Bijlage 1 concept Alcoholverordening 2022.pdf
Tekst van het document
Alcoholverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2022 De raad van de gemeente Geldrop-Mierlo; Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders (1186268) van 26 april 2022, Gehoord de Commissie Algemene Zaken op 24 mei 2022
Besluit vast te stellen de Alcoholverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2022
Afdeling 1 Toezicht op horecagelegenheden
Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: 1.
Horecagelegenheid: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse en/of elders dan ter plaatse, worden bereid of verstrekt. Onder een horecagelegenheid wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, afhaalcentrum, buurthuis of clubhuis. Onder horecagelegenheid wordt tevens verstaan een bij deze gelegenheid behorend terras en andere aanhorigheden.
2.
Terras: een buiten de besloten ruimte van de horecagelegenheid liggend deel, waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
3.
Houders: de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de horecagelegenheid wordt geëxploiteerd.
4.
Leidinggevende: 1.
de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de horecagelegenheid wordt uitgebaat, met uitzondering van bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 van de Alcoholwet;
2.
de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de horecagelegenheid wordt uitgebaat;
3.
5.
de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de horecagelegenheid.
Bezoeker: een ieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: 1.
leidinggevenden;
1
2.
personen die dienst doen in de inrichting;
3.
personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 2 Exploitatievergunning horecagelegenheid 1.
Het is verboden een horecagelegenheid te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.
Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruik gemaakt van een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier.
3.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 is geen vergunning vereist voor een horecagelegenheid dat zich bevindt in a)
een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit en voor de horecagelegenheid dezelfde sluitingstijden gelden als voor de winkel ingevolge de Winkeltijdenwet.
4.
b)
een zorginstelling;
c)
een museum;
d)
een bedrijfskantine of – restaurant.
De burgemeester beslist in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij de horecagelegenheid behorende terrassen, voor zover deze zich op de weg bevinden, over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.
5.
De burgemeester beslist op een aanvraag voor een vergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.
6.
De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
7.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 3 Exploiteren van terrassen 1.
Het is verboden zonder melding aan de burgemeester een terras bij een bedrijf als bedoeld in artikel 1 onder 1 van deze verordening te exploiteren.
2.
De melding moet geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier of elektronische informatiedrager.
3.
De burgemeester beslist in geval van een melding die betrekking heeft op een of meer bij de horecagelegenheid behorende terrassen, voor zover deze zich op de weg bevinden, binnen vier weken na de datum van ontvangst van de melding over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.
4.
De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot de exploitatie, inrichting en uiterlijke kenmerken van het terras.
2
5.
Het bepaalde in dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Provinciale wegenverordening.
Artikel 4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een krachtens deze afdeling verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
De burgemeester kan de aan een exploitatievergunning verbonden voorschriften en beperkingen wijzigen, dan wel nieuwe voorschriften en beperkingen aan een exploitatievergunning verbinden.
Artikel 5 Tenaamstelling 1.
De exploitatievergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam gezet van de houder.
2.
De exploitatievergunning is niet overdraagbaar.
3.
In geval van beëindiging of overdracht van de horecagelegenheid (inclusief overdracht van aandelen) is de houder verplicht dit binnen één maand schriftelijk aan de burgemeester mee te delen.
4.
Het adres, de aard, locatie en omvang van het horecabedrijf worden op de exploitatievergunning vermeld.
5.
De namen van de leidinggevenden worden vermeld op het aanhangsel behorende bij de exploitatievergunning.
6.
De vergunning en het daarbij behorende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 8 lid 4, of een afschrift daarvan, zijn in de horecagelegenheid aanwezig.
Artikel 6 Vervallen exploitatievergunning De exploitatievergunning vervalt wanneer: a.
de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen (inclusief overdracht van aandelen);
b.
zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt;
c.
gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning;
d.
de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
Artikel 7 Melding verandering horecagelegenheid Indien een horecagelegenheid een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien wordt voldaan aan de op het moment van de melding
3
geldende eisen gesteld bij of krachtens deze Verordening, een gewijzigde vergunning, waarin de op grond van artikel 5 vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie.
Artikel 8 Melden leidinggevende 1.
De vergunninghouder meldt aan de burgemeester welke persoon hij verzoekt als leidinggevende bij of af te schrijven.
2.
De melding op grond van het eerste lid geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.
3.
De aanvraag tot wijziging moet geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier of elektronische informatiedrager.
4.
De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.
5.
Direct na de melding mag de leidinggevende als zodanig werkzaam zijn, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang nog niet op die melding is beslist.
6.
De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien: a.
niet voldaan wordt aan het gestelde in artikel 9, eerste lid onder b;
b.
in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
7.
De burgemeester verwijdert de leidinggevende uit het aanhangsel indien: a.
de leidinggevende hier zelf om verzoekt;
b.
de vergunninghouder hier om verzoekt;
c.
de vergunninghouder ter verkrijging van het gewijzigde aanhangsel onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt;
d.
niet langer wordt voldaan aan het gestelde in artikel 9, eerste lid onder b;
De vergunninghouder ontvangt een gewijzigd aanhangsel. Artikel 9 Weigeringsgronden 1.
De burgemeester weigert de exploitatievergunning:
4
a.
indien de vestiging of exploitatie van de horecagelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan en geen concreet zicht is op een planologische mutatie die de vestiging van de horecagelegenheid op die plaats mogelijk maakt;
b.
indien de houder en/of leidinggevende van de horecagelegenheid niet voldoet aan de eisen die worden gesteld bij of krachtens artikel 8, eerste lid, alsmede artikel 8, tweede lid van de Alcoholwet;
c. 2.
indien niet wordt voldaan aan artikel 27, eerste lid, onder b van de Alcoholwet.
De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren: a.
indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de horecagelegenheid of openbare orde en veiligheid op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
b.
bij toepassing van het bepaalde onder a houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de horecagelegenheid is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de horecagelegenheid en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie;
c.
in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 10 Intrekkings- of wijzigingsgronden 1.
