Bijlage4_2205099CW-02 - rapportage quickscan flora en fauna - Molenstraat 58a te Raamsdonk - versie
Tekst van het document
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Quickscan flora en fauna Molenstraat 58a te Raamsdonk (2205/099/CW-02, versie 1)
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Quickscan flora en fauna
in opdracht van De heer J. van Strien Molenstraat 46 4944 AD RAAMSDONK
betreffende locatie Molenstraat 58a Raamsdonk documentkenmerk 2205/099/CW-02 versie 1 vestiging Nuenen datum 31 maart 2023
opgesteld door:
gecontroleerd door:
I. Kamps MSc en M. Vincken BSc
L. Bouwmans BSc
Projectleider ecologie
Projectleider ecologie
Op dit rapport is een disclaimer van toepassing; zie https://www.tritium.nl/disclaimer/29-04-2021/
Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid
Tritium Advies is gevestigd in:
T.
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Breda >> Neer >>
I.
www.tritium.nl
Nuenen >> Rijkevoort
KvK-nr.
17108024
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Inhoudsopgave 1
Inleiding
1
1.1
Quickscan flora en fauna
1
1.2
Natuurbescherming
1
2
Plangebied
3
3
Gebiedsbescherming
6
3.1
Natura 2000
6
3.2
Natuurnetwerk Nederland
9
4
Houtopstanden
11
4.1
Definitie en wetgeving
11
4.2
Waarnemingen en analyse
11
4.3
Deelconclusie houtopstanden
11
5
Soortbescherming
12
5.1
Soortverspreiding
12
5.2
Veldbezoek
12
5.3
Flora
13
5.4
Vogels
13
5.5
Grondgebonden zoogdieren
15
5.6
Vleermuizen
19
5.7
Amfibieën, reptielen en vissen
21
5.8
Ongewervelden
23
5.9
Invasieve exoten
23
6
Conclusies
25
6.1
Beschermde gebieden en soorten
25
6.2
Aanvullend onderzoek
26
6.3
Zorgplicht
26
6.4
Eindconclusie
27
6.5
Advies
28
7
Literatuurlijst
29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
1 Inleiding 1.1 Quickscan flora en fauna 1.1.1 Doel van het onderzoek Een Quickscan flora en fauna is een verkennend onderzoek waarin de ecologische waarden van een plangebied worden nagegaan. Het doel ervan is te bepalen of de voorgenomen wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (BWBR0037552 – Nederland). Het is noodzakelijk om voorafgaand aan ruimtelijke inrichting en aan ruimtelijke ingrepen te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde leefgebieden, op beschermde planten en of op beschermde diersoorten. Dit onderzoek voorziet in deze toetsing.
1.1.2 Te verwachten resultaten Op basis van een Quickscan flora en fauna zal blijken of er een overtreding van de geldende natuurwetgeving te verwachten is. Hiermee kan worden voorkomen dat er in strijd met de Wet natuurbescherming wordt gehandeld. Het uitvoeren van een verkennend onderzoek kan voldoende zijn om aan te tonen of een planvoornemen uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Soms zijn er echter meer soortgegevens nodig en is aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk. Een Quickscan flora en fauna stelt dit vast.
1.2 Natuurbescherming In Nederland geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet geeft invulling aan de bescherming van natuurgebieden, van dieren en van planten en vloeit voort uit de Europees vastgelegde natuurwetgeving. De Nederlandse provincies bepalen het natuurbeleid voor hun gebied. Het onderstaande schema geeft een overzicht van het geldend wettelijk kader omtrent natuurbescherming in Nederland.
pagina 1 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Het onderzoek dat in dit document gerapporteerd wordt, behandelt de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden en komt dusdanig in aanraking met Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland en de lijst van in Nederland beschermde soorten. In de provincie Noord-Brabant wordt het Natuurnetwerk Nederland ook aangeduid als Natuurnetwerk Brabant.
