CConstaterende datGeldrop-Mierlo
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen beleidsregels Jeugdhulp en Wmo 2022 gemeente Geldrop-Mierlo.Pdf

Raadsvergadering 18 oktober 2021, gemeente Geldrop-MierloBij agendapunt: Verordening en beleidsregels Jeugdhulp en Wmo 202214.368 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlagen beleidsregels Jeugdhulp en Wmo 2022 Bijlage 1:

Financiële bijlage

1. Prijspeil 2022 Het prijspeil wordt enerzijds bepaald door gemeentelijke afspraken over de toe te passen indexering, bijvoorbeeld voor de vergoedingen voor woningaanpassingen. Anderzijds zijn afspraken in de contracten met de leveranciers leidend zoals bij de ondersteuning bij het huishouden en de hulpmiddelen. 2. Bouwkundige woonvoorzieningen Bouwkundige woonvoorzieningen in natura (met uitzondering van traplift en drempelhulpen) worden eigendom van de woningeigenaar. De woningeigenaar is verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van de voorzieningen. Als het nodig is om de belemmeringen in zelfredzaamheid op te lossen, dan kunnen we een voorziening verstrekken voor de kosten van onderhoud en reparatie. Trapliften en drempelhulpen worden altijd in bruikleen verleend. Deze zijn her inzetbaar waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen. 3. Primaat van verhuizing Bij aanpassingskosten hoger dan € 15.000,00 wordt geen woningaanpassing uitgevoerd, maar geldt het primaat tot verhuizen, tenzij er individuele omstandigheden te noemen zijn waardoor verhuizen geen adequate oplossing is. Hierbij kan rekening worden gehouden met: 1. De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; 2. De aanwezigheid en beschikbaarheid van informele zorg; 3. Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen; 4. Volkshuisvestelijke afwegingen; 5.

Snelheid waarmee het woonprobleem opgelost kan worden; 6. Sociale omstandigheden; 7. Integrale afweging verschillende voorzieningen; 8. Werksituatie; 9. Woonlastenconsequenties; 10. Wooncomfort; 11. Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning; 12. De wil van de cliënt om te verhuizen. 4. Afschrijving van woningaanpassingen (Antispeculatiebeding) De eigenaar-bewoner, die een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereed melding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens onderstaand afschrijvingsschema te worden terugbetaald.

Het terug te storten bedrag als bedoeld in het eerste lid is: - voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde; - voor het tweede jaar 90% van de meerwaarde; - voor het derde jaar 80% van de meerwaarde; - voor het vierde jaar 70% van de meerwaarde; - voor het vijfde jaar 60% van de meerwaarde; - voor het zesde jaar 50% van de meerwaarde; - voor het zevende jaar 40% van de meerwaarde; - voor het achtste jaar 30% van de meerwaarde; - voor het negende jaar 20% van de meerwaarde; - voor het tiende jaar 10% van de meerwaarde, in alle gevallen tot maximaal het bedrag van de verleende vergoeding minus de eigen betaling die voor rekening van de eigenaar van de woonruimte is gekomen.

1

5.

Tarieven

Pgb individuele en groepsbegeleiding Voor inzet pgb via zorgleverancier sluiten wij aan bij de tarieven zoals die zijn vastgesteld bij de aanbesteding in de PDC (jeugd en Wmo, zie bijlage 4). Voor de inzet van een zelfstandige zonder personeel (ZZP) of een opgeleid persoon die niet verbonden is aan een leverancier hanteren wij 80% van het laagste toepasselijke tarief per dagdeel, per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder Voor inzet pgb iemand, al dan niet professioneel, uit het sociale netwerk of door een niet-professionele hulp-op-maatverlener hanteren wij 50% van het laagste toepasselijke tarief per dagdeel, per uur of per resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Dit tarief mag niet lager zijn dan het wettelijk minimum uurloon voor iemand van 22 jaar of ouder inclusief vakantiebijslag bij een 36-urige werkweek zoals vastgesteld voor het betreffende kalenderjaar. Pgb kortdurend verblijf Voor inzet pgb via zorgleverancier of ZZP’ers sluiten wij aan bij de tarieven zoals die zijn vastgesteld bij de aanbesteding (bijlage 4). Voor inzet pgb door iemand, al dan niet professioneel, uit het sociale netwerk of door een nietprofessionele hulp-op-maatverlener hanteren wij een symbolische tegemoetkoming van € 141,- per kalendermaand.

De ontvanger moet dit opgeven in de aangifte inkomstenbelasting. Logeren: de door de jeugdige of de ouders aangegeven werkelijke kosten, met een maximaal bedrag van € 33,00 per etmaal. Pgb ondersteuning bij het huishouden pgb inzet professionele zorgleverancier: laagste tarief van de aanbesteding. Voor de inzet van een zelfstandige zonder personeel (ZZP) of een opgeleid persoon die niet verbonden is aan een leverancier hanteren wij 80% van het laagste toepasselijke tarief per uur dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Voor inzet pgb door iemand, al dan niet professioneel, uit het sociale netwerk of door een nietprofessionele hulp-op-maatverlener: 50% van het laagste tarief van de aanbesteding. Dit tarief mag niet lager zijn dan het wettelijk minimum uurloon voor iemand van 22 jaar of ouder inclusief vakantiebijslag bij een 36-urige werkweek zoals vastgesteld voor het betreffende kalenderjaar. Vervoer naar leverancier Gebaseerd op de door de inwoner aangegeven werkelijke kosten maar maximaal de kostprijs die de gemeente aan de leverancier betaalt voor de in de die situatie goedkoopst passende, in de gemeente beschikbare voorziening in natura. Pgb beschermd wonen Voor inzet pgb via zorgleverancier sluiten wij aan bij de kostprijs van de maatwerkvoorziening in natura.

Pgb voor woningaanpassingen Bij bouwkundige of woon-technische voorzieningen aan de eigen woning wordt, indien mogelijk, de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van de door de gemeente gehanteerde standaardbedragen. Als het overzicht met standaardbedragen niet voorziet in de noodzakelijke aanpassingen dan moeten twee of meer offertes ingeleverd worden. De gemeente kan de offertes door derden laten toetsen. De hoogte van het persoonsgebonden budget is het bedrag van de laagste door het college geaccepteerde en eventueel aangepaste offerte. Bij het vaststellen van de hoogte van een persoonsgebonden budget in de kosten van een bouwkundige woningaanpassing wordt rekening gehouden met de volgende kostensoorten: a. de aanneemsom voor het treffen van de voorziening; b. het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in De Nieuwe Regeling 2011

2

c. d. e.

(DNR 2011) van de BNA; de kosten in verband met technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening; de door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn.

