CConstaterende datGeldrop-Mierlo
Koppel je AI →
Document · PDF

RO-BP-619.116.30 Bestemmingsplan 'Bogardeind 85 tm 123'.pdf

Raadsvergadering 8 juni 2021, gemeente Geldrop-MierloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan en Exploitatieplan Bogardeind 85 t/m 12328.468 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

26

4.2

Onderzoek

4.2.1 Soortenbescherming Onderzoeksbureau ABO-Milieuconsult heeft een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Deze rapportage in bijgevoegd als bijlage 3 van de toelichting. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. Vleermuizen In de gebouwen in het plangebied zijn geen voor vleermuizen geschikte invliegmogelijkheden aangetroffen. Ook in de bomen zijn geen openingen gevonden die geschikt zijn voor vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie, omdat in de directe omgeving van het plangebied meerdere goede alternatieven aanwezig zijn. Het lijnelement langs de weg is geen vliegroute voor vleermuizen, omdat deze aan lichtverstoring onderhevig is. Vleermuizen tolleren een kleine mate van verlichting als het gaat om vliegroutes. De lichtsterkte en de afstand van de verlichtingsbron tot locaties die van belang zijn voor vleermuizen bepalen, in combinatie met de richting van het licht en de aanwezigheid van barrières, of negatieve effecten optreden op vleermuizen. In dit geval zijn geen locaties van belang aanwezig in het plangebied en is de weg met verlichting een barrière.

Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en vaste vliegroutes van vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren, of sporen hiervan, aangetroffen. Deze worden gezien het biotoop ook niet verwacht in de toekomst. Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht. Vaatplanten Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan. Vogels De twee huismussen die zijn waargenomen gebruiken het plangebied als leefgebied. Omdat in het plangebied geen huismussen broeden en de huismussen uit de Hazelaar genoeg leefgebied binnen de tuinen van de Hazelaar hebben, is het plangebied geen essentieel leefgebied. Het plangebied heeft geen functie voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. In het gebied zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Zingende of broedende huismussen zijn in het gebied niet gesignaleerd, noch doet het plangebied dienst als (essentiële) foerageerplaats of schuilplaats voor huismussen. Voor gierzwaluw geldt eveneens dat geen invliegopeningen aanwezig zijn. Vanwege het aanwezige groen is het niet uit te sluiten dat algemene soorten in het plangebied (gaan) broeden.

De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De nestbescherming geldt voor alle in gebruik zijnde nesten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Iedere in gebruik zijnde nest is beschermd. Voor het broedseizoen geldt geen

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

27

vaste periode, vanwege de afwezigheid van uilen en watervogels kan globaal uitgegaan worden van half maart tot half juli. Amfibieën en reptielen Reptielen kunnen op basis van biotoop worden uitgesloten. Voor rugstreeppad geldt dat geschikt land- en waterhabitat ontbreekt en daarmee het biotoop ongeschikt is. Vanwege de afwezigheid van reptielen en rugstreeppad, zijn nader onderzoek naar het voorkomen en maatregelen met betrekking tot deze soortgroepen niet noodzakelijk. Voor eventueel aanwezige algemene soorten geldt de zorgplicht. Overige beschermde soorten Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van biotoop geen rekening gehouden te worden. Maatregelen met betrekking tot deze soortgroepen hoeven niet te worden genomen. 4.2.2 Gebiedsbescherming Rondom het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Strabrechtse Heide & Beuven (circa 1,2 km afstand), Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (circa 2,3 km afstand) en Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (circa 13,5 km afstand). De sloop van de bestaande opstallen, het bouwrijp maken, de bouw van de woningen en het woonrijp maken van de locatie wordt de aanlegfase genoemd. De gebruiksfase is aan de orde nadat de 35 nieuwe woningen zijn opgeleverd.

Aanlegfase In de aanlegfase wordt de stikstofemissie voornamelijk gegenereerd door de (mobiele)werktuigen op de bouwplaats en de verkeersbewegingen van en naar de bouwplaats. Op dit moment is nog niet bekend welke (elektrische) installaties tijdens de bouw gebruikt zullen worden. Daarom zijn voor de aanlegfase algemene kentallen gebruikt. De toelaatbare emissie stikstof per jaar is relatief beperkt. Uit een berekening blijkt dat een stikstofemissie van 28 kg NOx toelaatbaar is zonder dat sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen het Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ (zie bijlage). Een emissie van 29 kg NOx leidt juist tot de kleinst mogelijke toename van 0,01 mol N per ha/jaar. Naast NOx is tijdens de aanlegfase rekening gehouden met de emissie van 0,1 kg NH3. In het rapport ‘Methode inschatting depositie woningbouwprojecten’ van het RIVM van 14 november 2019 wordt voor de aanlegfase een emissiekental van 3 kg NOx per woning genoemd. In deze emissie zijn ook gerelateerde werkzaamheden meegenomen zoals de aanleg van ontsluitingswegen. In dit geval wordt het Bogardeind gewijzigd. De stikstofemissie die met deze wijzigingen aan de weg verband houden zijn daarom ook meegenomen in de emissie van 3 kg per woning.