pagina 2 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
2 Plangebied Onderstaande tabel 2.1 geeft de locatiegegevens van het plangebied en verduidelijkt het planvoornemen. Figuur 2.1 toont het plangebied in zijn huidige conditie en figuur 2.2 laat de locatie van het plangebied ten opzichte van de omgeving zien. Tabel 2.1: Kerngegevens van het plangebied en het planvoornemen Kerngegevens Opdrachtgever Adres Kadaster – perceelnummer(s) Kadaster – sectie(s) Kadaster - gemeente Oppervlakte Huidig gebruik
Groenstructuren
Waterlichamen Geplande realisatie Omgeving
De heer J. van Strien Molenstraat 58a 4944 AD RAAMSDONK 4273 (deels) K Gemeente Raamsdonk circa 1000m2 Het plangebied is in gebruik als tuin en bloemenweide. Ten noorden bevindt zich een muziekstudio. Naast het plangebied loopt een inrit die naar de muziekstudio leidt. Binnen het plangebied zijn er geen struwelen, bomen of overige groenstruwelen aanwezig. Tijdens het veldbezoek was het perceel gemaaid, maar tijdens de zomermaanden deed het plangebied dienst als bloemenweide. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Op circa 130 meter van het plangebied is één poel en één vijver aanwezig. Het voornemen bestaat om binnen het plangebied een woning met omliggende tuin te realiseren. Het plangebied bevindt zich aan de rand van de bebouwde kom van Raamsdonk, in een landelijke omgeving.
Informatie opgehaald op 1 november 2022 (Perceelloep).
pagina 3 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Figuur 2.1: Huidige situatie van het plangebied: detailkaart.
Figuur 2.2: Huidige situatie van het plangebied: omgevingssituatie.
pagina 4 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Onderstaande foto’s, gemaakt op 24 september 2022, geven een beeld van de huidige situatie van het plangebied.
Foto A
Foto B
Foto C
Foto D
Foto E
Foto F
Figuur 2.3: Foto’s van de huidige situatie van het plangebied.
pagina 5 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
3 Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000 3.1.1 Bronnenonderzoek Ja Ligt het plangebied in een Natura 2000-gebied?
Nee X
0 km
0 – 10 km
Wat is de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied?
3,8 km
Welk Natura 2000-gebied betreft het?
Biesbosch
0 km
0 – 10 km
Wat is de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied?
3,9 km
Welk Natura 2000-gebied betreft het?
Langstraat
0 km
0 – 10 km
> 10 km
> 10 km
> 10 km
Wat is de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied?
6,9 km
Welk Natura 2000-gebied betreft het?
Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem
pagina 6 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Figuur 3.1: Plangebied ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.
Natura 2000- gebied – Biesbosch Gebiedskenmerken: De Biesbosch was eeuwenlang een uitgestrekt zoetwatergetijdengebied. Het gebied bestaat uit drie delen: de Sliedrechtse en Dortsche Biesbosch ten noorden van de Merwede en de Brabantse Biesbosch ten zuiden ervan. De Biesbosch bevat in zijn huidige vorm grote botanische en faunistische kwaliteiten omdat het landschap van eilanden en slingerende waterwegen in wezen nog steeds bestaat. Zuid-Flevoland is het belangrijkste brongebied voor de blauwborst en een belangrijk broedgebied voor andere moerasvogels. In de Dordtse Biesbosch heerst daarnaast voldoende rust voor een belangrijke functie als ruigebied (wintertaling) en als pleisterplaats voor verstoringsgevoelige soorten als lepelaar en nonnetje. De Sliedrechtse Biesbosch is vooral van belang voor ganzen. Beschermde habitattypen: Er worden zes habitattypen beschermd: beken en rivieren met waterplanting (H3260B), slikkige rivieroevers (H3270), stroomdalgraslanden (H6120), ruigten en zomen (H6430A en H6430B), glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A en H6510B) en vochtige alluviale bossen (H91E0A en H91E0B). Beschermde soorten: Er leven veertien soorten die zijn beschermd via de habitatrichtlijn: de zeeprik (H1095), de rivierprik (H1099), de elft (H1102), de fint (H1103), de zalm (H1106), de bittervoorn (H1134),
pagina 7 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
de grote modderkruiper (H1145), de kleine modderkruiper (H1149), de rivierdonderpad (H1163), de meervleermuis (H1318), de bever (H1337), de noordse woelmuis (H1340), de tonghaarmuts (H1387) en de platte schijfhoren (H4056). Daarnaast is het gebied aangewezen als broedlocatie voor diverse vogels: de aalscholver (A017), de roerdomp (A021), de bruine kiekendief (A081), de porseleinhoen (A119), de ijsvogel (A229), de blauwborst (A272), de snor (A292) en de rietzanger (A295). Daarnaast is het gebied voor verschillende vogels aangewezen als foerageergebied en slaap- en rustplaats: de fuut (A005), de aalscholver (A017), de grote zilverreiger (A027), de lepelaar (A034), de kleine zwaan (A037), de kolgans (A041), de grauwe gans (A043), de brandgans (A045), de smient (A050), de krakeend (A051), de wintertaling (A053), de wilde eend (A053), de pijlstaart (A054), de slobeend (A056), de tafeleend (A059), de kuifeend (A061), het nonnetje (A068), de grote zaagbek (A070), de zeearend (A075), de visarend (A094), de meerkoet (A125) en de grutto (A156).
