Gebiedsontwikkeling Hooijpolder - Regels
Tekst van het document
het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; l. indien de gronden zijn gelegen buiten de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied' dient er voldaan te worden aan de eisen en regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in de Notitie toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant. 3.5.8
Omgevingsvergunning tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder h ten behoeve van tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de huisvesting vindt uitsluitend plaats in een aanwezig bedrijfsgebouw of een deel van de bedrijfswoning; b. de tijdelijke huisvesting is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf; c. de huisvesting betreft uitsluitend medewerkers, die alleen binnen het bedrijf, waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten; d. de huisvesting bedraagt niet meer dan 6 maanden per kalenderjaar; e. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; f. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de natuur-, milieuwet- en regelgeving; g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; h. er wordt voldaan aan de natuur-, milieuwet- en regelgeving; i.
indien de gronden zijn gelegen buiten de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied' dient er voldaan te worden aan de eisen en regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in de Notitie toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant.
28 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
3.5.9
Omgevingsvergunning opslag gevaarlijke stoffen
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder i ten behoeve van de opslag van gevaarlijke stoffen teneinde toe te staan dat de daarbij behorende 10-6 risicocontour het bouwvlak overschrijdt, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de natuur-, milieuwet- en regelgeving; b. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; c. er wordt voldaan aan de natuur-, milieuwet- en regelgeving; d. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Indien deze bestaat uit een beplantingsstrook dan dient deze uit voornamelijk streekeigen soorten te bestaan; e. indien de gronden zijn gelegen buiten de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied' dient er voldaan te worden aan de eisen en regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in de Notitie toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant. 3.5.10 Omgevingsvergunning paardenbak t.b.v.
hobbymatig gebruik Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder j teneinde ten behoeve van hobbymatig gebruik binnen deze bestemming paardenbakken toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de paardenbak mag uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van een bouwvlak; b. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 30 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden, alsmede een afstand van minimaal 5 m tot belendende percelen van derden; c. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Indien deze bestaat uit een beplantingsstrook dan dient deze uit voornamelijk streekeigen soorten te bestaan; d. het gebruik van paardenbakken is uitsluitend hobbymatig toegestaan; e. de omvang van de paardenbakken mag in totaal niet meer bedragen dan 800 m²; f. voor lichtmasten gelden de volgende bepalingen: 1. de hoogte bedraagt niet meer dan 6 m; 2. de afstand tot woningen van derden bedraagt minimaal 75 m; 3. er wordt doelgerichte verlichting toegepast; 4. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; g. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen: 1. de hoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 2 m; 2. afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie h.
overige bouwwerken zijn niet toegestaan; i. er mag geen grotere opslag van mest plaatsvinden dan 1 m³; j. er wordt voldaan aan de natuur-, milieuwet- en regelgeving; k. indien de gronden zijn gelegen buiten de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied' dient er voldaan te worden aan de eisen en regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in de Notitie toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant.
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 29
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.6.1
Omgevingsvergunningsplicht
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder 3.6.4 opgenomen omgevingsvergunningsplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren.
3.6.2
Uitzonderingen vergunningenplicht
Het onder 3.6.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. welke plaatshebben ter plaatse van een bouwvlak; b. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplaneen omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend; c. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan legaal in uitvoering waren; d. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer; e. welke plaatsvinden in het kader van het zorgvuldige landschappelijke inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1. 3.6.3
Toetsing aan aanwezige waarden
De in 3.6.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 3.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 3.6.4 de toetsingscriteria weergegeven.
