CConstaterende datGeertruidenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting.pdf

Besluitvormende raad 16 december 2021, gemeente GeertruidenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Beethovenlaan 114.914 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Compositie 5 stedenbouw bv Boschstraat 35 4811 GB Breda telefoon

076 – 5225262

fax

076 – 5213812

email

info@c5s.nl

internet

www.c5s.nl

kvk Breda

20083802

Gemeente Geertruidenberg Bestemmingsplan “Beethovenlaan 1” te Raamsdonksveer

Datum: Projectnr.

16 december 2021 203466

Gemeente Geertruidenberg Bestemmingsplan “Beethovenlaan 1” te Raamsdonksveer

Inhoud 1. Toelichting 2. Regels 3. Verbeelding id.nr. : NL.IMRO.0779.BPRVBeethovlaan1-vs01 d.d. : 16-12-2021

Projectleider: Status:

dhr. ing. M.J. Volbeda Vastgesteld

Toelichting

INHOUD 1 1.1 1.2 1.3 1.4

INLEIDING 3 Inleiding....................................................................................................................................... 3 Ligging en begrenzing plangebied .............................................................................................. 3 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................ 4 Leeswijzer ................................................................................................................................... 5

2 2.1 2.2 2.3 2.4

PLANBESCHRIJVING 7 Inleiding....................................................................................................................................... 7 Huidige situatie ........................................................................................................................... 7 Toekomstige situatie ................................................................................................................... 8 Verkeer en parkeren ................................................................................................................. 11

3 3.1 3.2 3.3 3.4

RUIMTELIJK BELEIDSKADER 14 Inleiding..................................................................................................................................... 14 Nationaal beleid ........................................................................................................................ 14 Provinciaal beleid ...................................................................................................................... 16 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................. 20

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

PLANOLOGISCH RELEVANTE MILIEUASPECTEN 26 Inleiding..................................................................................................................................... 26 Geluid........................................................................................................................................ 26 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................ 28 Externe veiligheid ..................................................................................................................... 29 Bedrijven en milieuzonering...................................................................................................... 31 Ecologie .................................................................................................................................... 31 Water ........................................................................................................................................ 33 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................................................. 36 Bodem.......................................................................................................................................

40 Kabels en leidingen .................................................................................................................. 41 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ........................................................... 42

5 5.1 5.2 5.3 5.4

JURIDISCHE ASPECTEN 44 Algemene opzet ........................................................................................................................ 44 Verbeelding ............................................................................................................................... 44 Planregels ................................................................................................................................. 44 Toelichting op de bestemmingen .............................................................................................. 44

6 6.1 6.2 6.3

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 48 Inleiding..................................................................................................................................... 48 Toepassing Grondexploitatiewet .............................................................................................. 48 Economische uitvoerbaarheid .................................................................................................. 48

7 7.1 7.2 7.3 7.4

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 49 Inleiding..................................................................................................................................... 49 Vooroverleg en inspraak ........................................................................................................... 49 Zienswijzen ............................................................................................................................... 49 Vaststelling ............................................................................................................................... 49

1

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10

Watertoets Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Onderzoek Externe veiligheid Voortoets stikstof Quickscan soortenbescherming Tussenrapportage aanvullend onderzoek soortenbescherming Archeologisch onderzoek Verkennend bodemonderzoek Standaard verantwoording groepsrisico Nota vooroverleg en inspraak

Uitsnede topografische kaart. Het plangebied is met rode cirkel aangeduid. Bron: www.pdok.nl, 2021

2

1

INLEIDING

1.1

Inleiding Achtergrond Op de locatie Beethovenlaan 1 was voorheen een activiteitencentrum voor kinderen met autisme of een verstandelijke beperking gevestigd. De activiteiten zijn ter plaatse beëindigd en verplaatst naar een andere locatie. De huidige eigenaar is voornemens om de bestaande bebouwing te slopen en te vervangen door negen vrijstaande woningen. Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Raamsdonksveer Zuid” is de beoogde ontwikkeling niet mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Het college van Burgemeester en wethouders heeft op 25 augustus 2020 in principe ingestemd met de voorgenomen ontwikkeling. Het onderhavig bestemmingsplan voorziet in een nieuw juridisch-planologisch kader op grond waarvan de beoogde woningbouw mogelijk gemaakt wordt.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Ligging De Beethovenlaan 1 is gelegen in de wijk Raamsdonksveer Zuid. Het gebied ligt ingesloten tussen de A27, de A59 aan respectievelijk de oost- en zuidzijde. Ook aan de westzijde ligt een belangrijke verkeersader via de Oosterhoutseweg/Wilhelminalaan. Deze wegen vormen de hoofdontsluiting van de kern Raamsdonksveer. Begrenzing Het plangebied wordt zelf wordt aan de oostzijde begrensd door de A27, een groenzone met skatebaan aan de noordoostzijde, aan de zuidwestzijde door de vrijstaande woningen aan het Obrechthof. De Beethovenlaan zelf vormt de noordwestelijke grens van het plangebied. Het totale plan omvat het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Raamsdonk, sectie H, nummer 7825, 7826 en 7827

3

Luchtfoto met kadastrale percelen. Plangebied met rode contour aangegeven. Bron: www.pdok.nl, 2021.