Op basis van referentieprojecten ligt de emissie in de aanlegfase meestal tussen de 1 en 3 kg NOx per woning. Dit is inclusief woonrijp maken en verkeer van en naar de bouwplaats. De aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling genereert dus tussen de 35 kg en 105 kg NOx. Het is niet aannemelijk dat de gehele aanlegfase in één kalenderjaar gerealiseerd wordt. Door de totale emissie van NOx in de aanlegfase over meerdere jaren te verspreiden, wordt de toelaatbare

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

28

emissie van 28 kg NOx (en 0,1 kg NH3) per jaar niet overschreden. Ook kan bij het bouwen van de voorgenomen ontwikkeling gebruik gemaakt worden van elektrische materieel, waardoor de emissie voor de aanlegfase lager ligt dan de 35 tot 105 kg NOx. De werktuigen die elektrisch zijn aangedreven genereren namelijk geen stikstofemissie. Wanneer de ontwikkeling gefaseerd gaat worden en/of wanneer er elektrisch materieel gebruikt wordt, kan uitgesloten worden dat het plan significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Hiermee is in voldoende mate vastgesteld dat stikstof de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat. In het kader van het vergunningenspoor wordt namelijk (nogmaals) beoordeeld of de daadwerkelijke werkmethode en materieelinzet mogelijk significant negatieve effecten heeft voor Natura 2000gebieden. Gebruiksfase De woningen worden gasloos gebouwd en veroorzaken zelf derhalve geen emissie tijdens het gebruik. De emissie wordt bepaald door de verkeersbewegingen van en naar de woningen. De toegenomen verkeersgeneratie bedraagt 38 motorvoertuigen per etmaal. Voor de Aeriusberekening is derhalve uitgegaan van 38 personenwagenbewegingen per dag en is verder rekening gehouden met de aankomst en het vertrek van 2 middelzware en 1 zware vrachtwagen per dag.

Uitgangspunt is dat 50% van het verkeer via de Bogardeind in zuidelijke richting (A67) arriveert en vertrekt, 25% via de Laan der Vier Heemskinderen in oostelijke richting en 25% via de Gijzenrooiseweg in westelijke richting. De wijzigingen aan het Bogardeind veroorzaken in de gebruiksfase geen andere stikstofemissie dan bij de huidige ligging van de weg. Door de verbeterde verkeersafwikkeling is sprake van een betere doorstroming, zodat de verwachting is dat de emissie van stikstof door het verkeer op het Bogardeind afneemt. Berekeningen De resultaten van de berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase zijn in bijlage 1 en 2 gepresenteerd. Uit deze berekeningen blijkt dat in de aanlegfase de toelaatbare emissie 28 kg NOx en 0,1 kg NH3 per jaar is. Door de ontwikkeling gefaseerd uit te voeren en/of in combinatie met elektrisch materieel, kan uitgesloten worden dat door het plan een toename van de stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j plaatsvindt binnen de Natura 2000-gebieden. Tevens blijkt uit de berekeningen dat in de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j plaatsvindt binnen de Natura 2000-gebieden. 4.3

Conclusie Uit de quickscan blijkt dat er geen beschermde soorten zijn aangetroffen. Er zijn geen indicaties dat verblijven van deze soorten aanwezig zijn. Voor planten en ongewervelden is het plangebied ongeschikt. Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Mochten ten behoeve van de werkzaamheden bomen worden gekapt, dan zijn deze niet beschermd in de Wet natuurbescherming, omdat ze vallen binnen de bebouwde kom van Geldrop. In het huidige straatprofiel staan geen bomen. Bij de uitvoering van het plan zullen dus in de openbare ruimte geen bomen worden gekapt. Dat neemt niet weg dat zich in de tuinen van de woningen wel bomen bevinden. Deze vallen buiten de vergunningplicht, maar bij het eventueel

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

29

verwijderen van deze bomen moet wel rekening worden gehouden met de zorgplicht. In de rapportage wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. Uit het stikstofdepositieonderzoek wordt geconcludeerd dat door de ontwikkeling in de aanlegfase gefaseerd uit te voeren en/of elektrisch materieel te gebruiken, uitgesloten kan worden dat door het plan een toename van de stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j plaatsvindt binnen de Natura 2000-gebieden. Tevens blijkt uit de berekeningen dat in de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j plaatsvindt binnen de Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

30

5

Water

5.1

Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.

