BP Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat plangebied B_20240708
Tekst van het document
Op circa 175 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich NNB en een ecologische verbindingszone. Gezien er op kortere afstand van dit NNB reeds sprake is van een sportpark (het bestaande sportpark) kan aangenomen worden dat de beschermde gebieden niet worden aangetast. Houtopstanden en Soortenbescherming De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming)
Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming)
Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming)
Met de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van het verwijderen van bestaande bomen en struiken (groter of meer dan hierboven beschreven). Toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming is bij dit plan niet aan de orde. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor beschermde soorten, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor gronden, waaronder ook voor de uitbreiding van het sportpark. De volledige quickscan flora en fauna is opgenomen als bijlage 3 bij deze plantoelichting. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies opgenomen die van toepassing zijn op het plangebied. Er zijn geen mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. De situatie voor de kerkuil moet nader worden onderzocht. Dit betreft de aanwezigheid in en nabij het gebied, functie van de agrarische percelen, effecten van de nieuwe inrichting met sportvelden en de rondweg en maatregelen om deze effecten te voorkomen of te verzachten. Wanneer dat laatste onvoldoende mogelijk is, kan een ontheffing nodig zijn. Voor overige vogelsoorten is aanvullend onderzoek niet nodig. Strenger beschermde grondgebonden zoogdieren
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
29
zijn hooguit als zwerver te verwachten en hebben in ieder geval geen verblijfplaatsen in het plangebied. Nader onderzoek is niet nodig. Strenger beschermde planten, amfibieën, reptielen, vissen, insecten en andere ongewervelden komen in het plangebied niet voor. Nader onderzoek is niet nodig. Het verwijderen van begroeiing en het uitvoeren van graafwerkzaamheden dient te gebeuren buiten het broedseizoen of nadat verzekerd is dat er geen vogels broeden in de te verwijderen elementen. Op de akkerpercelen zijn na half juli geen nestelende vogels meer te verwachten. Bij bomen en struweel zijn in de zomer vervolgbroedsels niet uit te sluiten en kunnen ingrepen het beste in de periode oktober - februari worden uitgevoerd. Er zal in ieder geval gehandeld worden volgens de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Met inachtneming van deze zorgplicht, wordt geconcludeerd dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat de situatie voor de kerkuil nader moet worden onderzocht. Er is een vervolgonderzoek uitgevoerd naar o.a. uilen (zie bijlage 4).
Kerk- en steenuil Voorafgaand de veldbezoeken is het Netwerk Uilenbescherming Brabant gevraagd of zij kennis hebben van kerkuilen en/of steenuilen in het onderzoeksgebied. Zij hadden geen gegevens van recente broedgevallen van beide soorten in het onderzoeksgebied, maar ten noorden van het kanaal, aan één van de boerderijen aan Stepekolk, was er in de vorige jaren telkens een broedgeval van kerkuil. Hier hangt ook een kast. Tijdens de veldonderzoeken zijn geen kerkuilen gehoord of waargenomen in het onderzoeksgebied. Wel is er tijdens ieder bezoek een roepende steenuil gehoord, waarvan tweemaal aan de Burgemeester Termeerstraat en éénmaal in de omgeving van Luchen (zie figuur 11). Bij de adressen aan de Burgemeester Termeerstraat is aangebeld om te achterhalen of er eventueel een nestkast aanwezig was op het erf, maar er werd niet open gedaan. Conform het kennisdocument steenuil duiden waarnemingen op > 500 meter van elkaar op verschillende territoria, maar dat kan per gebied verschillen. De waarnemingen hier liggen ongeveer op 300-350 meter van elkaar. Tijdens de bezoeken zijn er nooit meerdere steenuilen gelijktijdig gehoord. Wellicht dat het hier één territorium betreft.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
30
