharding is niet toegestaan.

5.

Vervolgens wordt het asfalt met behulp van een compressor verwijderd. De vrijgekomen materialen worden (voor zover dit mogelijk is) gescheiden naar: •

teerhoudend

•

niet teerhoudend

Beiden worden afgevoerd conform de CROW publicatie 210: 'Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt'. Indien van toepassing zorgt de grondroerder zelf voor de benodigde afvalstroomnummers. Een kopie van de acceptatie- of stortbonnen van een erkend en gecertificeerd verwerkingsbedrijf wordt direct overhandigd aan de coördinator of toezichthouder. 6.

Sleuven in de asfaltverharding worden nadat de kabels of leidingen zijn gelegd, over de volle breedte opgevuld en verdicht en de oorspronkelijke funderingsconstructie wordt hersteld met menggranulaat 0/31,5 mm. De ondergrond van de fundering en de fundering voldoet na verdichting aan de technische eisen uit de meest recente Standaard RAW bepalingen.

7.

De te herstellen asfaltsleuf wordt dicht gestraat in een zandbed van 30 tot 50 mm brekerzand met betonstenen (zo mogelijk in de kleur van het aanwezige asfalt) in elleboogverband op een wijze die geen gevaar oplevert. De bovenzijde van de stenen dienen gelijk te liggen met het ingezaagde asfalt. De stenen dienen vlak ten opzichte van elkaar te worden gestraat. Indien er vooraf afspraken met de toezichthouder over zijn gemaakt kunnen de betonstenen mogelijk worden afgehaald op de gemeentewerf.

8.

Indien het dichtstraten van een sleuf niet op deugdelijke wijze wordt uitgevoerd kan dat tot gevolg hebben dat de aansluitende verhardingen als gevolg van het gebruik door het verkeer verzakken of beschadigd

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

19/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

9.

worden. Dergelijke schade dient door de grondroerder, binnen 5 werkdagen op aanzeggen van de gemeente, te worden hersteld. De werkomgeving wordt opgeleverd zoals omschreven in artikel 8.1 veertiende lid.

10.

Het definitieve asfaltherstel laat het college achteraf uitvoeren.

8.4. Eisen t.a.v. opbreken en herstellen bermen en gazons 1.

Bij opname van een sleufbedekking van gazon en daarmee vergelijkbare grasvelden en -stroken worden ter breedte van de sleuf regelmatige zoden gestoken. De graszoden worden “groen op groen” opgetast.

2.

Indien afgesproken is dat het college zelf zorg draagt voor het herstel van de sleufbedekking (artikel 5.2.1 eerste lid) worden de vrijkomende zoden onderin de sleuf gelegd.

3.

In bermen waar het steken van regelmatige zoden niet mogelijk is wordt de sleufbedekking (graspollen e.d.) onderin de sleuf gelegd. Nadat de kabels of leidingen zijn gelegd en de sleuf tot op de juiste hoogte is aangevuld en verdicht wordt de berm, vrij van stenen en dergelijke, gefreesd en ingezaaid met een door het college goedgekeurd grasmengsel. Bepaling type grasmengsel in overleg met de toezichthouder.

4.

De werkomgeving wordt opgeleverd zoals omschreven in artikel 8.1 veertiende lid.

5.

De gedragscode Flora en Fauna wet Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting is van toepassing op dit werk. De gedragscode is verkrijgbaar via Stadswerk te Ede. Op basis van de gedragscode dient een plan van aanpak opgesteld te worden over hoe om te gaan met de aanwezige beschermde flora en fauna. De grondroerder dient dit plan te hanteren bij de uitvoering van de werkzaamheden.

8.5. Weg- of boomkruising d.m.v. persen of (gestuurd) boren 1.

Indien bij een wegkruising de aanleg van kabels of leidingen door middel van een persing of (gestuurde) boring onder het wegdek wordt gerealiseerd, wordt dit haaks op de wegas, minimaal 1 m uit de tangentpunten en zodanig uitgevoerd dat er geen verzakkingen in de verharding optreden. De persing of (gestuurde) boring wordt bij voorkeur voorafgaand aan het graven van de sleuf voor het hoofdtracé gerealiseerd. Het aanbrengen van een (stalen) mantelbuis is daarbij verplicht.

2.

De minimale verticale afstand tussen de bovenkant van de te persen buis en de onderkant van de wegfundering bedraagt minimaal 0,50 m. De mantelbuis heeft een minimale dekking van 0,80 m.