Pgb roerende voorzieningen Voorzieningen binnen de categorieën van de aanbesteding: De kostprijs van een vergelijkbare voorziening bij de door de gemeente gecontracteerde leveranciers. Berekening: Kostprijs (inclusief btw) per maand X 12 maanden X 7 jaar. Het bedrag is inclusief 10% voor reparatie- en onderhoudskosten en verzekering. Voor voorzieningen buiten de categorieën van de aanbesteding: De kostprijs die bepaald is na consultatie in de markt, en/of met de gecontracteerde aanbieder. 6. Afschrijftermijnen De afschrijftermijnen bedragen: Woningaanpassingen (waaronder trapliften): 10 jaar Roerende voorzieningen: 7 jaar 7. Terugbetaling pgb Indien de cliënt niet gedurende de gehele termijn waarbinnen de woningaanpassing wordt afgeschreven recht heeft op de voorziening, dan kan conform onderstaande tabel een gedeelte van het verstrekte pgb teruggevorderd worden:

Afschrijftermijn

Terug te vorderen percentage

0 – 1 jaar 1 – 2 jaar 2 - 3jaar 3 – 4 jaar 4 – 5 jaar 5 – 6 jaar 6 – 7 jaar 7 – 8 jaar 8 – 9 jaar 9 – 10 jaar

90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 10%

10 jaar

0%

3

Indien de cliënt niet gedurende de gehele termijn waarbinnen de roerende voorziening wordt afgeschreven recht heeft op de voorziening, dan kan conform onderstaande tabel een gedeelte van het verstrekte pgb teruggevorderd worden:

Afschrijftermijn

Terug te vorderen percentage

0 – 1 jaar 1 - 2 jaar 2 – 3 jaar

90% 85% 70%

3 – 4 jaar 4 - 5 jaar 5 – 6 jaar 6 – 7 jaar

55% 40% 25% 10%

> 7 jaar

0%

4

Bijlage 2:

Begeleiding Wmo

Begeleiding kan zowel individueel als in een groep worden geboden. Het betreft activiteiten gericht op het bevorderen of behoud van de zelfredzaamheid en zelfregie en tot voorkoming van opname of verwaarlozing van de cliënt. 1

Voorliggende voorzieningen begeleiding

1.1. Behandeling Alvorens begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht of verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden nog mogelijk is (behandeling). Het is uiteraard niet aan de CMD-medewerker om dit te bepalen. Hiervoor kan een medisch adviseur (onafhankelijk arts) ingeschakeld worden. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld: ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde of in een revalidatiecentrum of in een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een traumacentrum). Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/ stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek. De diagnose is niet leidend maar een diagnose is doorgaans wel vereist om behandeling in te kunnen zetten en om te bepalen hoe begeleiding de behandeling eventueel kan versterken (en niet contraproductief is). Begeleiding kan wel worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te laten slijten. Soms kan begeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet; dan neemt de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden. 1.2. (Wettelijk) voorliggende voorzieningen.

Dit zijn (wettelijke) voorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan alvorens de maatwerkvoorziening “begeleiding” wordt overwogen: Onderwijs: begeleiding van kinderen met problemen is de verantwoordelijkheid van school. Tevens zijn er mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs. Alleen in uitzonderlijke situaties; als toezicht en aansturen meer vraagt dan er van school en ouders kan worden verwacht en de mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs ontoereikend zijn, kan begeleiding zijn toegekend. Kinderopvang: kinderopvang is de verantwoordelijkheid van ouders, werkgever en overheid (kinderopvangtoeslag). Kinderopvang is ook voor kinderen met een beperking voorliggend en het leren omgaan van leidsters met kinderen met een beperking is gebruikelijke hulp van ouders. Alleen in uitzonderlijke situaties, als een kind extra begeleiding nodig heeft die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwachten, kan begeleiding worden toegekend. Jeugdwet: Opvoedingsondersteuning van kinderen met een beperking medisch kinderdagverblijf, specialistische hulp thuis, tijdelijke opname wordt op grond van de Jeugdwet geboden. Begeleiding kan in sommige gevallen ondersteunend op opvoedingsondersteuning thuis ter bevordering van de zelfredzaamheid van ouders worden geboden.

Arbeidsvoorzieningen: op grond van ziektewet, WIA, Wajong en Participatiewet zijn er mogelijkheden voor aangepast werk. Het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet beschikbaar is, dat dan begeleiding groep (dagbesteding) kan worden overwogen. 1.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen en gebruikelijke hulp Activiteiten van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding zijn normale activiteiten. De verantwoordelijkheid ligt bij de cliënt of zijn huisgenoten. Er zijn ook voor mensen met verminderde zelfredzaamheid veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen voorhanden ( die mensen zonder beperking ook zelf moeten regelen of betalen). Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen: Activiteiten zoals computercursus of taalles Alarmering Pictogrammenbord of domotica in huis Gezelschap of ondersteuning door vrijwilliger Kinderopvang

5

Net als bij ondersteuning bij het huishouden wordt bij Begeleiding het begrip:” gebruikelijke hulp” (afgeleid van de AWBZ-term “gebruikelijke zorg”) gehanteerd. Gebruikelijke hulp is hulp die verwacht wordt van huisgenoten, die “normaal” wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en/of niet structureel méér is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben. Begeleiding/ondersteuning door partner, ouder, volwassen inwonend kind of andere volwassen huisgenoot wordt als gebruikelijke hulp beschouwd: In kortdurende situaties (max. 3 maanden): als uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat begeleiding daarna niet meer nodig zal zijn. In langdurige situaties; bij normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer (bezoek familie/vrienden, bezoek huisarts, brengen en halen van kinderen naar school, sport of clubjes); hulp bij overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie; het leren omgaan van derden met cliënt afhankelijk van de zwaarte van de beperking ouderlijk toezicht op kinderen waarbij de aard en mate hiervan afhankelijk is van de leeftijd van het kind.

Alleen wanneer er sprake is van een langdurige situatie waarbij de begeleiding, in vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel, substantieel wordt overschreden is er sprake van boven-gebruikelijke hulp en kan Begeleiding worden ingezet. Het CIZ heeft schema’s ontwikkeld waarin per leeftijdscategorie, vaardigheden en behoefte aan toezicht of hulp voor gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel worden beschreven. Op basis hiervan kan objectief worden vastgesteld welke taken gebruikelijk en welke boven-gebruikelijk zijn. Als een diagnose ontbreekt omdat de cliënt zorg mijdt (huisarts/specialist) kan begeleiding worden ingezet “bij een sterk vermoeden van” (ook hier weer op basis van advies medisch adviseur). De begeleiding heeft tot doel de situatie te stabiliseren of in ieder geval niet te laten verergeren en is er op gericht de cliënt te bewegen om behandeling te aanvaarden. 2.