Figuur 11 Overzicht waarnemingen steenuil en broedplaats kerkuil (bron: Aanvullend onderzoek Ecologica)
Naast verblijfplaatsen is ook het leefgebied van beide soorten beschermd, in de zin dat dit van voldoende omvang en kwaliteit moet blijven om de functionaliteit van de nestplaats te behouden. Ingrepen in het leefgebied die leiden tot een verminderd broedsucces of zelfs het verlaten van een nest, zijn niet toegestaan. Volgens het kennisdocument kerkuil varieert het leefgebied van een kerkuil tussen de 60 ha in een voor de kerkuil heel goed gebied tot 1.200 ha in een voor de kerkuil heel arm gebied. De grootte van het leefgebied wordt voornamelijk bepaald door het voedselaanbod. Bij een goed voedselaanbod hebben kerkuilen voldoende aan een gebied van 500 tot 1.500 meter rondom de broedplaats. Voor steenuil geeft het kennisdocument aan dat territoria variëren tussen de 5 en 30 ha, ook afhankelijk van het voedselaanbod, maar daarnaast ook van de leeftijd van het mannetje. Jonge mannetjes hebben vaak een groter territorium dan oudere, ervaren mannetjes. Figuur 12 geeft een overzicht van de theoretische leefgebieden van kerkuil in steenuil ten opzichte van het onderzoeksgebied. Het leefgebied van de steenuil reikt niet tot het plangebied. Voor de kerkuil geldt dat het plangebied binnen het mogelijke leefgebied van de soort wordt aangehouden. De kans is aannemelijk dat beide soorten gebruik maken van het onderzoeksgebied.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
31
Figuur 12 Overzicht van het leefgebied van kerkuil en steenuil (bron: Aanvullend onderzoek Ecologica)
Door de uitbreiding van het sportpark worden er geen verblijfplaatsen van kerkuil en steenuil vernietigd. Negatieve directe effecten op verblijfplaatsen van beide soorten zijn uitgesloten. Wel is het mogelijk dat er effecten zijn op het leefgebied van de kerkuil. Omdat op dit moment nog niet bekend is wat de uiteindelijke inrichting van het gebied wordt, is het moeilijk in te schatten of er negatieve effecten gaan plaatsvinden op het leefgebied van kerkuil. Toch kan verwacht worden dat negatieve effecten op het leefgebied van kerkuil minimaal gaan zijn, aangezien kerkuilen een groot leefgebied hebben Tevens zijn grote delen van het onderzoeksgebied slechts matig geschikt leefgebied. Wanneer een klein deeltje van dat matig geschikte leefgebied (tijdelijk) ongeschikt wordt, zullen negatieve effecten beperkt blijven, omdat de kerkuil nog veel ander matig geschikt tot geschikt leefgebied voorhanden heeft rondom zijn broedplaats. Negatieve effecten op het leefgebied van kerkuil zijn te voorkomen door tijdens de inrichting de nu geschikte delen van het leefgebied te behouden. Verder moet er bij de inrichting van het gebied rekening gehouden worden met habitateisen van de soort. In de planvorming moet ruimte komen voor kruidenrijke bermen, grazige vegetaties, ruigtes, ruige overhoeken e.d. (zie kennisdocumenten voor meer voorbeelden). 4.5.2
Conclusie
Met inachtneming van bovenstaande vorm het aspect flora en fauna geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
32
4.6
Waterparagraaf
4.6.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Regionaal Water en bodemprogramma 2022-2027 van Provincie Noord-Brabant het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.
Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Waterschap Aa en Maas Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: a. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. b. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). c.
Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
33
de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Gemeente Geldrop-Mierlo Alle nieuwbouw (in- en uitbreidingen) dient gescheiden aangesloten te worden op de gemeentelijke riolering. Binnen de bebouwde kom betreft dit vrijvervalriolering en buiten de bebouwde kom drukriolering. Bij nieuwbouw, ongeacht de toename van het verhard oppervlak, volgt de gemeente Geldrop-Mierlo het principe van het waterschap van ‘Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen’. Dit houdt in dat de nieuwe watersituatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. 60 mm berging is hierbij de richtlijn.