3.

De minimale verticale afstand tussen de bovenkant van de te persen buis en de onderkant van een te kruisen kabel of leiding bedraagt minimaal 0,50 m. De te boren of te persen buis wordt onder de bestaande kabel of leiding doorgevoerd.

4.

Bij een wegkruising loopt de aangebrachte mantelbuis minimaal 0,50 m (bij kabels) of 1 m (bij leidingen) aan weerszijden van het te kruisen vlak door, tenzij met de toezichthouder anders is overeengekomen.

5.

Indien de locatie van een persing of (gestuurde) boring binnen de kroonprojectie van de boom ligt stemt de grondroerder de wijze van uitvoering af met de toezichthouder.

6.

De methode van boren of persen behoeft vooraf de goedkeuring van het college. Ongestuurde raketboringen zijn in de openbare ruimte niet toegestaan, tenzij met de toezichthouder anders is overeengekomen.

7.

Indien een boomkruising middels een zogenaamde boomboring met een mantelbuis wordt uitgevoerd, dan kunnen aan de uitvoeringseisen van de boring en de materiaalkeuze van de mantelbuis door de gemeente nadere eisen gesteld worden. De mantelbuis heeft een minimale dekking van 0,80 m. De boring wordt bij voorkeur voorafgaand aan het graven van de sleuf voor het hoofdtracé gerealiseerd.

8.

Van een gerealiseerde persing of (gestuurde) boring die niet direct in gebruik genomen wordt, wordende kopeinden van de mantelbuis afgedicht met kunststof deksels.

9.

Van een gerealiseerde persing of (gestuurde) boring die in gebruik genomen is wordt de ruimte tussen de kabels of leidingen aan de kopeinden van de mantelbuis deugdelijk afgedicht met daartoe bestemd middel (bijvoorbeeld Stopaq).

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

20/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

8.6. Eisen t.a.v. de graaf- en grondwerkzaamheden 1.

Het college hanteert de technische eisen uit de meest recente Standaard RAW bepalingen m.b.t. graafwerkzaamheden als bindend.

2.

Te ontgraven grond, zand, teelaarde, funderingsmateriaal enz. wordt gescheiden ontgraven, vervoerd of in depot, van de grondroerder, gezet of aangevuld. Het opbreken van een waterdoorlatende verharding en -fundering opbouw vereist vaak een speciale werkwijze die afgestemd wordt met de toezichthouder. De aanwijzingen van de toezichthouder worden altijd opgevolgd.

3.

Bij het graven van sleuven wordt het talud aangepast aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, zodat de sleufwanden niet instorten of uitzakken. Zo nodig wordt de sleufwand met schotten gestut.

4.

Er mag geen zand of vuil achterblijven in (mol)goten en straat- en trottoirkolken. In overleg met de toezichthouder kunnen straat- en trottoirkolken eventueel tijdelijk worden afgedekt, ter voorkoming hiervan.

5.

Nadat de kabels of leidingen gelegd zijn wordt de sleuf aangevuld en verdicht. Alle werkzaamheden vinden in een droge sleuf plaats. Om de oorspronkelijke profielopbouw van de ondergrond zo optimaal mogelijk te herstellen wordt het uitgegraven materiaal, vrij van stenen en dergelijke, over de volle breedte van de sleuf laagsgewijs en met zorg in de juiste volgorde terug in de sleuf gebracht. De dikten van grond-, fundering- en zandlaag of de laag teelaarde zijn gelijk aan de oorspronkelijke laagdikten. Bermen en groenstroken worden met voldoende overhoogte aangevuld. Bevroren grond of zand, sneeuw, (groen)afval en puin wordt niet verwerkt in de aanvulling.

6.

Om de juiste verdichtingsgraad te verkrijgen wordt de aanvulling uitgevoerd in lagen van maximaal 0,30 m waarbij elke laag, bij voorkeur met een mechanisch verdichtingsapparaat, wordt verdicht.

7.

Daar waar open verharding aanwezig is wordt het oorspronkelijke zandbed direct onder de verharding, de straatlaag, hersteld. Indien de aangetroffen dikte van de straatlaag kleiner is dan 40 mm zal de grondroerder het te kort komende zand leveren en aanbrengen.

8.

De proctordichtheid van de aanvullingen onder verhardingen wijkt na verdichting niet meer dan 3% af van de oorspronkelijke proctordichtheid, zoals deze op korte afstand naast de sleuf wordt aangetroffen.