1.3

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Raamsdonksveer Zuid’ dat op 14 oktober 2008 onherroepelijk is geworden. Aan de gronden van het plangebied zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen toegekend: • Bestemming ‘Maatschappelijke doeleinden’. • Dubbelbestemming ‘Leidingen’ (riooltransportleiding). • Bouwaanduidingen voor maximale goot- en bouwhoogten en maximaal bebouwingspercentage. • Bouwvlak. Het voornemen is gericht op het realiseren van negen bungalows. Het bouwen en het gebruik ten behoeve van wonen is in het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. Het bestemmingsplan bevat ook geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid die gebruikt zou kunnen worden om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. De ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan en het is daarom noodzakelijk om een nieuwe planologische regeling op te stellen. Naast het bovengenoemde bestemmingsplan is nog het plan “Paraplubestemmingsplan Parkeren - deel 2” van kracht. Dit plan is op 19 april 2018 vastgesteld. In dit bestemmingsplan wordt het parkeerbeleid en de parkeernormen verankerd in alle daaronder vallende bestemmingsplan. Het nu voorliggend bestemmingsplan wordt getoetst aan de normen van het parkeerbeleid. Dit onderwerp komt nader aan bod in paragraaf 4.10.

Verder vigeert voor het plangebied het bestemmingsplan “Parapluplan Archeologie” zoals door de gemeenteraad vastgesteld op 11 februari 2021. Dit bestemmingsplan beoogt de mogelijk

4

voorkomende archeologische waarden te beschermen. In paragraaf 4.7 wordt hier nader op ingegaan.

Uitsnede bestemmingsplan 'Raamsdonksveer Zuid”. Het plangebied is met een rode contour aangegeven. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2021.

1.4

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plangebied en van het initiatief gegeven. In hoofdstuk 3 wordt het van toepassing zijnde beleidskader beschreven. In hoofdstuk 4 komen de milieuhygiënische aspecten aan bod. In hoofdstuk 5 worden de bestemmingsregels en de verbeelding toegelicht. Tenslotte worden in hoofdstuk 6 en 7 respectievelijk de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid behandeld.

5

6

2

PLANBESCHRIJVING

2.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt een integraal gebiedsprofiel gegeven van het gebied dat de omgeving vormt van het plangebied. Om de onderhavige ontwikkeling in zijn ruimtelijke en functionele context te plaatsen wordt per aspect beschreven hoe deze structuur er uit ziet.

2.2

Huidige situatie De gemeente Geertruidenberg is gelegen in het noordwesten van de provincie Noord-Brabant ten noorden van de as Breda-Oosterhout. De gemeente bestaat uit de dorpen Geertruidenberg, Raamsdonk en Raamsdonksveer. Raamsdonksveer is de grootste kern in de gemeente Geertruidenberg. Raamsdonksveer heeft een aangenaam woon, werk en verblijfsklimaat. Er is een hoogwaardige kwaliteit van de openbare ruimte in wijken en buurten en er bestaan voldoende recreatiemogelijkheden voor onze inwoners. Raamsdonksveer is te typeren als een groot dorp met een dynamisch centrum en een meer dan gemiddeld voorzieningenaanbod. Rondom het centrum zijn Raamsdonksveer Noord en Raamsdonksveer Zuid gelegen, met als hoofdbestemming wonen. In deze buurten zijn ook andere voorzieningen te vinden, zoals sportvoorzieningen (o.a. tennis en voetbal), het Dongemond College (vmbo, havo en vwo) en verschillende basisscholen. Het voorzieningenniveau is aanzienlijk. In de wijken is een netwerk van groene plekken, voornamelijk aan de oost- en zuidoostzijde, nabij de A27 en A59. Deze groene plekken geven een ruimtelijk gevoel in de wijk en verhogen de kwaliteit van leven. Deze elementen zijn ook goed te herkennen rond het plangebied. De woningbouw zowel ten zuiden als ten noorden van de Beethovenlaan bestaat vrijwel uitsluitend uit vrijstaande woningen.