Het vigerende Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP 2018-2022) van de gemeente Geldrop-Mierlo bevat de beleidsdoelen, geplande projecten, onderzoeken en nieuwe ontwikkelingen voor de komende jaren. Verder maakt de rioolheffingsberekening deel uit van het vGRP. Veel geld gaat naar het onderhoud en herstellen waarbij tevens geïnvesteerd wordt in rioolvervangingen en de aanpak van regenwateroverlast. 4.6.2
Onderzoek
Voor de voorbereiding van de ontwikkeling Luchen 3B is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het plangebied voor de uitbreiding van het sportpark aan de Oudvensestraat is in dit waterhuishoudkundig plan opgenomen. De rapportage ‘Verkennend waterhuishoudkundig plan Luchen deelgebied 3B te Mierlo’ is opgenomen als bijlage 5 bij deze plantoelichting. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen vermeld voor het plangebied uitbreiding sportpark. Oppervlaktewater Het plangebied ligt op de waterscheiding van de watersystemen van waterschap de Dommel en waterschap Aa en Maas. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten oosten van het plangebied ligt aan de westelijke zijde van de Oudvenseweg een secundaire of B-watergang. Deze komt tot afstroming op het Eindhovens kanaal. Deze watergang wordt niet gestuwd en valt in droge periodes naar verwachting droog. De afwatering loopt in zuidelijke richting naar de greppel die is aangesloten op de B-watergang langs de Oudvensestraat. Afvalwater In het plangebied is geen bestaande riolering of riooltransportleiding aanwezig. In de Oudvensestraat ligt drukriolering die aantakt op de vrijvervalriolering in de Burgemeester Termeerstraat. Met de uitwerking van
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
34
het plan Luchen 3B zal de Oudvensestraat en het rioolstelsel daar aangepast moeten worden. Dit dient in een ontwerp van de boven- en ondergrond van de Oudvensestraat te worden uitgewerkt. Er is een toename aan het afvalwater te verwachten. Het vuilwater afkomstig van het plangebied wordt gescheiden ingezameld van het hemelwater. Het vuilwater zal worden geloosd op de bestaande riolering in de Oudvensestraat. Voor de aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel dient een aansluitingsvergunning aangevraagd te worden bij de gemeente Geldrop-Mierlo. Hemelwater Het waterbeleid van de Brabantse waterschappen (Dommel en Aa en Maas) is van toepassing. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Uit het uitgevoerd onderzoek blijkt dat infiltratie mogelijk is. Het uitgangspunt is dat de nieuwe sportvelden en parkeervoorzieningen niet worden uitgevoerd als verhard oppervlak.
Indien dit gebied wel met verhard oppervlak wordt uitgevoerd en versneld tot afstroming komt geldt het uitgangspunt dat al het water wordt vastgehouden en infiltreert. Er zal dan ruimte gezocht moeten worden voor de invulling van de wateropgave. Voorliggend bestemmingsplan voor de uitbreiding van het sportpark Oudven (plangebied = 22.000 m 2) biedt onder andere mogelijkheden voor sportvelden, bijbehorende bebouwing en parkeerplaatsen. Er vinden gesprekken plaats met een tennisvereniging over een mogelijke verplaatsing. Voor 10 tennisbanen moet ongeveer rekening worden gehouden met 7.500 m2. Voor de bebouwing (clubgebouw en inpandige padelbanen) is rekening gehouden met 2.200 m2. Rekening houdend met ongeveer 80 benodigde parkeerplaatsen (bestaand sportpark, inclusief de beoogde uitbreiding van dit bestemmingsplan) komt dat neer op (80 * 25 m 2 per parkeerplaats) ongeveer 2.240 m 2. Dat betekent dat er in totaal 7.500 + 2.200 + 2.240 = 11.940 m2 aan verharding bij kan komen. Dat betekent 11.740 * 60mm = 716 m3 waterberging. Stel dat onder het parkeerterrein waterberging in kratten wordt aangelegd, dan is bij een bergende hoogte van 60 cm, 1.000 tot 1.500 m 2 nodig. Die ruimte is beschikbaar. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de waterberging.
Met het vaststellen van het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) in 2022 heeft de raad het beleidsuitgangspunt vastgesteld dat bij nieuw- en herbouw van gebouwen 60 mm berging gerealiseerd moet worden. Bij de definitieve vergunningsaanvraag wordt er voorzien in voldoende waterberging. 4.6.3
Conclusie
Het aspect water zorgt niet voor belemmeringen.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
35
4.7
Bodem
4.7.1
Toetsingskader
Bij de verkenning van mogelijkheden om functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieu-hygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. 4.7.2
Onderzoek