3.6.4
Schema omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden
Omgevingsvergunningsplichtige werken/werkzaamheden
Criteria voor verlening van omgevingsvergunning
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter - er mag geen onevenredige aantasting dan 100 m² ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone plaatsvinden van het voor het slagenlandschap - aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie' kenmerkende (rationele) verkaveling; het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter - er mag geen onevenredige aantasting dan 200 m² plaatsvinden van de landschappelijke waarden; - het aanbrengen van verhardingen dient noodzakelijk te zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het recreatief medegebruik; - de waterhuishoudkundige situatie mag niet onevenredig worden aangetast; het aanbrengen van (infrastructurele) (ondergrondse) leidingen
- het aanbrengen van de leidingen mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de agrarische belangen; - bij het aanbrengen van bovengrondse leidingen mag er geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden; - ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie' mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het voor het slagenlandschap kenmerkende (rationele) verkaveling;
30 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
het beplanten van gronden met houtgewas (dat hoger kan worden dan 1 m, inclusief boom- en fruitteelt) ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie'
- er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het voor het slagenlandschap kenmerkende (rationele) verkaveling; - de karakteristieke openheid van het landschap en de doorzichten mogen niet onevenredig worden aangetast;
het dempen van poelen, sloten en greppels ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie'
- er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het voor het slagenlandschap kenmerkende (rationele) verkaveling;
aanbrengen lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (voor zover het aanleggen betreft) ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie'
- er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het voor het slagenlandschap kenmerkende (rationele) verkaveling; - de karakteristieke openheid van het landschap en de doorzichten mogen niet onevenredig worden aangetast;
aanbrengen hoge tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen (voor zover het aanleggen betreft) ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie'
- de activiteiten zijn noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; - er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het voor het slagenlandschap kenmerkende (rationele) verkaveling; - de karakteristieke openheid van het landschap en de doorzichten mogen niet onevenredig worden aangetast;
het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van - er mag geen onevenredige aantasting de bodem ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - plaatsvinden van het voor het slagenlandschap aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie' kenmerkende (rationele) verkaveling; het diepwoelen of –ploegen van de bodem met meer dan 60 cm ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie'
- er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het voor het slagenlandschap kenmerkende (rationele) verkaveling;
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 31
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Artikel 4
Natuur
4.1
Bestemmingsomschrijving
4.1.1
Algemeen
De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bos en natuur; b. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden; c. voor het behoud en een samenhangend beheer van het gebied overeenkomstig het inrichtingsplan in Bijlage 1 ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Hooijpolder; d. behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen; e. het als zondanig instandhouden van de niet-beboste gedeelten; f. water en waterhuishoudkundige doeleinden; g. extensief recreatief medegebruik; h. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer; een en ander met bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 4.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.
4.1.2
Nadere detaillering van de bestemming
In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 4.1.1:
a
Extensief recreatief medegebruik
Het gehele gebied gelegen binnen deze bestemming mag worden gebruikt ten behoeve van openbaar toegankelijk extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.
b
Landschapswaarden
Gestreefd wordt naar behoud en herstel van landschapswaarden. Dit houdt in dat ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie' het beleid is gericht op de bescherming van landschaps- en cultuurhistorische waarden in de vorm van de karakteristieke openheid rondom Raamsdonk en de karakteristieke verkavelingsvorm in de vorm van het slagenlandschap in samenhang met de dijk- en afwateringsstructuren en de lintbebouwing en doorzichten.
c
Waterhuishoudkundige doeleinden
De gronden binnen een strook van 5 m aan weerszijden vanaf de insteek van de met 'Water' bestemde watergangen zijn tevens bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden.
4.2
Bouwregels
4.2.1
Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming.
4.2.2
Maatvoering
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende maatvoeringseisen: 32 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder a. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 2 m; b. in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de bouwhoogte voor bouwwerken ten behoeve van informatievoorzieningen, entreevoorzieningen dan wel schuilvoorzieningen maximaal 3 m; c. in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de bouwhoogte voor erfafscheidingen maximaal 1 m. 4.3
Specifieke gebruiksregels
4.3.1
Strijdig gebruik
In aanvulling op het bepaalde van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c Wabo wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en opstallen: a. voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. voor lawaaisporten; c. voor verblijfsrecreatie; d. voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen; e. het dempen van poelen, sloten en greppels. 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1
Omgevingsvergunningsplicht
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder 4.4.4. opgenomen omgevingsvergunningsplichtige werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren.
4.4.2
Uitzonderingen vergunningplicht
Het onder 4.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend; b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren; c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer; d. welke plaatsvinden in het kader van het zorgvuldige landschappelijke inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1. 4.4.3
Toetsing aan aanwezige waarden
De in 4.4.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 4.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 4.4.4 de toetsingscriteria weergegeven.