Vormen van Begeleiding

2.1. Groepsbegeleiding Het is veelal bekend onder de naam “dagbesteding” of “dagverzorging”. Groepsbegeleiding is: programmatisch (met een vast dag en/of weekprogramma), methodisch (een methode voor werken met de doelgroep als basis) met een welomschreven doel dat een actieve betrokkenheid van de cliënt vraagt, gericht op het structureren van de dag, oefenen met vaardigheden, die de zelfredzaamheid bevorderen. Het is nadrukkelijk anders dan welzijnsactiviteiten; ook al bevatten welzijnsactiviteiten wel elementen die in Begeleiding groep voorkomen. Voor veel cliënten zal deelname aan activiteiten in de buurt voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en om medemensen te ontmoeten. Alleen voor cliënten die door hun cognitieve beperkingen, psychische en/of psychosociale beperkingen, ernstig fysieke beperkingen of gedragsproblematiek een dergelijke dagstructurering, gericht op het verbeteren of behouden van capaciteiten en/of het reguleren van gedragsproblemen nodig hebben, is Begeleiding nodig. 2.2. Individuele begeleiding Individuele Begeleiding kent vele vormen: toezicht of aansturing bij activiteiten (zowel thuis als buitenshuis) op het gebied van praktische vaardigheden, ondersteuning bij het aanbrengen van structuur c.q.

het voeren van regie, oefenen van in behandeling aangeleerde vaardigheden of gedrag, ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven (huishouden, agenda, administratie, geldzaken, regelzaken etc.) ; dat wordt het vaak “thuisbegeleiding “genoemd Begeleiding individueel ligt in veel gevallen dicht bij ondersteuning bij het huishouden en Persoonlijke verzorging (die vanuit de AWBZ naar de ziektekostenverzekering gaat). Er zal dan ook gezocht worden naar combinaties van ondersteuning en Begeleiding om de hulp zo efficiënt mogelijk in te zetten.

6

2.3. Omvang begeleiding Begeleiding maakt soms deel uit van een totaalpakket van zorg van Behandeling en Persoonlijke verzorging. Bij de bepaling van de kwalitatieve inzet van de hulp wordt dit meegewogen en zal de hulp met deze zorgaanbieders afgestemd worden. 2.4. Omvang Individuele Begeleiding De omvang van de begeleiding is gebaseerd op de optelsom van de duur van de betreffende activiteiten: welke activiteiten zijn nodig, wat biedt het eigen netwerk of de voorliggende voorzieningen, hoe belast is de mantelzorg etc.) wat zijn de mogelijkheden van de cliënt (hoeveel kan de cliënt fysiek en mentaal aan?) hoeveel tijd kosten deze activiteiten, hoe vaak per week, zijn de activiteiten planbaar of niet is er vaak toezicht nodig? 2.5. Omvang Groepsbegeleiding Begeleiding groep wordt vastgesteld in dagdelen. Een dagdeel staat gelijk aan minimaal 3 aaneengesloten uren. Het maximum is 7 dagdelen. Het aantal dagdelen Begeleiding Groep dat wordt geïndiceerd is afhankelijk van: de noodzaak (hoeveel structuur, activering, toezicht etc. is nodig? Wat biedt het eigen netwerk of de voorliggende voorzieningen, hoe belast is de mantelzorg etc.) de mogelijkheden van de cliënt (hoeveel kan de cliënt fysiek en mentaal aan?) 3. Resultaten en activiteiten die deel kunnen uitmaken van de voorziening De Voorziening is gericht op: 1.

het begeleiden van een cliënt bij zijn verslechterende zelfredzaamheid en/of participatie; of 2. het stabiliseren van de zelfredzaamheid en/of participatie van een cliënt; of 3. het verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie van een cliënt. Concrete doelen worden door de gemeente beschreven in de Individuele opdrachtverstrekking. In het kader van de uitvoering van de Voorziening, geeft de Gemeente een beschikking af. Dienstverleners kunnen een of meer van de volgende activiteiten aanbieden in een of meer van de volgende resultaatsgebieden: 3.1. Resultaatsgebieden De door de dienstverlener te verrichten activiteiten vallen binnen de volgende resultaatsgebieden: 1. ondersteunen bij en opbouwen van sociaal netwerk cliënt; 2. ondersteunen van de thuisadministratie; 3. ondersteuning bij (arbeidsmatige)dagbesteding; 4. persoonlijke verzorging voor cliënt; 5. mantelzorgondersteuning; 6. ondersteuning bij zelfredzaamheid /zelfregie; Ad 1 Resultaatgebied ondersteuning bij en het opbouwen van sociaal netwerk cliënt 1. cliënt heeft gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende sociale rol; 2. cliënt is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar sociaal netwerk; 3. cliënt kan eigen problematiek in relatie tot sociale netwerk hanteren; 4. bij bemoeizorg: cliënt staat open voor opbouw sociaal netwerk. NB.

Bij bemoeizorg en geïsoleerde cliënt zonder een sociaal netwerk is het resultaat ‘cliënt heeft een gezond sociaal netwerk’ een brug te ver. Het gaat hier om het opbouwen van een sociaal netwerk met als achterliggende doelstelling mensen uit isolement of uit ‘verkeerde/foute sociale omgeving’ te halen. Bij bemoeizorg is op die wijze afname van overlast en hanteerbaar gedrag beoogd. Ad 2 Resultaatgebied Ondersteunen van de thuisadministratie 1. overzicht van de administratie / administratie op orde; 2. tijdige betaling van rekeningen; 3. inkomsten en uitgaven in balans;

7

4.

indien aanwezig: beheersbaar maken van de schuldenproblematiek (en indien mogelijk in relatie tot de inkomsten: vermindering van de schuldenlast).

Ad 3 Resultaatgebied Ondersteuning bij (arbeidsmatige) dagbesteding 1. cliënt heeft een zinvolle dagbesteding; 2. cliënt of Inwoner heeft onbetaald werk met ondersteuning; 3. cliënt of Inwoner heeft onbetaald werk zonder ondersteuning. Ad 4 Resultaatgebied Persoonlijke verzorging voor cliënt 1. cliënt is in staat om (onder begeleiding) de Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen uit te voeren. 2. cliënt is in staat met behulp van ondersteuning zichzelf te verzorgen 3. cliënt is in staat om hun eigen zelfverzorging te organiseren. Ad 5 Resultaatgebied Mantelzorgondersteuning. Mantelzorger kan omgaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis en/of beperking van Jeugdige en Inwoner. Ad 6 Resultaatgebied Ondersteuning bij zelfredzaamheid /zelfregie 1. cliënt is voldoende zelfredzaam; 2. cliënt is, indien nodig, in staat de juiste hulp te organiseren; 3. cliënt komt t.a.v. zichzelf en t.a.v. zijn/haar kinderen afspraken na met instanties zoals bijvoorbeeld school, werk, huisarts, gemeente, etc. 4. cliënt heeft voldoende handvatten om veilig te kunnen wonen. 3.2 Activiteiten Dienstverlener kan een of meer van de volgende activiteiten uitvoeren binnen de hiervoor genoemde resultaatsgebieden: Het oefenen of ondersteunen bij het oefenen met vaardigheden of handelingen en gebruik hulpmiddelen voor communicatie, stimuleren van wenselijk gedrag, inslijpen van gedrag.

