Memo memorie van Toelichting Verordening Jeugdhulp en Wmo 2022.Pdf
Tekst van het document
Memorie van Toelichting Verordening Jeugdhulp en Wmo 2022
Toelichting bij artikel 2.2.1 Uitnodiging voor gesprek
Artikel 2.3.2 lid 1 WMO zegt hierover: Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding. Dus binnen 6 weken dient het onderzoek te worden uitgevoerd en in de tussentijd dient de ontvangst te worden bevestigd. Daar is geen wettelijke termijn voor. Maar in lid 2 wordt aangegeven dat een persoonlijk plan mag worden overhandigd binnen 7 dagen na de melding en dat het college cliënt van die mogelijkheid op de hoogte stelt. Dat betekent dus dat (ruim) binnen die 7 dagen al contact moet worden opgenomen, omdat cliënt anders niet meer binnen 7 dagen na de melding het persoonlijk plan kan overhandigen.
Toelichting bij artikel 2.2.2 Doel en procedure gesprekken
Deze vraag is uitgezet bij Evelyn en het antwoord is het volgende (namens de VNG): Sommige gemeenten vragen de inwoner om zijn of haar paspoort voor de camera te houden of om hun BSN voor te lezen. Praktisch, maar geen veilige manier omdat de beelden worden verwerkt door een derde partij; de leverancier van de tool voor beeldbellen. Daarom is er een handleiding ontwikkeld over hoe DigiD ingezet kan worden om de inwoner tijdens een beeldbelsessie zicht te laten identificeren en het vertrouwen te geven daadwerkelijk met de gemeente te spreken. DigiD is op dit moment het enige overheidsidentificatiemiddel waarmee een inwoner met zekerheid kan worden geauthentiseerd. Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan de Wet digitale overheid; in deze wet is opgenomen dat er in de (nabije) toekomst naast DigiD ook private middelen toegelaten worden. Deze handleiding beperkt zich alleen tot het DigiD-middel; bij inwerkingtreding van de Wet digitale overheid zullen ook andere middelen ingezet kunnen worden. https://www.vngrealisatie.nl/producten/betrouwbaar-beeldbellen
Toelichting bij artikel 2.3.1
De Jeugdwet kent een andere regeling met betrekking tot de aanvragen dan de Wmo. Toelichting (de aanvraag): Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Toelichting bij artikel 2.3.5
In de Jeugdwet staat niets opgenomen over beslistermijnen, maar in Awb staat binnen redelijke termijn en dat is in deze situaties 8 weken. In de Wet Maatschappelijke Ondersteuning geldt dat er 6 weken de tijd is voor onderzoek (2.3.2 lid 1 Wmo) en daarna nog 2 weken om tot een besluit te komen (2.3.5 lid 2 Wmo). Tijdens het onderzoek kan niet officieel verdaagd worden, tijdens de 2 weken beslistermijn wel. Voor beiden wetten geldt: er dient bij de verdaging wel concreet een datum te worden genoemd tot wanneer wordt uitgesteld. (dus niet bijv. ‘zoveel weken na gebeurtenis x’, maar echt ’23 maart 2021’) Bovendien moet die termijn zo kort mogelijk zijn.
Toelichting bij artikel 2.5.1
Doorverwijzing naar niet-gecontracteerde aanbieder 1. Indien ondanks het gestelde in artikel 2.5.1 lid 1 verwijzing plaatsvindt naar een nietgecontracteerde aanbieder onder wie begrepen een aanbieder die weliswaar is gecontracteerd maar niet voor de voorziening waarvoor verwijzing plaatsvindt, is deze aanbieder gehouden om onverwijld, in ieder geval voor de start van de zorginzet contact te leggen met de gemeente middels een verzoek tot toewijzing. 2. Het verzoek tot toewijzing aan een niet-gecontracteerde aanbieder zoals genoemd in lid 1 zal door het college worden gedaan indien het college van oordeel is dat: a. het zorgaanbod van de niet gecontracteerde aanbieder in het individuele geval passender is dan het reeds bestaande gecontracteerde aanbod; én b. alsnog overeenstemming wordt bereikt over een te sluiten overeenkomst zorg in natura gelijk de reeds bestaande gecontracteerde aanbieders bij een soortgelijk zorgaanbod. 3. Hetgeen bepaald in artikel 2.5.1 lid 2 en verder, is ook van toepassing in geval van doorverwijzing naar een niet-gecontracteerde aanbieder. 4. Indien geen contractering plaatsvindt, zoals bedoeld in lid 2, komt geen opdracht tot verlenen zorg tot stand en accepteert de gemeente vervolgens geen declaratie van de betreffende aanbieder.
Toelichting artikel 2.3.4 lid 2
Stappenplan Wmo 2015: We moeten onderzoeken: 1. Wat de hulpvraag is. 2. Welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. 3. Welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving. 4. Vervolgens moet onderzocht worden in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, algemene voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Stappenplan Jeugdwet: 1. Stel de hulpvraag vast 2. Stel vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn 3. Bepaal welke hulp naar aard en omvang nodig is 4. Onderzoek in hoeverre de eigen mogelijkheden van ouders en/of het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de hulp te bieden. 4a. Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
4b. 4c. 4d.
Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden? Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op? Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouder wordt geboden?
Toelichting bij artikel 2.3.1, 2.3.2, 3.4 , 3.5, 6.1.1 en 6.1.2
Medewerkingsplicht Artikel 8.1.2 lid 3 Jeugdwet: De jeugdige en zijn ouders moeten het college de medewerking verlenen die redelijkerwijs nodig is om de Jeugdwet te kunnen uitvoeren (artikel 8.1.2 lid 3 Jeugdwet). Het gaat hierbij om alle denkbare vormen van medewerking. De jeugdige en zijn ouders zijn uiteraard alleen verplicht mee te werken als die medewerking nodig is om te kunnen vaststellen welke hulp er nodig is. De medewerkingsplicht houdt, indien noodzakelijk voor het onderzoek, in dat de jeugdigen en ouders: -meewerken aan het onderzoek om vast te stellen welke jeugdhulp nodig is -met het college gesprekken voeren over de hulpvraag (dit kan dus ook betekenen dat met de jeugdige wordt gesproken) -rapportages aanleveren die door derden zijn gemaakt -toestemming geven voor het voeren van gesprekken met de huidige (of vorige) hulpverleners/professionals van de jeugdige/het gezin. -toestemming geven de jeugdige (langdurig) te observeren. Artikel 2.3.8 Wmo In artikel 2.3.8 lid 3 Wmo 2015 is een algemene medewerkingsplicht vastgelegd. De cliënt is verplicht om de medewerking die nodig is voor de uitvoering van de Wmo 2015 te verlenen. In de toelichting staat dat de medewerkingsplicht ziet op alle denkbare vormen van medewerking. Het gaat om het verlenen van medewerking aan het onderzoek maar ook daarna.
Medewerking aan het onderzoek De medewerkingsplicht ligt in het verlengde van de inlichtingenplicht (zie hierover inlichtingenplicht). Als dit van belang is voor de beoordeling van het recht op een voorziening, mag het college de cliënt: oproepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen; op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen ondervragen en/of onderzoeken.