4.4.4
Schema omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden
Omgevingsvergunningsplichtige werken/werkzaamheden
Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning
het afgraven, ophogen, of egaliseren van de grond
- deze werkzaamheden vinden plaats in het kader van het bosof natuurbeheer; - de werkzaamheden mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van het reliëf;
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 33
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
het aanbrengen van - de verhardingen zijn noodzakelijk voor het beheren dan wel oppervlakteverhardingen groter dan 100 verbeteren van bos en natuur dan wel voor het mogelijk maken m2 van extensief recreatief medegebruik; - de verhardingen mogen geen onevenredige aantasting betekenen van de aanwezige natuurwaarden; het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen
- er mag geen blijvende aantasting plaatsvinden van de aanwezige natuurwaarden;
het verwijderen, kappen of rooien van bomen of opgaande beplanting
- er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de aanwezige natuurwaarden.
34 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Artikel 5
Verkeer
5.1
Bestemmingsomschrijving
5.1.1
Algemeen
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - erftoegangsweg', verkeersdoeleinden in de vorm van een erftoegangsweg; a. voor het behoud en een samenhangend beheer van het gebied overeenkomstig het inrichtingsplan in Bijlage 1 ter plaatse van de aanduiding 'overige - Hooijpolder'; b. fietspaden; c. openbaar toegankelijk extensief recreatief medegebruik; d. water en waterhuishoudkundige doeleinden; e. waterhuishoudkundige voorzieningen; een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, wildbegeleidende en wildbeschermingsvoorzieningen, geluidswerende voorzieningen, parkeervoorzieningen, wandel- en/of fietspaden, bruggen, openbare nutsvoorzieningen, bermen, wegbeplantingen, sloten en overeenkomstig de in 5.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.
5.1.2
Nadere detaillering van de bestemming
In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 5.1.1:
a
Waterhuishoudkundige doeleinden
De gronden binnen een strook van 5 m aan weerszijden vanaf de insteek van de met 'Water' bestemde watergangen zijn tevens bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden.
5.2
Bouwregels
5.2.1
Algemeen
Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van de bestemming.
5.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 15 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 18 m mag bedragen.
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 35
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Artikel 6 6.1
Water
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. a. b. c. d. e.
water en waterhuishoudkundige doeleinden; voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging; waterstaatkundige kunstwerken, bruggen en andere waterstaatswerken; voor het behoud en een samenhangend beheer van het gebied overeenkomstig het inrichtingsplan in Bijlage 1 ter plaatse van de aanduiding 'overige - Hooijpolder'; beheer en onderhoud van de watergang; beeldende kunstwerken; behoud, bescherming en ontwikkeling van ecologische waarden; openbaar toegankelijk extensief recreatief medegebruik;
één en ander met de bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen e.d.
6.2
Bouwregels
6.2.1
Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.
6.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen aan het volgende te voldoen: a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de verkeersgeleiding en wegverlichting mag niet meer bedragen dan 8 m. b. De bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m. c. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
36 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Artikel 7
Wonen
7.1
Bestemmingsomschrijving
7.1.1
Algemeen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep; a. voor het behoud en een samenhangend beheer van het gebied overeenkomstig het inrichtingsplan in Bijlage 1 ter plaatse van de aanduiding 'overige - Hooijpolder'; b. recreatieve voorzieningen in de vorm van een minicamping of een bed&breakfast; c. water en waterhuishoudkundige doeleinden; d. parkeervoorzieningen; een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven en overeenkomstig de in 7.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.
7.1.2
Nadere detaillering van de bestemming
In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 7.1.1:
a
Aan-huis-verbonden beroep
In of bij een woning mag ook een aan huis verbonden beroep worden uitgeoefend als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 1/3 deel van de oppervlakte van de begane grondlaag van de woonbebouwing, inclusief van bijgebouwen tot een maximum van 80 m²; b. de activiteit mag geen verkeersaantrekkende werking hebben; c. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; d. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; e. detailhandel en horeca zijn niet toegestaan; f. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner; g. de activiteit mag uitsluitend worden uitgeoefend in bedrijfscategorie 1 van de in Bijlage 2 opgenomen Staat van inrichtingen. b
Aantal woningen
Per bouwvlak zijn maximaal twee woningen toegestaan.
c
Minicamping
Gebruik van gronden en bouwwerken voor een minicamping is uitsluitend toegestaan via omgevingsvergunning als bedoeld in 7.4.2.
d
Bed & breakfast
Gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bed & breakfast is uitsluitend toegestaan via omgevingsvergunning als bedoeld in 7.4.3.
e
Waterhuishoudkundige doeleinden
De gronden binnen een strook van 5 m aan weerszijden vanaf de insteek van de met 'Water' bestemde watergangen zijn tevens bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden.