De burgemeester trekt de exploitatievergunning in: a.
indien de leidinggevende als bedoeld in artikel 1, lid 4 onder 1 van de horecagelegenheid niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld bij of krachtens artikel 8, eerste lid, alsmede artikel 8, tweede lid van de Alcoholwet;
b.
indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
c.
er een persoon leidinggevende is geworden en deze niet op grond van artikel 8 is gemeld;
d.
het horecabedrijf is gewijzigd zonder voorafgaande melding aan de burgemeester als bedoeld in artikel 7;
e.
indien zich in of vanuit de horecagelegenheid feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de horecagelegenheid gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de horecagelegenheid.
2.
De vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.
als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
b.
als de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; 5
c.
als de houder dit verzoekt;
d.
een vergunninghouder in een periode van twee jaar tenminste driemaal op grond van artikel 8 om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 8 lid 6.
e.
er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 11 Sluitingstijd 1.
Horecagelegenheden, niet zijnde paracommerciële rechtspersonen, zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur.
2.
Horecagelegenheden, zijnde paracommerciële rechtspersonen, zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 24.00 uur en 06.00 uur.
3.
Indien er op grond van artikel 19 lid 2 of artikel 19 lid 3 door de burgemeester ontheffing is verleend zijn horecagelegenheden, zijnde paracommerciële rechtspersonen, in afwijking van lid 2, gesloten tussen 01.00 uur en 06.00 uur.
4.
Het is verboden een horecagelegenheid voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de horecagelegenheid te laten verblijven na sluitingstijd.
5.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
6.
De ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.
als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de ontheffing, moet worden aangenomen, dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is vereist;
7.
b.
als de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
c.
als de houder dit verzoekt.
Het eerste, tweede, derde en vijfde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
8.
De burgemeester beslist op een aanvraag voor een ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
9.
De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
10. Op het besluit als bedoeld in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 6
Artikel 12 Afwijking sluitingstijd 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecagelegenheden tijdelijk andere dan de krachtens artikel 11 van deze verordening geldende sluitingstijden vaststellen.
2.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 13 Tijdelijke sluiting 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecagelegenheden tijdelijk sluiting bevelen.
2.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
3.
Voorts kan de burgemeester voor een bepaalde tijd sluiting bevelen, indien de inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.
Artikel 14 Aanwezigheid leidinggevende Het is verboden een horecagelegenheid voor bezoekers geopend te hebben indien niet in de horecagelegenheid aanwezig is: a.
een leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij de vergunning, bedoeld in artikel 5, vijfde lid of;
b.
een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 8, eerste lid, is gemeld, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang nog niet op die melding is beslist.
Artikel 15 Aanwezigheid in gesloten horecagelegenheid 1.
Het is bezoekers verboden zich in een horecagelegenheid te bevinden gedurende de tijd dat de gelegenheid bij of krachtens deze verordening gesloten dient te zijn.
2.
Het is verboden een horecagelegenheid geopend te hebben, daarin bezoekers te ontvangen, toe te laten of aanwezig te hebben, gedurende de tijd dat de gelegenheid bij of krachtens deze verordening gesloten dient te zijn.
Artikel 16 Ordeverstoring Het is verboden in een horecagelegenheid de orde te verstoren. Artikel 17 Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 7
Afdeling 2 Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet Artikel 18 Begripsomschrijvingen 1.
2.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder: a)
de wet: Alcoholwet;
b)
vergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de wet.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder de overige begrippen verstaan hetgeen de wet daaronder verstaat.
Artikel 19 Regulering paracommerciële rechtspersonen 1.
Paracommerciële rechtspersonen verstrekken: a)
uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met één uur voor aanvang en eindigende met twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.
b)
2.
in geen geval alcoholhoudende drank op: •
maandag tot en met vrijdag voor 16.00 en na 24.00 uur;
•
zaterdag voor 12.00 uur en na 24.00 uur;
•
zondag voor 12.00 uur en na 24.00 uur.
Indien op deze dag(en) sprake is van een officiële, door de sportbond uitgeschreven competitie of sprake is van een onder auspiciën van de desbetreffende sportbond georganiseerd toernooi, kan door de burgemeester op verzoek van de betreffende sportvereniging ontheffing worden verleend van het bepaalde in lid 1 sub b tot maximaal 01.00 uur. De sportvereniging(en) overlegt(gen) daartoe aan het begin van de competitie een overzicht van de officiële competitiewedstrijden en toernooien aan de burgemeester. Met betrekking tot de in dit lid omschreven activiteiten is het gestelde in artikel 20 van deze Verordening voor wat betreft het maximaal aantal ontheffingen per jaar niet van toepassing.
3.
Indien op deze (dag)en sprake is van podiumactiviteiten, kan door de burgemeester op verzoek van de betreffende sociaal-culturele accommodatie ontheffing worden verleend van het bepaalde in lid 1 sub b tot maximaal 01.00 uur. De sociaal-culturele accommodatie overleg(t) daartoe aan het begin van het (podium)jaar een overzicht van de podiumactiviteiten van dat jaar aan de burgemeester. Met betrekking tot de in dit lid omschreven activiteiten is het gestelde in artikel 20 van deze Verordening voor wat betreft het maximaal aantal onheffingen per jaar niet van toepassing.
4.
Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank: a)
tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, of
8
b)
tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende paracommerciële rechtspersoon zijn betrokken.
5.
Het is paracommerciële rechtspersonen verboden om de mogelijkheid tot het houden (waaronder inbegrepen de verhuur van het pand en inventaris) van bijeenkomsten van persoonlijke aard, waarbij alcoholhoudende drank wordt verstrekt, openlijk aan te prijzen of onder de aandacht te brengen met bijvoorbeeld posters, brochures, publicaties in kranten of tijdschriften, internet of via social media kenbaar te maken.
Artikel 20 Verruiming schenktijden In geval op grond van artikel 11 door de burgemeester ontheffing is verleend (max. 5 maal per jaar) van de geldende sluitingstijd voor paracommerciële rechtspersonen mag tot uiterlijk 01.00 uur alcohol verstrekt worden. Artikel 21 Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven 1.