9.

De grondroerder controleert de verdichting van het grondwerk met behulp van sonderen. De meting van de verdichting geschiedt met behulp van een sondeerapparaat met een conusoppervlak van 100 mm² en een tophoek van 60 graden. Het meetbereik bedraagt tenminste 5 MPa en het dieptebereik is tenminste 0.60 m. De conuswaarde wijkt maximaal 3% naar beneden af van de conuswaarde die direct naast de sleuf is vastgesteld.

10.

Aanvullingen in beplantingsvakken of onder gazon op een diepte van minder dan 80 cm heeft na verdichting een sondeerwaarde van maximaal 1,5 MPa. De laag met teelaarde wordt niet verdicht.

11.

De controle op het aanvullen en verdichten van de sleuven vindt plaats door of namens de grondroerder. De grondroerder meet de verdichtingswaarden en legt dit vast. Indien de toezichthouder hierom vraagt overlegt de grondroerder deze gegevens. De toezichthouder voert steekproeven uit.

12.

Indien de toezichthouder constateert dat de aanvulling c.q. verdichting niet aan de door het college gestelde eisen voldoet, herstelt de grondroerder dit binnen 5 werkdagen.

13.

Indien de oorzaak is, dat de uitgekomen grond niet voor aanvulling of verdichting geschikt is wordt deze afgevoerd. De grondroerder levert dan nieuwe voor aanvulling benodigde grond of zand op het werk en verwerkt dit opnieuw. Daarna vindt wederom een controle door de toezichthouder plaats.

14.

Indien na de termijn van 5 werkdagen herstel uitblijft c.q. onvoldoende is uitgevoerd laat het college het herstel verrichten door een door het college geselecteerde aannemer.

8.7. Eisen t.a.v. de kabel- of leidingwerkzaamheden 1.

De grondroerder overtuigt zich van de plaats van alle reeds in het werk gelegen leidingen. Hiertoe worden in het beoogde tracé proefsleuven gegraven door de grondroerder.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

21/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

2.

Van de gemaakte proefsleuven en de maatvoeringen van de daarin aangetroffen kabels of leidingen houdt de grondroerder een actuele registratie bij die op eerste aanzeggen aan de coördinator of toezichthouder wordt overhandigd. Indien afwijkingen van het vigerende standaarddwarsprofiel dan wel het door het college aangewezen standaard tracé worden geconstateerd bepaalt de grondroerder in overleg met de coördinator of toezichthouder voor de te leggen kabel of leiding een nieuw tracé.

3.

Er worden geen kabels of leidingen, handholes c.q. distributiepunten of andere (bovengrondse) voorzieningen boven bestaande kabels of leidingen geplaatst waardoor deze niet meer bereikbaar zijn voor onderhoud, reparatie en dergelijke. Indien geen andere oplossing mogelijk is dan kan in overleg met en met goedkeuring van de betreffende netbeheerder onder voorwaarden of met het nemen van maatregelen eventueel toch tot aanleg c.q. plaatsing worden overgegaan.

4.

Kabels of leidingen die tijdens de werkzaamheden blijvend buiten gebruik worden gesteld of kabels of leidingen die de afgelopen 10 jaar niet in gebruik zijn geweest, worden zoveel mogelijk gelijktijdig met de uit te voeren werkzaamheden verwijderd of, na overleg, op een door het college aan te geven tijdstip.

5.

Voor tijdelijk aan te brengen voorzieningen (zoals b.v. damwanden, sleufbekisting, etc.) ten behoeve van werkzaamheden aan kabels of leidingen in de openbare ruimte is de goedkeuring van de coördinator vereist. Deze tijdelijke voorzieningen worden na het voltooien van de werkzaamheden verwijderd, tenzij in overleg met de coördinator anders wordt besloten.

6.

Bij de aanleg van kabels of leidingen en voorzieningen nabij bomen en in of nabij andere groenvoorzieningen worden de bepalingen uit Hoofdstuk 9 van dit Handboek strikt in acht genomen.

7.

Alle te leggen kabels of leidingen zijn duidelijk voorzien van een codering of label waaruit blijkt wat de functie of wie de eigenaar van deze kabel of leiding is.

8.

(Voorbereide) huisaansluitingen worden zo veel mogelijk tegelijk met de aanleg van het hoofdtracé aangelegd en haaks op het distributienet om geen extra beslag te leggen op de ondergrondse ruimte.

