CConstaterende datGeldrop-Mierlo
Koppel je AI →
Document · PDF

Omgevingsplanwijziging Sanghorst 9 Toelichting

Commissie Ruimte 17 juni 2026, gemeente Geldrop-MierloBij agendapunt: Vaststelling omgevingsplanwijziging Sanghorst 9, Mierlo10.794 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.9.

Flora en Fauna

4.9.1. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000- gebieden. Op grond van artikel 2.43 van de Omgevingswet zijn de instandhoudingsdoelstelling vastgelegd. Gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten zuiden van de initiatieflocatie is het Natura2000 gebied Strabrechtse Heide en Beuven gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt 2,2 kilometer.

Afbeelding 16 Uitsnede plangebied kaartlaag Natuur

35

Beoordeeld moet worden of de wijziging van het bestemmingsplan significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. Toets In dit kader zijn stikstofberekeningen gemaakt met het rekenprogramma Aerius hieruit blijkt dat het planvoornemen geen bijdrage heeft aan de stikstofdepositie op de Natura 2000 gebieden. Voor de uitkomsten zie bijlage 2. Daarnaast wordt het plangebied landschappelijk ingepast en wordt een tegenprestatie in het kader van de kwaliteitsverbetering van het landschap gedaan waardoor de aanwezig natuur- en landschapswaarden worden versterkt. Conclusie Gezien het planvoornemen geen bijdrage heeft aan de stikstofdepositie op de Natura 2000 gebieden en het plangebied landschappelijk wordt ingepast met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiermee vormt het aspect gebiedsbescherming geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Dit draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.9.2. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Omgevingswet. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden.

In afdeling 11.2 van het Bal zijn regels opgenomen voor activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name de regels de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 van belang. •

•

•

Paragraaf 11.2.2 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Paragraaf 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn. Dit zijn soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn. Paragraaf 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten. Dit zijn alle in Nederland in het wild levende soorten waaronder zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zoals genoemd in het Bal, bijlage IX.

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een planvoornemen waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Toetsing Hiervoor is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 3 voor de gehele quickscan. De conclusie van de quickscan flora en fauna is hierna weergegeven:

36

“5. Conclusie 5.1 Aanbeveling Quickscan Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. Tijdens de werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden].” Conclusie Het planvoornemen geeft geen aanleiding voor een aanvullend flora en fauna onderzoek. Hiermee vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Dit draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10.

Landschappelijke inpassing

De landschappelijke inpassing van het beoogde initiatief is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het landschap in de omgeving van het plangebied. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering vanuit de provincie en gemeente. In afbeelding 17 is het beplantingsplan weergegeven, voor het volledige landschappelijke inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 4.

Afbeelding 17 Landschappelijk inpassingsplan

37

4.11.

Waterparagraaf

4.11.1.

Relevant waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. Per 18 maart 2022 is het Nationaal Waterprogramma 20222027 vastgesteld. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de Stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. De wateropgaven waar Nederland voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor de 3 hoofdambities van het NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta; • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027 vastgesteld. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan.

Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: • wonen en werken; • infrastructuur en mobiliteit; • landbouw en voedsel; • natuur en biodiversiteit; • erfgoed; • een concurrerende en duurzame economie; • de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. 4.11.2.

Waterbeheerplan Aa en Maas

Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 38

3. Schoon Water; in het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • Schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • De waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • De kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • De betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. 4.11.3.

Keur 2015 en Legger

De Keur is in maart 2015 vastgesteld en dient als een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur stelt regels t.a.v. de inrichting, het gebruik, beheer en onderhoud en overige werkzaamheden aan rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen. Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het Waterschap, maar ook die in eigendom zijn van derden (burgers, agrariërs etcetra). De Brabantse waterschappen hebben gezamenlijk de Keur overgenomen om te zorgen voor uniformiteit in de regelgeving. De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot, of het plaatsen van een duiker of brug. Vanuit de Keur wordt regelmatig verbinding gelegd met de ‘legger’. Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: • •

•

39

Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etcetra) Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent. Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.

Afbeelding 18 Uitsnede Legger

Toets In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele B watergangen die in de legger zijn opgenomen. In afbeelding 17 zijn in groen de B watergangen weergegeven. Het plangebied is echter niet gelegen binnen de beschermingszones van deze watergangen. Het initiatief heeft betrekking op de herontwikkeling van de planlocatie. Hierbij wordt niet meer verhard oppervlak gerealiseerd dan nu reeds binnen het plangebied aanwezig is. Dit betekent dat er sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Voor de bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven. Zo kan voldoende water geborgen worden op de omliggende in eigendom zijnde gronden. De woning blijft onveranderd aangesloten op het riool. Conclusie Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan. Dit draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

40

4.12.