Het is verboden voor 09.00 uur bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse.
2.
De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
3.
Het is horecalokaliteiten niet toegestaan om bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken tegen een prijs die lager is dan 60% van de prijs die gewoonlijk in de horecalokaliteit wordt gevraagd voor een periode van 24 uur of korter.
Artikel 21a Organiseren van proeverijen door slijtersbedrijven Het is slijtersbedrijven toegestaan proeverijen te organiseren mits deze voldoen aan de in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit genoemde voorwaarden en plaatsvinden op een moment dat het bij of krachtens de Winkeltijdenwet is toegestaan het slijtersbedrijf te openen.
Afdeling 3 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 22 Verboden drankgebruik 1.
Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
9
b.
de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 23 Vervoermiddelen waarop bedrijfsmatig alcoholhoudende dranken worden verkocht Het is op vervoermiddelen die zijn bestemd voor het vervoer van personen waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt, verplicht dat een medewerker aanwezig is die voldoet aan de in artikel 8, derde lid van de Alcoholwet gestelde eis.
Afdeling 4 Straf- overgangs- en slotbepalingen Artikel 24 Hardheidsclausule In bijzondere gevallen kan de burgemeester van het bepaalde in deze afwijken, indien strikte toepassing van het bepaalde voor een of meer belanghebbenden onevenredig zou zijn in verhouding tot de met deze verordening te dienen doelen en met de belangen ter waarborging waarvan deze verordening is opgesteld. Artikel 25 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecagelegenheid geen gelegenheid is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, worden de in afdeling 1 aan de burgemeester toegekende bevoegdheden uitgeoefend door het college. Artikel 26 Strafbepaling 1.
Overtreding van het bepaalde bij of krachtens afdeling 1 van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.
2.
Voor wat betreft overtredingen van het bepaalde bij of krachtens afdeling 2 van deze verordening zijn de straf- en sanctiebepalingen van de Alcoholwet van toepassing
Artikel 27 Toezicht 1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 1 van deze verordening zijn belast de bij besluit van de burgemeester aangewezen ambtenaren.
2.
Voor wat betreft het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens afdeling 2 van deze verordening is paragraaf 7 van de Alcoholwet van toepassing.
Artikel 28 Inwerkingtreding en citeertitel 1.
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2022.
10
2.
Op hetzelfde tijdstip wordt de Alcoholverordening gemeente Geldrop-Mierlo van 1 juli 2021 ingetrokken.
3.
Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Alcoholverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2022.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Geldrop-Mierlo d.d. 7 juni 2022, De raad voornoemd,
W.H.F. Geboers
J.C.J. van Bree
griffier
voorzitter
11
Toelichting Alcoholverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2022
Afdeling 1 Toezicht op horecagelegenheden
Algemene toelichting
Deregulering
In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in het verleden
bekeken of het horeca-exploitatievergunningstelsel in de APV ingevoerd moet worden. In met name kleine gemeenten met een overzichtelijk uitgaansgebied en/of enkele bekende
horecaondernemingen, is er niet altijd behoefte aan zo'n stelsel. Anderzijds hebben veel
gemeenten toch behoefte aan de horeca-exploitatievergunning. Deze gemeenten zijn namelijk van mening dat deze vergunning noodzakelijk is voor het handhaven van de openbare orde en
het tegengaan van de overlast. Gemeente Geldrop-Mierlo heeft ervoor gekozen om het horeca-
exploitatievergunningstelsel weer in te voeren. Deze vergunningplicht is nu overgeheveld van de APV naar deze Alcoholverordening.
Europese Dienstenrichtlijn
De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van een
horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De Dienstenrichtlijn
eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. In bijna alle
gevallen gaat het bij horeca om vestiging van een openbare inrichting waarvoor artikel 9 van de richtlijn de bovenstaande criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9 verstaan een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat onder meer de volgende gronden:
openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55
van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; Zie verder
overweging 40 van de richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule of reason’. Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een horecaondernemer die de grens
overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet artikel 9, maar artikel 16 van toepassing
12
dat uitsluitend de criteria openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8.
Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een algemene regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de vergunning. Alleen door het stellen van
vergunningvoorwaarden aan de ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het confectiepak voldoet hier niet.
Vestiging: Op grond van overweging 37 is er overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor
onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt.
Bestemmingsplan
Een regeling via het bestemmingsplan achten wij minder adequaat. Een bestemmingsplan
ordent immers de ruimte en is niet bedoeld voor het handhaven van de openbare orde. Er
mogen alleen ruimtelijk relevante factoren worden meegewogen. Het is natuurlijk mogelijk om in een bestemmingsplan een horecafunctie positief te bestemmen of juist uit te sluiten of per plangebied een maximumstelsel in het leven te roepen. En dat gebeurt ook. Maar de
burgemeester kan op grond van de huidige regelgeving niet overgaan tot tijdelijke of algehele
sluiting van de horecaonderneming in geval van (gevaar voor) verstoring van de openbare orde of om overlast buiten de inrichting tegen te gaan.
Bovendien is de gemeente “binnen de bebouwde kom” (nog) niet verplicht om een
bestemmingsplan vast te stellen. En juist in die gebieden wordt de meeste horeca geëxploiteerd. Vooral in oude binnensteden heerst in veel gemeenten nog een ratjetoe van oude, onvolledige
en ontoereikende bestemmingsplannen of zelfs “witte vlekken” met een bestemmingsplanloos gebied.
Natte en droge horeca
De reikwijdte van de Alcoholwet wordt bepaald door het begrip “horecabedrijf” zoals
gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet. Bedrijven waarin alcoholhoudende 13
dranken bedrijfsmatig of anders dan om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse,
hebben een vergunning nodig ex artikel 3 van de Alcoholwet. Die vergunningplichtige bedrijven duiden we aan met de term natte horeca.