Het kan hierbij gaan om: hulp bij uitvoeren of overnemen van eenvoudige of complexe taken/activiteiten, of bij oplossen van praktische problemen die buiten de dagelijkse routine vallen; hulp bij uitvoeren van vaardigheden die geleerd zijn tijdens behandeling; hulp bij het beheren van (huishoud)geld; hulp bij de administratie (alleen in de zin van oefenen); hulp bij openbaar vervoergebruik (alleen in de zin van oefenen); hulp bij of overnemen van post openmaken, voorlezen en regelen afhandeling praktische zaken; instructie bij persoonlijke verzorging; hulp bij plannen en stimuleren van contact in persoonsgebonden sociale omgeving; hulp bij communicatie in de persoonsgebonden omgeving bij bijvoorbeeld afasie. oefenen van de mantelzorger/gebruikelijke zorger hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de cliënt. Het oefenen of ondersteunen bij het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie.

Het kan hierbij gaan om: hulp bij initiëren of compenseren van eenvoudige of complexe taken, besluiten nemen en gevolgen daarvan wegen; hulp bij het regelen van randvoorwaarden op het gebied van wonen, onderwijs, werk, inkomen, iets kopen/betalen, het stimuleren tot en voorbereiden van een gesprek met dit type instanties (dit betreft niet het meegaan naar- aanwezig zijn bij het gesprek); hulp bij plannen, stimuleren en voorbespreken van activiteiten; hulp bij het initiëren of compenseren van op/bijstellen van dag/weekplanning, dagelijkse routine; inzicht geven in (mogelijke) gevolgen van besluiten; hulp bij het zich aan regels, afspraken houden, corrigeren van besluiten of gedrag. het overnemen van toezicht en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis, thuis of elders. het overnemen van toezicht gericht op het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig in kan worden gegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte en medicijngebruik. het aansturen van gedrag.

8

-

-

het ondersteunen in verband met ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen (dagelijkse bezigheden regelen, besluiten nemen, plannen en uitvoeren van taken, beheerszaken regelen, communicatie, sociale relaties, organisatie van de huishouding, persoonlijke zorg). het ondersteunen bij sociaal-emotionele problematiek die samenhangt met de stoornis. het ondersteunen bij de mogelijke integratie in de samenleving en de sociale participatie (bijvoorbeeld hulp bij de opbouw van een sociaal netwerk) met als doel zelfredzaamheid. het ondersteunen bij de mogelijke integratie in de samenleving, met extra aandacht voor ontwikkeltrajecten op het vlak van wonen, werken (niet gericht op arbeidsre-integratie), sociaal netwerk (doelgericht toepassen van methoden van casemanagement). communicatietraining aan cliënt en/of leden van het sociale netwerk. het ondersteunen bij “activering” (activiteiten gericht op zinvol besteden van de dag, aangepast aan mogelijkheden en interesse van de Jeugdige of Inwoner, waaronder handvaardigheid, expressie, beweging, belevingsactiviteiten). het begeleiden bij “activering, individueel belevingsgericht” (belevingsgerichte activiteiten op een eenvoudig niveau met extra aandacht voor sfeer, geborgenheid, veiligheid, ritme en regelmaat). het in groepsverband begeleiden van een zelfgekozen bezigheid en activering.

Het dagprogramma biedt ruimte voor vaardigheidstraining. ondersteuning bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen. ondersteuning bij beperkingen op het vlak van zelfverzorging. advies, instructie en voorlichting bij zelfverzorging.

4. Vervoer Dienstverlener kan bij de activiteiten vervoer aanbieden. Dienstverlener regelt dit dan binnen de vergoeding die hij krijgt voor het uitvoeren van de voorziening. Het vervoer kan hij regelen in samenspraak met de cliënt, hij kan dit zelf regelen of hij kan daarvoor een overeenkomst sluiten met een vervoerder. Dienstverlener mag een bijdrage vragen voor vervoer van cliënt.

9

Bijlage 3:

Richtlijn ondersteuning bij het huishouden

Ondersteuning bij het huishouden Uitgangspunt bij de beoordeling van het recht op ondersteuning bij het huishouden is dat men primair zelf verantwoordelijk is voor het eigen huishouden, de eigen gezondheid, levensstijl en de wijze waarop het huishouden wordt gevoerd. De Wmo is ter aanvulling op de eigen mogelijkheden. Na een melding met betrekking tot de behoefte aan ondersteuning bij het huishouden wordt eerst onderzocht wat de mogelijkheden van cliënt zijn om de zelfredzaamheid te handhaven of te verbeteren. Daarbij wordt gekeken naar de eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemene gebruikelijke voorzieningen en voorliggende voorzieningen. Daarnaast wordt de mogelijkheid onderzocht om met mantelzorgers en anderen uit het sociaal netwerk de zelfredzaamheid te verbeteren. Het kunnen voeren van een huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Adequaat een eigen huishouden voeren is een subjectief begrip. Iedereen heeft zijn eigen normen en waarden als het gaat om een schoon huis. Ondersteuning bij het huishouden kan als voorziening veelomvattend zijn. De hulp is primair gericht op de essentiële hygiëne van de huishouding. Ondersteuning bij het huishouden is gericht op motiveren, aansturen, instrueren, ondersteunen bij, of overnemen van huishoudelijke taken in relatie tot (dreigend) disfunctioneren van het huishouden.

Het gaat primair om het ondersteunen of overnemen van taken. In de artikelen 1.1 tot en met 1.6 van deze Richtlijn indicatiestelling voor ondersteuning bij het huishouden zijn de algemene uitgangspunten opgenomen waar we bij de indicatiestelling rekening mee houden. Nadat we bekeken hebben of een of meer van deze uitgangspunten van toepassing zijn, stellen we daarna, met gebruikmaking van artikel 2, het aantal uren vast dat aan ondersteuning bij het huishouden geleverd kan worden. 1

Voorliggende voorzieningen

Bij de vaststelling van de indicatie voor ondersteuning bij het huishouden wordt rekening gehouden met een aantal voorzieningen die als voorliggend beschouwd worden; dat wil zeggen wanneer met het gebruik van een voorliggende voorziening voldoende compensatie geboden wordt, dit voorgaat op een Wmo-voorziening. Voorliggende voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn (niet limitatieve lijst) : - Kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang). - Oppascentrales. - Maaltijddiensten. - Hondenuitlaat-service. - Boodschappendiensten. - Wasserette/strijkservice. - Particuliere hulp (bijvoorbeeld voor wasverzorging). De voorliggende voorziening moet ter plaatse wel beschikbaar zijn. Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. 1.2.

