P00116_Parapluplan Archeologie 20201221
Tekst van het document
Paraplubestemmingsplan Archeologie Gemeente Geertruidenberg Vastgesteld
Paraplubestemmingsplan Archeologie Gemeente Geertruidenberg Vastgesteld
Rapportnummer:
P00116
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0779.BParcheologie-vs01
Datum:
11 februari 2021
Opdrachtgever:
Gemeente Geertruidenberg
Projectteam BRO:
RM, TS
Concept:
juli 2018
Ontwerp:
augustus 2020
Vaststelling:
februari 2021
Bron foto kaft:
BRO
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en globale begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
2 2 2 3 4
2.PLANBESCHRIJVING
5
3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
6 6 7 7
4.JURIDISCHE PLANOPZET 4.1 Inleiding 4.2 Plansystematiek 4.2.1 Paraplubestemmingsplan 4.2.2 Planregels
10 10 10 10 10
5.UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Vooroverleg 5.2.2 Tervisielegging van het ontwerp 5.2.3 Vaststellingsprocedure
14 14 14 14 15 15
Inhoudsopgave
1
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Op 30 november 2017 heeft de gemeenteraad van Geertruidenberg archeologiebeleid vastgesteld (Nota Archeologie). Het beleid omvat een archeologische verwachtingswaardenkaart en per verwachtingswaarde normen wanneer archeologisch onderzoek wordt vereist bij een bepaalde mate van bodemverstoring. Dit beleid geldt voor de gehele gemeente en overstijgt daarmee de plangrenzen van de verschillende bestemmingsplannen. Voorliggend paraplubestemmingsplan ‘Archeologie’ zorgt voor de juridisch-planologische borging van dit archeologiebeleid. De archeologische verwachtingswaardenkaart is de basis voor dit parapluplan. Daarnaast zijn er enkele gewenste wijzigingen met betrekking tot deze verwachtingswaardenkaart doorgevoerd in dit parapluplan. In het parapluplan worden de archeologische waarden voorzien van een dubbelbestemming. De dubbelbestemming geldt boven de (enkel)bestemming van de gronden. Dit parapluplan heeft alleen betrekking op de bescherming van archeologische waarden.
1.2 Ligging en globale begrenzing plangebied De ligging en begrenzing van het plangebied waar dit paraplubestemmingsplan betrekking op heeft betreft het gehele grondgebied van de gemeente Geertruidenberg. De bestemmingsplangrens valt dan ook samen met de gemeentegrens. In figuur 1.1 is de gemeente Geertruidenberg in kaart weergegeven.
Figuur 1.1: Gemeente Geertruidenberg in kaart (bron: opentopo)
Hoofdstuk 1
2
1.3 Vigerend bestemmingsplan Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan gelden op dit moment diverse (zowel digitale als analoge) bestemmingsplannen. Ook heeft dit parapluplan betrekking op het provinciale inpassingsplan Overdiepse Polder. Een overzicht van de vigerende bestemmingsplannen (en het inpassingsplan), met de vaststellingsdatum en imro-nummer, zijn hieronder weergegeven.
Digitale plannen Gemeente Geertruidenberg Naam bestemmingsplan
Vaststelling
IMRO nummer
Achter de Hoeven
27-06-2013
NL.IMRO.0779.RVBPAchterdeHoeven-vs01
Bedrijventerrein de Pontonnier
27-06-2013
NL.IMRO.0779.RVBPPontonnier-vs01
Bergse Slot
30-11-2017
NL.IMRO.0779.GBBPbergseslot-vs01
Buitengebied Geertruidenberg
28-04-2011
NL.IMRO.0779.RDBPbuitengebied-vs01
e
Buitengebied 1 herziening
17-12-2015
NL.IMRO.0779.BPbuitengebherz1-VS01
Burgemeester Moonshof, Raamsdonk
06-07-2017
NL.IMRO.0779.RDBPburgmoonshof-vs01
Centrum Raamsdonksveer
27-06-2013
NL.IMRO.0779.RVBPcentrumrv-vs01
De Riethorst
28-09-2017
NL.IMRO.0779.GBBPRIETHORST-vs01
Dongeburgh
27-06-2013
NL.IMRO.0779.GBBPDongeburgh-vs01
Fort Lunet
07-06-2016
NL.IMRO.0779.RVBPFortLunet-vs03
Gemeentewerf met brandweerkazerne
28-06-2012
NL.IMRO.0779.RVBPgemwerfbweer-vs01
Hoofdstraat
16-12-2015
NL.IMRO.0779.RVBPWHoofdstraat-vs01
Johannes Vermeerstraat
31-05-2018
NL.IMRO.0779.RVBPvermeerstraat-vs01
Julianalaan/Beatrixlaan
01-12-2016
NL.IMRO.0779.RVBPjulianabeatrix-vs01
Julianalaan 152-154
01-11-2012
NL.IMRO.0779.RVBPJulianalaan152-vs01
Keizersdijk 14-24, Raamsdonksveer
30-10-2014
NL.IMRO.0779.RVBPKeizersdijk-vs01
Keizersdijk 21-23
06-10-2015
NL.IMRO.0779.RVBPWKeizersdijk21-vs01
Keizersdijk 30-34
29-09-2015
NL.IMRO.0779.RVBPWKeizersdijk30-vs01
Koestraat 52/Zuidwal
02-04-2013
NL.IMRO.0779.GBWPKoestraat52-vs02
Kom Geertruidenberg 2012
29-11-2012
NL.IMRO.0779.GBBPkom-vs01
Koninginnebastion
30-11-2017
NL.IMRO.0779.GBBPkoninginnebast-vs01
Ontwikkellocaties Raamsdonksveer Zuid
28-10-2010
NL.IMRO.0779.RVBPontwlocRVzuid-oh01
Pieter Breughelstraat 14, Raamsdonksveer
26-06-2014
NL.IMRO.0779.RVBPPBreughelstr14-vs01
Raamsdonk Lange Broekstraat 25
28-04-2016
NL.IMRO.0779.RDBPlbroekstraat25-VS01
Schansstraat 30
20-12-2017
NL.IMRO.0779.BPRDSchansstraat30-VS01
Timmersteekade en passantenhaven
29-11-2016
NL.IMRO.0779.GBBPtimmersteekade-vs01
Verblijfsaccomodatie Luiten Ambachtstraat 28
26-04-2012
NL.IMRO.0779.RDBPverblijfacla28-vs01
Wim Boonstraat
14-10-2016
NL.IMRO.0779.RDBPwboonsstraat-vs01
Bergenstraat 9
13-08-2019