Hier en daar zijn twee-onder-één-kap woningen aanwezig. Basisschool de Vonder Groene plek aan de rand van Raamdsdonksveer

Plangebied De Rijkswegen (noord-zuid) en (oost-west)

A27 A59

De herkenbare structuur rondom het plangebied

7

Functionele structuur Binnen het plangebied zijn twee gebouwen aanwezig. Het hoofdgebouw aan de Beethovenlaan werd volledig benut ten behoeve van de dagopvang. Het achterliggende bijgebouw betreft een klein stalletje waar enkele schapen gehouden werden. Het terrein aan de zijde van de Beethovenlaan is volledig verhard. Hiervan maken ook de parkeervoorzieningen deel uit. Aan de kant van de A27 zijn de gronden overwegend groen met enkele verharde terrassen tegen de achtergevel van het hoofdgebouw.

luchtfoto plangebied. Bron: streetsmart.cyclomedia.com, 2021

2.3

Toekomstige situatie Om woningbouw op de locatie van het voormalig dagverblijf mogelijk te maken wordt een nieuw hofje gecreëerd. Langs deze straat worden de negen bungalows gerealiseerd. De woningen zullen energieneutraal, levensloopbestendig, flexibel en conform het politiekeurmerk uitgevoerd worden. Aan de zuidzijde verbreed de centrale as zich. In het midden zullen zes openbare parkeerplaatsen ingericht worden. Deze structuur sluit hiermee aan op de bestaande stedenbouwkundige structuur van het woongebied ten zuiden van de Beethovenlaan. De bestaande woningen liggen hier ook aan hofjes. Het betreft de Pijperhof, de Sweelinckhof, de Smijershof en de Obrechthof. Hiermee past het nieuwe hofje prima in de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving. Ten zuiden van de ontwikkeling ligt een groen uitloopgebied langs de A27 en de A59. Dit gebied blijft toegankelijk door het behoud en het versterken van wandelpaden. Ten zuidoosten ligt al een bestaand wandelpad en ten zuiden zal een nieuw wandelpad aangebracht worden.

8

Het plan voorziet in negen bungalows. De woningen krijgen een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 meter. Door het moeilijke akoestisch milieu ter plaatse zijn alleen bungalows mogelijk in het plangebied. Zie hiervoor ook paragraaf 4.2 van deze toelichting.

9

Verkavelingsopzet nieuwe situatie. Bron: Helder Projectontwikkeling BV, 2021

10

2.4

Verkeer en parkeren In 2016 heeft de gemeente Geertruidenberg het Parkeerbeleidsplan ‘Parkeren doen we zo’ vastgesteld. In deze nota zijn de parkeernormen opgenomen per kern van de gemeente. De gemeente Geertuidenberg is een matig stedelijk gebied met 1.000-1.500 adressen per vierkante kilometer. De kern Raamsdonksveer is opgedeeld in drie schillen, centrum, de schil rond het centrum en de rest bebouwde kom. Het onderhavig plangebied is gelegen in de rest bebouwde kom. Per schil gelden verschillende parkeernormen. Parkeren De ontwikkeling voorziet in de bouw van 9 vrijstaande woningen in de vorm van bungalows. De parkeernorm is 2,6 parkeerplaatsen per woning. De totale parkeerbehoefte in het plangebied komt uit op 23,4 parkeerplaatsen. Op eigen terrein wordt voorzien in parkeerplaatsen in de vorm van dubbele oprit zonder garage ( 9 stuks) en enkele oprit zonder garage (3 stuks). Naast meervoudig autobezit per huishouden komt het tegenwoordig ook voor dat een motorvoertuig groter is dan gemiddeld. Om deze reden geldt er een lagere norm. Een enkele oprit zonder garage telt als 0,8 parkeerplaats en een dubbele oprit zonder garage als 1,7 parkeerplaats. Op basis van deze normen moeten er op eigen terrein 23,4 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Het plan voorziet in totaal in 23,4 parkeerplaatsen op eigen terrein.

Voor openbare parkeerplaatsen geldt dat per woning 0,3 openbare parkeerplaatsen moeten worden aangelegd. Voor de beoogde negen woningen dienen derhalve 2,7 parkeerplaatsen aangelegd te worden. In het plan zijn in totaal zes openbare parkeerplaatsen opgenomen. Het plan voorziet in meer parkeerplaatsen dan de normen voorschrijven. Hiermee worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte. Verkeer Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-uitgave 381. In deze uitgave worden verkeersgeneratie normen gegeven voor uiteenlopende functies. Voor vrijstaande koopwoningen in een matig stedelijke omgeving in de schil rest bebouwde kom wordt een verkeersgeneratienorm gehanteerd van 7,8 tot 8,6 motorvoertuigen per woning per etmaal. De verkeersgeneratie komt daarmee uit op minimaal 70,2 tot maximaal 77,4 motorvoertuigen per etmaal. De negen woningen worden via een doodlopende weg ontsloten op de Beethovenlaan. Deze weg is een belangrijke ontsluitingsweg richting de A59. Deze weg wordt middels een inritconstructie aangesloten op de Beethovenlaan. Het verkeer komende uit het plangebied dient derhalve voorrang te verlenen aan het verkeer op de Beethovenlaan. Het verkeer van de nieuwe woningen moet afgezet worden tegen het huidige gebruik als activiteitencentrum voor kinderen met autisme of een verstandelijke beperking.