9.

Voorbereide huisaansluitingen, waarbij de voor de huisaansluiting bedoelde buis of kabel op de benodigde lengte in de openbare grond wordt opgeborgen (vooral bij CAI en FttX) worden zo strak mogelijk opgerold en gebundeld. De bovenkant van de rol ligt op dezelfde hoogte als de kabel en evenwijdig aan en tegen de perceelgrens.

10.

De exacte locaties van handholes c.q. distributiepunten en bovengrondse voorzieningen worden in overleg met de toezichthouder bepaald. Conform het bepaalde in tweede en derde lid van dit artikel wordt vooraf vastgesteld of de gekozen locatie vrij is van overige kabels of leidingen. Indien de toezichthouder constateert, óf dat op een later moment blijkt, dat een handhole c.q. distributiepunt of bovengrondse voorziening bezwarend is geplaatst dan verplaatst de grondroerder deze binnen 5 werkdagen.

11.

Bovengrondse voorzieningen worden in overleg met het college zoveel mogelijk uit het zicht - liefst inpandig of ondergronds- geplaatst of direct naast andere, reeds aanwezige, bovengrondse voorzieningen.

12.

Bij plaatsing van bovengrondse voorzieningen in een straatprofiel worden deze zoveel mogelijk langs gevels of in lijn met het bestaande straatmeubilair geplaatst.

13.

Bij plaatsing van bovengrondse voorzieningen van grotere afmeting in of nabij een groenvoorziening kan de gemeente nadere eisen stellen. Er kan bijvoorbeeld aanplant van extra beplanting gewenst zijn om de bovengrondse voorziening zoveel als mogelijk aan het zicht te onttrekken. Deze extra voorwaarden worden door het college zoveel mogelijk opgenomen in het instemmingsbesluit of in de vergunning, echter de aanwijzingen van de coördinator of toezichthouder worden eveneens altijd opgevolgd.

14.

Bovengrondse voorzieningen worden voorzien van een anti-graffiti voorziening (coating of strips), tenzij anders overeengekomen.

15.

De in- en uitgaande kabels bij handholes c.q. distributiepunten en bovengrondse voorzieningen worden zodanig gelegd dat verweving met kabels of leidingen van andere netbeheerders wordt voorkomen.

16.

Bij ondergrondse plaatsing worden handholes c.q. distributiepunten zodanig geplaatst dat het deksel een minimale dekking heeft van 0,50 m onder het maaiveld.

17.

Het deksel van handholes c.q. distributiepunten die op maaiveldniveau worden geplaatst voldoet minimaal aan verkeersklasse D400(NEN-EN 124) en ligt altijd gelijk met de aanwezige bestrating of (berm)verharding. Aanwezige elementenverharding rond de handhole worden geknipt in het bestaande verband. Indien een handhole door verzakking op enig moment niet meer gelijk ligt met de bestrating of (berm)verharding herstelt de grondroerder dit op eerste aanzegging van het college.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

22/30

29-04-2024 10:45

18.

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

Nadat alle werkzaamheden gereed zijn meet de grondroerder de ligging gegevens van de kabels of leidingen, inclusief (voorbereide) huisaansluitingen, handholes c.q. distributiepunten en bovengrondse voorzieningen (digitaal) in en deze op een As-Built tekening digitaal beschikbaar te hebben voor raadpleging door derden (conform WION).

8.8. Werken in of met verontreinigde grond 1.

De grondroerder werkt volgens de CROW- richtlijn “Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water” (publicatie 132) en aanvullend daarop de CROW-richtlijn “Kabels en leidingen in verontreinigde bodem” (publicatie 307).

2.

Om na te gaan of de voorgenomen graafwerkzaamheden mogelijk zullen plaatsvinden in verontreinigde bodem, voert de grondroerder ten minste historisch vooronderzoek uit en in sommige gevallen tevens een bodemonderzoek. De eerste fase van het historisch vooronderzoek verloopt via het digitale bodemloket.

3.

Indien de geplande werkzaamheden in de bodem meer dan 25 meter buiten de op het bodemloket aangegeven locatiecontouren worden uitgevoerd, is geen verder bodemonderzoek nodig. De bodemkwaliteit voldoet dan naar verwachting minimaal aan de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse Wonen zoals bedoeld in tabel 1 van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Zie in dit verband ook de vigerende bodemkwaliteitskaart.

4.