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 37
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
7.2
Bouwregels
7.2.1
Toegestande bebouwing
Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals woningen met bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat de gebouwen worden opgericht in overeentemming met het in Bijlage 4 opgenomen beeldkwaliteitsplan.
7.2.2
Inhoud
Per bouwvlak mag de inhoud van hoofdgebouwen, exclusief aangebouwde bijgebouwen, niet meer bedragen dan 1.000 m3.
7.2.3
Voorgevel
Indien binnen een bouwvlak een gevellijn is opgenomen dient de voorgevel van een hoofdgebouw te worden georiënteerd op de op de verbeelding aangegeven gevellijn.
7.2.4
Dove gevel
De achtergevel van hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' dient op de eerste verdieping te worden uitgevoerd met een dove gevel.
7.2.5
Kapvorm en kaprichting
De kaprichting van de woningen en bijgebouwen mag uitsluitend in de lengterichting van het perceel, dus in een hoek naar de weg, worden gerealiseerd. Gebouwen met een kap zijn voorzien van een zadeldak, dan wel een mansardekap.
7.2.6
Waterberging
Gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht indien voorzien wordt in de aanleg van een waterberging van ten minste 60 liter per vierkante meter verhard oppervlak (60 mm).
7.2.7
Situering gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen en aangebouwde bijgebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van het bouwvlak, met dien verstande dat ondergeschikte bouwdelen tevens buiten het bouwvlak zijn toegestaan; b. vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zijn zowel binnen het bouwvlak als binnen de aanduiding 'bijgebouwen' toegestaan; c. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 m, met dien verstande dat deze afstandseis niet geldt voor gebouwen ter plaatse van een bouwvlak. 7.2.8
Maatvoering en overige situering
Met betrekking tot de maatvoering en situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dient aan het volgende te worden voldaan: Woning
38 (ontwerp)
Min.
Max.
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
goothoogte, de maximale goothoogte geldt voor minimaal 60% van de lengte van de goot
n.v.t.
6m
bouwhoogte
n.v.t.
10 m
inhoud
zie 7.2.2
dakhelling
20°
50°
Bijgebouwen bij woning
Min.
Max.
gezamenlijke oppervlakte per woning
n.v.t.
150 m2
goothoogte
n.v.t.
3,5 m
bouwhoogte
n.v.t.
6m
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Max.
bouwhoogte erfafscheidingen achter de voorgevel en het verlengde daarvan en omheining paardenbak
2m
erfafscheidingen voor de voorgevel en het verlengde daarvan
1m
bouwhoogte afrastering agrarische gronden met hobbymatig agrarisch gebruik
1,5 m
bouwhoogte van carports c.q. overkappingen
3,5 m
oppervlakte van een carports c.q. overkapping
50 m2
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
4m
7.3
Specifieke gebruiksregels
7.3.1
Strijdig gebruik
In aanvulling op het bepaalde van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c Wabo wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen: a. het bewonen van bijgebouwen, als zelfstandige woning; b. een aan huis verbonden bedrijf; c. paardenbakken. 7.3.2
Voorwaardelijke verplichting
a. Het in gebruik nemen van gronden en bouwwerken conform de bestemming 'Wonen' is uitsluitend toegestaan indien het landschappelijksplan zoals opgenomen in Bijlage 1, maximaal 24 maanden na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is aangelegd en vervolgens kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden; b. Het in gebruik nemen van gronden en bouwwerken conform de bestemming 'Wonen' is uitsluitend toegestaan indien er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd en in stand worden gehouden overeenkomstig met het parkeerbeleidsplan 'Parkeren doen we zo!' van de gemeente Geertruidenberg.