Het plangebied heeft momenteel de bestemming ‘Agrarisch’. In het kader van het bestemmingsplan wordt er nog geen onderzoek uitgevoerd. Wanneer de locatie(s) en dieptes van de toekomstige bodemverstoring bekend zijn dient er een onderzoek te worden uitgevoerd. Om te borgen dat is aangetoond dat de kwaliteit van de grond geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkelingen is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan (zie artikel 3.4.1 Voorwaardelijke verplichting bodemonderzoek in de planregels). Hiermee is voldoende geborgd dat voordat er bodemingrepen plaatsvinden en voordat de gronden gebruikt worden ten behoeve van sportvoorzieningen is aangetoond dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt. 4.7.3
Conclusie
Het aspect bodem zorgt niet voor belemmeringen voor vaststelling van het bestemmingsplan.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
4.8.1
Toetsingskader
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 6. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied. Volgens de VNG-brochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De
6
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
36
VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. 4.8.2
Onderzoek
In de voorliggende situatie ligt aan de oostzijde van het sportpark een bedrijventerrein met bedrijfswoningen, waarmee er is sprake van een ‘gemengd gebied’. Deze zijn maatgevend. De richtafstanden mogen met één stap verlaagd worden. Ten westen van het plangebied is de woonwijk Groot Luchen in ontwikkeling. Daarbij is sprake van een ‘rustige woonwijk’. Ten zuiden van het plangebied zijn woningen gelegen en is ook sprake van een ‘rustige woonwijk’. Sportvoorzieningen categorie 1, 2 en 3.1 In de regels behorende bij dit bestemmingsplan is geregeld dat uitsluitend sportvoorzieningen in de categorieën 1, 2 en 3.1 en die zijn genoemd in de bij de regels als bijlage opgenomen Lijst van sportvoorzieningen, zijn toegestaan. Onderstaand is aangegeven welke richtafstanden er gelden voor welke milieucategorieën. Milieucategorie
Richtafstand gemengd gebied
Richtafstand rustige woonwijk
1 (golfbanen, schietinrichtin-
0 meter
10 meter
10 meter
30 meter
30 meter
50 meter
gen binnenbanen) 2 (schietinrichtingen met buitenbanen; sportscholen/gymnastiekzalen) 3.1 (sporthallen, tennisbanen; veldsportcomplex) Kijkend naar het aangrenzend ‘gemengd gebied’ is de grootste richtafstand, behorende bij sportvoorzieningen met categorie 3.1, 30 meter. Met dit bestemmingsplan is geregeld dat er voor alle toegestane sportvoorzieningen in categorieën 1, 2 en 3.1 wordt voldaan aan de richtafstanden. Sportvoorzieningen met categorie 1 en 2 worden aan de randen van het plangebied gerealiseerd. Sportvoorzieningen met categorie 3.1 mogen in beginsel in het binnengebied van het sportpark komen op een minimale afstand van 30 meter van het ‘gemengd gebied’ en op een afstand van 50 meter van de zuidelijk gelegen woningen en van de gevoelige functies in het toekomstige woongebied ‘Luchen 3b’. Bij het bepalen van deze contour is uitgegaan van een zone van 15 meter tussen de grens van het sportpark en de grens waar nieuwe woningen gaan komen. De tussenliggende zone is bedoeld voor groen, water en infrastructuur. Omdat het planvoornemen voldoet aan de hierboven vermelde richtafstanden, is nader onderzoek niet nodig. Mocht toch worden afgeweken van de categorieën, zijn er afwijkingsbevoegdheden opgenomen, waarmee het bevoegd gezag hier een omgevingsvergunning voor kan verlenen, zoals eerder is aangegeven in 2.2 Toekomstige situatie.
Middels onderzoek, al dan niet door het treffen van passende maatregelen als een geluidswal, geluidsscherm of het inpandig (hal) plaatsen van de sportvoorziening, kan worden aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het parkeerterrein dat gerealiseerd wordt, valt onder categorie 2 van de VNG-publicatie. Kijkend naar het
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
37
‘gemengd gebied’ moet het parkeerterrein op minimaal 10 meter afstand liggen. Kijkend naar het ‘rustige woongebied’ dient het parkeerterrein in beginsel op minimaal 30 meter afstand te liggen. Het te realiseren parkeerterrein komt mogelijk deels in de zone waar uitsluitend categorie 1 is toegestaan. Echter, er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van deze voorziening, mits middels akoestisch onderzoek is aangetoond dat al dan niet door het treffen van maatregelen sprake is van een goed woon- en leefklimaat op de (geprojecteerde) woningen in Luchen 3b. Aan de zijde van de Oudvensestraat is in beginsel geen parkeervoorziening beoogd in verband met de beoogde nieuwe ontsluiting vanuit de westzijde van het sportpark. 4.8.3
Conclusie
Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering.
4.9
Wegverkeerslawaai
4.9.1
Toetsingskader
In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. 4.9.2 Onderzoek De nieuwe functies in het plangebied kunnen niet aangemerkt worden als geluidsgevoelige objecten. Sportvelden en/of -banen zijn niet geluidsgevoelig. Er is geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. 4.9.3 Conclusie Het aspect akoestiek wegverkeerslawaai vormt geen belemmering.