Indien er wel samenloop is met de bekende locatiecontouren, of het werk binnen 25 meter van zo'n contour wordt uitgevoerd, is aanvullend historisch vooronderzoek noodzakelijk. Zo nodig voert de initiatiefnemer vervolgens aanvullend en/of nader bodemonderzoek uit.

5.

Indien bij de werkzaamheden in de bodem (tijdelijk) verontreinigde grond of grondwater wordt verplaatst, dan is hiervoor goedkeuring van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) nodig. In het digitale loket van de ODZOB kunnen de eventueel noodzakelijke meldingsformulieren worden gedownload.

6.

De initiatiefnemer bepaalt zelf of ze haar kabels en leidingen in verontreinigde bodem wil leggen. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de werknemers (Arbowetgeving) en voor de eventuele aantasting van kabels en leidingen door bodemverontreiniging ligt bij de initiatiefnemer.

7.

Komt een grondroerder vervuilde grond of grondwater tegen die niet bekend was bij het college, dan wordt dit direct gemeld bij de coördinator en wordt het werk gestaakt. Daarna worden er passende maatregelen genomen in samenspraak met de toezichthouder Wet bodembescherming.

8.

Overtollige grond wordt afgevoerd naar een erkende verwerker of hergebruikslocatie. Verwerken van de overtollige grond in de directe omgeving van het werk is alleen toegestaan binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Indien (aanvul)grond wordt aangevoerd van buiten de locatie, wordt dit op grond van het Besluit bodemkwaliteit vooraf worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit. Dit geldt ook voor de eventuele tijdelijke opslag van (aanvul)grond op het werkterrein of op een ander terrein.

9. WERKEN AAN OF NABIJ GROENVOORZIENINGEN Het bepaalde in dit hoofdstuk geldt voor groenvoorzieningen, behoudens bermen en gazons. Daarvoor geldt het bepaalde in artikel 8.4.

9.1. Werkafspraken en voorwaarden m.b.t. groenvoorzieningen 1.

In relatie tot werkzaamheden t.b.v. kabels of leidingen kan het noodzakelijk zijn dat er ook werkzaamheden (verwijderen of snoeien) aan groenvoorzieningen worden uitgevoerd. Dit kan voorafgaand aan of tijdens de werkzaamheden van de grondroerder nodig zijn, maar het kan ook binnen de onderhoudstermijn van de werkzaamheden van de grondroerder vallen. De afspraken daarover worden vooraf met de toezichthouder gemaakt.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

23/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

2.

Als het tracé door beplanting loopt wordt de beplanting door de grondroerder verwijderd en afgevoerd. Het college zorgt in een gunstig jaargetijde voor nieuwe beplanting.

3.

De gedragscode Flora en Fauna wet Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting is van toepassing op dit werk. De gedragscode is verkrijgbaar via Stadswerk te Ede. Op basis van de gedragscode dient een plan van aanpak opgesteld te worden over hoe om te gaan met de aanwezige beschermde flora en fauna. De grondroerder dient dit plan te hanteren bij de uitvoering van de werkzaamheden.

9.2. Werkafspraken en voorwaarden m.b.t. bomen 1.

Bij het passeren van bomen worden door de grondroerder voorzorgsmaatregelen getroffen die schade aan de betreffende boom voorkomt. De maatregelen en aanwijzingen zijn aangegeven in hoofdstuk 10, bijlage 10.2 Bomenposter; werken rond bomen (uitgave van Stadswerk).

2.

Indien de afstand van te leggen kabels of leidingen tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1 derde lid worden er beschermende maatregelen toegepast of er worden (gestuurde) boringen gemaakt.

3.

In het wortelgestel van bomen wordt slechts bij hoge uitzondering handmatig gegraven. Dit is echter alleen toegestaan met goedkeuring van de toezichthouder. Wortels dikker dan 50 mm in diameter worden nooit verwijderd of beschadigd. Wortels kleiner dan 50 mm in diameter worden verwijderd d.m.v. zagen zonder de wortels te breken of eraan te trekken. Ontgraven wortels worden beschermd tegen uitdrogen, vorst en beschadiging.

4.

Wanneer een boom wordt beschadigd wordt dit direct gemeld bij de toezichthouder. Wanneer de beschadiging tot gevolg heeft dat er een nieuwe boom geplant moet worden wordt dit in een gunstig jaargetijde door het college gedaan.

5.

Het rooien van bomen door de grondroerder geschiedt pas na toestemming van het college.