Technische hulpmiddelen en woonvoorzieningen Er is geen positief advies voor Ondersteuning bij het huishouden als de problemen van de cliënt afdoende kunnen worden opgelost met technische hulpmiddelen of voorzieningen. Hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur, zoals een wasmachine of stofzuiger. Deze hulpmiddelen dienen uit oogpunt van verantwoordelijke werkomstandigheden ook voor de helpende aanwezig te zijn. Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van al aanwezig hulpmiddelen, zoals een droogtrommel of een afwasmachine. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een adequate oplossing zouden bieden voor het probleem, is de aanschaf van deze hulpmiddelen voorliggend op het

10

inzetten van hulp. Woonvoorzieningen kunnen bijvoorbeeld keukenaanpassingen of het plaatsen van een verhoging voor een droger/wasmachine betreffen, maar ook woningsanering valt hieronder. 1.3. Elementaire woonfuncties Bij de vaststelling van de indicatie wordt rekening gehouden met de ruimtes die nodig zijn om normale (elementaire) woonfuncties te kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, koken en keukengebruik. Het gaat dus primair om de woonkamer, de gebruikte slaapkamer(s), badkamer, toilet en keuken. Ook voor dit onderdeel verrichten we maatwerk. 1.4. Gebruikelijke zorg en omvang ondersteuning bij het huishouden Een persoon met beperkingen komt niet in aanmerking voor ondersteuning bij het huishouden indien tot de woning waar deze persoon deel van uitmaakt, een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijke werk te verrichten. Gebruikelijke zorg wil zeggen dat, als de ondersteuningsbehoevende huisgenoten heeft die het huishoudelijke werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat ondersteuning bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk.

Dat betekent dat, indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit betekent dat van een gezin wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van de leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen dit gezin. Redenen als ‘niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijk werk willen en/of kunnen (in de zin van ‘niet geleerd hebben’) verrichten’ leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Als het nodig is kan er een indicatie worden gesteld voor 6 weken ondersteuning bij het huishouden voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting bij de huisgenoot, dan wordt daar mee rekening gehouden bij de indicatiestelling. Het principe van gebruikelijke zorg heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten van 18 jaar of ouder. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld de werkzaamheden behorend bij een eenpersoonshuishouden in een gelijkvloerse woning te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien, ongeacht het type woning. Bij de indicatiestelling wordt per taakgebied bekeken wat aan gebruikelijke zorg geleverd kan worden.

Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enzovoort. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie. Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen.

Maar in alle situaties waarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de offshore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken. Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen.

11

In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd. Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar ondersteuning bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden voor zoverre de zorg niet in de totale kosten is opgenomen en dus al door betrokkene wordt betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging. 1.5 Respijtzorg Bij respijtzorg (zie bijlage 5) wordt de ondersteuning bij het huishouden verleend aan de hulpvrager. De omvang wordt vastgesteld aan de hand van de geïndiceerde zorgbehoefte. De maximale aaneengesloten periode waarvoor een respijtvoorziening wordt verstrekt is 3 weken. Over een respijtvoorziening is in beginsel geen eigen bijdrage verschuldigd. Indien er dermate veelvuldig een beroep gedaan wordt op de respijtvoorziening dat er sprake is van structureel gebruik dan dient er gezocht te worden naar een structurele oplossing. 1.6. Sociaal netwerk Bij het onderzoek naar de noodzaak voor het verstrekken van ondersteuning bij het huishouden wordt onder andere gekeken naar de mogelijkheden van mantelzorgers of andere personen uit het sociaal netwerk om hulp te bieden bij de huishoudelijke taken.

Als die hulp geboden wordt, dan kan dat ertoe leiden dat er geen tijd geïndiceerd wordt, of minder tijd. 2. Richtlijnen ondersteuning bij het huishouden Als blijkt dat een maatwerkvoorziening ondersteuning bij het huishouden nodig is, dan gelden onderstaande richttijden. Onderstaande normtijden zijn indicatief. Er wordt altijd een individuele afweging gemaakt. Als uit het onderzoek blijkt dat er reden is om af te wijken van de richtlijn dan wijken we af van de basisnorm voor een schoon en leefbaar huis (lichte en zware taken) en/of van de normtijden voor andere activiteiten gericht op ondersteuning van het huishouden. Wanneer afgeweken wordt van de richtlijnen, is dit gebaseerd op zorgvuldig onderzoek en worden de in te zetten uren nader gemotiveerd. 2.1

Lichte en zware taken (essentiële hygiëne van de huishouding)

Om de essentiële hygiëne van de huishouding te waarborgen, hanteren we een basisnorm voor het aantal in te zetten uren om dit resultaat te bewerkstelligen. Deze basisnorm is gebaseerd op onafhankelijk onderzoek van KPMG Plexus en Bureau HHM uitgevoerd voor de gemeente Utrecht. Met deze basisnorm kan het huis schoon gehouden worden op het door de gemeente gedefinieerde niveau van schoon. De basisnorm valt uiteen in lichte huishoudelijke taken en zware huishoudelijke taken, die gezamenlijk de basisnorm vormen. De basisnorm is gesteld op 2 uur per week. Licht poetswerk in huis, kamers opruimen Hieronder vallen de volgende activiteiten: indien geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen; hand- en spandiensten; opruimen; stof afnemen; bedden opmaken. Zwaar huishoudelijk werk Hieronder vallen: stofzuigen; schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken; bedden opmaken/verschonen; opruimen huishoudelijk afval.

12

Factoren meer of minder hulp In onderstaande situaties kan, in het kader van maatwerk, extra tijd worden geïndiceerd: Als niet alle elementaire woonfuncties zich op één verdieping bevinden kan er maximaal 1 uur extra per week verstrekt worden. meerdere kinderen onder de 12 jaar; allergie voor huisstofmijt en COPD (alleen als het gaat om een gesaneerde woning); ernstige beperkingen in armen en handen die leiden tot extra opruimactiviteiten; de aanwezigheid van hulphonden. Dit geldt niet voor overige ‘huisdieren’ indien niet alle genoemde activiteiten overgenomen moeten worden, kan dit leiden tot minder hulp. 2.3. Verzorging kleding/linnengoed De normtijden voor deze activiteiten zijn gebaseerd op het CIZ-protocol van 2006. Hieronder wordt gerekend: sorteren van kleding; wassen van kleding met behulp van een wasmachine; ophangen en afhalen; was drogen in droger; vouwen, strijken (alleen bovenkleding) en opbergen; In het CIZ-protocol is de normtijd bij 1 persoon 60 minuten per week, bij meer personen 90 minuten per week. Vouwen en strijken wordt niet geïndiceerd maar uitgevoerd door het Dorpsleerbedrijf. Hiervoor wordt het aantal minuten, zoals gesteld bij de normtijden, bij een indicatie voor verzorging kleding/linnengoed met 50% verlaagd. De norm voor een eenpersoonshuishouden is daarom 30 minuten per week en voor een meerpersoonshuishouden 45 minuten per week.

Factoren meer of minder hulp In onderstaande situaties kan, in het kader van maatwerk, extra tijd worden geïndiceerd. bij kinderen onder de 16 jaar 30 minuten per week extra; bij bedlegerige personen 30 minuten per week extra; bij extra wassen door overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc. 30 minuten per week extra. Indien niet alle genoemde activiteiten overgenomen moeten worden, kan dit leiden tot minder hulp. Bij huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van eenmaal per week. 2.4. Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven De normtijden voor deze activiteiten zijn conform het CIZ-protocol van 2006. In onze gemeente bestaat de mogelijkheid om van boodschappendiensten gebruik te maken. Daarnaast zijn er vrijwilligers die kunnen helpen bij het doen van boodschappen. Er zal dus slechts in zeer uitzonderlijke gevallen tijd geïndiceerd worden voor het doen van boodschappen. Hieronder vallen de volgende activiteiten: samenstellen van een boodschappenlijst; inkopen en opbergen van boodschappen. Dit kan 1x per week worden gedaan en daar kan 60 minuten per week voor worden toegekend. Factoren meer of minder hulp Als het gaat om meer dan 4 personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan 2x per week boodschappen worden toegekend.