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 39
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
7.4
Afwijken van de gebruiksregels
7.4.1
Omgevingsvergunning vergelijkbare activiteit aan huis
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1.2 onder a teneinde bedrijven toe te staan, die qua aard en omvang en invloed op het milieu en de omgeving gelijk te stellen zijn met de in 7.1.2 onder a toegestane bedrijven maar die niet zijn genoemd in de in de Bijlage 2 opgenomen Staat van inrichtingen, mits omtrent de vergelijkbaarheid van de invloed op het milieu en de omgeving advies wordt gevraagd aan een onafhankelijke terzake deskundige.
7.4.2
Omgevingsvergunning minicamping
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1.2 onder c teneinde kleinschalig kamperen en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie' toe te staan binnen de reguliere bebouwingsmogelijkheden, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan op een afstand van minimaal 25 m van de bestemming 'Wonen' van derden; b. een minicamping is uitsluitend toegestaan aansluitend aan en alleen aan de achterzijde van het bestemmingsvlak, ter behoud van de doorzichten; c. slechts kampeermiddelen zijn toegestaan met een niet-permanent karakter; d. een minicamping is uitsluitend toegestaan in de periode 15 maart tot en met 31 oktober; e. er zijn maximaal 20 standplaatsen voor kampeermiddelen toegestaan; f. de oppervlakte van het bestemmingsvlak waarvoor omgevingsvergunning wordt gevraagd, mag niet kleiner zijn dan 3000 m²; g. de bebouwing vindt plaats binnen de voor deze bestemming geldende bouwmogelijkheden, met dien verstande dat de oppervlakte van bouwwerken ten behoeve van kleinschalig kamperen maximaal 50 m² mag bedragen; h. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Indien deze bestaat uit een beplantingsstrook dan dient deze uit voornamelijk streekeigen soorten te bestaan; i. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; j. er wordt voldaan aan de natuur-, milieuwet- en regelgeving; k. de verkeersaantrekkende werking van de activiteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; l. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste 110% van het aantal standplaatsen bedraagt; m. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de natuur-, milieuwet- en regelgeving; n. het mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van landschapswaarden; o. indien de gronden zijn gelegen buiten de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied' dient er voldaan te worden aan de eisen en regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in de Notitie toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant. 7.4.3
Omgevingsvergunning bed & breakfast
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1.2 onder d teneinde als activiteit bij een woning, bed & breakfast voorzieningen e.d. toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. deze activiteit is in de woning en de daarbij behorende aangebouwde bijgebouwen toegestaan; b. de activiteit is ondergeschikt van aard; c. er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de activiteit plaats; 40 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder d. de gebruiksoppervlakte niet meer mag bedragen dan 300 m²; e. ten behoeve van de bed & breakfast voorzieningen zijn maximaal 10 (éénpersoons)bedden toegestaan; permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegestaan; f. de verkeersaantrekkende werking van de activiteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; h. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de natuur-, milieuwet- en regelgeving; i. indien de gronden zijn gelegen buiten de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied' dient er voldaan te worden aan de eisen en regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in de Notitie toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant. 7.4.4
Omgevingsvergunning zorgverlenende activiteiten
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1, teneinde – bedrijfsmatige - nevenactiviteiten gericht op zorgverlening, waaronder een zorgboerderij, op sociaal, fysiek of psychisch vlak, toe te staan bij een woonbestemming, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen de aanwezige gebouwen; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats; b. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 250 m²; c. ondergeschikte en ondersteunende horeca is toegestaan, met een inpandige oppervlakte van maximaal 30 m² en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 70 m2; d. de nevenactiviteit is uitsluitend toegestaan in de nabijheid van een woonkern, zodat redelijkerwijs vanuit de kern van deze voorzieningen gebruik zal worden gemaakt; e. er wordt voldaan aan de natuur-, milieuwet- en regelgeving; f. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de natuur-, milieuwet- en regelgeving; g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; h.