6.

De gedragscode Flora en Fauna wet Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting is van toepassing op dit werk. De gedragscode is verkrijgbaar via Stadswerk te Ede. Op basis van de gedragscode dient een plan van aanpak opgesteld te worden over hoe om te gaan met de aanwezige beschermde flora en fauna. De grondroerder dient dit plan te hanteren bij de uitvoering van de werkzaamheden.

Ondertekening

Bijlage 10.1 Dwarsprofiel

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

24/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

Bijlage 10.2 Bomenkaart

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

25/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

Bijlage 10.3 Centrumkaart https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

26/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

1. centrum Geldrop

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

27/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

2. centrum Mierlo

Bijlage 10.4 Gemeentespecifieke informatie De in artikel 3.2 bedoelde hoofdwegen zijn:

Bogardeind

Emopad

Gijzenrooijseweg

Eindhovenseweg

Nieuwendijk

Helze

Wielewaal

Nuenenseweg

Mierloseweg

Johan Peijnenburgweg

Dommeldalseweg

Laan der Vier Heemskinderen

Geldropseweg

Santheuvel-Oost

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

28/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

Santheuvel-West

Bekelaar

Industrieweg

Voor het overige zijn er geen specifieke bepalingen, die afwijken van het Handboek

Bijlage 10.5 Contactgegevens Algemene contactgegevens gemeente Geldrop-Mierlo:

Gemeente:

Geldrop-Mierlo

Afdeling:

Ruimte

Postbus:

10101

Postcode:

5660 GA

Plaats:

Geldrop

Telefoon:

14-040

Website:

www.geldrop-mierlo.nl

E-mail:

gemeente@geldrop-mierlo.nl

Voor informatie omtrent het werken in of met verontreinigde grond :

Afdeling:

Ruimte

Contactpersoon:

Cluster Beleid

Telefoon:

14-040

Website:

www.geldrop-mierlo.nl

Ziet u een fout in deze regeling? Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

29/30

29-04-2024 10:45

Handboek Kabels en leidingen 2018 | Lokale wet- en regelgeving

organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl. Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR621321

30/30

29-04-2024 10:46

Verordening ondergrondse infrastructuur Geldrop-Mierlo 2014 | Lokale wet- en regelgeving

Lokale wet- en regelgeving

Verordening ondergrondse infrastructuur Geldrop-Mierlo 2014 Geldend van 14-02-2019 t/m heden

Intitulé Verordening ondergrondse infrastructuur Geldrop-Mierlo 2014 De raad van de gemeente Geldrop-Mierlo; Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo d.d. 20 september 2018; Gehoord de Commissie Ruimte d.d. 14 januari 2019; Beluit vast te stellen de: 1e wijziging Verordening Ondergrondse Infrastructuur 2014.

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a.

Beleidsregels: de door het college, aanvullend aan deze verordening, gestelde regels met betrekking tot nadeelcompensatie.

b.

College: college van burgemeester en wethouders;

c.

Coördinatieverplichting: de coördinerende rol van het college over de aanleg, ligging, instandhouding en opruiming van alle kabels of leidingen in de gehele openbare grond;

d.

Gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 1, van de Belemmeringenwet Privaatrecht of in artikel 5.2, eerste lid, van de Telecommunicatiewet of via een (publiekrechtelijke) vergunning;

e.

Grondroerder: degene, waaronder de netbeheerder, onder wiens verantwoordelijkheid of leiding graafwerkzaamheden worden verricht;

f.

(huis)aansluiting: het gedeelte van de kabel of leiding dat een netwerk verbindt met een netwerkaansluitpunt, dan wel dit gedeelte ten behoeve van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet Waardering Onroerende Zaken;

g.

Instemmingsbesluit: besluit van het college op een melding van voorgenomen werkzaamheden aan kabels ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid van de Telecommunicatiewet;

h.

Kabel- en leidingentunnel: voor de geleiding van kabels of leidingen aangebrachte infrastructuur, waarvan door één of meerdere grondroerders gebruik kan worden gemaakt;

i.

Kabels of leidingen: kabels of leidingen als onderdeel van een net(werk), daaronder mede begrepen de daarmee verbonden (stalen) kasten t.b.v. Schakel-, verdeel- en onderstations geschikt voor het plaatsen op de openbare weg, voorzieningen en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer, en ook omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, elektriciteitskabels,

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR358107/2

1/10

29-04-2024 10:46

j.