5.1.1 Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit im Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

31

plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. 5.1.2 Provinciaal beleid Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) staat voor samenwerken aan een schone, gezonde en veilige leefomgeving in Brabant. De doelen van het PMWP zijn: -

voldoende water voor mens, plant en dier schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening De provincie wil op basis van de Dynamische UitvoeringsAgenda PMWP deze doelen realiseren in samenwerking met partners. De behoefte aan water vanuit inwoners en bedrijven is groot. En ook natuur en landbouw zijn afhankelijk van water. De provincie stelt de kaders voor schoon, veilig en voldoende water in Brabant. Samen met andere waterpartijen zet zij zich in voor een duurzaam gebruik en beheer van het beschikbare water. Ook met vertegenwoordigers van natuur en landbouw maakt zij afspraken. De regels rondom water zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant.

5.1.3 Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan 'Waardevol Water' Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan “Waardevol Water” vastgesteld. Dit strategisch document dat op 1 januari 2016 in werking getreden beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021 en op welke wijze zij die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan. Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen. Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen. De gebruiker centraal: de omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en de behoeften en belangen van de gebruikers veranderen continu. Ook de waarde van water verandert mee en daarop moet worden ingespeeld. Samen sterker: door samen te werken met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven en door samen oplossingen te zoeken en uitvoering te geven wordt het meest bereikt. Het waterschap wil daarin een inspirerende rol spelen en partijen daartoe de ruimte bieden.

Door flexibel te zijn in de samenwerking met en rekening te houden met de inbreng en ideeën van andere partijen wordt de uitvoeringskracht versterkt.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

32

Gezonde toekomst: ook toekomstige generaties moeten over voldoende, veilig en schoon water. Ook in de maatschappij is het streven naar duurzaamheid steeds actueler en de kringloopgedachte sluit hierop aan. Het waterschap ziet dit als een inspirerende uitdaging en wil mensen bewust maken van de waarde van water en het belang van een duurzaam gebruik ervan. Keur Waterschap De Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. Per 1 april 2021 zijn er wijzigingen doorgevoerd in de keurregels. De grenswaarde in de algemene regels voor het compenseren van nieuw (toename) verhard oppervlak wordt aangepast van 2.000 m2 naar 500 m2.

Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.

Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits ‘vasthouden bergenafvoeren’. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

33

5.1.4 Gemeentelijk beleid Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 De riolering is aangelegd om onze leefomgeving gezond en onze voeten droog te houden. Gemeenten hebben de taak om voor de riolering te zorgen met een zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor overtollig grondwater. Het GRP 2018-2022 geeft aan hoe de gemeente Geldrop-Mierlo met deze drie zorgplichten omgaat. De doelen voor de rioleringszorg zijn: 1. zorgen voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater 2. zorgen voor inzameling en verwerking van hemelwater (binnen grenzen) 3. zorgen dat het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert (voor zover mogelijk). Ook inwoners en bedrijven hebben een belangrijke invloed op het functioneren van de riolering. De gemeente verwacht: 1. 2. 3. 4. 5.

dat inwoners en bedrijven de riolering verstandig gebruiken; dat rioolaansluitingen zorgvuldig worden aangelegd; dat inwoners en bedrijven hemelwater zelf opvangen en bergen als dat redelijkerwijs mogelijk is; dat water-op-straat vaker binnen marges wordt geaccepteerd; dat inwoners en bedrijven bij grondwateroverlast ervoor zorgen dat hun woning of bedrijf voldoende waterdicht is.

Om zekerheid te hebben dat op de lange termijn het stedelijk afvalwater wordt afgevoerd willen de gemeente dat nieuwe gebouwen in stedelijk gebied worden aangesloten op vrijvervalriolering. Buiten de bebouwde kom wordt nieuwbouwen aangesloten op drukriolering, als het niet doelmatig is om deze gebouwen op vrijvervalriolering aan te sluiten. Alleen huishoudelijk afvalwater mag worden geloosd op de drukriolering, omdat het systeem niet toegerust is op het afvoeren van ander afvalwater. Als buiten de bebouwde kom een alternatieve vorm van zuiveren een goed milieurendement biedt, dan gaat de gemeente in overleg met de eigenaren om te bepalen hoe dit praktisch kan worden gerealiseerd. De kosten van een rioolaansluiting zijn altijd voor de aanvrager. Bij alle ontwikkelingen en aanpassingen ten aanzien van de bovengrondse inrichting, weegt de gemeente de risico’s op wateroverlast mee. Bij nieuwbouw, ongeacht de toename van het verhard oppervlak, wordt het principe van waterschap De Dommel van ‘Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen’ gevolgd. Dit houdt in dat de nieuwe watersituatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. 60 mm berging in openbaar gebied is hierbij de richtlijn. Bij grootschalige nieuwbouw (toename verhard oppervlak met meer dan 2.000 m) is deze 60 mm een uitgangspunt in het ontwerp van de bovengrond.