4.10
Luchtkwaliteit
4.10.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
38
4.10.2
Onderzoek
Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bestaand sportpark uitgebreid. Met de uitbreiding van het sportpark zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. Om te bepalen of de ontwikkeling invloed heeft op de omgeving is de NIBM-tool ingevuld, zie tabel 4.8. In paragraaf 2.3 is de verkeersgeneratie berekend. In totaal bedraagt de extra verkeersgeneratie de uitbreiding van het sportpark 162 motorvoertuigen per etmaal. Er is, als worst-case scenario, in de NIBM-tool een verkeersgeneratie ingevoerd van 200 motorvoertuigen per etmaal. Naar verwachting bedraagt ca. 2% van het verkeer vrachtbewegingen (o.a. vuilniswagens of bezorgers). Dit komt overeen met 4 vrachtbewegingen per etmaal. Als jaar van planrealisatie is uitgegaan van 2025. Uit de NIBM-tool (zie tabel 3) volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate van invloed is op de omgeving. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is.
Tabel 3 NIBM-tool
Met behulp van de Kaart Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) kan aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In onderstaande tabel (tabel 4) zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling is niet in betekende mate van invloed op de omgeving. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
17272524_42018
14,48
17,25
6.0
10,31
2022
17272524_42019
14,44
17,25
6.0
10,31
2022
17272524_42024
14,45
17,25
6.0
10,31
2022
17272524_42025
14,47
17,25
6.0
10,31
2022
40
40
35
25
Meetpunt
Norm
Tabel 4 Achtergrondwaarden (Bron: (CIMLK)
4.10.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
39
4.11
Externe veiligheid
4.11.1
Toetsingskader
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 7. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art.
3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc.
7
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
40
4.11.2
Onderzoek
Met behulp van de risicokaart is een inventarisatie gemaakt van risicobronnen met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. Figuur 13 toont een uitsnede van de risicokaart, met het plangebied omcirkeld. Inrichtingen In en rondom het plangebied zijn geen risicobronnen gelegen. Het plangebied valt niet binnen invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen.
Figuur 13 Uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving)
Transport Op circa 2.800 meter afstand van het plangebied is de Rijksweg A67 gelegen. Het invloedsgebied van de Rijksweg A67 bedraagt 4.000 meter. De locatie ligt binnen het invloedsgebied van de Rijksweg, maar buiten de 200 meterzone. Deze weg is EV-relevant. Volgens artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. De nieuwe ontwikkeling is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar van Rijksweg A67. Ook is de ontwikkeling niet binnen het plasbrandaandachtsgebied van de Rijksweg gelegen. Het plaatsgebonden risico en het plasbrandaandachtsgebied vormt derhalve geen belemmering voor de ontwikkeling. De Veiligheidsregio Brabant Zuidoost heeft in 2019 een standaardadvisering opgesteld voor specifieke situaties. Omdat het plangebied is gelegen op grote afstand (>750 meter) van de Rijksweg A67 kan in het kader van de bestemmingsplanprocedure het standaard advies worden toegepast. Het standaardadvies versie 2.0 1 januari 2019 is opgenomen als bijlage 7 bij deze plantoelichting. Het plangebied valt verder niet binnen invloedsgebieden van wegen, waterwegen of spoorlijnen.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
41
Buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op 350 meter ten westen van het plangebied. Het plangebied is hiermee niet gelegen binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Gezien de afstand vormt deze buisleiding geen belemmering. 4.11.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.
4.12
Kabels en leidingen
In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermingsregime van toepassing is. Vanuit het aspect kabels en leidingen in de ondergrond is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt er nieuwe ondergrondse infrastructuur aangelegd, het is niet nodig om hiervoor zones op te nemen in het bestemmingsplan. Het is wel van belang om bij de planopzet rekening te houden met het ruimtebeslag van de ondergrondse infrastructuur en de invloed daarvan op de gebruiksmogelijkheden van de bovengrond. Ook moet rekening worden gehouden met bovengrondse opstelplaatsen voor trafo's en verdeelkasten. Dit geldt niet alleen voor de aanleg en de statische situatie nadien. De infrastructuur moet in de gebruiksfase immers ook toegankelijk blijven voor beheer en onderhoud.