In artikel 1 wordt de term horecagelegenheid gebruikt. Dit om verwarring met het begrip
horecabedrijf uit de Alcoholwet te voorkomen. Onder het begrip horecagelegenheid wordt namelijk ook de droge horeca verstaan. De bepalingen in dit artikel betreffen dus ook de
bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt: de droge horeca zoals tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops. De term horecagelegenheid is in de
begripsomschrijving in artikel 1 opgenomen om ook coffeeshops onder de APV te laten vallen. In deze paragraaf worden coffeeshops dan ook als gewone horecabedrijven behandeld en zijn geen bijzondere bepalingen over coffeeshops opgenomen.
Dat roept de vraag naar de verhouding met de Opiumwet op. De Opiumwet verbiedt immers de handel in drugs. Uitgangspunt is dat de vergunningverlening op grond van de
Alcoholverordening daar geen betrekking op heeft, maar wel op de exploitatie van een
alcoholvrije inrichting. Dat laat overigens onverlet dat ten aanzien van coffeeshops - vanwege
de effecten die met name deze inrichtingen kunnen hebben op de openbare orde - wel degelijk een specifiek beleid kan worden vastgesteld. Meer informatie hierover is te vinden in de
publicatie 'De Wet 'Damocles', bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet' van het Steun- en informatiepunt drugs en veiligheid (VNG-uitgeverij, Den Haag 1999).
Daarnaast is het ook mogelijk om voor de exploitatie van bijvoorbeeld een internetcafé een exploitatievergunning van de burgemeester verplicht te stellen indien het internetcafé ook
horeca-activiteiten ontplooit, zoals de exploitatie van een koffiehoek. Indien het internetbedrijf alleen internetdiensten aanbiedt, is er geen vergunning nodig. Hierover is een rechterlijke uitspraak die u hieronder kunt vinden onder het kopje “Jurisprudentie APV”.
Bibob-toets en VOG
Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is een
integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Alcoholwet jo. artikel 3, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De Alcoholwet geldt niet voor
bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. In het kader van de
vergunningsplicht op grond van de Alcoholverordening is het voor gemeenten mogelijk om ook voor de aanvrager van een vergunning voor de exploitatie van bijvoorbeeld een coffeeshop een
14
Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. De horecaexploitatievergunning is immers op grond van artikel 5 persoonsgebonden.
Artikel 7 van de Wet BIBOB bepaald dat een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van
burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester kan worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB.
Dit zijn in dit geval dus horecagelegenheden zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Alcoholverordening. Dit betekent dat voor horecagelegenheden in de zin van de
Alcoholverordening een Bibob-onderzoek mag worden gedaan. Zonder de Alcoholverordening is hier geen wettelijke grondslag voor. De Dienstenrichtlijn verzet zich niet tegen een Bibobonderzoek.
De exploitant van de inrichting speelt een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt.
Daarom kan het raadzaam zijn om een verplichting voor de vergunningaanvrager op te nemen
om een recente VOG voor de leidinggevende te overleggen. De leidinggevende kan de aanvrager zelf zijn, maar ook een werknemer.
Onbepaaldheid van de duur
De exploitatievergunning geldt voor onbepaalde tijd. Indien de gemeente niettemin een
tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien jaar, dan mag dit slechts op gronden ontleend aan dwingende redenen van algemeen belang.
Overige wet- en regelgeving
Op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Alcoholwet nog vele andere regels van
toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer, Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, Wet op de kansspelen, Opiumwet, Wet ruimtelijke ordening en Woningwet.
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit)
15
Op openbare inrichtingen zijn de regels van de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing.
Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het
Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
milieubeheer. Bij dit besluit is een aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van koolzuur en afvalstoffen opgenomen. De tekst van het besluit is te vinden op: www.overheid.nl. Nadere informatie is te vinden op: www.vrom.nl, www.infomil.nl en www.horeca.org.
Geluidsnormen
Het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als nieuwe horeca-
inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische voorschriften stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te voldoen. Daarnaast kan de gemeente afwijkende
geluidsnormen voorschrijven voor de gehele activiteit of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes. Hierbij kunnen aanvullende eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de activiteit.
In paragraaf 6.5 van het Activiteitenbesluit zijn overgangsbepalingen opgenomen.
Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn vrijgesteld van
de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente bij verordening afwijkende regels kan stellen.
Voor horecaconcentratiegebieden blijft dezelfde mogelijkheid als onder het oude Besluit bestaan, namelijk dat er meer geluid mag worden geproduceerd.
Jurisprudentie APV
Een gemeentelijke verordening waarin een vergunningstelsel is opgenomen dat specifiek regels
stelt ten behoeve van coffeeshops is in strijd met de Opiumwet. Rb Amsterdam 16 januari 1998
en 19 januari 1998, AB 1998, 222 en 223 m.nt. FM; Rb Dordrecht 3 juli 1998, JG 98.0202; Pres. Rb Rotterdam 16 juli 1998, JG 98.0203 en Pres. Rb Zutphen 14 september 1998, JG 98.0204 m.nt. W.A.G. Hillenaar.
16
Burgemeester is bevoegd tot bestuursdwang, dit vergt wel zorgvuldigheid bewijsvoering.
Afvoeren van gedooglijst is geen gedoogbesluit. LJN-nr. AO7469, JG 04.0105 m. nt. A.L. Esveld.
Weigering om af te wijken van beleidsregels om een nog niet gevestigde coffeeshop te gedogen is een Awb-besluit. Rechtbank Assen, 03/527BESLU, JG 04.0104 m. nt. A.L. Esveld.
Intrekken gedoogverklaring brengt niet-ontvankelijk verklaring met zich mee, zolang niet feitelijk handhavend is opgetreden. LJN-nr. AO6089, JG 04.0079 m. nt. A.L. Esveld.
Uitoefening bestuursdwangbevoegdheid is mogelijk, het ontbreken van vastgesteld en
gepubliceerd coffeeshopbeleid doet daar niet aan af. LJN-nr. AO2883, JG 04.0110, m. nt. A.L. Esveld.