Een dergelijke instantie genereert ook verkeer in de vorm van personeel en het halen en brengen van de kinderen. Voor dergelijke voorzieningen zijn echter geen normen beschikbaar door de grote diversiteit van dergelijke voorzieningen.

11

De toename van maximaal 77,4 motorvoertuigen per etmaal op een belangrijke weg als de Beethovenlaan zal geen verkeersproblemen opleveren. De Beethovenlaan en omliggende wegen hebben voldoende restcapaciteit om de extra verkeersgeneratie op te vangen. Het toevoegen van het verkeer van de negen woningen is daarmee acceptabel.

12

Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor de afwikkeling van het verkeer en voorziet in voldoende parkeergelegenheid.

13

3

RUIMTELIJK BELEIDSKADER

3.1

Inleiding De gemeente Geertruidenberg heeft te maken met de vigerende beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen te voldoen aan dit beleid. Daarnaast dient de voorgenomen ontwikkeling zich eveneens te voegen binnen de marges van het gemeentelijke beleid. Het ruimtelijk beleid van de drie voorgenoemde overheden is per overheidslaag neergelegd in één of meerdere zogenoemde structuurvisies. Voor de realisatie van het beleid zetten de verschillende overheden een mix van instrumenten in; één van die instrumenten betreft het vertalen van het beleid uit de structuurvisie naar een juridisch bindende verordening. Hieronder zijn de voor dit bestemmingsplan relevante structuurvisies en verordeningen per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of de onderhavige ontwikkeling passend is binnen het beleid.

3.2

Nationaal beleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI), 2020 Toetsingskader Op 11 september is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie vervangt integraal de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Tegelijkertijd met het vervallen van de SVIR vervalt ook het Nationaal Milieubeleidsplan. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking.

Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoordeling De NOVI dient op regionaal niveau uitgewerkt te worden zodat een gebiedsgerichte aanpak en maatwerk mogelijk is. Deze uitwerking heeft nog niet plaatsgevonden en is bovendien op een schaalniveau die het onderhavig plangebied overstijgt.

14

Conclusie Het planvoornemen past binnen het Rijksbeleid.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft voor een beperkt aantal onderwerpen vastgesteld dat de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Deze kaderstellende uitspraken zijn zodanig geformuleerd dat deze beperkingen stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en het Rarro een relevante ruimtereservering geldt. In het radarverstoringsgebied Herwijnen, waarin het plangebied is gelegen, geldt een maximale bouwhoogte van 90 meter voor het oprichten van bouwwerken. Het onderhavige plan voorziet niet in het oprichten van bouwwerken met een dergelijke hoogte. De ontwikkeling raakt niet aan een van de nationale belangen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het Barro en Rarro niet van toepassing zijn op onderhavig plan. Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2012 Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden.

Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in

15

dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e.

Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige planvoornemen betreft de toevoeging van negen woningen. Gesteld kan worden dat het voorliggende initiatief niet voorziet in een ‘stedelijke ontwikkeling’. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige initiatief niet kan worden aangemerkt als een ‘stedelijke ontwikkeling’. Er behoeft dan ook niet te worden getoetst aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. 3.3

Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant, 2018 Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeersen vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie.

16

In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Beoordeling Het onderhavige plan betreft de bouw van 9 bungalows. Deze type woningen zijn duurzaam daar ze geschikt zijn voor alle leefstijdsgroepen. Een bijzonder punt van aandacht is voor deze locatie is de ligging nabij de A27 en de A59 en een gasleiding. Om te waarborgen dat er sprake is van een goede fysieke leefomgeving is uitgebreid onderzoek gedaan naar aspecten zoals geluid en veiligheid. Zie hiervoor hoofdstuk 4 en de bijbehorende onderzoeksrapporten in de bijlage.

Verder worden de woningen gasloos gerealiseerd waardoor de woningen ook een bijdrage leveren aan de energietransitie. Conclusie Het voorliggende initiatief is passend binnen het ruimtelijke beleid van de provincie NoordBrabant. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, 2020 Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via een de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) vastgesteld. Op 1 maart 2020 is een geconsolideerde versie gepubliceerd. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 2021 ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening Noord-Brabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie ook een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet.