4.13
(Ondergrondse) infrastructuur
4.13.1
Toetsingskader
Aan de hand van de Netkaart van het RIVM kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone van hoogspanningslijnen. Als er zich bij een bovengrondse hoogspanningslijn een andere bovengrondse hoogspanningslijn of andere delen van het elektriciteitsnet in de buurt bevinden, kunnen die de sterkte van het magneetveld beïnvloeden. Ook kan de jaargemiddelde belasting van een hoogspanningslijn hoger zijn dan 30% (220 en 380 kV lijnen) respectievelijk 50% (50, 110 en 150 kV lijnen) van de ontwerpbelasting. 4.13.2
Toetsing
Voorgenomen plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een hoogspanningslijn. De meest nabij gelegen hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van ruim 1 kilometer. Het plangebied is niet gelegen binnen de magneetveldzone van deze hoogspanningslijn. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering. In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermingsregime van toepassing is. Vanuit het aspect kabels en leidingen in de ondergrond is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt er nieuwe ondergrondse infrastructuur aangelegd, het is niet nodig om hiervoor zones op te nemen in het bestemmingsplan. 4.13.3
Conclusie
Het aspect (ondergrondse) infrastructuur vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
42
4.14
Geur agrarisch
De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt al-leen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Ener-zijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4.14.1
Onderzoek
Rondom de kern Mierlo zijn verschillende intensieve veehouderijen gelegen. Gezien de ligging en de omvang van de veehouderijen in de omgeving kan worden gesteld dat aan de afstandseisen en aan de norm voor de voorgrondbelasting zal worden voldaan. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de geurgevoelige objecten. Het woonen leefklimaat wordt inzichtelijk gemaakt middels de achtergrondbelasting, ofwel cumulatieve geurbelasting van alle aanwezige veehouderijen, in een gebied. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het projectgebied betrokken. Figuur 14 toont een uitsnede van de geurkaart van de ODZOB.
Figuur 14 Uitsnede kaart Achtergrondbelasting Geur juni 2023 (bron: Odzob)
Op deze kaart is de achtergrondbelasting, veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen, opgenomen in odour units per kubieke meter (OUE/m3). Als bronnenbestand is een export van de Kernregistratie Dierenverblijven Brabant opgenomen (juni 2023). Het plangebied is wit omcirkeld. De achtergrondbelasting bedraagt 0-3 OUE/m3. Dat komt overeen met een zeer goed woon- en leefklimaat. De ontwikkeling zal niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, er zijn immers bestaande woningen gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied die een belemmerende werking kunnen hebben. Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
43
4.14.2
Conclusie
Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat en er zijn geen veehouderijen in de omgeving die gehinderd worden door onderhavige ontwikkeling. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘geurhinder’ geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
44
5 Juridische planopzet 5.1
Inleiding
Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functieen bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Dit bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2
Plansystematiek
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. Er is gekozen voor een flexibel bestemmingsplan, waarbij het beoogde gebruik rechtstreeks mogelijk is binnen de opgenomen bestemmingen. Voor wat betreft de systematiek en inhoud van de bestemmingen en overige regels is o.a. aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Geldrop-Mierlo’. De regels van het plan bestaan conform de SVBP2012 uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hieronder worden de regels in de onderscheiden hoofdstukken kort toegelicht. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren: Begrippen (Artikel 1): In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het plan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten (Artikel 2): Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
45
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen aan de orde. Alle zelfstandige regelingen, die gevolgen hebben voor de bouw- of gebruiksmogelijkheden van de gronden, zijn als een bestemming vormgegeven. In de volgende paragraaf worden de bestemmingen inhoudelijk toegelicht. De bestemmingen kunnen uit de volgende onderdelen (leden) bestaan, waarbij niet alle onderdelen in elke bestemming opgenomen behoeven te zijn. Bestemmingsomschrijving: Een omschrijving van de doeleinden van de bestemming. Het gaat hierbij om de functies die zijn toegestaan binnen de bestemming. Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Afwijken van de bouwregels: Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de bouwregels. Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel kunnen specifieke gebruiksregels worden opgenomen. Afwijken van de gebruiksregels: In dit onderdeel kunnen regelingen worden opgenomen voor het afwijken van de gebruiksregels.
Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn algemene bepalingen opgenomen met betrekking tot de overschrijding van bouwgrenzen, het uitvoeren van ondergrondse werken en het bouwen van ondergrondse bouwwerken, evenals bepalingen ten behoeve bestaande afstanden en andere maten en parkeren. Algemene gebruiksregels In dit artikel is opgenomen welke gebruiksvormen in ieder geval als strijdig gebruik met het bestemmingsplan worden beschouwd. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels in het plan waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. De voorwaarden, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
46
Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk te doen vervallen van de aanwezige archeologische dubbelbestemmingen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3
Bestemmingen
Sport De gronden in het plangebied hebben de bestemming Sport. Binnen deze bestemming zijn sportvoorzieningen toegestaan zoals genoemd in de bij de regels als bijlage opgenomen Lijst van sportvoorzieningen onder de categorieën 1, 2 en 3.1. Tevens zijn ondergeschikte horecavoorzieningen toegestaan. En bij de sportvoorzieningen behorende:
sanitaire voorzieningen;
opslagruimte;
dugouts;
kleedruimten;
tribunes;
kantines en terrasvoorzieningen;
wegen en paden;
parkeervoorzieningen;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
groenvoorzieningen;
voorzieningen van algemeen nut;
tuinen en erven;
evenementen.