NL.IMRO.0779.RDBPWbergenstraat9-vs01
Heereland fase IV
27-06-2019
NL.IMRO.0779.RVBPHeereland-vs01
Engelse Wal 3 – Plattelandswoning
27-06-2019
NL.IMRO.0779.RDBPengelsewal3-vs01
Periodieke planherziening 2018 G’berg
12-12-2019
NL.IMRO.0779.GBRVRDPerplanherz-vs01
Scouting Raamsdonksveer
07-11-2019
NL.IMRO.0779.BPRVScouting-VS01
Wim Boonstraat en Brahmstraat
24-01-2019
NL.IMRO.0779.RDRVBPboonsbrahms-VS01
Zuidwal 95-97, Geertruidenberg
25-04-2019
NL.IMRO.0779.GBBPZuidwal9597-vs01
Herontwikkeling Peuzelaer
nog in procedure
NL.IMRO.0779.GBBPpeuzelaer-on01
Partiële herziening bp Buitengebied-
Hoofdstuk 1
3
Inpassingsplan Provincie Noord-Brabant Inpassingsplan Overdiepse Polder
05-06-2009
NL.IMRO.9930.ipoverdiep2009.cs01
Analoge plannen Gemeente Geertruidenberg Naam bestemmingsplan
Vaststelling
Dombosch
01-08-2009
Donge-oever Amerkant
30-08-1990
Gasthuiswaard
28-10-2010
Geertruidenberg Noordwest
17-09-2007
Kern Raamsdonk
29-07-2009
Raamsdonksveer Noord
10-05-2008
Raamsdonksveer Zuid
14-10-2008
Nieuw Sandoel
16-10-1986
Jachthaven
16-05-1991
Jachthaven Herz. 1
16-07-1992
Raamsdonk 1967
rond 1967
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
4
2.
PLANBESCHRIJVING Onderhavig bestemmingsplan is ontwikkeld als een paraplu(bestemmings)plan waarmee voor alle bestemmingsplannen in de gemeente Geertruidenberg dezelfde regeling voor archeologie gaat gelden. Het parapluplan heeft alleen betrekking op de regeling voor archeologie en brengt geen wijziging aan in de overige regels van de vigerende bestemmingsplannen. Het doel van dit bestemmingsplan is om het gemeentelijke archeologisch beleid te vertalen in een bestemmingsplan. Dit wordt gedaan door de gebieden met archeologische verwachtingswaarden te koppelen aan een vergunningstelsel. Het vergunningstelsel is opgezet ter bescherming van de waarden en is niet bedoeld als een verbodsregeling. Het is toegestaan om bodemingrepen te verrichten en (ver)bouwingen uit te voeren, maar alleen als dat mede in het belang is van de betrokken waarden.
Hoofdstuk 2
5
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid In 1992 hebben Europese landen, waaronder Nederland, het Verdrag van Malta gesloten om beter voor hun archeologische erfgoed te zorgen. In 2007 is dit verdrag in de Nederlandse wetgeving verankerd via de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Die wet heeft geleid tot aanpassing van een aantal wetten, waaronder de Monumentenwet 1988. Ook de Wabo-regelgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) sluit hierop aan. Sinds 2016 geldt ook de Erfgoedwet. Drie principes van het Verdrag van Malta die aldus doorwerken in het proces van de ruimtelijke ordening en omgevingsvergunningverlening zijn: 1. Behoud in situ: het streven naar behoud van archeologische resten op de plaats waar deze worden aangetroffen. De bodem is immers de beste conservator van archeologische resten; 2. Het in de ruimtelijke ordening tijdig, in een vroeg stadium van de planvorming, rekening houden met archeologie. Voor de bescherming van archeologie en zodat een plan nog hierop kan worden aangepast; 3. De verstoorder betaalt: de verstoorder van de bodem betaalt voor het archeologische onderzoek dat nodig is en voor de documentatie. Een belangrijke uitwerking hiervan voor de processen van ruimtelijke ordening en vergunningverlening heeft plaatsgevonden in het ruimtelijke ordeningsrecht en de Wabo-regelgeving.
Zo moet de gemeenteraad bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met cultuurhistorie en archeologie, aldus artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit artikel is uitvloeisel van de Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo sinds 2009) en beoogt een verandering in de manier van denken: cultureel erfgoed als belangrijke factor en kans in ruimtelijke ontwikkelingen (beleefbaar maken van cultuurhistorie). Dit geldt ook voor archeologisch erfgoed. Een archeologisch onderzoek kan worden vereist voor afwijken van het bestemmingsplan en voor sloop van een bouwwerk in een Rijksbeschermd stadsgezicht. In een bestemmingsplan kan een archeologisch onderzoek worden vereist voor bouwen en aanleggen. Bij al die activiteiten kunnen archeologie beschermende voorschriften worden verbonden aan de vereiste omgevingsvergunning. Als opsteller van het bestemmingsplan en als vergunningverlener is de gemeente verantwoordelijk voor de omgang met archeologie. Zoals blijkt uit de “kan”-bepalingen hierboven bevat de wet geen inhoudelijke norm voor de omgang met archeologie. De gemeente kan wat dat betreft zelf beleid opstellen binnen de grenzen van de gemeentelijke zorgplicht voor archeologisch erfgoed en mits goed onderbouwd en gemotiveerd.
Hoofdstuk 3
6
Gevolgen voor dit plan Met het vaststellen van het paraplubestemmingsplan ‘Archeologie’ wordt voldaan aan de wettelijke verplichting uit de Wamz en het Rijksbeleid terzake. Het plan zorgt voor de juridisch-planologische borging van dit archeologiebeleid.