Bij herinrichtingsplannen is deze 60 mm wel het streven, maar door de soms beperkt beschikbare ruimte en gebrek aan open water kan dit niet gegarandeerd worden. Aanpassingen aan de bovengrondse inrichting in de huidige situatie mogen niet leiden tot een verhoging van de risico’s op wateroverlast. Bij nieuwbouw bestaat de kans om grondwater mee te nemen in de keuzes die worden gemaakt bij de bouw. Uitgangspunt is om grondwater zoveel mogelijk ‘natuurlijk’ te behandelen.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

34

5.2

Onderzoek Bestaande situatie Waterkwantiteit In het plangebied is geen oppervlaktewater gelegen. Het plangebied bestaat uit grotendeels verhard en een klein deel onverhard oppervlak. Het verharde oppervlak wordt gevormd door de woningen, bijgebouwen, straten, parkeerplaatsen en trottoirs. Het onverharde oppervlak wordt gevormd door de tuinen en de groenstrook naast de kruising met de Beukelaar. Waterkwaliteit In het plangebied zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand.

Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Toekomstige situatie Waterkwantiteit Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van 35 woningen. Bij een herontwikkeling dient er voor gezorgd te worden dat de waterhuishouding en met name de hemelwaterafvoer (HWA) toekomstgericht en duurzaam is.

Bestemming

Verkeer waarvan groen Wonen waarvan tuin waarvan onverhard waarvan verhard waarvan groen Tuin waarvan verhard waarvan onverhard Verhard oppervlak Onverhard oppervlak Totaal

Huidig aantal m2 (planologische situatie)

Huidig aantal m2 werkelijke situatie

6700

6700 3350 1675 1675

6700 0 6700

5025 1675 6700

Toekomstig aantal m2 (planologische) situatie 2340

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

Toekomstig aantal m2 werkelijke situatie 2340 457 3740 3740 1852 926 926 800 620 620 310 310 6390 310 6700

4207 2493 6700

35

In bovenstaande tabel is de globale verdeling verhard-onverhard oppervlak opgenomen. In de huidige situatie is het planologisch toegestaan het gehele gebied te verharden binnen de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Detailhandelsdoeleinden’. In de berekening is globaal gerekend met een situatie waarin 50% van het gebied uit tuinen bestaat. In de berekening is ervan uit gegaan dat tuinen voor circa 50% uit verharding bestaan. In de toekomstige situatie is de bestemming tuin opgenomen voor een deel van het plangebied. Daarnaast bestaat een groot deel van de woonbestemming uit tuinen. Ook hier wordt er vanuit gegaan dat circa 50% van de tuinen uit verharding bestaan. Het plan biedt binnen de toekomstige verkeersbestemming veel ruimte voor bomen en hagen langs de weg. Daarnaast wordt er rondom de parkeerplaatsen gedacht aan een groene invulling (zie afbeelding 2.3). Uit de berekening blijkt dat zowel in de planologische situatie als in de werkelijke situatie het aantal m2 onverhard oppervlak toeneemt. Aanvullende watercompensatie is dan ook niet benodigd. Het principe van het waterschap waarbij de nieuwe watersituatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie wordt dan ook gevolgd. Er is geen toename aan verhard oppervlak, waardoor de ambitie om 60 mm waterberging te realiseren geen verplichting vormt.

Met het realiseren van groen en parkeerplaatsen langs de weg kan er wel worden gedacht aan extra waterbergende oplossingen, zoals waterdoorlatende parkeervakken. Dit zal gedurende de definitieve planvorming worden bepaald. Veiligheid Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Het plangebied is niet gelegen in een gebied met een overstromingsrisico. Riolering Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool (droogweerafvoer - DWA). Hemelwater dat op daken, parkeerverharding en opritten valt, moet als dat mogelijk is worden afgekoppeld van het DWA en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater dat op wegen valt, dient via bodempassages te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Indien nieuwe wateren worden gerealiseerd en/of oevers van bestaande wateren worden vergraven, verdient het aanbeveling flauwe, natuurvriendelijke oevers te creëren. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.

Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het waterschap. Het waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

36

5.3

Conclusie Het aspect water zorgt niet voor belemmeringen voor voorgenomen ontwikkeling. Ter borging van de waterdoelstellen zijn in het bestemmingsplan regels opgenomen dat er moet worden gezorgd voor aanleg of instandhouding van voldoende waterberging teneinde te komen tot een goed hemelwaterafvoersysteem. Hiervoor moet vooraf schriftelijk advies worden ingewonnen bij het waterschap.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

37

6

Archeologie en cultuurhistorie

6.1

Archeologie

6.1.1 Kader Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019.

Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten Gemeentelijk beleid Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de voorgaande wet beschikt de gemeente over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. Gemeenten hebben de wettelijke taak om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed (zorgplicht). Geldrop en Mierlo hebben archeologisch gezien een rijk verleden en kennen wat archeologisch onderzoek betreft een rijke traditie. Met het beleidsplan ‘Archeologische Monumentenzorg’ uit 2010 voldoet de gemeente aan de Erfgoedwet en heeft zij vastgelegd hoe de gemeente omgaat met het archeologisch erfgoed. De ruimtelijke ambities van de gemeente Geldrop-Mierlo in de komende jaren zijn relatief groot. Veel van de geplande projecten liggen in zones met een verhoogde kans op het aantreffen van nieuwe archeologische vindplaatsen of het aansnijden van reeds bekende. Enerzijds vormen de activiteiten binnen en buiten de bebouwde kom weliswaar een risico voor archeologisch erfgoed, gelijktijdig bieden ze mogelijkheden voor onderzoek naar het verleden, het in stand houden van monumenten en een betekenisvolle inrichting van de ruimte.

Om te voorkomen dat de meest waardevolle delen van het bodemarchief ongezien verdwijnen, moeten de uitgangspunten van het archeologiebeleid aansluiten op de ruimtelijke ambities en andere voornemens op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, landbouw, cultuur, monumenten en toerisme. De gemeente stelt zich concreet ten doel steeds een verantwoorde afweging te maken tussen wat in de bodem bewaard moet blijven, onderzocht dient te worden of verloren mag gaan. Centraal daarbij staat het behoud van representatieve delen van het verleden landschap en de

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

38

archeologische vindplaatsen die daarin verborgen liggen. Bij de afweging over het al dan niet voorschrijven van (voor)onderzoek bij bodemingrepen gaat Geldrop-Mierlo uit van een zo effectief mogelijke inzet op archeologie. Centraal daarin staat de potentiële kenniswinst die daarbij te behalen valt. 6.1.2 Onderzoek Archeologische beleidskaart De archeologische beleidskaart (zie afbeelding 6.1), geeft een beschrijving van verschillende gronden met de daaraan gekoppelde archeologische verwachtingen. Aan de verwachtingen zijn voorschriften gekoppeld.

Afbeelding 6.1: Uitsnede archeologische beleidskaart

Het plangebied is gelegen in een gebied van archeologische waarde. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. De archeologische resten op deze terreinen zijn echter minder geconcentreerd dan bij de vorige categorie en bovendien is vaak niet exact bekend waar de resten zich bevinden. Het gaat hier ook om de oude en de vermoedelijk nog oudere verschoven woonkernen en gehuchten, waar op basis van historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 100 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld. Onderzoeksbureau Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek kan de volgende gespecificeerde archeologische verwachting worden opgesteld: Het plangebied bevindt zich in een gebied met dekzandwelvingen aan westzijde van het dal van de Kleine Dommel.

Voor het plangebied geldt daarom op basis van het landschap een algemene hoge archeologische verwachting vanwege de ligging op een hoger gelegen (en droger) gebied met dekzandruggen/dekzandwelvingen, direct grenzend aan een beekdal. Hierdoor lag het plangebied relatief hoog in het landschap, met geringe kans op overstromingen,

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

39

maar had het tegelijk gemakkelijke toegang tot een waterbron. Later heeft hier plaggenbemesting plaatsgevonden (enkeerdgrond) waardoor eventuele archeologische waarden mogelijk goed beschermd zijn gebleven. De archeologische verwachting is daarom hoog voor de periode LaatPaleolithicum tot en met Nieuwe Tijd. Eventuele in situ archeologische resten worden verwacht in de oorspronkelijke B- en top van de C-horizonten van de bodems in het plangebied. Er wordt een grote variatie in de dikte van het cultuurdek verwacht. Daarnaast bevindt het plangebied zich in een zone die tot de historische kern van het dorp Geldrop wordt gerekend, en onderdeel is van een AMK-terrein. Ook hierdoor geldt er een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden uit de periode Late-Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd. Op basis van de historische bronnen en kaarten worden geen ondergrondse bouwhistorische waarden binnen het plangebied verwacht; deze kunnen echter niet worden uitgesloten. Mogelijk heeft er egalisatie plaatsgevonden in het noordelijke deel van het plangebied; voor dit gebied geldt daarom een middelhoge verwachting. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is er een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen.

