Bijlage 10 - Beoordeling IVO archeologie Grote Bos 6 Geldrop
Tekst van het document
Advies Archeologische Monumentenzorg 2022 – nr. 156 Beoordeling van een archeologisch rapport Bevoegd gezag:
Gemeente Geldrop-Mierlo Dhr. J. van de Zanden Postbus 10101 5660 GA Geldrop
Datum:
29-7-2022
Locatie:
Strabrechtcollege, Grote Bos, Geldrop
Project:
Strabrechtcollege, Grote Bos, Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo: een inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase (Bureau voor Archeologie Rapport 1218), auteur K. Durczak d.d. 13 juli 2022.
Colofon Van:
Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) Wal 28, Postbus 8035, 5601KA Eindhoven Mevr. drs. Janneke Bosman Tel. 088-3690638 E-mail: J.Bosman@odzob.nl
Inleiding In verband met de herontwikkeling van het gebied, waar voorheen het Strabrecht College gevestigd was (Grote Bos 2), heeft Bureau voor Archeologie in juni 2022 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen (verkennende fase) uitgevoerd. Het gebied waarin de herontwikkeling plaats zal vinden heeft een oppervlakte van ca. 1 ha. Het plan voorziet in de bouw van 75 appartementen; het gebied rondom de bebouwing wordt heringericht als groenzone met wadi (in totaal ca. 2 ha). De precieze omvang van de graafwerkzaamheden die nodig zijn in verband met de plannen en de diepte hiervan zijn nog niet bekend. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Geldrop-Mierlo heeft het noordelijke deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting (categorie 4); het zuidelijke deel van het plangebied ligt in een gebied met een middelhoge verwachting (categorie 5).
Een klein gebiedje in de zuidwest hoek heeft geen verwachting meer vanwege de aanwezigheid van een gebouw dat na 1980 is gebouwd Vanwege de geplande ontwikkelingen is in 2021 een archeologisch bureauonderzoek1 uitgevoerd, waaruit blijkt dat het plangebied een lage verwachting heeft voor resten van bewoning uit de periodes Paleolithicum en Mesolithicum, een hoge verwachting voor resten van bewoning uit de periode Neolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen en een lage verwachting voor resten van bewoning en akkerindeling uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Deze resten worden verwacht vanaf een diepte van 100 cm onder maaiveld. Vanwege de hoge trefkans heeft de gemeente besloten dat in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd moet worden. Het doel van het verkennend booronderzoek is informatie te verkrijgen over het landschap. Deze informatie draagt bij aan het opstellen van een specifieke archeologische verwachting voor het gebied. Op basis daarvan kan de gemeente in beginsel een beslissing nemen over de behoudenswaardigheid 1 J. Bosman: 2021: Archeologisch Bureauonderzoek Strabrechtcollege; Grote Bos 2 te Geldrop,
gemeente Geldrop- Mierlo (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant), Eindhoven.
van archeologische resten binnen het plangebied en eventueel overgaan tot maatregelen voor behoud in situ of het veiligstellen van de archeologische informatie door middel van vervolgonderzoek. Samenvatting van het rapport Onderzoekskader RO: Bestemmingsplanwijziging Grootte plangebied: ca. 19.910 m2, onderzoeksgebied booronderzoek 8.077 m2 Onderzoeksperiode: 23 juni 2022 (veldwerk) Opdrachtgever: SAB adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling Opdrachtnemer: Bureau voor Archeologie Het veldonderzoek bestond uit het zetten van 9 verkennende boringen met een Edelmanboor (diameter 7 cm), die verspreid binnen het plangebied tot een maximale diepte van 2 m - mv zijn gezet. De werkwijze is gebaseerd op het advies van het bureauonderzoek. Echter, sinds het opstellen van het bureauonderzoek is de voorgenomen ontwikkeling is gewijzigd. Het te onderzoeken gebied is breder geworden in oost-west richting en minder lang in west-oost richting. Het boorplan is hierop aangepast. Uit het verkennende onderzoek blijkt dat in het grootste dele van het plangebied de bodemopbouw niet meer intact is. In het plangebied is een verstoorde bovenlaag van 10- 105 cm dik aanwezig met daaronder, in de boringen in het noordelijke en zuidelijke deel van het plangebied, restanten van een esdek met sporen van bodemvorming (podzolering).