3.2 Provinciaal beleid De provincie heeft haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Daarop zijn 16 archeologische landschappen aangewezen die alleen (zelf)bindend zijn voor de provincie vanuit de eigen structuurvisie. Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart zijn geen archeologische landschappen aangeduid in gemeente Geertruidenberg. De provincie voert het interbestuurlijk toezicht uit en controleert of het gemeentelijke erfgoedbeleid (inclusief archeologie) aan de wettelijke eisen voldoet. Gevolgen voor dit plan Met het vaststellen van het paraplubestemmingsplan ‘Archeologie’ wordt voldaan aan de wettelijke verplichting uit de Wamz. Het plan zorgt voor de juridisch-planologische borging van dit archeologiebeleid.
3.3 Gemeentelijk beleid In november 2017 heeft de gemeenteraad van Geertruidenberg archeologiebeleid vastgesteld (Nota Archeologie). Het doel van dit archeologiebeleid is het verbeteren van de omvang met archeologische resten als informatiebron van het lokale verleden en het benutten ervan bij de verdere ontwikkeling van de gemeente. Het ondergrondse culturele erfgoed en de maatschappelijke waarden ervan verdienen namelijk een verder uitgewerkt en integraal archeologiebeleid. Essentieel onderdeel van het beleid is een geactualiseerd standpunt over de normen die bepalen of de gemeente wel of niet archeologisch onderzoek eist bij bodemverstoringen van een bepaalde omvang, bijv. vanwege een bouwplan. Dit vergt een zorgvuldige belangenafweging. In dit archeologiebeleid zijn onder andere verschillende vrijstellingsgrenzen en onderzoeksmethoden bepaald voor ontwikkelingen in de gemeente ter plaatse van een bepaalde archeologische verwachting. De verwachtingswaarden zijn verdeeld onder 6 categorieën, dit zijn de 6 dubbelbestemmingen waarde-archeologie. Een overzicht van de normen die bepalen of archeologisch onderzoek nodig is zijn in de navolgende tabel per categorie (die zijn weergegeven op de verwachtingswaardenkaart) weergegeven.
Cat.
Archeologische verwachting en waarde
Vrijstellingsgrens
Onderzoeksmethode
1
Zeer hoge waarde
Rijksbeleid: geen bode-
Rijksbeleid als voorheen in de Monumen-
Dit betreft de twee wettelijk beschermde
mingrepen toegestaan
tenwet 1988 met daarin besloten de Wet
rijksmonumenten van het vm. Kartuizer-
zonder vergunning van
op de Archeologische Monumenten zorg
klooster
de Minister
2007. Nu vervangen door de Erfgoedwet 2016, vooruitlopend op de Omgevingswet.
Hoofdstuk 3
7
2
Zeer hoge verwachtingswaarde
50 m2 en 30 cm –Mv (-
Uitvoerig bureauonderzoek, of gelijk het
Dit betreft de historische kern Geertruiden-
Mv: onder maaiveld)
uitvoerige bureauonderzoek in Programma
berg en haar vestingwerken
van Eisen voor proefsleuvenonderzoek opnemen. Indien een initiatiefnemer perse wil starten met een booronderzoek, dan zal het plan daarvoor gemotiveerd moeten worden en ter beoordeling aan de gemeente moeten worden voorgelegd.
3
Hoge verwachtingswaarde
100 m2 en 40 cm –Mv
Uitvoerig bureauonderzoek, of gelijk het
-Locaties waar al in 1832 bebouwing was
uitvoerige bureauonderzoek in Programma
en een zone van 10 m daar omheen
van Eisen voor proefsleuvenonderzoek
-Vestingwerken ten zuiden en zuidwesten
opnemen. Indien een initiatiefnemer perse
van de woonkern Geertruidenberg en een
wil starten met een booronderzoek, dan
zone van 10 m daar omheen
zal het plan daarvoor gemotiveerd moeten worden en ter beoordeling aan de gemeente moeten worden voorgelegd.
4
Hoge verwachtingswaarde
100 m2 en 50 cm –Mv
Starten met een bureauonderzoek en In-
-Dekzandruggen incl. kleine dekzandvlak-
ventariserend Veldonderzoek, verken-
ten
nende fase om de bodemopbouw in beeld te hebben en de archeologische verwachting te staven.
5
Middelhoge verwachtingswaarde
1000 m2 en 50 cm –Mv
Starten met een bureauonderzoek en In-
-Oeverkanten
ventariserend Veldonderzoek, verken-
-Gebied rondom het Oude Maasje
nende fase om de bodemopbouw in beeld
-Zone langs de Donge
te hebben en de archeologische verwach-
-Middeleeuws cultuurlandschap bij AMK-
ting te staven.
terreinen van het vm. Kartuizerklooster -Dryas terras -Grote doorbraakkreek op Dryas terras 6
Lage verwachtingswaarde
Onderzoek vroeg in
Starten met bureauonderzoek en Inventa-
-Vlakte- en getijafzettingen (minus zone
planfase bij MER-plich-
riserend Veldonderzoek, verkennende
AMK-terreinen)
tige projecten, projecten
fase om bodemopbouw in beeld te hebben
-Kleine doorbraakkreken
vallend onder de Wro,
en de archeologische verwachting te sta-
-Ontgonnen veenvlakte
de Wet Milieubeheer of
ven. Het plangebied is één geheel en op-
-Grote dekzandvlaktes
de Tracéwet en bij ont-
knippen daarbinnen is niet toegestaan.
grondingen met een
Meldingsplicht van kracht op basis van ar-
planoppervlak van 5
tikel 5.10 Erfgoedwet e.v. bij het aantreffen
hectare of meer; en
van archeologische vondsten en waarne-
waarbij ook sprake is
mingen.
van een bodemverstoring dieper dan 50 cm MV.
Bovenstaande verwachtingswaarden, vrijstellingsgrenzen en onderzoeksmethoden zijn als uitgangspunten gehanteerd voor dit parapluplan ‘Archeologie’. Dit archeologiebeleid is direct toegepast in dit parapluplan.