Gebouwen zijn toegestaan binnen het gehele bestemmingsvlak, met dien verstande dat het maximaal bebouwde oppervlak bestaat uit 2.200 m2 en de afstand tot de zijdelingse bestemmingsgrenzen minimaal 5 meter is. De bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 9 meter. Gebouwen mogen op een kortere afstand tot de bestemmingsgrens worden gebouwd, met dien verstande dat de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad, het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad en de afwijking milieuhygiënisch inpasbaar is in de omgeving. Voor het bouwen van diverse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden ook bepalingen met betrekking tot de hoogte. Waarde-Archeologie 1 t/m 5 (dubbelbestemming) De gronden met de dubbelbestemmingen Waarde-Archeologie 1 t/m 5 zijn tevens bestemd voor het behoud van archeologische waarden. Er gelden binnen de bestemmingen verschillende ondergrenzen voor het uit dienen te voeren van archeologisch onderzoek bij bodemverstorende werkzaamheden. Hier geldt een omgevingsvergunningvereiste voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
47
6 Uitvoerbaarheid In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de overheid verplicht om de kosten te verhalen in de gevallen die zijn aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is kostenverhaal verplicht in geval van:
de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;
de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;
de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;
de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.
Voorliggend plan valt niet in bovenstaande categorieën en daarmee is kostenverhaal niet verplicht. Er hoeft bij vaststelling van het bestemmingsplan daarom geen exploitatieplan vastgesteld te worden. De gronden ten behoeve van de uitbreiding van het sportpark worden door de gemeente aangekocht. De gemeente is initiatiefnemer voor de herziening van het bestemmingsplan. In de begroting is rekening gehouden met de kosten voor de partiele herziening van het bestemmingsplan ten behoeve van de uitbreiding van het sportpark.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Vaststellingsprocedure. 6.2.1
Vooroverleg
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
48
belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er zijn in het voortraject diverse overleggen en afstemmingsmomenten met onder andere de Provincie Noord-Brabant en het Waterschap (de Dommel en Aa en Maas) geweest. De input uit deze overleggen is betrokken bij de totstandkoming van het plan. 6.2.2
Omgevingsdialoog
In het kader van de op 27 september 2021 vastgestelde ‘Structuurvisie Sportpark Oudven en omgeving’ is een uitgebreide omgevingsdialoog (consultatiefase en mogelijkheid tot indienen zienswijzen) gevoerd. Voorliggend bestemmingsplan is de juridisch-planologische doorvertaling van de structuurvisie. Er zal in de eerste maanden van 2024 een informatiebijeenkomst met omwonenden worden georganiseerd. 6.2.3
Inspraak
De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Gezien het doorlopen voortraject en de gevoerde omgevingsdialoog in het kader van de ‘Structuurvisie Sportpark Oudven en omgeving’ is ervoor gekozen geen inspraak toe te passen. 6.2.4
Vaststellingsprocedure
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure is het ontwerpbestemmingsplan met ingang van 22 december 2023 gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd. Eenieder kon zijn/haar zienswijze kenbaar maken. Gedurende deze periode zijn er vier zienswijzen ingediend. Eén zienswijze is afkomstig van het waterschap Aa en Maas. N.a.v. deze zienswijze is de uitwerking van de waterberging in de plantoelichting aangevuld. Middels een ambtshalve wijziging is ‘Waterschap de Dommel’ in de plantoelichting gewijzigd in ‘Waterschap Aa en Maas’. Tevens is het beleid van Waterschap Aa en Maas opgenomen. De overige 3 zienswijzen hebben niet geleid tot wijzigingen in het bestemmingsplan. De nota beantwoording zienswijzen is opgenomen als bijlage 8 bij deze plantoelichting. Ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zijn er een aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. De nota ambtshalve wijzigingen is opgenomen als bijlage 9 bij deze plantoelichting. Het bestemmingsplan is ter gewijzigde vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden. Tijdens behandeling van het plan in de commissievergadering zijn naar aanleiding van overleggen met de grondeigenaar bijstellingen gedaan in de zonering van de maximaal toegestane sportactiviteiten in de zone aan de zuidzijde van het sportpark.