De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen.

17

Beoordeling Voorliggend besluitgebied is binnen de Iov gelegen binnen het ‘Stedelijk gebied’. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van de toetsing aan de Interim omgevingsverordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor een duurzame stedelijke ontwikkeling, zoals opgenomen in artikel 3.42 van de Iov. Daarnaast moet worden voldaan aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, zoals opgenomen in paragraaf 3.1.2 Iov. De toetsing wordt hierna uitgevoerd. Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling Toetsingskader Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: 1. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; 2. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; 3. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; 4.

houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; 5. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; 6. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Beoordeling Ad a) Onderhavige ontwikkeling betreft het planologisch toevoegen van negen bungalows in het bestaand stedelijk gebied van de kern Raamsdonksveer. Ter plaatse wordt een bestaand gebouw gesloopt. De nieuwbouw van woningen is toegestaan binnen het stedelijk gebied als bepaald in artikel 3.42 Iov. De beoogde ontwikkeling is opgenomen als een woningbouwlocatie voor 9 woningen in de ontwerp Omgevingsvisie Geertruidenberg. Zie hiervoor ook paragraaf 3.4. Ad b.1) de omgevingskwaliteit en de veilige en gezonde leefomgeving zijn beoordeeld in hoofdstuk 4. Uit de diverse milieuhygiënische onderzoeken blijkt dat er sprake is van een goede omgevingskwaliteit. Ad b.2) De voorgenomen ontwikkeling bevordert zorgvuldig ruimtegebruik in de vorm van een herontwikkeling op een inbreidingslocatie. Ad b.3) De woningen hebben door een noodwest-zuidoostelijke oriëntatie de mogelijkheid om zonnepanelen op het dak aan te brengen. De oriëntatie van de woningen kan niet verbeterd worden door de ter plaatse aanwezige stedenbouwkundige structuur.

Ad b.4) De woningen zijn voorzien van ruime kavels waardoor er voldoende ruimte is om groene tuinen te realiseren. Een groene inrichting zorgt voor verkoeling. Ten aanzien van de berging van water wordt verwezen naar paragraaf 4.6 en de in bijlage 1 opgenomen Watertoets. Ad b.5) De omvang van de nu voorliggende ontwikkeling is onvoldoende om een wezenlijke bijdrage te leveren aan duurzame mobiliteit.

18

Ad b.6) De ontwikkeling heeft geen betrekking op een economische ontwikkeling. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.42 Iov.

Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2 Iov) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik: Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: 1. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: a. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; • er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; • bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); b. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2.

Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Ad b) - Toepassing van de lagenbenadering 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) - meerwaarderecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

19

a.

de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Met onderhavig planvoornemen wordt gebruik gemaakt van een bestaand bouwperceel, waarop reeds bebouwing aanwezig is. Ten behoeve van het planvoornemen wordt de bestaande bebouwing gesloopt om de bouw van de woningen mogelijk te maken. Het bestaand bebouwd gebied wordt volledig benut. b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieraan is in paragraaf 3.2 getoetst. c. Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Bebouwing wordt geconcentreerd in het plangebied gerealiseerd. Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag.

Voor onderhavig initiatief behoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aangelegd. Voor het overige heeft het planvoornemen geen effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in paragraaf 4.10. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Voor het overige wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief invulling wordt gegeven aan een herontwikkeling naar woningbouw op gronden die hun functie hebben verloren. De voorgenomen herontwikkeling voorkomt verdere leegstand ter plaatse. Het initiatief draagt bovendien bij aan een kwalitatieve verbetering van de leefomgeving. Conclusie Het onderhavige plan is niet van wezenlijke invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Wel is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat het plan hergebruik van gronden betreft en verpaupering en overlast van een leegstand pand opheft. 3.4

Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Geertruidenberg (ontwerp) Toetsingskader De ontwerp Omgevingsvisie Geertruidenberg ligt ter inzage van 16 december 2020 tot en met 27 januari 2021. In de omgevingsvisie komen de verschillende opgaven, die spelen per thema 20