Hoofdstuk 3
8
Voor de gebieden op de plankaart waarvoor geen dubbelbestemming waarde-archeologie is aangegeven, geldt geen archeologische verwachtingswaarde, deze gebieden zijn vrijgegeven. Op de plankaart zijn ook aanduidingen opgenomen voor opgehoogde en ontgraven gebieden. Voor deze gebieden geldt de onderliggende archeologische verwachtingswaarde. De onderzoeksmethode in deze gebieden vergt maatwerk in overleg met de gemeente. Diepte van de veronderstelde verstoring of dikte van de opgebrachte bodemlaag aantonen in relatie tot de veronderstelde diepteligging van de hoogst liggende archeologisch relevante bodemlaag (schriftelijk indien ontvankelijk of boringen). (Zie ook par. 1.5 van bijlage 1 bij Nota Archeologie.)
Hoofdstuk 3
9
4.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het paraplubestemmingsplan beschreven.
4.1 Inleiding Met dit paraplubestemmingsplan worden de geldende bestemmingsplannen genoemd in de bijlagen aangevuld met het nieuwe archeologiebeleid zoals opgenomen in de Nota Archeologie van de gemeente Geertruidenberg. Daarmee gaat voor de onderliggende bestemmingsplannen hetzelfde archeologiebeleid gelden. Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemming in het plangebied is aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemming zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt.
4.2 Plansystematiek 4.2.1 Paraplubestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld als een parapluplan waarmee voor alle bestemmingsplannen in Geertruidenberg hetzelfde archeologiebeleid gaat gelden. Het bestemmingsplan heeft alleen betrekking op het beleid voor archeologie en beoogt geen wijziging aan te brengen in de overige regels van de vigerende bestemmingsplannen (of inpassingsplannen). Dynamische verwijzing naar beleidsregels “Nota Archeologie” In de regels is een dynamische verwijzing opgenomen naar de beleidsregels uit de “Nota Archeologie”. Dit houdt in dat wanneer gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, de gewijzigde regels gelden. De bestemmingsplannen hoeven daardoor niet opnieuw te worden herzien wanneer de beleidsregels wijzigen. 4.2.2 Planregels Het bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.
inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 4
10
Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 3). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 3 bevat een regeling voor het meten van de oppervlakte van een bouwwerk. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. In dit bestemmingsplan is uitsluitend sprake van dubbelbestemmingen om de eventuele archeologische waarden te beschermen. Er zijn 6 dubbelbestemmingen opgenomen. Deze zijn gebaseerd op de “Nota Archeologie” van de gemeente Geertruidenberg d.d. 30 november 2017. De opbouw van deze dubbelbestemmingen ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. De gronden gelegen binnen de dubbelbestemmingen zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de ter plaatse in de grond aanwezige of te verwachten waarden, waarbij geldt dat de dubbelbestemmingen prevaleren boven de andere aldaar geldende bestemmingen.
Bouwregels In de bouwregels worden voor alle gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden In de dubbelbestemmingen ten behoeve van eventuele archeologische waarden is een vergunningenstelsel opgenomen voor de gronden gelegen binnen deze dubbelbestemmingen. Hierin worden bepaalde werken en/of werkzaamheden vergunningsplichtig gesteld. Bij de beoordeling van de vraag of en in welke mate bepaalde werken en/of werkzaamheden toelaatbaar worden geacht gelden enkele maatstaven. Zo geldt dat de archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig aangetast mogen worden. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk In de dubbelbestemmingen ten behoeve van eventuele archeologische waarden is een vergunningenstelsel opgenomen voor de gronden gelegen binnen deze dubbelbestemmingen. Hierin wordt het slopen van bepaalde bouwwerken vergunningsplichtig gesteld. Bij de beoordeling van de vraag of en in welke mate bepaalde werken en/of werkzaamheden toelaatbaar worden geacht gelden enkele maatstaven. Zo geldt dat de archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig aangetast mogen worden.
Toelaatbaarheid Daarnaast moet uit een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate blijken dat de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of dat er
Hoofdstuk 4
11
geen archeologische waarden aanwezig zijn, of dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad. Het archeologisch onderzoek dient te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en –criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). Uitzondering Voor sommige bodemingrepen is een vergunning niet noodzakelijk. Deze uitzonderingssituaties zijn hier opgesomd. Advies Bij de beoordeling van een archeologisch onderzoek en van een PvE kan het bevoegd gezag advies vragen aan een deskundige. Wijzigingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan de dubbelbestemming wijzigen of geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Binnen de dubbelbestemmingen zijn daarnaast op enkele locaties aanduidingen opgenomen voor afgegraven/ontgronden en opgehoogde terreinen. Hoofdstuk 3: algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene aanduidingsregels Wat betreft afgegraven/ontgronden terreinen Op de plankaart zijn als signaalfunctie gebieden aangeduid waar afgravingen en ontgrondingen hebben plaatsgevonden. De aanduiding is met arceringen (van linksboven naar rechtsonder lopend). Voor deze gebieden geldt de norm omtrent het eisen van archeologisch onderzoek in de desbetreffende dubbelbestemming. Daarnaast is het passend om rekening te houden met bestaande verstoring en in welke mate een nieuwe bodemverstoring de archeologische lagen betreft. Bij activiteiten in deze gebieden die een verdergaande bodemverstoring inhouden dan de verstoring die in de normen is vrijgesteld van archeologisch onderzoek, vergt het antwoord op de vraag of hiervoor archeologisch onderzoek nodig is maatwerk in overleg met de gemeente. Daarbij dient de diepte van de veronderstelde bodemverstoring aangetoond te worden in relatie tot de veronderstelde diepteligging van de hoogst liggende archeologisch relevante bodemlaag (schriftelijk indien ontvankelijk of boringen). Wat betreft opgehoogde terreinen Op de plankaart zijn gebieden aangeduid waar grondophogingen hebben plaatsgevonden. De aanduiding is met arceringen (van linksonder naar rechtsboven lopend).