Indien de afstand tot de winkels groot is, kan 30 minuten extra worden toegekend. Indien niet alle genoemde activiteiten overgenomen moeten worden, kan dit leiden tot minder hulp. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, waardoor extra gereisd moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, vormen geen criteria voor het inzetten van meer uren. Alleen in medisch noodzakelijke situaties wordt hiermee rekening gehouden.

13

2.5. Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme maaltijd De normtijden voor deze activiteiten zijn conform het CIZ-protocol van 2006. Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen; koffie/thee zetten; afwassen, met de machine of handmatig. Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten opwarmen; eten bereiden als er kinderen onder de 12 jaar aanwezig zijn; tafel dekken en afruimen; afwassen en opruimen plus opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad. Voor de broodmaaltijd is de normtijd 15 minuten per maaltijd, voor de volledige bereiding van de warme maaltijd is de normtijd 30 minuten en voor het opwarmen van de warme maaltijd is de normtijd 15 minuten per keer. Factoren meer of minder hulp Per dag kan het dus gaan om 2 broodmaaltijden (ontbijt en lunch). Hierbij wordt er zoveel mogelijk van uitgegaan dat bij de 1e broodmaaltijd, de 2e broodmaaltijd wordt klaargezet. Bij de warme maaltijd geldt dat een kant-en-klaarmaaltijd in principe als voorliggend wordt beschouwd, omdat personen op deze wijze op eigen kracht een oplossing voor hun beperking mogelijk maken. Hetzelfde geldt voor gebruikmaking van de maaltijddienst. Indien niet alle genoemde activiteiten over genomen moeten worden, kan dit leiden tot minder hulp. In geval van de aanwezigheid kinderen < 12 jaar: + 20 min per keer. 2.6.

Dagelijkse organisatie van het huishouden De normtijden voor deze activiteiten zijn conform het CIZ-protocol van 2006. Hiertoe worden gerekend: organiseren van het huishouden; plannen en beheren van het huishouden. Indien hier aanleiding toe bestaat kan hier 30 minuten per week voor worden geïndiceerd. Factoren meer of minder hulp Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, kinderen onder de 16 jaar of andere huisgenoten die extra tijd vragen, en/of psychosociale of andere problematiek bij meerdere huisgenoten. 2.7. Opvang en/of verzorging van kinderen De normtijden voor deze activiteiten zijn conform het CIZ-protocol van 2006. Hier kan alleen tijd voor geïndiceerd worden in acute noodsituaties. Het gaat hierbij om een ouder/verzorger die tijdelijk niet in staat is de ouder-/ verzorgersrol op zich te nemen. Ouders/verzorgers hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Structurele opvang valt niet onder de ondersteuning van het huishouden. Verzorging van de kinderen kan zo nodig wel onder de ondersteuning van het huishouden vallen. Indien nodig dient de ouder/verzorger gebruik te maken van de voor hem/haar geldende regeling voor zorgverlof. Ook wordt gekeken wat in redelijkheid met mantelzorg en het sociaal netwerk kan worden opgevangen. Is dit niet mogelijk dan dient de ouder/verzorger gebruik te maken van crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang ed.

Het zoeken naar en gebruik maken van opvangmogelijkheden voor kinderen valt onder de verantwoordelijkheid en verplichting van de ouders/verzorgers. Zij dienen allereerst zelf naar een oplossing te zoeken. Financiële omstandigheden vormen hierop geen reden tot uitzondering. Niet structurele opvang van kinderen kan alleen bij ontwrichting, calamiteiten of bij uitval van de ouder/verzorger in een éénoudergezin voor een korte periode. In deze periode worden inspanningen geleverd, zowel door ouder/verzorger als de gemeente, om een structurele oplossing te regelen.

14

De totale omvang bedraagt tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden. De volgende activiteiten vallen hieronder: persoonlijke verzorging van de kinderen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen, opvoedingsactiviteiten. Factoren meer of minder hulp Het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/huisgenoten, de aanwezigheid van gedragsproblematiek en het samenvallen met andere ingezette activiteiten voor ondersteuning van het huishouden zijn factoren die meewegen bij het onderzoek naar het aantal in te zetten uren. 2.8. Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden De normtijden voor deze activiteiten zijn conform het CIZ-protocol van 2006. Het betreft hier de volgende activiteiten: instructie omgaan met huishoudelijke apparaten (zoals wasmachine, vaatwasser, magnetron e.d.), instructie licht huishoudelijk werk, instructie textielverzorging, instructie boodschappen doen en/of instructie voor het bereiden van maaltijden. Voor deze activiteiten wordt maximaal 30 minuten per keer ingezet, met een frequentie van driemaal per week gedurende een periode van maximaal 6 weken. Bij communicatieproblemen en/of moeite met het aanleren van nieuwe vaardigheden als gevolg van een medische oorzaak kan meer tijd worden geïndiceerd.

2.9 Geen vervanging tijdens vakantieperiode Tijdens de vakantieperiode hoeft geen vervanging geregeld te worden, behalve als er sprake is van dringende omstandigheden (zoals een ernstige ziekte) en/of noodzakelijke zorg voor jonge kinderen. 2.10. Afwijken van de richttijden De normtijden zijn indicatief. Als er reden is om af te wijken van deze tijden dan kan dat rekening houdende met de factoren voor minder of meer hulp, mits onderbouwd, altijd. Ook wanneer uit het onderzoek blijkt dat de individuele situatie van een cliënt aanleiding geeft tot een andere inzet van uren dan de basisnorm en/of de normtijden kan van deze norm afgeweken worden. Wanneer hiervan sprake is, zal dit nader gemotiveerd worden.

15

Bijlage 4:

Tarieven aanbesteding PDC

Zie onderstaande link voor de Producten Diensten Catalogus 2021, opgesteld door Inkoopregio Een 10 voor de Jeugd (Dommelvallei+ (= o.a. Geldrop-Mierlo) , Helmond/Peelgemeenten en Veldhoven) Deze richtlijnen zijn bedoeld voor professionals van de gemeentelijke toegang. Het document is bedoeld als hulpmiddel voor de toegang om de producten te indiceren. De richtlijnen zijn een hulpmiddel, indien nodig kan er gemotiveerd van worden afgeweken. https://jeugdwmo.nl/jeugd-inkoop/ Hieronder de link naar de producten en tarieven voor de Wmo begeleiding en dagbesteding:

https://www.bizob.nl/sociaal-domein/regios/dommelvallei/begeleiding-18/overeenkomst/

16

Bijlage 5:

Respijtzorg

Wat is respijtzorg ? Respijtzorg is de tijdelijke overname van de mantelzorg zodat de mantelzorger een adempauze krijgt: om te werken, aandacht te geven aan (andere) gezinsleden, even alleen te zijn, of juist op een ontspannen manier samen te zijn met degene die zorg nodig heeft. In deze definitie zijn de woorden ‘’tijdelijke overname van de mantelzorg” van belang voor de toekenning van een voorziening. Er zijn veel manieren om de mantelzorg te ontlasten bijvoorbeeld door een vrijwilliger in te schakelen om een paar uur de zorg voor een klant over te nemen en ook dagbesteding kan als belangrijk neveneffect of zelfs doel hebben de mantelzorg te ontlasten. Alleen als er sprake is van een tijdelijk overname, kan er sprake zijn van een indicatie in het kader van respijtzorg. In andere gevallen is er sprake van een reguliere indicatie Wmo of Jeugdwet. Voordat er een indicatie voor respijtzorg afgegeven kan worden, moet onderzocht zijn of inderdaad vrijwilligers, het netwerk of bijvoorbeeld de ziektekostenverzekering mogelijkheid bieden tot het leveren van tijdelijk zorg. Overname van mantelzorg Het gaat bij respijtzorg over de overname van de zorg die de mantelzorger normaal gesproken levert maar dit tijdelijk niet kan doen. Voorbeelden hiervan zijn, een dochter die het schoonmaakt bij haar moeder en een paar weken op vakantie gaat.

Hier kan dan een indicatie voor respijtzorg voor hulp bij het huishouden worden afgegeven. Een man die zorgt voor zijn dementerende vrouw, die even op adem moet komen. Hiervoor kan een indicatie Respijt voor kort verblijf worden afgegeven zodat de zorg een weekendje wordt overgenomen. Maar er kan ook een tijdelijke indicatie worden gegeven om een mantelzorger te ontlasten zodat mantelzorger de rest van het jaar de zorg weer aan kan. Eigen Bijdrage Bij een WMO- indicatie in het kader van respijtzorg, wordt een geen eigen bijdrage opgelegd. Dit moet worden kortgesloten met de aanbieder, deze geeft immers de geleverde uren door aan het CAK. Respijtzorg kan vanuit verschillende regelingen worden gefinancierd: • Wet maatschappelijke ondersteuning: Hulp bij het huishouden, kort verblijf, begeleiding groep. • Jeugdwet: Logeervoorzieningen, waardoor de ouders en mantelzorgers tijdelijk worden ontlast • Persoonsgebonden budget: als de zorgvrager een pgb ontvangt, kan dat ook gebruikt worden voor respijtzorg • Zorgverzekeringswet: sommige zorgverzekeraars vergoeden respijtzorg geheel of gedeeltelijk vanuit de aanvullende verzekering. Voor zover het hetzelfde type respijtzorg, als vanuit de Wmo, betreft is de zorgverzekeringswet voorliggend. Bijvoorbeeld Saar aan huis vanuit de ZVW gaat voor op een zelfde vorm ondersteuning in huis vanuit de Wmo.

Wanneer kan er geen respijtzorg worden in geïndiceerd vanuit de WMO of Jeugdwet ? In het kader van respijtzorg bedoelen we onbetaalde mantelzorg. Ontvangt de zorgvrager een persoonsgebonden budget waaruit de mantelzorger betaald wordt, kan er geen respijtzorg worden geïndiceerd. Als de mantelzorger overbelast is, kan de zorgvrager vanuit het pgb iemand anders in huren. Als vooraf duidelijk is, dat de zorg langer dan die drie weken zal duren, wordt er direct een maatwerkvoorziening geïndiceerd. Het netwerk blijft voorliggend veld en andere wetgeving voorliggend op een indicatie. Wat zijn vormen van respijtzorg ? Hulp bij het huishouden Als een mantelzorger tijdelijk niet is staat is, om de zorg in de vorm van hulp bij het huishouden te leveren bijvoorbeeld door vakantie, ziekenhuis opname of om de mantelzorger te ontlasten, kan er in het kader

17

van respijtzorg 3 weken per jaar hulp bij het huishouden geïndiceerd worden. Is vooraf al duidelijk dat dit langer nodig is, wordt er direct een maatwerkvoorziening geïndiceerd. Kort verblijf Om mantelzorgers te ontlasten (preventief) kan iemand kortdurend logeren, maximaal 3 etmalen dus 72 uur per week, in een instelling. Dit kan dus 3 x per jaar worden geïndiceerd. Hierdoor kan de mantelzorger de zorg langer volhouden en kan de klant langer thuis blijven wonen. Het is ook mogelijk de geïndiceerde uren voor kortdurend verblijf bij elkaar op te tellen, zodat een zorgvrager langer aaneengesloten buitenshuis kan verblijven. Wanneer er sprake is van plotseling wegvallen van de mantelzorger kan ook sprake zijn van een planbare, voorzienbare afwezigheid, zoals een geplande ziekenhuisopname of vakantie van de mantelzorger. Het gaat hier wel om kortdurend verblijf, waarbij we uitgaan van maximaal 3 weken per jaar. Net als bij een reguliere indicatie is de klant/ zijn netwerk in principe zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Wanneer de klant beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pasje voor collectiefvervoer waarmee hij het vervoer naar de instelling kan regelen.

Dagbesteding Om een mantelzorger te ontlasten kan er in bijzondere gevallen ook een indicatie voor respijtzorg dagbesteding worden afgegeven, maximaal 4 dagdelen per week voor 3 weken per jaar. In de meeste situaties zal een tijdelijke indicatie niet voldoende zijn om de mantelzorger te ontlasten, dan zal er ook direct een reguliere maatwerkvoorziening geïndiceerd worden. Als de mantelzorger tijdelijk uitvalt vanwege bijvoorbeeld ziekenhuisopname of vakantie, kan dagbesteding wel tijdelijk geïndiceerd worden in combinatie met verblijf tot maximaal 9 dagdelen. Logeerweekend Jeugdwet Ook in het kader van de Jeugdwet kunnen voorzieningen worden ingezet om de mantelzorgers te ontlasten. Bij de Jeugdwet speelt het probleem met de eigen bijdrage niet. Hierdoor kan er altijd een reguliere indicatie voor een individuele voorziening worden afgegeven. Maatwerk Het vaststellen van een indicatie blijft altijd maatwerk, het vast stellen van respijtzorg dus ook. Bovengenoemde tijden/dagdelen/weken zijn dus indicatief en er kan mits onderbouwd van worden afgeweken.