Verordening ondergrondse infrastructuur Geldrop-Mierlo 2014 | Lokale wet- en regelgeving

gasleidingen, waterleidingen en kabels of leidingen ten behoeve van industriële netwerken, uitgezonderd kabels- en leidingennetwerken van de gemeente. Kunstwerk: civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen, kabels of leidingen, niet bedoeld voor permanent verblijf;

k.

Nadere regels: de door het college, aanvullend aan deze verordening, gestelde regels, voorwaarden en voorschriften opgenomen in een separaat handboek kabels en leidingen;

l.

Netbeheerder: de rechtspersoon die handelt als beheerder van een net of netwerk voor de levering van elektriciteit, gas, water, aardwarmte of Warmte Koude Opslag, dan wel aanbieder is van een (al dan niet openbaar) elektronisch communicatienetwerk;

m.

Net of netwerk: een ondergrondse kabel of leiding, daaronder mede begrepen lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie;

n.

Niet-openbare kabels of leidingen: kabels of leidingen (dan wel het netwerk waartoe deze behoren) die niet gebruikt worden om openbare diensten aan te bieden;

o.

Openbaar elektronisch communicatienetwerk: openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1, onder h, van de Telecommunicatiewet;

p.

Openbare gronden: openbare gronden als bedoeld in artikel 1.1, onder aa, van de Telecommunicatiewet;

q.

Omwonenden: de bewoners en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels of leidingen;

r.

Registratiesysteem: geautomatiseerd systeem van het college waarin instemmingen of meldingen van (graaf)werkzaamheden aan kabels of leidingen en alles wat daarmee samenhangt worden verwerkt door of namens het college of de grondroerder;

s.

Sleuf: in de bodem uitgegraven of uitgehakte of geboorde langwerpige smalle opening;

t.

Spoedeisende werkzaamheden: reparatie of onderhoudswerk waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening via het betreffende net is opgetreden;

u.

Vergunning: vergunning op basis van deze verordening die bij het college aangevraagd moet worden voor voorgenomen werkzaamheden aan kabels of leidingen;

v.

Werkzaamheden: handmatige of mechanische (graaf)werkzaamheden, inclusief het opbreken en herstel van de sleufverharding, in de openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels of leidingen;

w.

Werkzaamheden van niet ingrijpende aard: 1.

Het aanbrengen of verwijderen van kabels of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen; reparaties of onderhoudswerk aan kabels of leidingen met een gezamenlijke lengte van minder dan vijfentwintig (25) meter en niet vallend onder spoedeisende werkzaamheden;

2.

Het maken van incidentele (huis)aansluitingen tot een gezamenlijke lengte van vijfentwintig (25) meter, inclusief nieuwbouwprojecten;

3.

Het maken van een montagegat of lasgat, dat wil zeggen; een opbreking met een afmeting van maximaal 2 m², die wordt gemaakt ten behoeve van het plaatsen van een handhole, de toegang tot een handhole, plaatsen van afsluiters, het opgraven van een kabelrol ten behoeve van klantaansluitingen, het maken van aftakkingen, voor het herstellen van kabel of leidingstoringen of voor inspectiedoeleinden;

Artikel 1.2. Toepasselijkheid 1.Deze verordening is van toepassing op de aanleg, de ligging, het (in stand) houden, het onderhoud, de exploitatie, het verleggen/verplaatsen en het verwijderen van kabels of leidingen in of op openbare gronden, voor zover de gemeente deze gronden beheert, in bezit heeft dan wel daarover coördinatieverplichtingen heeft in of op kunstwerken.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR358107/2

2/10

29-04-2024 10:46

Verordening ondergrondse infrastructuur Geldrop-Mierlo 2014 | Lokale wet- en regelgeving

Artikel 1.3. Nadere regels 1.

Het college stelt ter uitvoering van deze verordening nadere regels vast.

2.

Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op: a.

Het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering bij de aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels of leidingen;

b.

Ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels of leidingen;

c.

De omgang met kabels of leidingen in verontreinigde gronden, rond watergangen en stedelijk groen, en op verhardingen boven kabels of leidingen.

Hoofdstuk 2: Werkzaamheden inzake kabels of leidingen, uitgezonderd kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk Artikel 2.1. Vergunning 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college of in afwijking van een verleende vergunning kabels of leidingen in, op of boven openbare gronden en in of op kunstwerken:

a.

Aan te leggen en of te houden;

b.

Te liggen

c.