Hoofdstuk 4
12
Voor deze gebieden geldt de norm omtrent het eisen van archeologisch onderzoek in de desbetreffende dubbelbestemming, met dien verstande dat rekening wordt gehouden met de bekende bestaande grondophogingen en in welke mate een nieuwe bodemverstoring de archeologische lagen betreft. Dit is verwerkt in de planregels. Voor de aangeduide grondophogingen wordt uitgegaan: van een grondophoging van 0,5 meter voor het opgehoogde terrein ten noorden van de woonkern Geertruidenberg (nader aangeduid met: ‘overige zone - opgehoogd terrein A’); van een ophoging van 1 meter voor de overige opgehoogde terreinen. Het genoemde gebied ten noorden van de woonkern Geertruidenberg is voor de woningbouwontwikkeling aldaar (bestemmingsplan Noord, jaren 70) opgehoogd met circa 0,5 meter. Bij activiteiten die, ook met inachtneming van de voormelde grondophogingen, een verdergaande bodemverstoring inhouden dan die welke volgens de normen van de archeologische (verwachtings)waarde is vrijgesteld van archeologisch onderzoek, vergt het antwoord op de vraag of hiervoor archeologisch onderzoek nodig is maatwerk in overleg met de gemeente. Daarbij dient de diepte en locatie van de veronderstelde grondophoging nader vastgesteld c.q. aangetoond te worden in relatie tot de veronderstelde diepteligging van de hoogst liggende archeologisch relevante bodemlaag (schriftelijk indien ontvankelijk of boringen).
Bij de navolgende locaties is of kan sprake zijn van ophogingen van meer dan 1 meter. Rond 1950 is de haven van kern Geertruidenberg gedempt (nu straat Haven). Een deel van de Veste in Geertruidenberg, direct ten zuiden van de Stadsweg is gedempt. Het voormalige Ashland-Südchemie terrein aan de Statenlaan is een aantal jaren geleden tot ongeveer 5 meter diepte gesaneerd. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
Hoofdstuk 4
13
5.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5.1 Economische uitvoerbaarheid Het voorliggende plan voorziet niet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, Wro. Het is daarom niet nodig een exploitatieplan op te stellen. Er doet zich dus geen mogelijkheid voor een kostenverhaal op te stellen, zoals bedoeld is in afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het paraplubestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg toegezonden aan de provincie Noord-Brabant en andere betrokken overleginstanties. Het ontwerp paraplubestemmingsplan wordt gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage gelegd. Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Tervisielegging van het ontwerp en mogelijkheid tot indienen van zienswijzen; Vaststellingsprocedure.
5.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Op 9 september 2020 is gepubliceerd dat de gemeente dit parapluplan in voorbereiding had. In oktober is het plan toegezonden aan de vooroverleg-instanties. De Provincie Noord-Brabant heeft opgemerkt dat in de toelichting 8 categorieën staan vermeld, terwijl er maar 6 categorieën zijn terug te vinden in de legenda, en ze heeft daarom verzocht om aanpassing van de legenda.
Hoofdstuk 5
14
De gemeente acht het passender om niet de legenda, maar de toelichting hierop aan te passen. Er is namelijk naar aard onderscheid te maken tussen de zes dubbelbestemmingen, de vrijgegeven gebieden en de opgehoogde/afgegraven gebieden. Daarom is de toelichting aangepast, in die zin dat vrijgegeven gebieden en opgehoogde/afgegraven gebieden niet als categorie worden vermeld in het schema van paragraaf 3.3 van de toelichting. Deze gebieden worden nu benoemd in de tekst van de toelichting. Verder zijn geen opmerkingen ontvangen van de andere vooroverleg-instanties. 5.2.2 Tervisielegging van het ontwerp Het bestemmingsplan betreft het incorporeren van in 2017 vastgesteld archeologiebeleid in een bestemmingsplan. Voor dit beleid, de Nota archeologie, heeft eerder een inspraakprocedure plaatsgevonden. Op basis van de gemeentelijke inspraakverordening ( art. 2 lid 3 sub a) is daarom besloten om voor het plan te volstaan met tervisielegging van het ontwerp ervan met de mogelijkheid om daarover zienswijzen in te dienen. Het ontwerp-parapluplan heeft van 29-10-2020 tot en met 9-12-2020 ter visie gelegen. Er zijn geen zienswijzen ontvangen. Ten opzichte van het ontwerp is nog ambtshalve een wijziging doorgevoerd vanwege het volgende.
Volgens de archeologische waardenkaart bij de Nota archeologie 2017 zijn er na archeologisch onderzoek enkele gebieden vrijgegeven van verder onderzoek (aangeduid met witten vlakken). Deze vrijgave omvat tevens de locatie-aanduidingen van bebouwing, die in 1832 aanwezig was binnen die gebieden. Tijdens de planprocedure is gebleken, dat op de kaart van het parapluplan enkele bouwlocaties uit 1832 binnen deze vrijgegeven gebieden abusievelijk een archeologische verwachtingswaarde en dubbelbestemming hebben gekregen. De kaart is daarom aangepast conform de Nota archeologie. 5.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.