de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; i. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; j. het mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 7.1 omschreven waarden; k. indien de gronden zijn gelegen buiten de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied' dient er voldaan te worden aan de eisen en regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in de Notitie toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant. 7.4.5
Omgevingsvergunning recreatieve activiteiten
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1, teneinde als nevenactiviteit extensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals een kinderboerderij, theehuis, verhuur van fietsen/huifkarren, organiseren van rondleidingen en exposities, bed & breakfastvoorzieningen e.d., toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de nevenactiviteit vindt plaats naast en ter ondersteuning van de woonfunctie; b. verblijfsrecreatieve activiteiten zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van vakantieappartementen, kamerverhuur, bed & breakfast e.d.; kampeermiddelen en stacaravans zijn niet toegestaan; c. maneges zijn niet toegestaan; d. de nevenactiviteit dient plaats te vinden in de aanwezige gebouwen; er vindt geen uitbreiding van bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 41
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats; e. bed & breakfast is toegestaan met een maximum van 10 (éénpersoons)bedden per woning waarbij deze nevenactiviteit toegestaan is in de woning en de daarbij behorende aangebouwde bijgebouwen; f. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 500 m2, met dien verstande dat er maximaal 5 vakantieappartementen zijn toegestaan met een totale oppervlakte van maximaal 300 m²; g. ten behoeve van de nevenactiviteit is ondersteunende horeca toegestaan, zoals de verkoop van ijs, thee e.d. met een inpandige oppervlakte van maximaal 30 m² en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 70 m²; h. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; i. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; j. er wordt voldaan aan de natuur-, milieuwet- en regelgeving; k. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de natuur-, milieuwet- en regelgeving; l. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; m.
detailhandel is uitsluitend toegestaan in ondergeschikte, aan de nevenactiviteit gerelateerde vorm; n. het mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 7.1 omschreven waarden; o. vooraf kan door de gemeente advies worden ingewonnen bij de provinciale commissie Recreatie en Toerisme; p. indien de gronden zijn gelegen buiten de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied' dient er voldaan te worden aan de eisen en regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in de Notitie toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant. 7.4.6
Omgevingsvergunning paardenbak t.b.v. hobbymatig gebruik
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.3.1 onder c teneinde ten behoeve van hobbymatig gebruik binnen deze bestemming paardenbakken toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 30 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden, alsmede een afstand van minimaal 5 m tot belendende percelen van derden; b. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Indien deze bestaat uit een beplantingsstrook dan dient deze uit voornamelijk streekeigen soorten te bestaan; c. het gebruik van paardenbakken is uitsluitend hobbymatig toegestaan; d. de omvang van de paardenbakken mag in totaal niet meer bedragen dan 800 m²; e. lichtmasten zijn niet toegestaan; f. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen: 1. de hoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 2 m; 2. afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie g. overige bouwwerken zijn niet toegestaan; h. er mag geen grotere opslag van mest plaatsvinden dan 1 m³; i. er wordt voldaan aan de natuur-, milieuwet- en regelgeving; j.
indien activiteiten die samenhangen met het aanleggen van een paardenbak omgevingsvergunningsplichtig zijn voor werken en werkzaamhedenplichtig, vormt de afweging hierbij onderdeel van deze omgevingsvergunning en is geen aparte omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden benodigd; k. indien de gronden zijn gelegen buiten de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied' dient er voldaan te worden aan de eisen en regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in de Notitie toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant.
42 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
7.4.7
Omgevingsvergunning afwijken landschappelijke inpassing
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.3.2 teneinde andere landschapsmaatregelen te treffen, met dien verstande dat deze landschapsmaatregelen: 1. minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen landschapsmaatregelen. 2. voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het landschappelijk inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald. 3. zijn afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken.
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 43
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Artikel 8 8.1
Leiding - Water
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een watertransportleiding en uitsluitend in het bestaande type met de bestaande druk en diameter; één en ander met de bijbehorende voorzieningen.
8.2
Bouwregels
Binnen deze dubbelbestemming zijn uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan ten behoeve van deze dubbelbestemming.
8.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de op deze gronden liggende hoofdbestemming toe te staan, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat; dienaangaande wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.4.1
Omgevingsvergunningsplichtige werken
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e. f.
het aanbrengen van (half-)verhardingen; het vergraven, ophogen, diepwoelen of diepploegen van de bodem; het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen; het verwijderen van beplanting; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven c.q. indrijven van voorwerpen; het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk, met een diepte van meer dan 30 cm; g. het graven van sloten en het leggen van (drainage)leidingen. 8.4.2
Uitzonderingen
Het onder 8.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden: a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan aanlegvergunning danwel omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend; b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren; c. welke het herbestraten met (half-)verhardingen betreffen; d. welke het normale beheer en onderhoud van de leidingen betreffen.