18

Bijlage 6: Woonplaatsbeginsel Achtergrond Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten in het kader van de Jeugdwet verantwoordelijk voor alle ondersteuning, hulp en zorg van en aan jeugdigen bij opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen. Om de verantwoordelijke gemeente voor deze hulp aan jeugdigen te bepalen, is het woonplaatsbeginsel opgesteld en beschreven in de Jeugdwet. De huidige definitie voor het woonplaatsbeginsel is dat die gemeente (financieel) verantwoordelijkheid is waar de feitelijke woonplaats van de ouder met gezag ligt. Deze definitie levert problemen op. Belangrijkste wijziging In het huidige woonplaatsbeginsel wordt er gekeken naar de woonplaats van het gezag. Dit is een ouder, voogd of instelling. Dit maakt de uitvoering extra complex. Vanaf 1 januari 2022 ontstaan er twee scenario’s. In het geval van alleen ambulante zorg wordt de gemeente waar de jeugdige staat ingeschreven (BRP) financieel verantwoordelijk. Als er sprake is van verblijfszorg, dan moet er gekeken worden waar de jeugdige stond ingeschreven (BRP i.c.m. met andere bronnen) direct voorafgaand aan de start van het zorgtraject. Deze gemeente blijft financieel verantwoordelijk voor de verlening van alle jeugdzorg tot het moment dat er geen sprake meer is van zorg met een verblijfscomponent.

Door deze wetswijziging gaat de financiële verantwoordelijkheid voor ruim 25.000 jeugdzorgtrajecten veranderen en zal er een andere verdeling volgen van het jeugdzorgbudget. Wat is het uitgangspunt van de wetswijziging? Uitgangspunt in de nieuwe definitie van het woonplaatsbeginsel wordt de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres heeft volgens de Basisregistratie Personen (de BRP). Deze definitie (die van toepassing is voor jeugdhulp zonder verblijf) is duidelijker en eenvoudiger. Bij jeugdhulp met verblijf is het uitgangspunt dat als woonplaats geldt de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaande aan zijn verblijf zijn woonadres in de zin van de Wet basisregistratie personen had. De gemeente waar de jeugdige vandaan komt, blijft dus verantwoordelijk voor de jeugdige en voor de kosten van de jeugdhulp voor deze jeugdige. https://woonplaatsbeginsel.info/wp-content/uploads/2021/01/2021-01_Documentatie-Handleidingstroomschema-versie-2.0.pdf

19

Bijlage 7: Richtlijn gebruikelijke hulp 1. Gebruikelijke hulp in de Wmo 2015 Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt dus bepaald door wat op dat moment normaal is en kan in de loop van de tijd veranderen. Volgens de regering is het op dit moment in onze samenleving normaal dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Van wie wordt gebruikelijke hulp verwacht? De leefeenheid van de cliënt die een beroep doet op ondersteuning is primair verantwoordelijk voor het functioneren van de leefeenheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die leefeenheid. De huisgenoten moeten meewerken aan het onderzoek dat noodzakelijk is om te bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp. Daarbij moeten de huisgenoten alles aangeven wat van belang kan zijn voor het onderzoek.

Doen zij dit niet, dan kan dat inhouden dat de gemeente de noodzaak tot of de omvang van de maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Leefeenheid De leefeenheid waartoe cliënt behoort, bestaat, gelet op artikel 1.1.1 Wmo 2015, uit de:  echtgenoot  ouders  inwonende kinderen, of  andere huisgenoten waarmee cliënt een gezamenlijke huishouding voert. Gelet op de definitie van gebruikelijke hulp in de Wmo 2015, en Memorie van Toelichting, kunnen meer dan twee volwassen personen tot de leefeenheid behoren. Het begrip gezamenlijke huishouding heeft betekenis in relatie tot ‘andere huisgenoten’. Hiermee is bedoeld om bijvoorbeeld kamerhuurders uit te sluiten of personen die omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen. Als de cliënt deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande uit meerdere personen (meerpersoonshuishouden) moet de consulent vaststellen wat, gezien de samenstelling van die leefeenheid, in dat geval verstaan wordt onder gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar. Hoofdverblijf in dezelfde woning Het gaat erom dat men feitelijk zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. De enkele inschrijving in de Brp is onvoldoende om de vraag te beantwoorden waar iemand zijn woonadres heeft. Die vraag moet beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Het enkele feit dat een persoon in het Brp is ingeschreven op het adres van de cliënt is onvoldoende om te spreken van hoofdverblijf in dezelfde woning. Soms kan er twijfel bestaan of het gaat om huisgenoten of dat men feitelijk in twee verschillende woningen verblijft. Denk hierbij aan de situatie waarbij iemand woont in een apart bijgebouw. In die situatie kunnen de volgende factoren onderzocht worden om te bepalen of het gaat om één leefeenheid:  zijn de woningen kadastraal gesplitst?  hebben ze een eigen huisnummer?  is er sprake van een huurovereenkomst?  is het mogelijk om huurtoeslag aan te vragen voor de woning?  beschikt de woning over algemeen gebruikelijke voorzieningen?  heeft de woning een eigen toegangsdeur? Echtgenoot Met een echtgenoot wordt gelijkgesteld (artikel 1.1.2 Wmo 2015):  de geregistreerde partner  de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.

20

Gezamenlijke huishouding Van een gezamenlijke huishouding is sprake wanneer twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De algemene wettelijke definitie bevat drie eisen waaraan moet zijn voldaan (artikel 1.1.2 lid 3 Wmo):  1. het moet gaan om twee personen;  2. men moet het hoofdverblijf hebben in dezelfde woning;  3. men moet blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Twee personen Het is uitdrukkelijk niet mogelijk dat meer dan twee personen met elkaar een gezamenlijke huishouding voeren. Het is wel mogelijk dat als meer dan twee personen in een woning wonen, twee daarvan een gezamenlijke huishouding voeren. Voorwaarde is dan wel dat die twee personen ten opzichte van elkaar blijk geven van een mate van zorg, die niet aanwezig is ten opzichte van de andere persoon of personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Behoren er meer dan twee personen tot de leefeenheid, en voeren twee daarvan een gezamenlijke huishouding, dan kan niettemin ten aanzien van de andere huisgenoten ook sprake zijn van gebruikelijke hulp. Echter, zal dan vastgesteld moeten worden wat gebruikelijke hulp is voor deze huisgenoten t.o.v.

de cliënt. Zorg dragen voor elkaar Een ander belangrijk criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding wordt ook wel het verzorgingscriterium genoemd en is in de praktijk het lastigste om aan te tonen. De betrokkenen moeten voor elkaar zorgdragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De aanwezigheid van een contract of van bewijsstukken dat huur of kostgeld wordt betaald, betekent niet dat de betrokkenen geen gezamenlijke huishouding kunnen voeren. Het is niet vereist dat de geboden verzorging van weerszijden dezelfde omvang en intensiteit heeft. Wanneer er echter enkel door één van beide personen zorg wordt geboden, is aan het verzorgingscriterium niet voldaan. Bij (onder)huurders en kostgangers is sprake van een zuiver zakelijke relatie. Daarvan is geen sprake als er een mate van financiële verstrengeling aanwezig is, die verder reikt dan de betaling van de huur of het kostgeld en een wederzijdse verzorging die niet beperkt blijft tot het onderhoud van de gehuurde kamer of de levering van de overeengekomen diensten, zoals de maaltijden of de bewassing. Zoals dat ook het geval is in andere situaties waarin de betrokkenen beweren niet elkaars partners te zijn, kan het college een onderzoek instellen naar de feitelijke omstandigheden van de betrokkenen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GeldropMierlo&id=d825ebe8-09c8-441e-9e1d-66c28b271935