Hoofdstuk 5
15
Parapluplan Archeologie
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3
Inleidende regels Begrippen Toepassingsgebied Wijze van meten
4 4 7 9
Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Bestemmingsregels Waarde - Archeologie 1 Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4 Waarde - Archeologie 5 Waarde - Archeologie 6
10 10 11 14 16 18 20
Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene aanduidingsregels
22 22 23
Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
24 24 25
2
Regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
Plan
Het Parapluplan Archeologie met identificatienummer NL.IMRO.0779.BParcheologie-vs01 van de gemeente Geertruidenberg. 1.2
Bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
Aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
Aanduidingsgrens
grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
Afwijking bij omgevingsvergunning
een afwijking als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 van de Wabo, zoals die luidde ten tijde van inwerkingtreding van dit plan. 1.6
Archeologisch deskundige
de beleidsmedewerker archeologie van de gemeente, de gemeentelijk adviseur archeologie of een door het College van Burgemeester en Wethouders aangewezen deskundige op het gebied van archeologie. 1.7
Archeologisch onderzoek
onderzoek verricht door een gecertificeerde dienst, bedrijf of instelling zoals bedoeld in de Erfgoedwet 2016 en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) dan wel, na vaststelling ervan door de Minister van OCW, de normen zoals opgesteld door het Centraal College van Deskundigen Archeologie (CCvD). 1.8
Archeologisch rapport
een rapport van een archeologisch onderzoeksbureau of een goed onderbouwd advies van een deskundige op het gebied van archeologie. 1.9
Archeologische waarde
vindplaats of vondst met een oudheidkundige waarde. Het betreft hier met name archeologische relicten in hun oorspronkelijke ruimtelijke context. Zowel grote complexen / structuren zoals nederzettingsterreinen, als afzonderlijke vondsten kunnen met deze term worden aangeduid.
4
1.10
Bebouwing
éen of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.11
Bestaand
ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.12
Bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak. 1.13
Bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14
Bevoegd gezag
het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wabo. 1.15
Bodemingreep
werken en werkzaamheden waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten, waaronder het bouwen van een fundering wordt begrepen. 1.16
Bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.17
Bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang dat direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.18
Cultureel erfgoed
uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden. 1.19
Gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.20
KNA
de binnen de beroepsgroep geldende norm voor de uitvoering van archeologisch onderzoek (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie);
5
1.21
Maaiveld
de bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat waar sprake is van een hellend of ongelijk maaiveld onder het "aangrenzende maaiveld" wordt verstaan het maaiveld dat grenst aan de voorgevel van een gebouw. 1.22
Normaal agrarisch gebruik
werkzaamheden in de normale bouwvoor t.b.v. de gewasteelten. 1.23
Omgevingsvergunning
vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wabo. 1.24
Opgraven/opgraving
de ontsluiting van een vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen. 1.25
Ophoging
het blijvend verhogen van het bestaande maaiveld door het aanbrengen van grond of andersoortige materialen. Tijdelijke ophoging tot een maximum van 6 maanden in relatie tot de agrarische bedrijfsvoering wordt niet gezien als een ophoging. 1.26
Verstoring
aantasting van een gebied met archeologische waarden. Dit verschijnsel kan zich voordoen: door erosie, afgraving of egalisatie, door (diepe) bewerking van de bovengrond, door zetting als gevolg van ophoging, door verdroging en verzuring. 1.27
Wet/wettelijke regelingen
indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald.
6
Artikel 2
Toepassingsgebied
a. Dit bestemmingsplan is van toepassing op onderstaande bestemmingsplannen: Digitale plannen Gemeente Geertruidenberg Naam bestemmingsplan Achter de Hoeven Bedrijventerrein de Pontonnier Bergse Slot Buitengebied Geertruidenberg Buitengebied 1e herziening Burgemeester Moonshof, Raamsdonk Centrum Raamsdonksveer De Riethorst Dongeburgh Fort Lunet Gemeentewerf met brandweerkazerne Hoofdstraat Johannes Vermeerstraat Julianalaan/Beatrixlaan Julianalaan 152-154 Keizersdijk 14-24, Raamsdonksveer Keizersdijk 21-23 Keizersdijk 30-34 Koestraat 52/Zuidwal Kom Geertruidenberg 2012 Koninginnebastion Ontwikkellocaties Raamsdonksveer Zuid Pieter Breughelstraat 14, Raamsdonksveer Raamsdonk Lange Broekstraat 25 Schansstraat 30 Timmersteekade en passantenhaven Verblijfsaccomodatie Luiten Ambachtstraat 28 Wim Boonstraat Bergenstraat 9 Heereland fase IV Partiële herziening bp BuitengebiedEngelse Wal 3 – Plattelandswoning Periodieke planherziening 2018 G'berg Scouting Raamsdonksveer Wim Boonstraat en Brahmstraat Zuidwal 95-97, Geertruidenberg Herontwikkeling Peuzelaer
Datum vaststelling 27-06-2013 27-06-2013 30-11-2017 28-04-2011 7-12-2015 06-07-2017 27-06-2013 28-09-2017 27-06-2013 07-06-2016 28-06-2012 16-12-2015 31-05-2018 01-12-2016 01-11-2012 30-10-2014 06-10-2015 29-09-2015 02-04-2013 29-11-2012 30-11-2017 28-10-2010 26-06-2014 28-04-2016 20-12-2017 29-11-2016 26-04-2012 14-10-2016 13-08-2019 27-06-2019 27-06-2019 12-12-2019 07-11-2019 24-01-2019 25-04-2019 nog in procedure
Inpassingsplan Provincie Noord-Brabant Inpassingsplan Overdiepse Polder Analoge plannen Gemeente Geertruidenberg Naam bestemmingsplan Dombosch Donge-oever Amerkant Gasthuiswaard
05-06-2009
Datum vaststelling 01-08-2009 30-08-1990 28-10-2010
7
Geertruidenberg Noordwest Kern Raamsdonk Raamsdonksveer Noord Raamsdonksveer Zuid Nieuw Sandoel Jachthaven Jachthaven Herz. 1 Raamsdonk 1967
17-09-2007 29-07-2009 10-05-2008 14-10-2008 16-10-1986 16-05-1991 16-07-1992 rond 1967
b. Voor zover in de lijst, onder a, genoemde bestemmingsplannen een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' is opgenomen, vervangt dit bestemmingsplan de betreffende dubbelbestemmingen integraal. Voor zover geen dubbelbestemmingen zijn opgenomen in de lijst genoemde bestemmingsplannen, dan geldt dit bestemmingsplan aanvullend op de betreffende bestemmingsplannen. c. De bovenstaande lijst van vigerende bestemmingsplannen is met grote zorg samengesteld maar mogelijk niet limitatief. Het plangebied zoals op de verbeelding is begrensd is leidend voor wat betreft het toepassingsbereik van dit parapluplan.