Exploitant horeca-inrichting verantwoordelijk voor handelingen in zijn inrichting met betrekking tot handel in softdrugs. Inrichting gesloten. LJN-nr. AI0787, JG 03.0168 m. nt. T. van der Reijt.
Sluiting woning op grond van art. 174a Gemeentewet om andere reden dan drugsoverlast toegestaan. LJN-nr. AF5325, JG. 03.0126, m. nt. T. van der Reijt.
Verspreiding via internet van cannabismenulijsten is volgens de Opiumwet openbaarmaking . LJN-nr. AO6423, JG 04.0130 m. nt. A.L. Esveld.
Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. LJN-nr. AP0405, JG 04. september, m. nt. A.L. Esveld.
Een hennepkwekerij van 89 planten in een woning leidt niet tot ontbinding van het huurcontract. LJN-nrs. AQ9905 en AQ9850, JG 04.0131, m. nt. A.L. Esveld.
Gebiedsontzegging i.v.m. met overlast, die te maken heeft met de handel in en het gebruik van verdovende middelen, zijn gerechtvaardigd door het algemeen belang in een democratische samenleving. LJN-nr. AP8138, JG 04.0132 m. nt. A.L. Esveld.
17
Het onderverhuren van een kamer in een woning t.b.v. een hennepkwekerij leidt tot ontbinding huurcontract. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, rolnr. C0201144/HE, JG 04.0151, m. nt. A.L. Esveld.
Aankondiging bevel tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet is geen besluit in de zin van de Awb. Rechtbank Groningen, AWB 03/90 GEMWT VEN, JG. 03.0064 m.nt. T. van der Reijt.
Ook een gedoogbeschikking i.p.v. een gedoogverklaring is geen besluit in de zin van de Awb. LJN-nr. AR2178, JG 04.0162 m.nt. A.L. Esveld.
Aan het ongegrond verklaren van een bezwaar tegen het schrappen van de lijst met gedoogde coffeeshop komt een gemeente niet toe, de bezwaarmaker is immers volgens vaste
jurisprudentie van de Raad van State niet-ontvankelijk. LJN-nr. AR7067, JG 05.0034 m.nt. A.L.
Esveld. Een Kapvergunning voor de exploitatie van een horecabedrijf is persoonsgebonden. Dat tevens een gedoogverklaring voor de exploitatie van een coffeeshop is verstrekt doet hier niet aan af. Na overlijden vervalt de vergunning en gedoogverklaring. LJN-nr. AS5523, JG 05.0050 m.nt. A.L. Esveld.
Voor de exploitatie van een internetcafé is een exploitatievergunning van de burgemeester
nodig indien het ook horeca-activiteiten ontplooit. Pres. Rb. Rotterdam 2 augustus 2000, nr. VGMWET 00/1559-ZWI).
Jurisprudentie Drank- en Horecawet/Alcoholwet
Per 1 juli 2021 is de Drank- en Horecawet gewijzigd. De gewijzigde wet is per 1 juli 2021 in werking getreden. De wet wordt voortaan aangeduid als Alcoholwet door wijziging van de citeertitel in artikel 49 van de wet. Veel artikelen zijn inhoudelijk niet gewijzigd. De
jurisprudentie zoals die is ontstaan onder de Drank- en Horecawet kan dan ook worden voortgezet onder de Alcoholwet.
Sommige horecaondernemers ondervinden economische last van de horeca-activiteiten van verenigingen, buurthuizen e.d. (zogenoemde paracommerciële inrichtingen). Gemeenten
moeten op grond van de Alcoholwet voorwaarden stellen om e.e.a. in goede banen te leiden. Op 1 januari 2000 is de Stichting Bevordering Eerlijke Mededinging horeca-activiteiten (afgekort: BEM!) gestart met het beteugelen van oneerlijke mededinging vanwege paracommerciële
inrichtingen door gemeenten en paracommerciële inrichtingen er op te wijzen dat gemeenten 18
voorwaarden moeten stellen en dat de inrichtingen deze moeten naleven. De
horecaondernemers deden dat liever niet zelf omdat zij repercussies vreesden.
De BEM! was speciaal voor (het uitdelen van waarschuwingen en) het voeren van processen opgericht omdat de ABRS bepaalde (onder meer in de uitspraak van 19 februari 1996,
R03.93.2171, AB 1996, 241) dat de landelijke vereniging Koninklijk Verbond van Ondernemers
in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf “Horeca Nederland” te Woerden niet ontvankelijk was. De Afdeling oordeelde toen dat met artikel 3a (thans artikel 4) van de toenmalige Drank- en
Horecawet is beoogd het zogenoemd paracommercialisme te beteugelen ten faveure van
reguliere horecaondernemers - een belang dat zich naar zijn aard in beginsel leent voor een
collectieve behartiging ervan op plaatselijk of regionaal niveau. De Afdeling achtte dit belang niet zodanig van aard dat Horeca Nederland zich dit als landelijk opererende vereniging -
binnen het kader van haar zeer algemene doel - kan aantrekken. De Afdeling constateert nu dat het doel van de BEM! op zichzelf voldoende specifiek is maar dat de belangen die de BEM! wil behartigen toch plaatselijke of hooguit regionale kwesties betreffen. Dat kunnen de
horecaondernemers volgens de Afdeling zelf wel doen, ook al vrezen zij eventuele repercussies. De BEM! is volgens de Afdeling daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Terzijde wordt vermeld dat de minister van VWS in de Alcoholnota (TK 2000-2001, 27565, nr. 2) aangeeft voornemens te zijn de bepalingen over het paracommercialisme te schrappen
vanwege het feit dat bepalingen die zijn ingegeven uit economische overwegingen niet in een volksgezondheidwet als de toenmalige Drank- en Horecawet thuis horen. ABRS 22-05-2002, 200103867/1, LJN-nr. AE2813, JG 02.0129 m.nt. A.L. Esveld.
Gevolmachtigde als leidinggevende horecabedrijf geaccepteerd, in tegenstelling tot huidige praktijk. LJN-nr. AG1744, JG 04.0078 m.nt. A.L. Esveld.