44 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
8.4.3
Verlening
De in 8.4.1 genoemde omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover door de werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de leidingen niet worden aangetast. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in 8.4.1 wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 45
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Artikel 9 9.1
Waarde - Archeologie 3
Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden.
9.2
Bouwregels
a. Op deze gronden mogen ten behoeve van het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek in de vorm van opgravingen noodzakelijk zijn, mits het bepaalde in lid 9.3 vooraf in acht is genomen. b. Tevens mogen op deze gronden gebouwen/bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht voor de andere op die gronden voorkomende bestemming(en), mits het bepaalde in lid 9.3 vooraf in acht is genomen. 9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 9.3.1
Verbod
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarden-archeologie zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm onder het maaiveld zoals het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het (ver)graven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage, het frezen, scheuren van grasland, het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en het verwijderen van funderingen; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het heien of boren van palen en slaan van damwanden, een en ander met dien verstande, dat de oppervlakte van de bodemverstoring door hei- of boorpalen wordt berekend door de oppervlakte van een paal te vermenigvuldigen met het aantal palen en vervolgens met twee. 9.3.2
Toelaatbaarheid
a. De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod van lid 9.3.1 geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien mede op basis van een door aanvrager ingediend archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende is aangetoond dat archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. b. Een door de aanvrager ingediend archeologisch onderzoek dient te voldoen aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Indien het gravend archeologisch onderzoek betreft, kan het bevoegd gezag verplichten dat eerst een Programma van Eisen conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) wordt opgesteld en dat dit programma ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend. c. Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de vergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); 2. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in 46 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 3. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage; 4. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding). 9.3.3
Uitzondering
Het verbod zoals bedoeld in lid 9.3.1 is niet van toepassing, indien: a. sprake is van een bodemverstoring door de uitvoering van de werken/werkzaamheden die niet dieper gaat dan 40 cm onder het maaiveld; b. sprake is van een bodemverstoring die dieper gaat dan 40 cm onder het maaiveld, maar deze een oppervlakte van niet meer dan 100 m2 beslaat; c. de werken of werkzaamheden: 1. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; d. de werken en werkzaamheden op archeologisch onderzoek zijn gericht; e. sprake is van het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, mits de grondwerkzaamheden niet dieper zijn dan 1,2 meter en niet breder dan 1 meter; f. de werken en/of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; g. duidelijk is aangetoond dat sprake is van een vervangende aanleg, waarbij geen sprake is van een extra bodemverstoring die dieper gaat dan 40 cm onder het maaiveld en dat voor een oppervlakte van meer dan 100 m2; h. naar het oordeel van het bevoegd gezag uit andere beschikbare informatie voldoende blijkt dat de archeologische waarden door de bodemverstorende activiteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; i.
de werken en/of werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan dat betrekking heeft op een vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte van de bestaande bebouwing, voorzover gelegen op of onder maaiveldpeil, niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut. 9.3.4
Advies
Bij de beoordeling van een archeologisch onderzoek en van een Programma van Eisen voor archeologisch onderzoek, kan het bevoegd gezag zich laten adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
9.4
Wijzigingsbevoegdheid
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om het plan te wijzigen door de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel gemeentelijk archeologiebeleid hiertoe aanleiding geeft.
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 47
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Artikel 10 10.1
Waarde - Archeologie 4
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden.
10.2
Bouwregels
a. Op deze gronden mogen ten behoeve van het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek in de vorm van opgravingen noodzakelijk zijn, mits het bepaalde in lid 10.3 vooraf in acht is genomen. b. Tevens mogen op deze gronden gebouwen/bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht voor de andere op die gronden voorkomende bestemming(en), mits het bepaalde in lid 10.3 vooraf in acht is genomen. 10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 10.3.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 4' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm onder het maaiveld zoals het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het (ver)graven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage, het frezen, scheuren van grasland, het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en het verwijderen van funderingen; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd; d.