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
49
Separate bijlagen Bijlage 1: Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r Bijlage 2: Stikstofonderzoek Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Aanvullend onderzoek uilen en vleermuizen Bijlage 5: Verkennend waterhuishoudkundig plan Bijlage 6: Externe veiligheid Bijlage 7: Quickscan archeologie Bijlage 8: Nota zienswijzen Bijlage 9: Ambtshalve wijzigingen
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
50
Uitbreiding sportpark Oudvensestraat Mierlo
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 7
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
8
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Sport Waarde - Archeologie 1 Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4 Waarde - Archeologie 5
8 12 14 16 18 20
Hoofdstuk 3
Algemene regels
22
Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
22 23 24 25 26
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
27
Artikel 14 Artikel 15
Overgangsrecht Slotregel
27 28
Bijlagen bij regels
29
Bijlage 1
30
2
Lijst van sportvoorzieningen
Bestemmingsplan "Uitbreiding sportpark Oudvensestraat Mierlo" (vastgesteld)
REGELS
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
Plan
Het bestemmingsplan Uitbreiding sportpark Oudvensestraat Mierlo met identificatienummer NL.IMRO.1771.BPSportOudvenUitbr-VA01 van de gemeente Geldrop-Mierlo. 1.2
Bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
Archeologisch onderzoek
In een schriftelijke rapportage vastgelegd bureau- en/of veldonderzoek naar de materiële neerslag van menselijke aanwezigheid en menselijk handelen in het verleden. 1.6
Archeologische verwachtingswaarden
Gronden met verwachtingswaarden, die kunnen bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang kunnen zijn en het cultuurhistorisch erfgoed kunnen vertegenwoordigen; 1.7
Archeologische waarden
Waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen; 1.8
Bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.9
Bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak.
4
Bestemmingsplan "Uitbreiding sportpark Oudvensestraat Mierlo" (vastgesteld)
1.10
Bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11
Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.12
Bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.13
Bouwperceelgrens
De grens van een bouwperceel. 1.14
Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.15
Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.16
Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk door één of meer wanden omsloten ruimte vormt. 1.17
Kantine
Een verblijflokaal als ondergeschikt onderdeel van een gebouw waar dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden bereid en verstrekt. 1.18
Ondergeschikte horeca
Niet-zelfstandige horeca, uitsluitend zijnde horeca die wordt of is gerealiseerd binnen een andere hoofdfunctie en daar naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt aan is. 1.19
Parkeergelegenheid/parkeervoorzieningen
Elke stallingsgelegenheid op zowel openbaar als particulier terrein ten behoeve van een motorvoertuig op méér dan twee wielen, dan wel fietsen.
Bestemmingsplan "Uitbreiding sportpark Oudvensestraat Mierlo" (vastgesteld)
5
1.20
Parkeren
Het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen. 1.21
Water
Al het oppervlakte water zoals sloten, greppels, (infiltraties)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. 1.22
Waterhuishoudkundige voorzieningen
Voorzieningen, die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit.
6
Bestemmingsplan "Uitbreiding sportpark Oudvensestraat Mierlo" (vastgesteld)
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2
De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.3
De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.4
De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.5
De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6
De afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens
Tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.7
Peil
a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.
Bestemmingsplan "Uitbreiding sportpark Oudvensestraat Mierlo" (vastgesteld)
7
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Sport
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. sportvoorzieningen die zijn genoemd in de als bijlage opgenomen Lijst van sportvoorzieningen, met dien verstande dat: 1. uitsluitend sportvoorzieningen tot en met categorie 1 ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 1', waarbij tevens parkeervoorzieningen zoals bedoeld in sub j zijn uitgesloten; 2. uitsluitend sportvoorzieningen tot en met categorie 2 ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2'; 3. uitsluitend sportvoorzieningen tot en met categorie 3.1 ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1', b. de aan sub a ondergeschikte horecavoorzieningen; met de daarbij behorende: c. sanitaire voorzieningen; d. opslagruimte; e. dugouts; f. kleedruimten; g. tribunes; h. kantines en terrasvoorzieningen; i. wegen en paden; j. parkeervoorzieningen met inachtneming van het bepaalde in sub a1; k. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; l. groenvoorzieningen; m. voorzieningen van algemeen nut; n. tuinen en erven; o. evenementen. 3.2