Internetcomputers trekken een zelfstandige stroom bezoekers, strijd met de Drank- en
Horecawet. LJN-nr.AO 8501, JG 04.0103 m.nt. A.L. Esveld: Gst 2004, 188 m. nt. J.L.A. Kessen.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
De omschrijving van het begrip "horecagelegenheid” sluit zoveel mogelijk aan bij de Alcoholwet. In de praktijk is gebleken dat in coffeeshops soms uitsluitend cannabisproducten tegen
vergoeding worden verstrekt (en genuttigde dranken om niet). Om te voorkomen dat een coffeeshop in dat geval niet zou worden bestreken door de begripsomschrijving
"horecagelegenheid", is in het eerste lid de aanduiding "rookwaren" toegevoegd. 19
De exploitatievergunning wordt verleend aan de houder. Het moge duidelijk zijn dat hiermee de ondernemer wordt bedoeld. Een onbeperkt gevolmachtigde kan eveneens als houder worden
aangemerkt. Een beperkt gevolmachtigde wordt niet als houder beschouwd. Het kan voorkomen dat meerdere personen als houder aangemerkt moeten worden. Dit zou zich kunnen voordoen bij een vennootschap onder firma (VOF). Voor alle duidelijkheid wordt erop gewezen dat een
VOF geen rechtspersoon is. De houder is in beginsel altijd verantwoordelijk voor de gang van zaken in en om de horecagelegenheid.
De omschrijving van het begrip ‘leidinggevende’ sluit zoveel mogelijk aan bij die van het begrip ‘leidinggevende’ in artikel 1 van de Alcoholwet. Het algemene begrip leidinggevende omvat de ondernemer, de beheerder en de bedrijfsleider. De ondernemer is beschreven onder a, de
bedrijfsleider en beheerder onder b. Met het aanmerken van de ondernemer als leidinggevende staat buiten twijfel dat deze verantwoordelijk is voor de gang van zaken. Voor alle
leidinggevenden gelden de eisen van artikel 9/10 lid 1. Bij een besloten vennootschap zullen
alle bestuurders aan de eisen moeten voldoen, aangezien bij hen de algemene leiding van de onderneming berust. In geval de besloten vennootschap een onderdeel is van een
holdingstructuur gelden de gestelde eisen op het niveau van de werkmaatschappij, dus niet voor de bestuurders van de ‘holding’. Bij een vennootschap onder firma gelden de eisen voor alle vennoten.
Jurisprudentie
Een café is geen discotheek! LJN-nr. AO9751, JG 04.0133 m.nt. A.L. Esveld.
Artikel 2
Exploitatievergunning horecagelegenheid
Eerste lid
Het eerste lid introduceert de vergunningplicht. Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de
burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester verleend.
De Europese Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. De richtlijn is van toepassing op horeca. Het drijven van een
20
horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. Voor wat betreft de
noodzakelijkheid moet een gemeente afwegen of er dwingende redenen van algemeen belang zijn die een vergunningstelsel rechtvaardigen. Het gaat hier om de ‘rule of reason’, omdat er
bijna altijd sprake is van vestiging van een horecaondernemer. Op vestiging van buitenlandse dienstverleners is artikel 9 van toepassing. Nadere uitleg hiervan en van het begrip proportionaliteit vindt u onder het algemeen deel van deze afdeling.
Tweede lid
Om een aanvraag om vergunning te kunnen beoordelen is het van belang dat de aanvrager de
nodige gegevens en bescheiden verschaft. Zie hiertoe ook de artikelen 4:2 tot en met 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Met het oog hierop is in dit artikel bepaald dat de aanvrager
gebruik dient te maken van een aanvraagformulier. Indien niet of niet volledig wordt voldaan
aan het bepaalde in dit artikel (alsmede het BIBOB vragenformulier, zie beleidsregel BIBOB), kan de burgemeester, nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de omissie te verhelpen,
besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derde lid
Voor een aantal categorieën van kleinschalige openbare inrichtingen waar geen alcohol wordt
geschonken, en waar de openbare orde evident niet in het geding is, is in de visie van de VNG geen vergunning nodig. Te denken valt aan tearooms, een ontbijthoekje bij de bakker,
bedrijfskantines en -restaurants etc. Vooralsnog is gekozen om winkels in de zin van de
Winkeltijdenwet, die als nevenactiviteit een horecagedeelte hebben, zorginstellingen, musea en bedrijfskantines en – restaurants uit te sluiten. De gemeente kan – indien gewenst - het
toepassingsgebied verder beperken door in het artikel eisen te stellen aan de afmetingen van de ruimte. Bijvoorbeeld deze mag maximaal 20 vierkante meter bedragen en niet meer dan 20 % van het vloeroppervlak.
Vijfde lid
Niet gebleken is dat dit in het algemeen geen haalbare termijn is. Het hanteren van deze termijn betekent overigens niet dat afhandeling van vergunningaanvragen altijd acht weken in beslag neemt. Veelal zal de afhandeling sneller plaatsvinden. De beslistermijn begint te lopen op de dag na die waarop de aanvraag is ontvangen. Deze termijn wordt opgeschort indien de
aanvrager wordt verzocht zijn aanvraag aan te vullen (artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht). 21
Zevende lid
Dit artikel valt onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn. Hier is er vanwege
dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de lex silencio niet van toepassing
te verklaren. Het gaat hier om een vergunning voor met name horeca-inrichtingen. Het zou met name vanwege aspecten van openbare orde en milieu onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde vergunning kunnen openen.
Artikel 3
Exploiteren van terrassen
Het terras is het visitekaartje voor de horecaondernemer. Hij neemt op dit punt dan ook zijn verantwoordelijkheid. De burgemeester kan nadere regels stellen aan het exploiteren, de inrichting en de uiterlijke kenmerken van het terras. Dit doet hij in het terrassenbeleid.
In afwijking van het bepaalde in dit artikel beslist de burgemeester in geval van een
vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecagelegenheid behorende terrassen, voor zover deze zich op de weg bevinden, over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.