samen in integrale ambities voor de komende 10 à 20 jaar. De ambities geven aan waar de gemeente naar toe wil. In de Omgevingsvisie worden keuzes gemaakt en prioriteiten gesteld voor de opgave waar de gemeente voor staat. De ambities zijn gericht op: • Een toekomstbestendige en groene gemeente. • Een ondernemende gemeente. • Een gezonde en veilige gemeente. • Een levendige gemeente. Deze ambities zijn het resultaat van het uitgebreide participatietraject, het interne proces en de keuzes gemaakt door de gemeenteraad van Geertruidenberg. Met deze set ambities bouwen we, op het fundament van de Structuurvisie 2030 (uit 2013) en het koersdocument G2025 (uit 2018), verder aan de fysieke leefomgeving van Geertruidenberg. Van toepassing op onderhavige ontwikkeling is met name het thema Wonen. De gemeente gaat hiervoor een programma opstellen. Het programma zal in beeld brengen hoe de lokale vraag en aanbod beter op elkaar aangesloten kunnen worden. Onderdeel van het programma zijn de volgende woningbouwprojecten: • Donge-oevers: Achter de Hoeven in Raamsdonksveer, ca. 180 woningen. • Donge-oevers: Oude Haven in Raamsdonksveer, ca. 50 woningen. • Sint-Theresiastraat Raamsdonksveer, ca. 75 woningen. • Beethovenlaan 1 Raamsdonksveer, ca. 9 woningen. • Varenstraat Raamsdonksveer, ca. 20 woningen. • Hoge Veer locatie Raamsdonksveer, ca.

30 woningen • Diverse transformaties detailhandel naar wonen aan de Grote Kerkstraat Raamsdonksveer. • Dok 12 Raamsdonksveer, ca. 50 woningen. • Herstructurering Zoutmanstraat e.o. Geertruidenberg, ca 13 extra woningen. • Rembrandtlaan 66, Raamsdonksveer, ca. 7 woningen • Omschoorweg, Raamsdonksveer (flexibel bouwen), ca. 20 woningen. • Ontwikkeling Landgoed Hooipolder, ca. 6 woningen.

Uitsnede kaar Omgevingsvisie Geertruidenberg. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, 2021

21

Beoordeling Het onderhavige plan is opgenomen in de lijst met woningbouwprojecten die de basis gaan vormen van het gemeentelijk programma Wonen. Het voorliggend initiatief pas daarmee volledig binnen de ambities van de ontwerp Omgevingsvisie Geertruidenberg. Conclusie Het onderhavig bestemmingsplan past binnen de ambities van het omgevingsbeleid van de gemeente Geertuidenberg voor de kern Raamdsdonksveer. Structuurvisie Geertruidenberg 2030 (2013) Toetsingskader De Structuurvisie Geertruidenberg 2030 (door de raad vastgesteld op 19 december 2013) legt de missie vast voor de (middel)lange termijn, met een planhorizon van 10 tot 15 jaar. De gemeente neemt een regierol op zich. In de structuurvisie wordt ingezet op de ontwikkeling van een aantrekkelijke gemeente, zowel om te wonen, als te werken en te recreëren. De gemeente wenst haar drie dorpen met ieder een eigen identiteit vitaal en leefbaar te houden, een evenwichtige bevolkingsopbouw is hierbij van groot belang. Nieuwe woningbouwontwikkelingen zijn een middel om dit te bereiken. De gemeente streeft hierbij naar een gevarieerde woningvoorraad met een diversiteit qua leeftijds-, huishoudens- en inkomensgroepen..

Uitsnede kaart Structuurvisie Geertruidenberg 2030. Het plangebied is met een blauwe cirkel aangeduid. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl

Bij woningbouw legt de gemeente het accent op vernieuwing van binnenuit, op 'inbreiding' (in bestaand bebouwd gebied) in plaats van op uitbreiding. Hiermee wordt aangesloten bij de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.

22

Beoordeling Het voorliggende plangebied betreft een binnenstedelijke locatie waarbij een bestaand incourant gebouw gesloopt wordt en vervangen door negen energieneutrale woningen. Het bestemmingsplan geeft daarmee concreet invulling aan de doelen van structuurvisie. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plan passend is binnen het gemeentelijke ruimtelijke beleid. Woonvisie 2017 Toetsingskader De gemeentelijke Woonvisie is op 24 mei 2017 vastgesteld. De woningmarkt is steeds in beweging en verandert in een hoog tempo als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen en wijziging van wet- en regelgeving. Het is dan ook noodzaak om deze ontwikkelingen nauwlettend te volgen en het woningmarktbeleid daarop aan te passen. In de gemeentelijke Woonvisie wordt informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Hierbij gaat het onder andere om ruimtelijke ordening, woningbouwplanning (flexibiliteit, transformatie), grond(prijs)beleid (betaalbaarheid), kwaliteit (duurzaamheid), woonruimteverdeling (beschikbaarheid / bijzondere doelgroepen), wonen en zorg (leefbaarheid) e.d. Beoordeling In de woonvisie wordt voor de totale gemeente uitgegaan van 530 nieuw te bouwen woningen tot en met 2021.