Te onderhouden of te exploiteren;

d.

Te wijzigen;

e.

Te verplaatsen;

f.

Een andere functie te geven of;

g.

Te verwijderen.

2.

Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen vergunning, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een (digitale) melding vooraf aan het college.

Artikel 2.2. Aanvragen en melden 1.

Een vergunning wordt door het college op aanvraag aan de grondroerder verleend, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

2.

De vergunning dient 8 weken voor aanvang werkzaamheden te worden aangevraagd.

3.

Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten, kan hierover vooroverleg voeren met het college om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid voor te bereiden.

4.

Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op gronden van een andere gedoogplichtige wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de aanvraag, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomsten van het (voor)overleg tussen de grondroerder en de overige gedoogplichtige(n).

5.

Werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen minimaal vijf (5) werkdagen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden.

6.

Spoedeisende werkzaamheden worden voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld. Als een melding vooraf niet mogelijk is, wordt de melding uiterlijk vóór 09.00 uur op de eerste werkdag na de

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR358107/2

3/10

29-04-2024 10:46

7.

Verordening ondergrondse infrastructuur Geldrop-Mierlo 2014 | Lokale wet- en regelgeving

start van de uitvoering gedaan aan het college. Indien achteraf blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden vergunningplichtig zijn, wordt er alsnog een vergunning aangevraagd. Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor de uitzonderingsbepalingen voor spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, niet van toepassing zijn.

Artikel 2.3. Weigeren, wijzigen of intrekken vergunning 1.

2.

Het college kan de vergunning weigeren in het belang van: a.

De openbare orde

b.

De openbare veiligheid

c.

De volksgezondheid

d.

De bescherming van het milieu

Het college kan de vergunning wijzigen of intrekken, indien: a.

De grondroerder niet binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning met de werkzaamheden als omschreven in de vergunning is begonnen;

b.

De in de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen;

c.

De netbeheerder kabel(s) of leiding(en) definitief buiten gebruik heeft gesteld;

d.

De vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens;

e.

De vergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven;

f.

De grondroerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de vergunningvoorschriften niet naleeft;

g.

Na het verlenen van de vergunning naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van de vergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan de verleende vergunning niet kan worden tegemoetgekomen;

h.

Dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de uitvoering van gemeentelijke werkzaamheden van openbaar belang en algemeen nut;

i.

Er sprake is van verkoop van gronden in eigendom van gemeente, behorende tot de openbare ruimte, aan derden.

3.

Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van de vergunning voordat het college de houder van de vergunning de gelegenheid heeft gegeven om zijn zienswijze naar voren te brengen.

4.

Aan het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabel(s) of leiding(en) te verleggen/verplaatsen of deze te verwijderen.

Artikel 2.4. Intrekken vergunning op verzoek netbeheerder 1.

Het college trekt de vergunning in indien de netbeheerder schriftelijk aan het college heeft verklaard van de vergunning geen gebruik meer te willen maken.

2.

Degene die een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid afgeeft, wordt gedurende de tijd dat de kabel of leiding na de verklaring nog in de openbare ruimte aanwezig is, beschouwd als netbeheerder tenzij de leiding is overgedragen of wordt geëxploiteerd of beheerd door een andere natuurlijke dan wel rechtspersoon, in welk geval laatstgenoemde persoon als netbeheerder wordt beschouwd.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR358107/2

4/10

29-04-2024 10:46

Verordening ondergrondse infrastructuur Geldrop-Mierlo 2014 | Lokale wet- en regelgeving

Hoofdstuk 3: Werkzaamheden inzake kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk Artikel 3.1. Instemmingsbesluit 1.

Het is verboden zonder instemmingsbesluit of in afwijking van een verleende instemmingsbesluit kabels in, op of boven openbare gronden en in of op kunstwerken: A) aan te leggen en of te houden; B) te onderhouden of te exploiteren; C) te wijzigen; D) te verplaatsen; E) een andere functie te geven of; F) te verwijderen.

2.

Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een (digitale) melding vooraf aan het college.

3.

Het instemmingsbesluit vervalt indien daarvan geen gebruik wordt gemaakt binnen één jaar na de datum waarop het besluit onherroepelijk is geworden.

Artikel 3.2. Aanvragen en melden 1.

Een instemmingsbesluit wordt door het college op aanvraag aan de grondroerder verleend, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GeldropMierlo&id=ba99a83b-eb03-4b65-8818-a08daa4e063a