Eerste lid
Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek
openstaande gebouwen. De acceptatie van de melding wordt daarom door de burgemeester verricht.
Artikel 4
Voorschriften en beperkingen
In dit artikel is uit oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel de bevoegdheid om voorschriften en beperkingen aan een vergunning of ontheffing te verbinden uitdrukkelijk vastgelegd. Voorschriften of beperkingen mogen alleen aan de vergunning of ontheffing
verbonden worden of in een zelfstandig besluit opgelegd worden indien deze strekken ter bescherming van de belangen die beoogd worden in de Alcoholverordening.
22
Niet nakoming van voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of ontheffing
verbonden zijn of in een zelfstandig besluit zijn opgelegd, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor een andere toepassing van handhaving. In artikel 10, lid 2 is de intrekkingbevoegdheid voor de exploitatievergunning vastgelegd. Op grond van artikel 23 wordt het overtreden van een voorschrift of beperking met straf bedreigd.
Artikel 5
Tenaamstelling
Op basis van dit artikel is de vergunning persoonsgebonden. De term persoonsgebonden kan duidelijk op de natuurlijke persoon, maar ook op een rechtspersoon. De vergunning wordt
immers verleend en op naam gezet van de houder en uit de definitie van artikel 1, lid 3 volgt dat de houder een natuurlijke persoon of rechtspersoon kan zijn. Dat de vergunning
persoonsgebonden is, is niet zonder reden. De houder speelt een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en bedrijfsvoering en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie de openbare orde, veiligheid, gezondheid, zedelijkheid of het woon- en leefklimaat beïnvloedt. Omdat de vergunning persoonsgebonden is, is deze niet overdraagbaar.
Bij lid 5 is aangesloten bij de Alcoholwet. Zodoende bestaat ook de exploitatievergunning uit twee delen: het algemene deel en het aanhangsel. Hiervoor is gekozen om de vergunningenprocedure te vergemakkelijken.
Artikel 6
Vervallen exploitatievergunning
Onder a Dit hangt samen met de bepaling dat een exploitatievergunning niet overdraagbaar is en
voorkomt dat bijvoorbeeld bij overdracht van een horecabedrijf zonder dat hiervoor vergunning is verleend een zware intrekkingprocedure moet worden gevolgd. Het feit dat de exploitatie is beëindigd of overgedragen kan onder andere blijken uit informatie van omwonenden, uit gegevens van de Kamer van Koophandel, het feit dat de op de vergunning vermelde
leidinggevenden niet aanwezig zijn, en dergelijke. De exploitatievergunning wordt geacht te zijn vervallen bij een gedeeltelijke overdracht van het horecabedrijf indien zich een wijziging heeft voorgedaan van één of meer ondernemers/vennoten van een VOF. De ondernemingsvorm
Vennootschap onder Firma geldt als een natuurlijk persoon. Indien een VOF bestaande uit twee
natuurlijke personen van samenstelling verandert, zijn de nieuwe personen niet rechthebbende
van de verleende omgeving. Ook is ervoor gekozen om in geval van overdracht van aandelen de vergunning te laten vervallen, ook al blijft in dat geval de rechtspersoon, dus de houder van de
23
vergunning dezelfde. Dit heeft te maken met het feit dat er altijd een natuurlijke persoon achter een BV zit. Het is uiteindelijk de natuurlijke persoon en niet de rechtspersoon die een
belangrijke rol in de wijze van exploitatie en bedrijfsvoering speelt en dus ook in de wijze
waarop deze exploitatie de openbare orde, veiligheid, gezondheid, zedelijkheid of het woon- en leefklimaat beïnvloedt.
Onder b en c Bij beide onderdelen is aangesloten bij de Alcoholwet. Met deze onderdelen wordt de geldigheid van vergunningen waarvan geen gebruik wordt gemaakt beperkt. Onderdeel b ziet op
vergunningen waarvan na de verlening in het geheel geen gebruik is gemaakt. Onderdeel c. ziet op vergunningen waarvan na verlening wel gebruik is gemaakt, maar dit gebruik op enig moment wordt gestaakt.
Artikel 7
Melding verandering horecagelegenheid
Met dit artikel is aansluiting gezocht met de Alcoholwet alsmede met de ervaringen in de
praktijk. Het komt nog weleens voor dat de aard van het horecabedrijf wordt gewijzigd, zonder
dat het bestuursorgaan hiervan op de hoogte is. Bijvoorbeeld het veranderen van een restaurant in een café. Dit betekent een verzwaring van de categorie. In dat geval is het noodzakelijk de
wenselijkheid hiervan te toetsen. Met dit artikel wordt de ondernemer verplicht een dergelijke wijziging te melden bij de burgemeester. Laat hij dit na, dan vormt dit een grond voor intrekking (artikel 10 onder d).
Artikel 8
Melden leidinggevende
Met dit artikel wordt aangesloten op een nieuw element in de Alcoholwet. Het betreft een versoepeling op het punt van vermelding van nieuwe leidinggevenden, namelijk op een aanhangsel bij de vergunning. Op deze manier hoeft niet bij iedere wijziging van een
leidinggevende een nieuwe vergunning afgegeven te worden. Een logisch complement hiervan is dat vergunninghouders een nieuwe leidinggevende doorgeven aan de burgemeester. Een
leidinggevende hoeft inschrijving op het aanhangsel niet af te wachten, hij/zij kan na melding bij het bevoegd gezag aan de slag, zodra de ontvangstbevestiging is ontvangen. De
burgemeester is verplicht deze onverwijld te sturen. De mogelijkheid te onderzoeken of een aangemelde leidinggevende voldoet aan de eisen gesteld in artikel 9/10 blijft bestaan.
24
De melding kan schriftelijk door middel van een formulier of door middel van een elektronische informatiedrager, vastgesteld door de burgemeester, gescheiden. De burgemeester bevestigt
onverwijld de ontvangst, hetzij schriftelijk, hetzij elektronisch. Het staat de burgemeester vrij uit deze varianten de vorm te kiezen die hij wil.