De grond onder de voormalige bebouwing is, waarschijnlijk na de sloop van het college gebouw en het verwijderen van de verharding op het parkeerterrein en inrit, geëgaliseerd. De top van het dekzand is aangetroffen op een diepte van 15120 cm – mv (20.50-19.75 cm + NAP). Op basis van de resultaten van het booronderzoek concludeert Bureau voor Archeologie dat alleen ter hoogte van boorpunt 1 in het noorden en boorpunt 9 in het zuiden van de onderzoekslocatie een intacte bodem aanwezig is. Deze twee boringen zijn gezet in gebieden, die hetzij onbebouwd (noordelijk deel plangebied), hetzij op de binnenplaats van bebouwing gelegen waren (zuidelijk deel plangebied). Dat maakt dat alleen vindplaatsen verwacht worden in gebieden die voorheen niet bebouwd waren of in een binnenplaats gelegen zijn. Het gaat om twee zones van maximaal 960 m2 en ongeveer 120 m2 groot. Omdat bij de realisatie van de huidige plannen, voor zover bekend alleen ingrepen plaatsvinden in de noordelijke zone, adviseert Bureau voor Archeologie alleen vervolgonderzoek in de noordelijke zone in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Beoordeling Het rapport is goed geschreven en voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied een esdek is gevormd, dat in een groot deel van het plangebied niet meer aanwezig is.
Uit een vergelijking van de NAP hoogtes van de C-horizont in de boorstaten blijkt echter dat deze in het oostelijke deel van het plangebied nergens diepgaand verstoord is. Dit is wel het geval in het westelijke deel van het onderzoeksgebied. We kunnen daarom instemmen met het advies dat vervolgonderzoek nodig is in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, maar adviseren het onderzoeksgebied te vergroten (zie afbeelding hieronder). Naast bovenstaande hebben we slechts 1 opmerking: 4 Resultaten met bodemkundige interpretatie De top van het natuurlijke dekzand ligt tussen 15 en 120 cm -mv (2210 en 2120 cm NAP). Volgens figuur 5 ligt het niveau van de C-horizont op ca.2050-1975 cm NAP.
2 van 3
Selectieadvies Omdat uit het archeologisch vooronderzoek blijkt dat de kans op archeologische waarden in het oostelijke deel van het plangebied hoog is (zie afbeelding binnen rode kader), zal hier een vervolgonderzoek moeten plaatsvinden in de vorm van een karterend en waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek (conform protocol Proefsleuven KNA 4.1, de SIKB Leidraad proefsleuven). Dit proefsleuvenonderzoek moet uitgevoerd worden door een archeologisch bedrijf dat gecertificeerd is voor het uitvoeren van archeologische opgravingen (Erfgoedwet 2016), aan de hand van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Doel van dit vervolgonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting die gebaseerd is op het reeds uitgevoerde bureau- en booronderzoek. Op basis van de uitkomsten van dit proefsleuvenonderzoek beslist de gemeente of de archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien hierbij archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze veilig gesteld te worden door mogelijke planaanpassing en als dat niet mogelijk is, door het opgraven van de aanwezige archeologische resten. Het besluit hierover ligt bij de gemeente.
Afbeelding: Resultaten van het booronderzoek met KLIC, voormalige en nieuwe bebouwing en waterpartijen (Durczak 2022 figuur 6) met daarop geprojecteerd het advies voor vervolgonderzoek (binnen rode kader).
Het westelijke deel van het plangebied kan vrijgegeven worden voor de voorgenomen ontwikkeling. Omdat de aanwezigheid van archeologische resten nooit geheel kan worden uitgesloten op basis van het uitgevoerde onderzoek, blijft in deze zones wel de meldingsplicht ten aanzien van archeologische vondsten conform de Erfgoedwet gelden. Dit betekent dat, indien er tijdens toekomstige grondwerkzaamheden toch onverwacht archeologische vondsten worden aangetroffen, men dit zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de gemeente Geldop-Mierlo dient te melden (Erfgoedwet 2016, artikelen 5.10 en 5.11).
3 van 3