8
Artikel 3
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 3.1
De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
9
Hoofdstuk 2 Artikel 4
4.1
Bestemmingsregels
Waarde - Archeologie 1
Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie 1 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden. 4.2
Bouwregels
Op deze gronden zijn geen bodemingrepen toegestaan zonder vergunning van de Minister.
10
Artikel 5
5.1
Waarde - Archeologie 2
Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden. 5.2
Bouwregels
a. Op deze gronden mogen ten behoeve van het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek in de vorm van opgravingen noodzakelijk zijn, mits het bepaalde in leden 5.3, 5.4 en 5.5 vooraf in acht is genomen. b. Tevens mogen op deze gronden gebouwen/bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht voor de andere op die gronden voorkomende bestemming(en), mits het bepaalde in leden 5.3, 5.4 en 5.5 vooraf in acht is genomen. 5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarden-archeologie zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld zoals het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het (ver)graven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage, het frezen, scheuren van grasland, het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en het verwijderen van funderingen; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c.
het aanleggen of rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het heien of boren van palen en slaan van damwanden, een en ander met dien verstande, dat de oppervlakte van de bodemverstoring door hei- of boorpalen wordt berekend door de oppervlakte van een paal te vermenigvuldigen met het aantal palen en vervolgens met twee. 5.4
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
a. Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, de aanwezige bouwwerken te slopen, indien het gaat om sloopwerkzaamheden: 1. die dieper gaan dan 30 cm onder het maaiveld en dat voor meer dan 50 m2 en/of; 2. die dieper gaan dan 60 cm onder het maaiveld en waarbij het deel van deze sloopwerkzaamheden dat dieper gaat dan 60 cm onder het maaiveld meer dan 10 m3 beslaat; b. aan de sloopvergunning kan in ieder geval de voorwaarde worden gesteld, dat de sloop wordt begeleid door een gekwalificeerde deskundige (zijnde een archeologisch bedrijf met een opgravingsvergunning). Hiervoor is een door de door het bevoegd gezag schriftelijk goedgekeurd Programma van Eisen vereist, dat is opgesteld conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA); c. indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarden worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag, dat in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kan verbinden aan de sloopvergunning. 5.5
Toelaatbaarheid
a. De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod van lid 5.3 en/of het verbod van lid 5.4
11
geldt/gelden, zijn slechts toelaatbaar, indien mede op basis van een door aanvrager ingediend archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende is aangetoond dat archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. b. Een door de aanvrager ingediend archeologisch onderzoek dient te voldoen aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Indien het gravend archeologisch onderzoek betreft, kan het bevoegd gezag verplichten dat eerst een Programma van Eisen conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) wordt opgesteld en dat dit programma ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend. c. Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de vergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); 2. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 3. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage; 4.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding). 5.6
Uitzondering
Het verbod zoals bedoeld in lid 5.3, alsook het verbod zoals bedoeld in lid 5.4, is niet van toepassing, indien: a. sprake is van een bodemverstoring door de uitvoering van de werken/werkzaamheden die niet dieper gaat dan 30 cm onder het maaiveld; b. sprake is van een bodemverstoring die dieper gaat dan 30 cm onder het maaiveld, maar deze een oppervlakte van niet meer dan 50 m2 beslaat, dit tenzij sprake is van een bodemverstoring die dieper gaat dan 60 cm onder het maaiveld en waarbij het deel van de bodemverstoring dat dieper is gesitueerd dan 60 cm onder het maaiveld meer dan 10 m3 beslaat; c. de werken of werkzaamheden: mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; d. de werken en werkzaamheden op archeologisch onderzoek zijn gericht; e. sprake is van het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, mits de grondwerkzaamheden niet dieper zijn dan 1,2 meter en niet breder dan 1 meter; f. de werken en/of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; g.
duidelijk is aangetoond dat sprake is van een vervangende aanleg, waarbij geen sprake is van een extra bodemverstoring die dieper gaat dan 30 cm onder het maaiveld en dat voor een oppervlakte van meer dan 50 m2 en waarbij evenmin sprake is van een extra bodemverstoring die dieper gaat dan 60 cm onder het maaiveld, waarbij het deel van de extra bodemverstoring dat dieper is gesitueerd dan 60 cm onder het maaiveld meer dan 10 m3 beslaat; h. naar het oordeel van het bevoegd gezag uit andere beschikbare informatie voldoende blijkt dat de archeologische waarden door de bodemverstorende activiteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; i. de werken en/of werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan dat betrekking heeft op een vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte van de bestaande bebouwing, voorzover gelegen op of onder maaiveldpeil, niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.
12
5.7
Advies
Bij de beoordeling van een archeologisch onderzoek en van een Programma van Eisen voor archeologisch onderzoek, kan het bevoegd gezag zich laten adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). 5.8
Wijzigingsbevoegdheid
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om het plan te wijzigen door de bestemming Waarde-archeologie te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel gemeentelijk archeologiebeleid hiertoe aanleiding geeft.
13
Artikel 6
6.1
Waarde - Archeologie 3
Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden. 6.2
Bouwregels
a. Op deze gronden mogen ten behoeve van het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek in de vorm van opgravingen noodzakelijk zijn, mits het bepaalde in leden 6.3 en 6.4 vooraf in acht is genomen. b. Tevens mogen op deze gronden gebouwen/bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht voor de andere op die gronden voorkomende bestemming(en), mits het bepaalde in leden 6.3 en 6.4 vooraf in acht is genomen. 6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarden-archeologie zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm onder het maaiveld zoals het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het (ver)graven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage, het frezen, scheuren van grasland, het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en het verwijderen van funderingen; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd; d.