Artikel 9
Weigeringsgronden
De weigeringsgronden zijn aangescherpt om duidelijkheid te scheppen voor de medewerkers vergunningen. Daarnaast zijn de weigerings- en intrekkingsgronden op elkaar afgestemd.
Als het bestemmingsplan vestiging van een horecagelegenheid ter plaatse niet toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens
jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige
planologische regeling bevat. Weliswaar brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een
beoordeling van het geldende bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.
De exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant speelt immers
een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie
het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Om die reden kan het raadzaam zijn om de verplichting op te nemen voor de vergunningaanvrager om een recente verklaring
omtrent gedrag voor de leidinggevende te overleggen. Leidinggevende kan de aanvrager zelf zijn, maar ook iemand die bij hem in dienst is.
Een verklaring omtrent het gedrag (VOG) wordt aangevraagd bij de gemeente waar men staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Het Centraal Orgaan VOG geeft de verklaring namens de Minister van Justitie af.
In lid 1 zijn een aantal vereisten opgenomen waaraan de leidinggevenden dienen te voldoen. Deze eisen zijn opgenomen omdat de persoon van de leidinggevende van belang is voor de
wijze van exploitatie van het horecabedrijf. Zo zal een leidinggevende het persoon alsmede de bezoekers moeten kunnen aanspreken op hun gedrag. Hierbij zal het eigen gedrag van de leidinggevende een grote rol spelen. Met de vereisten wordt aansluiting gezocht bij de bestaande jurisprudentie en het Alcoholbesluit, beiden gebaseerd op de Alcoholwet.
25
Indien toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden van de Wet BIBOB, zal de gemeente eerst zelf al het mogelijke moeten doen om de integriteit en achtergrond van de
vergunningaanvrager te onderzoeken. Een belangrijk hulpmiddel kan daarbij de verklaring omtrent het gedrag zijn.
Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000
In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt
overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.
Tweede lid
Hier is bepaald dat het om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat. Het begrip
openbare orde moet wel binnen de kaders van de dienstenrichtlijn worden geïnterpreteerd. Met andere woorden: de interpretatie mag het kader van de ‘rule of reason’ niet te buiten gaan.
De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecagelegenheid zich verdraagt met het woon- en
leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te
duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden, staat omschreven in het tweede lid.
De weigeringsgrond woon- en leefmilieu valt onder de ‘rule of reason’ en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd.
Krachtens artikel 4 van deze verordening kunnen voorschriften worden verbonden aan de
exploitatievergunning. Deze kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de onderwerpen als
hier genoemd, indien daarmee wordt beoogd de openbare orde of de woon- en leefomgeving te beschermen.
26
Maximumstelsel
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat het in het belang van
de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld
maximum als door een veelheid van horecagelegenheden in de straat of de wijk de openbare
orde of het woon- en leefmilieu in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is.
De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn in de
Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn.
Het beleid kan worden neergelegd in een horecanota of een vergelijkbaar beleidsstuk, waarin gemotiveerd het maximum aantal te verlenen vergunningen is vermeld, of waarin
horecaconcentratie of horecastiltegebieden zijn aangewezen. Uiteraard zal dat beleid moeten overeenstemmen met het voor het gebied van kracht of in voorbereiding zijnde
bestemmingsplan. Een maximumstelsel kan ook in het bestemmingsplan zelf worden neergelegd.
In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen op een aanvraag om een vergunning als daarmee het maximum wordt overschreden. Daarbij zal de burgemeester steeds moeten nagaan, of bijzondere omstandigheden nopen tot het maken van een uitzondering op het beleid: iedere vergunningaanvraag moet immers zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen worden beoordeeld.
Artikel 10 Intrekkings- en of wijzigingsgronden
De meeste intrekkinggronden spreken voor zich en komen tegemoet aan de eisen van de praktijk.
Algemene achtergrond is de behoefte om de leidinggevenden van horecagelegenheden meer
rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun verantwoordelijkheid. Behalve dat zij niet van slecht levensgedrag mogen zijn, dienen zij ook te beschikken over het nodige ‘gezag’ en
27
verantwoordelijkheid om de orde in het bedrijf te handhaven. De intrekkinggronden genoemd
onder het eerste lid zijn imperatief. De in het tweede lid genoemde intrekkinggronden laten een beoordelingsmarge.
Lid 1 onder c
De leidinggevende is van groot belang voor het reilen en zeilen van de horecagelegenheid. Dit blijkt ook uit eerdere toelichting. Het spreekt dan ook voor zich dat een intrekkinggrond als deze niet kan ontbreken. Afwezigheid van in de vergunning vermelde leidinggevenden kan daarnaast op schijnbeheer of overname duiden. Dit zijn ongewenste zaken waartegen bestuursrechtelijk maatregelen genomen moeten kunnen worden.
Lid 2 onder d
Met dit lid wordt aangesloten bij het bepaalde in de Alcoholwet die eenzelfde intrekkinggrond kent.
Artikel 11 Sluitingstijden
Eerste, tweede en derde lid
Artikel 11 voorziet in een sluitingsregeling. Daarin is geen onderscheid gemaakt tussen de
sluitingstijden op werkdagen en de sluitingstijden gedurende het weekeinde. Wel is onderscheid gemaakt tussen reguliere horecagelegenheden en paracommerciële horecagelegenheden.
Grondslag voor de in de Alcoholverordening opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor horecagelegenheden vaststellen in het belang van de openbare orde. Deze bevoegdheid houdt ook in dat een
afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de zondag. Volgens HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet dit artikel de raad niet om voor de zondag een afwijkende regeling te treffen voor de sluitingstijden van cafés e.d. mits de grond voor de afwijking van de voor de andere
dagen geldende regeling niet gelegen is in het bijzondere karakter van de zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de Zondagswet naar haar strekking niet de gemeentelijke wetgever te beperken in zijn bevoegdheid om ter afwering van verstoring van de openbare orde voorzieningen te treffen.
28
De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke
horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.