Uit het booronderzoek is gebleken dat de ondergrond van het plangebied uit een pakket sterk zandig leem bestaat, dat als een pakket fluvio-periglaciale afzettingen geïnterpreteerd wordt. Dit pakket wordt afgedekt door een dunne laag dekzand. De laag dekzand gaat scherp naar boven toe over in een 75 tot 125 cm dik, matig humeus zandpakket. Het humeuze pakket in de bovengrond is doorspekt met baksteenfragmenten, puinresten, fragmenten steenkolengruis, porselein en betreft vermoedelijk, net zoals op de locatie Slachthuisstraat, een 20e eeuws grondverbeteringspakket met esgreppels. De top van het dekzandpakket en daarmee het potentiële archeologische niveau is niet meer intact. Archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en ouder worden daarom niet meer verwacht. Op basis van het historisch kaartmateriaal worden geen archeologische waarden uit de Nieuwe tijd verwacht. Daarom worden op basis van het booronderzoek geen vervolgstappen noodzakelijk geacht. 6.1.3 Conclusie Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek worden in het plangebied geen archeologische waarden verwacht. De resultaten uit dit onderzoek zijn voorgelegd aan de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Zij beoordelen dat met de uitvoering van het archeologische onderzoek de archeologische waarde van het gebied in voldoende mate is vastgesteld.

Vanwege de verstoorde bodemopbouw, is de archeologische verwachting bijgesteld naar laag. Archeologisch vervolgonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 6.2

Cultuurhistorie

6.2.1 Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ (juni 2011) In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

40

In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; en wederopbouw: het tonen van een tijdperk.

Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. Het plangebied is op de Cultuurhistorische Waardenkaart niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied. Rijksmonumenten Rijksmonumenten zijn minstens vijftig jaar oud en van nationaal belang door cultuurhistorische waarde, hun schoonheid of hun wetenschappelijke betekenis. Zij zijn door de Rijksoverheid aangewezen. In de omgeving van het plangebied bevindt zich de molen 't Nupke, welke is aangemerkt als Rijksmonument. De molen is gelegen op 110 meter van het plangebied en voorzien van een molenbeschermingszone. Hier wordt in paragraaf 7.8.2 nader op ingegaan. Gemeentelijke monumenten De gemeente Geldrop-Mierlo heeft ook zelf objecten aangewezen als gemeentelijke monument. In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen gemeentelijke monumenten gelegen. 6.2.2 Conclusie In het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waarden en elementen. Het aspect cultuurhistorie vormt daarom geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

41

7

Milieu

7.1

Algemeen In dit hoofdstuk wordt beschreven welke invloed het plan heeft op verscheidene milieuaspecten, zoals de bodemkwaliteit, akoestische aspecten, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

7.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

7.2.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.

Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

42

7.2.2 Onderzoek en conclusie Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 7.000 m2 en blijft daarmee ruimschoots onder de drempel van 100 hectare of 2000 woningen. In het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de volgende aspecten: • Bedrijven en milieuzonering • Geluid • Bodem • Luchtkwaliteit • Flora en fauna • Externe veiligheid In de volgende paragrafen is per aspect beoordeeld wat de effecten van het plan zijn. Uit de onderzoeken die zijn uitgevoerd blijkt dat als gevolg van de realisatie van het plan geen (belangrijke) nadelige milieueffecten optreden, waardoor een m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is. 7.3

Bodemkwaliteit

7.3.1 Kader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Op 1 januari 2006 is de Wbb ingrijpend aangepast omdat het beleid met betrekking tot bodemsaneringen veranderde. De Wbb kent nu een viertal regelingen die alle vier een ander onderdeel van bodembescherming voor hun rekening nemen: Een regeling voor de bescherming van de bodem waarin ook staat dat degene die de bodem verontreinigt, zelf verantwoordelijk is voor het verwijderen van de vervuiling. De overheid kan dwingen tot sanering als de verontreiniging na 1987 is ontstaan. Een bijzondere regeling voor de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging die is ontstaan als gevolg van een ongewoon voorval (calamiteit). Een regeling voor de verontreiniging die is ontstaan voor de Wbb in werking trad in 1987 (historische bodemverontreiniging). Ook in die gevallen geldt dat de vervuiler zelf de verontreiniging verwijdert.

Als er geen vervuiler (meer) is, omdat het bedrijf niet meer bestaat en er geen rechtsopvolger is, zal de sanering door de overheid worden uitgevoerd. Een regeling voor de aanpak van verontreiniging in de waterbodem. Rijkswaterstaat heeft vooral met deze regeling te maken. De regeling geldt voor alle waterbodemverontreiniging, of de vervuiling nu voor of na 1987 is ontstaan. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

43

Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Het besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof maar vallen niet onder dit besluit. Voor grond en baggerspecie in oppervlaktewater en op landbodems gelden aparte regels die ook in het Besluit bodemkwaliteit zijn opgenomen; in tegenstelling tot bouwstoffen kunnen ze weer definitief deel gaan uitmaken van de bodem. Tot slot zijn in het Besluit bodemkwaliteit de kwaliteitsregels voor, ondermeer, bodemonderzoek, bodemsanering en laboratorium-analyses die worden uitgevoerd door adviesbureaus, laboratoria en aannemers (bodemintermediairs) vastgelegd. Deze regels zijn bekend onder de naam Kwalibo (kwaliteitsborging in het bodembeheer). Kwalibo bevat ook maatregelen om de kwaliteit van ambtenaren die bodembeleid maken of uitvoeren en het toezicht en de handhaving te verbeteren.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Deze afstemmingsregeling is opgenomen in artikel 6.2c van de Wabo. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften dienen op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 7.3.2 Onderzoek Door gecertificeerd onderzoeksbureau ABO-Milieuconsult is een historisch vooronderzoek naar de bodemkwaliteit uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Tijdens voorgaande onderzoeken zijn op diverse locaties licht tot sterke verontreinigingen aangetoond.