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het heien of boren van palen en slaan van damwanden, een en ander met dien verstande, dat de oppervlakte van de bodemverstoring door hei- of boorpalen wordt berekend door de oppervlakte van een paal te vermenigvuldigen met het aantal palen en vervolgens met twee. 6.4
Toelaatbaarheid
a. De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod van lid 6.3 geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien mede op basis van een door aanvrager ingediend archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende is aangetoond dat archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. b. Een door de aanvrager ingediend archeologisch onderzoek dient te voldoen aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Indien het gravend archeologisch onderzoek betreft, kan het bevoegd gezag verplichten dat eerst een Programma van Eisen conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) wordt opgesteld en dat dit programma ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend. c. Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de vergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); 2. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 3. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de
14
archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage; 4. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding). 6.5
Uitzondering
Het verbod zoals bedoeld in lid 6.3 is niet van toepassing, indien: a. sprake is van een bodemverstoring door de uitvoering van de werken/werkzaamheden die niet dieper gaat dan 40 cm onder het maaiveld; b. sprake is van een bodemverstoring die dieper gaat dan 40 cm onder het maaiveld, maar deze een oppervlakte van niet meer dan 100 m2 beslaat; c. de werken of werkzaamheden: mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; d. de werken en werkzaamheden op archeologisch onderzoek zijn gericht; e. sprake is van het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, mits de grondwerkzaamheden niet dieper zijn dan 1,2 meter en niet breder dan 1 meter; f. de werken en/of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; g. duidelijk is aangetoond dat sprake is van een vervangende aanleg, waarbij geen sprake is van een extra bodemverstoring die dieper gaat dan 40 cm onder het maaiveld en dat voor een oppervlakte van meer dan 100 m2; h. naar het oordeel van het bevoegd gezag uit andere beschikbare informatie voldoende blijkt dat de archeologische waarden door de bodemverstorende activiteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; i.
de werken en/of werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan dat betrekking heeft op een vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte van de bestaande bebouwing, voorzover gelegen op of onder maaiveldpeil, niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut. 6.6
Advies
Bij de beoordeling van een archeologisch onderzoek en van een Programma van Eisen voor archeologisch onderzoek, kan het bevoegd gezag zich laten adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). 6.7
Wijzigingsbevoegdheid
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om het plan te wijzigen door de bestemming Waarde-archeologie te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel gemeentelijk archeologiebeleid hiertoe aanleiding geeft.
15
Artikel 7
7.1
Waarde - Archeologie 4
Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden. 7.2
Bouwregels
a. Op deze gronden mogen ten behoeve van het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek in de vorm van opgravingen noodzakelijk zijn, mits het bepaalde in leden 7.3 en 7.4 vooraf in acht is genomen. b. Tevens mogen op deze gronden gebouwen/bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht voor de andere op die gronden voorkomende bestemming(en), mits het bepaalde in leden 7.3 en 7.4 vooraf in acht is genomen. 7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarden-archeologie zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm onder het maaiveld zoals het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het (ver)graven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage, het frezen, scheuren van grasland, het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en het verwijderen van funderingen; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd; d.
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het heien of boren van palen en slaan van damwanden, een en ander met dien verstande, dat de oppervlakte van de bodemverstoring door hei- of boorpalen wordt berekend door de oppervlakte van een paal te vermenigvuldigen met het aantal palen en vervolgens met twee. 7.4
Toelaatbaarheid
a. De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod van lid 7.3 geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien mede op basis van een door aanvrager ingediend archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende is aangetoond dat archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. b. Een door de aanvrager ingediend archeologisch onderzoek dient te voldoen aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Indien het gravend archeologisch onderzoek betreft, kan het bevoegd gezag verplichten dat eerst een Programma van Eisen conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) wordt opgesteld en dat dit programma ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend. c. Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de vergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); 2. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 3. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de
16
archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage; 4. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding). 7.5
Uitzondering
Het verbod zoals bedoeld in lid 7.3 is niet van toepassing, indien: a. sprake is van een bodemverstoring door de uitvoering van de werken/werkzaamheden die niet dieper gaat dan 50 cm onder het maaiveld; b. sprake is van een bodemverstoring die dieper gaat dan 50 cm onder het maaiveld, maar deze een oppervlakte van niet meer dan 100 m2 beslaat; c. de werken of werkzaamheden: mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; d. de werken en werkzaamheden op archeologisch onderzoek zijn gericht; e. sprake is van het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, mits de grondwerkzaamheden niet dieper zijn dan 1,2 meter en niet breder dan 1 meter; f. de werken en/of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; g. duidelijk is aangetoond dat sprake is van een vervangende aanleg, waarbij geen sprake is van een extra bodemverstoring die dieper gaat dan 50 cm onder het maaiveld en dat voor een oppervlakte van meer dan 100 m2; h. naar het oordeel van het bevoegd gezag uit andere beschikbare informatie voldoende blijkt dat de archeologische waarden door de bodemverstorende activiteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; i.
de werken en/of werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan dat betrekking heeft op een vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte van de bestaande bebouwing, voorzover gelegen op of onder maaiveldpeil, niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut; j. het werken en/of werkzaamheden betreft ten behoeve van de eenmalige aanleg van nieuwe drainage op agrarische gronden, mits: 1. eventuele vervanging van de buizen in de toekomst op dezelfde plaats gebeurt; 2. het drainageplan vooraf door de gemeente wordt goedgekeurd. 7.6
Advies
Bij de beoordeling van een archeologisch onderzoek en van een Programma van Eisen voor archeologisch onderzoek, kan het bevoegd gezag zich laten adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). 7.7
Wijzigingsbevoegdheid
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om het plan te wijzigen door de bestemming Waarde-archeologie te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel gemeentelijk archeologiebeleid hiertoe aanleiding geeft.
17
Artikel 8
8.1
Waarde - Archeologie 5
Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie 5 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden. 8.2
Bouwregels
a. Op deze gronden mogen ten behoeve van het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek in de vorm van opgravingen noodzakelijk zijn, mits het bepaalde in leden 8.3 en 8.4 vooraf in acht is genomen. b. Tevens mogen op deze gronden gebouwen/bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht voor de andere op die gronden voorkomende bestemming(en), mits het bepaalde in leden 8.3 en 8.4 vooraf in acht is genomen. 8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarden-archeologie zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm onder het maaiveld zoals het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het (ver)graven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage, het frezen, scheuren van grasland, het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en het verwijderen van funderingen; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd; d.