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het heien of boren van palen en slaan van damwanden, een en ander met dien verstande, dat de oppervlakte van de bodemverstoring door hei- of boorpalen wordt berekend door de oppervlakte van een paal te vermenigvuldigen met het aantal palen en vervolgens met twee. 10.3.2 Toelaatbaarheid a. De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod van lid 10.3.1 geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien mede op basis van een door aanvrager ingediend archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende is aangetoond dat archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. b. Een door de aanvrager ingediend archeologisch onderzoek dient te voldoen aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Indien het gravend archeologisch onderzoek betreft, kan het bevoegd gezag verplichten dat eerst een Programma van Eisen conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) wordt opgesteld en dat dit programma ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend. c. Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de vergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1.
de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); 2. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in 48 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 3. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage; 4. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding). 10.3.3 Uitzondering Het verbod zoals bedoeld in lid 10.3.1 is niet van toepassing, indien: a. sprake is van een bodemverstoring door de uitvoering van de werken/werkzaamheden die niet dieper gaat dan 50 cm onder het maaiveld; b. sprake is van een bodemverstoring die dieper gaat dan 50 cm onder het maaiveld, maar deze een oppervlakte van niet meer dan 100 m² beslaat; c. de werken of werkzaamheden: 1. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; d. de werken en werkzaamheden op archeologisch onderzoek zijn gericht; e. sprake is van het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, mits de grondwerkzaamheden niet dieper zijn dan 1,2 meter en niet breder dan 1 meter; f.
de werken en/of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; g. duidelijk is aangetoond dat sprake is van een vervangende aanleg, waarbij geen sprake is van een extra bodemverstoring die dieper gaat dan 50 cm onder het maaiveld en dat voor een oppervlakte van meer dan 100 m²; h. naar het oordeel van het bevoegd gezag uit andere beschikbare informatie voldoende blijkt dat de archeologische waarden door de bodemverstorende activiteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; i. de werken en/of werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan dat betrekking heeft op een vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte van de bestaande bebouwing, voorzover gelegen op of onder maaiveldpeil, niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut. 10.3.4 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch onderzoek en van een Programma van Eisen voor archeologisch onderzoek, kan het bevoegd gezag zich laten adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
10.4
Wijzigingsbevoegdheid
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om het plan te wijzigen door de bestemming 'Waarde - Archeologie 4' te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel gemeentelijk archeologiebeleid hiertoe aanleiding geeft.
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 49
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Hoofdstuk 3 Artikel 11
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
50 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Artikel 12
12.1
Algemene bouwregels
Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de verbeelding en bestemmingsregels worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt. 12.2
Bestaande maten
Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels: a. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; b. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden; c. in geval van herbouw is het bepaalde onder a en b slechts van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. 12.3
Voldoende parkeergelegenheid
a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. b. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er op grond van dit plan sprake is van voldoende parkeergelegenheid. c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 51
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Artikel 13 13.1
Algemene aanduidingsregels
overige zone - afgegraven of ontgronden terreinen
a. Voor deze gebieden geldt de norm omtrent het eisen van archeologisch onderzoek in de desbetreffende dubbelbestemming. Daarnaast kan rekening worden gehouden met bestaande verstoring en in welke mate een nieuwe bodemverstoring de archeologische lagen betreft. b. Bij activiteiten in deze gebieden die een verdergaande bodemverstoring inhouden dan de verstoring die in de normen is vrijgesteld van archeologisch onderzoek, wordt in overleg met de gemeente bepaald of archeologisch onderzoek nodig is (maatwerk). Daarbij dient de diepte van de veronderstelde bodemverstoring aangetoond te worden in relatie tot de veronderstelde diepteligging van de hoogst liggende archeologisch relevante bodemlaag (schriftelijk indien ontvankelijk of boringen). 13.2
wro - zone
Ter plaatse van de gebiedsaanduidingen: a. 'wro-zone - aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie'; b. 'wetgevingszone - wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied'; aangeduide gronden gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de bestemming waarbinnen dit geldt.
52 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Artikel 14
Algemene afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van Hoofdstuk 2 reeds omgevingsvergunning kan worden verleend - door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. c. omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder" (ontwerp) 53
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Artikel 15
Overige regels
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
54 (ontwerp)
bestemmingsplan "Gebiedsontwikkeling Hooijpolder"
bestemmingsplan Gebiedsontwikkeling Hooijpolder
Hoofdstuk 4 Artikel 16 16.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
16.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 16.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 16.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 16.1.1 met maximaal 10%.
16.1.3 Uitzondering Het bepaalde in 16.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
16.2
Overgangsrecht gebruik
16.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.