Daarnaast hebben op diverse locatie bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden en zijn bodemvreemde materialen aangetoond in de grond. Hierom is, tevens door ABO-Milieuconsult, een milieukundig (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn in totaal negentwintig boringen en 5 asbestinspectiegaten geplaatst. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: In de bovengrond zijn baksteen en kolengruis aangetroffen. In de ondergrond is baksteen aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met PCB, kobalt, koper, zink, cadmium, kwik, lood en PAK en een van de grondmengmonsters is sterk verontreinigd met zink.. De ondergrond is licht verontreinigd met kobalt, nikkel, koper, zink, lood en PAK.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

44

-

Het grondwater is licht verontreinigd met barium en tetrachlooretheen (per). Het grondwater ter plaatse van de ondergrondse tank is licht verontreinigd met barium. In de grondmengmonsters is geen asbest aangetoond. De hypothese "De onderzoekslocatie is verdacht" dient op basis van de licht tot sterk verhoogde gehalten in de boven- en ondergrond en de licht verhoogde concentraties in het grondwater, aangenomen te worden. De licht tot matig verhoogde gehalten in de bovengrond en de licht verhoogde concentraties aan barium en tetrachlooretheen (per) in het grondwater, zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Echter, in een van de grondmonsters overschrijdt het gehalte PAK de index en zink de betreffende interventiewaarde. De sterke verontreiniging met zink in de bovengrond geeft wel aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Aanbevolen wordt aanvullend onderzoek te verrichten naar de sterke verontreiniging met zink in de bovengrond ter plaatse van de aanwezige HBO-tank. Het toetsingscriterium om te bepalen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb) ligt op meer dan 25 m³ boven de interventiewaarde verontreinigde grond en/of meer dan 100 m3 bodemvolume met daarin grondwater gemiddeld boven de interventiewaarde verontreinigd.

Op basis van de onderhavige onderzoeksresultaten kan geen uitspraak gedaan worden of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de grond. De exacte omvang van de verontreiniging is nog niet in kaart gebracht. Uit de resultaten van het asbest bodemonderzoek blijkt dat geen asbest aanwezig is in de geanalyseerde asbestinspectiegaten, ofwel asbestgrondmonsters. Nader onderzoek naar asbest wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

7.3.3 Conclusie Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er sprake is van een geval van bodemverontreiniging op de locatie. Het uitgevoerde bodemonderzoek geeft hierin onvoldoende inzicht. Er moet nader bodemonderzoek worden uitgevoerd om alsnog voldoende inzicht in de bodemkwaliteit te verschaffen. Op dit moment zijn niet alle percelen binnen het plangebied voldoende toegankelijk om nader onderzoek uit te kunnen voeren. Voorafgaand aan de vergunningverlening voor het bouwen wordt dit nadere onderzoek uitgevoerd en worden eventuele maatregelen getroffen. 7.4

Akoestische aspecten

7.4.1 Kader Wegverkeerslawaai Op grond van artikel 74 Wgh bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de grenswaarden van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). De definities van stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden: Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

45

-

stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. Langs het Bogardeind en de route Gijzenrooiseweg/Laan der Vier Heemskinderen is een zone aanwezig van 200 meter (2x 1 rijstrook, stedelijk gebied). Deze zone wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. Onderzoek naar de geluidbelasting door het verkeer op wegen met een 30 km/uur-regime is vanuit de Wgh niet noodzakelijk. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het verkeer op de ten zuiden van het bestemmingsplan gelegen Beukelaar beschouwd. Andere 30 km-wegen waarvan het verkeer een significante geluidsbelasting veroorzaakt zijn niet aanwezig. Normstelling In het geval nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals nieuwe woningen, kunnen worden gerealiseerd binnen een zone van een weg, dan mag de geluidbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen.

Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop - Mierlo bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. In tabel 1 is aangegeven wat de voorkeurswaarde en de maximale hogere waarde is voor nieuwe woningen.