Voor Raamsdonksveer is de volgende verdeling over de volgende woningcategorieën opgenomen: • Sociale huur 70 • Dure huur 30 • Goedkope koop 35 • CPO koop 15 • Bereikbare koop 50 • Middeldure koop 45 • Dure koop 45 Verder is een aparte ruimte voorzien voor locaties voor gebouwen die herbestemd worden dan wel vervangen worden door nieuwbouw. Hiervoor zijn voor alle kernen 30 woningen gereserveerd. Het onderhavige initiatief vervangt een leegstaand en verpauperend gebouw met in totaal negen bungalows. Deze woningen zitten in het duurdere woningbouwsegment. Sinds de totstandkoming van de Woonvisie in 2017 is er een landelijke woningnood ontstaan met een behoefte van circa 100.000 woningen per jaar voor heel Nederland. Dit aantal wordt om diverse redenen niet gehaald maar de bouw van woningen is daarmee wel zeer wenselijk. Conclusie Binnen de gemeentelijke woonvisie is ruimte gereserveerd voor het transformeren van vrijkomende stedelijke locaties zoals de onderhavige. Verder is door het landelijk woningtekort een grote behoefte aan nieuwbouw ontstaan waaraan het onderhavig initiatief aan bijdraagt.

23

Welstandsnota 2012 Toetsingskader Het welstandsbeleid van de gemeente Geertruidenberg is vastgelegd in de welstandsnota 2012. De welstandsnota bestaat uit twee delen: een algemeen deel en een deel met beoordelingscriteria. In het algemeen deel is beschreven hoe het welstandstoezicht in de gemeente Geertruidenberg momenteel is georganiseerd en wordt uitgevoerd. Daarnaast is er in dit deel aandacht voor de achtergronden van het welstandsbeleid en de relatie met andere beleidsterreinen. Het algemeen deel bevat dus achtergrondinformatie die nodig is om de gemaakte keuzes te kunnen herleiden. Het tweede deel van deze welstandsnota beschrijft de beoordelingscriteria die door de welstandscommissie/monumentencommissie worden gebruikt bij de beoordeling. Beoordeling Het plangebied ligt in een gebied waar de omliggende woningbouw in de welstandnota aangemerkt is als bebouwingstype W6: Individuele woningbouw. Het voormalige pand van het dagactiviteitencentrum valt onder bebouwingstype T1: Bijzondere bebouwing. Door de sloop van de bestaande bebouwing en de herbouw met negen woningen met een individuele karakteristiek is deze classificatie niet langer van toepassing. Door de gekozen bebouwingstypologie past de nieuwbouw in de bestaande stedenbouwkundige structuur. Om deze reden valt de nieuwbouw onder bebouwingstype W6: Individuele woningbouw. Hierdoor is de nieuwbouw welstandvrij.

Conclusie Daar de bebouwing aansluit op de bestaande woningbouw qua stedenbouwkundige structuur en verschijningsvorm is de nieuwbouw welstandsvrij conform de Welstandsnota 2012. Duurzaamheidsvisie en -programma Toetsingskader In 2016 heeft de gemeenteraad de Duurzaamheidsvisie opgesteld. De visie gaat uit van het realiseren/verbeteren van de duurzaamheid in de gemeente. De visie richt zich zowel op de mate van duurzaamheid van nieuwe projecten maar ook het verbeteren van de duurzaamheid van de reeds bestaande bebouwing. De Duurzaamheidsvisie volgt het principe van de 3P’s. Oftewel People, Planet, Profit. De visie is verder uitgewerkt in het duurzaamheidsprogramma. In mei 2018 heeft de gemeenteraad het duurzaamheidsprogramma vastgesteld. Daarin zijn doelen gesteld om te komen tot een duurzame gemeente. Om tot de doelen te komen zijn vele maatregelen en acties nodig. Bij nieuwbouw is het relatief makkelijk/snel maatregelen in te voeren. Te denken valt aan: • Aardgasvrije nieuwbouw (woningen en wellicht ook de supermarkt); • Zongericht verkavelen; • Zonnepanelen; • Grasdaken; • Materiaalgebruik (in 2030 50% minder primaire grondstoffen, 2050 economie circulair); • Elektrische laadpaal (auto en fiets).