Mobiliteit en parkeren

De beoogde situatie voorziet in de herontwikkeling van het plangebied aan Sanghorst 9. Het plangebied wordt middels Sanghorst en Loeswijk ontsloten. Gezien de beoogde ontwikkeling is de verkeersaantrekkende werking gering en passend in de omgeving. De gemeenteraad van de gemeente Geldrop-Mierlo heeft in juli 2022 de parkeervisie vastgesteld. Op basis van deze visie is te stellen dat er voor het beoogde bedrijf parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. De parkeernormen van de gemeente Geldrop-Mierlo zijn gebaseerd op de rekenregels van het CROW. Voor het aantal parkeerplaatsen is het bedrijf te vergelijken met de functie bedrijf arbeidsextensief, hiervoor geldt de norm van 1,1 parkeerplaatsen per 100m2 bvo. In tabel 9 is het aantal benodigde parkeerplaatsen weergegeven voor de bedrijfslocatie. Parkeernomen

1.556m2

Aantal parkeerplaatsen

1,1 per 100m2 bvo

Aantal

Buitengebied

Parkeernorm

Type gebied

Functie Bedrijf arbeidsextensief

17

Tabel 7 Parkeernormen

Binnen het plangebied is een loods ten behoeve van het agrarisch aanverwante werkzaamheden gerealiseerd van 556m2, hiervoor zullen 6 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De loods ten behoeve van statische opslag betreft 1.000m 2, hierbij is er incidenteel behoefte aan een parkeervoorziening. Echter is er voldoende ruimte binnen het plangebied om te parkeren. Conclusie Vanuit het aspect mobiliteit en parkeren zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen. Dit draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

41

5. Economische uitvoerbaarheid 5.1.

Financieel economische haalbaarheid

Met deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan, in de vorm van een TAM-omgevingsplan, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. De kosten die met het voorliggende besluit gemoeid zijn, zijn volledig voor rekening van initiatiefnemer. Het opnemen van kostenverhaalsregels is dan ook niet noodzakelijk. Tevens is een en ander geborgd in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer.

42

6. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De uitgangspunten voor het beleid, zijn terug te vinden in het vigerende Omgevingsplan. Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien dat overleg niet noodzakelijk is.

6.1.

Omgevingsdialoog

De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reactie bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. Door de initiatiefnemer is aan alle direct omwonenden kenbaar gemaakt wat hij van plan is middels een verbeelding van de oude en nieuwe situatie.

43

7. Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties In dit hoofdstuk wordt een algehele conclusie getrokken. Gemotiveerd wordt of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Indien het initiatief in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie en is het niet mogelijk om dit met een BOPA te vergunnen. De hoofdstukken 3 en 4 van onderhavige toelichting voorzien in een uitgebreide motivering van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Hiermee wordt aangetoond dat in onderhavig planvoornemen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

44

8. Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan Artikel 4.17 van de Omgevingswet bepaalt dat de gemeente een voortdurende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) verwerkt in het omgevingsplan. Dit gebeurt binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van de BOPA. De verplichting uit artikel 4.17 Omgevingswet geldt vanaf 1 januari 2032. Dit betekent dat omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten: die voor of op 1 januari 2027 onherroepelijk zijn geworden, op 1 januari 2032 in het omgevingsplan moeten zijn verwerkt; die na 1 januari 2027 onherroepelijk zijn geworden, binnen 5 jaar na de datum van onherroepelijkheid in het omgevingsplan moeten zijn verwerkt. Dit geldt voor een voortdurende omgevingsplanactiviteit, waaraan geen termijn is verbonden als bedoeld in artikel 5.36, eerste lid Omgevingswet. Onderhavige BOPA is een voortdurende omgevingsplanactiviteit. De gemeente draagt er zorg voor dat de onherroepelijke BOPA met een wijziging van het omgevingsplan wordt opgenomen.

45

Bijlagen

46

Arvalis Roermond

Arvalis Den Bosch

Steegstraat 5

Onderwijsboulevard 225

6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl

5223 DE ‘s Hertogenbosch +31 (0)732173580 infozbg@arvalis.nl

Arvalis Venlo

Arvalis Colijnsplaat

Villafloraweg 1

Noordlangeweg 42-B

5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl

4486 PR Colijnsplaat +31 (0)113247747 infozbg@arvalis.nl

Arvalis Maastricht Airport

Arvalis Deurne

Europalaan 24

Heuvelstraat 12

6199 AB Maastricht Airport +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl

5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GeldropMierlo&id=75c93ff5-aa0d-447a-86c7-c70b9849d2af