Reductie geluidbelastingen wegverkeerslawaai Op grond van de verwachting dat de geluidproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidbelastingen op de gevels worden gereduceerd. Volgens artikel 110g Wgh is een variabele reductie van 2 tot 4 dB van toepassing voor wegen met een rijsnelheid van 70 km/uur en hoger en een reductie van 5 dB bij wegen met een rijsnelheid van lager dan 70 km/uur. Omdat alle in dit onderzoek betrokken wegen een wettelijk toegestane rijsnelheid hebben van lager dan 70 km/h is een reductie toegepast van 5 dB. Reconstructiesituatie De herinrichting van het Bogardeind veroorzaakt een verandering van de geluidsbelasting ter plaatse van de bestaande woningen langs deze weg. In het kader van de Wgh moet de geluidsbelasting in het jaar van herinrichting worden vergeleken met de geluidsbelasting in het tiende jaar na reconstructie. Op basis van deze resultaten wordt vastgesteld of er, uitgaande van de systematiek van de Wgh sprake is van een reconstructie. Er is sprake van een reconstructie in de zin van de Wgh bij een verhoging van de geluidbelasting van 1,5 dB (afgerond 2 dB) of meer.

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

46

Railverkeerslawaai Op grond van hoofdstuk VII ‘Zones langs spoorwegen’ Wgh en hoofdstuk 4 ‘Spoorwegen’ van het Bgh is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar spoorweglawaai. Voor het plangebied is de spoorlijn van Eindhoven naar Weert van belang. Onderzoekszone De breedte van de geluidzone langs spoorwegen is geregeld in artikel 1.3 van het Bgh en is gerelateerd aan het gebruik van de spoorweg. De zonebreedte langs de spoorlijn van Eindhoven naar Weert heeft ter hoogte van het plangebied een breedte van 300 meter. Deze afstand wordt gemeten vanuit het hart van de buitenste spoorstaaf. Normstelling In het geval nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals nieuwe woningen, kunnen worden gerealiseerd binnen een zone van een spoorlijn, dan mag de geluidbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van Geldrop - Mierlo bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. In de volgende tabel is de voorkeursgrenswaarde en de maximale hogere waarde aangegeven voor de nieuwe woningen in dit plan vanwege railverkeerslawaai.

Geluidbeleid gemeente Geldrop-Mierlo Op 30 januari 2007 heeft de gemeente Geldrop - Mierlo hogere waarden beleid vastgesteld. In dit beleid staan kort gezegd de voorwaarden beschreven waaronder de gemeente medewerking wil verlenen aan het vaststellen van een hogere waarde. Deze voorwaarden zijn beschreven in de beleidsregel “Beleidsregel Vaststellen hogere grenswaarden Wet geluidhinder”. Als hoofdcriterium voor het vaststellen van een hogere waarde is in dat beleid beschreven dat geluidsreducerende maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of op bezwaren stuit van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard. Verder kan slechts medewerking worden verleend aan het vaststellen van een hogere waarde voor wegverkeerslawaai als sprake is van nog niet geprojecteerde woningen binnen de bebouwde kom die: in een dorps- of stadsvernieuwingsplan worden opgenomen; door situering of bouwvorm een doelmatige akoestisch afschermende functie gaan vervullen voor andere woningen; nodig zijn vanwege grond- of bedrijfsgebondenheid; een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen; bestaande bebouwing vervangen. Verder is in dit beleid gesteld dat Burgemeester en wethouders bij het vaststellen van de hogere

Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling

47

waarde aanvullend de eis kunnen stellen dat de woningen de beschikking krijgen over een geluidluwe gevel en dat voldoende verzekerd is dat de verblijfsruimten en de tot de woning behorende buitenruimte niet worden gesitueerd aan de gevel waar de hoogste geluidbelasting optreedt. Bouwbesluit 2012 In het Bouwbesluit 2012 is aangegeven wat de karakteristieke geluidwering moet zijn om een binnenwaarde, bij gesloten ramen, te garanderen voor verblijfsgebieden van een nieuwe woning. De geluidbelasting door weg- en railverkeerslawaai mag in verblijfsgebieden (gebruiksgebied of een gedeelte daarvan voor het verblijven van personen) niet hoger zijn dan 33 dB. Voor beide geluidssoorten geldt een minimale eis van 20 dB. 7.4.2 Onderzoek De nieuwe woningen zijn gelegen binnen de zone van het Bogardeind, de route Gijzenrooiseweg/ Laan der Vier Heemskinderen en de spoorlijn van Eindhoven naar Weert. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is ook het verkeer op de nabij gelegen 30 km-wegen beschouwd. Daarnaast wordt opgemerkt dat de fysieke wijziging van het Bogardeind op grond van de Wgh wordt gezien als wijziging van de weg. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of de wijzigingen op of aan de weg een toename van de geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan 1,5 dB. De complete berekeningsmethoden- en resultaten zijn opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GeldropMierlo&id=e405c331-62eb-4905-a3a2-1b20e0b537d7