24

25

4

PLANOLOGISCH RELEVANTE MILIEUASPECTEN

4.1

Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een ruimtelijk plan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van de planologisch relevante uitvoeringsaspecten. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • Geluid; • Luchtkwaliteit; • Externe veiligheid; • Bedrijven en milieuzonering; • Natuur; • Water; • Archeologie en cultuurhistorie; • Bodem; • Verkeer en parkeren; • Kabels en leidingen; • Vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2

Geluid Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum

26

snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling In het onderhavige plan zijn negen geluidgevoelige objecten, te weten de woningen, opgenomen. Deze objecten zijn gelegen binnen de onderzoekszone van de Rijksweg A27, A59 en de Beethovenlaan. Om die reden is door De Roever Omgevingsadvies bv een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Deze onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. De situatie is akoestisch bijzonder daar zowel de Beethovenlaan en de rijksweg A27 met name grote invloed hebben op het gebied.

In het akoestisch onderzoek zijn drie modellen uitgewerkt waarbij het model dat akoestisch gezien het slechts is als basis is gebruikt voor het bestemmingsplan, een Worst-case benadering. Het model is vertaald in bouwvlakken waarbinnen de hoofdgebouwen gerealiseerd moeten worden. Hogere waarden Uit het onderzoek blijkt dat een hogere waarde procedure moet worden gevolgd. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB door de Rijksweg A27 en Beethovenlaan wordt overschreden.. Er wordt voldaan aan de beleidsregel hogere waarden van de gemeente Geertruidenberg. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht. Cumulatieve geluidhinder Voor het beoordelen van het woon- en verblijfsklimaat kan gebruik worden gemaakt van de ‘kwaliteitsindicatie geluid’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In onderstaande tabel is de classificering van de milieukwaliteit bij verschillende waarden van de cumulatieve geluidbelasting (in Lden) weergegeven.

Het plangebied bevindt zich in een gebied met een verblijfsklimaat, die volgens bovenstaande indeling in de categorie ‘redelijk’ tot ‘matig’ valt. Het woon- en leefklimaat ter plaatse kan alsnog 27

als acceptabel worden aangemerkt. Het is daarbij noodzakelijk dat de gevelwering dermate hoog is dat binnen in de woningen voldaan kan worden aan 33 dB. Bouwbesluit Een onderzoek naar de geluidwering van de gevels voor de geveldelen met een geluidbelasting van 54 dB of hoger wordt noodzakelijk geacht om aan te tonen dat binnen in de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. De benodigde gevelwering per gevel wordt berekend door de minimaal te halen binnen niveau (33 dB) van de berekende waarden voor het desbetreffende geveldeel af te halen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat gecreëerd kan worden. Ten behoeve van het voorliggende initiatief wordt een procedure hogere waarden doorlopen. 4.3

Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 μg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 50 μg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 μg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 μg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

28

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling De beoogde functie heeft geen significante verkeersaantrekkende werking. De ondergrens van NIBM betreft de realisatie van 1500 woningen en één ontsluitingsweg. Deze grens wordt niet gehaald; waardoor de ontwikkeling als NIBM is aan te merken. Daarnaast is getoetst aan het woon- en leefklimaat.

De gegevens zijn ingezien op atlasleefomgeving.nl. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het plangebied (ref. jaar 2016) de waarden voor fijn stof (PM10 = 18-19 ug/m³) en stikstof dioxide (NO2 = 18-25 ug/m³) en roet (0,6-0,8) acceptabel zijn. De luchtkwaliteit in het plangebied is ook geen belemmering voor het woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige wijziging. 4.4

Externe veiligheid Toetsingskader Inrichtingen en externe veiligheid Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningpslichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Transport en externe veiligheid Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico.

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen 29

die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10 -6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Buisleidingen en externe veiligheid Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10 -6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord.

dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Het plangebied ligt in de buurt van de A27, A59 en een gastransportleiding. Om de effecten van de ontwikkeling in relatie tot externe veiligheid te bepalen is door Adviesgroep Aviv BV een onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek van 26 oktober 2020 is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Voor de volledige onderbouwing en motivatie wordt verwezen naar de bijlage. Hieronder worden de conclusies uit het rapport weergegeven. Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt buiten de aanwezige PR10-6 contour, daarmee vormt plaatsgebonden risico van de wegroute geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico van route 1 neemt af van 0,115 naar 0,114. In zowel de huidige als de toekomstige situatie is het groepsrisico hoger dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Er is geen toename van het groepsrisico. De verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Het groepsrisico van route 2 neemt af van 0,074 naar 0,073. In zowel de huidige als de toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Volstaan kan worden met de Standaard verantwoording groepsrisico. Deze is opgenomen als bijlage 9 behorende bij deze toelichting.

Plasbrandaandachtsgebied Er is sprake van een plasbrandaandachtsgebied rond de A27. Het plangebied ligt op ongeveer 60 meter van de A27 en buiten het PAG. Er hoeft daarom geen rekening gehouden te worden met de effecten van een plasbrand. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Geertruidenberg&id=66bd74fe-a411-4b53-928b-13e656821f9d