Natura 2000- gebied – Langstraat Gebiedskenmerken: De Langstraat bij Sprang-Capelle bestaat uit een aantal natuurterreinen (het Labbegat, de Dullaert, de Dulver en de Hoven) op de grens van de zandgronden, het rivierengebied en zeekleigronden. Er zijn gradiënten aanwezig van zand naar veen, van basenarme lokale kwel naar basenrijke regionale kwel. Het gebied is een ontgonnen laagveenvlakte en een restant van een oud slagen landschap met zeer lange en smalle graslanden begrensd door elzenhagen. Het gebied bestaat uit sloten, trilvenen, schrale, soortenrijke graslanden, zeggenmoerassen en plaatselijk vochtige heide. In petgaten komen uiteenlopende verlandingsstadia voor. Daarnaast traden in het verleden inundaties op, waardoor nu nog wielen aanwezig zijn in het gebied. In Dulver ligt een eendenkooi. Beschermde habitattypen: Er worden tien habitattypen beschermd: zwakgebufferde vennen (H3130), kranswierwateren (H3140), meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150), vochtige heiden (H4010A), blauwgraslanden (H6410), ruigten en zomen (H6430A), overgangs- en trilvenen (H7140A), overgangs- en trilvenen (H7140B), pioniervegetatie met snavelbiezen (H7150) en kalkmoerassen (H7230).
Beschermde soorten: Er leven twee soorten die beschermd zijn via de Habitatrichtlijn: de grote modderkruiper en de kleine modderkruiper Natura 2000- gebied – Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem Gebiedskenmerken: Het Natura 2000 gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem bestaat uit drie aparte deelgebieden. Het deelgebied Loevestein ligt rond het gelijknamige slot en bestaat uit graslanden en moeras in de uiterwaarden van de Waal en de Afgedamde Maas. Het deelgebied Pompels omvat moeras, grienden, bosjes en vochtige graslanden. Het is een kleine polder met eigen waterhuishouding, Ook de Kornsche Boezem is een kleine boezempolder, met veel grienden. Het Natura 2000 gebied heeft in zijn geheel een rijke visfauna.
pagina 8 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Beschermde habitattypen: Er worden zeven habitattypen beschermd: meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150), slikkige rivieroevers (H3270), stroomdalgraslanden (H6120), ruigten en zomen (H6430A), glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A) en vochtige alluviale bossen (H91E0A en H91E0C) Beschermde soorten: Er leven zes soorten die beschermd zijn via de Habitatrichtlijn: bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, kamsalamander en bever. Deze en verdere informatie over dit gebied is te vinden op de website van Natura 2000 in Nederland (Natura 2000)
3.1.2 Deelconclusie Natura 2000-gebieden
Met het meest nabije Natura 2000-gebieden op minder dan 10 kilometer afstand valt een negatief effect van de geplande acties op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten (Aanpak Stikstof). Door de korte afstand kan er mogelijk verspreiding van schadelijke stoffen via de lucht of het water naar Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Een stikstofberekening om eventuele stikstofdepositie ten gevolge van de geplande inrichtings-, sloop- en/of bouwwerkzaamheden (gebruikersfase) op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten is daarom noodzakelijk.
3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Bronnenonderzoek Ja Ligt het plangebied in een gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland?
0m Wat is de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland? Welk type natuurgebied is het?
Nee X
0 – 600 m
> 600 m 860 m
N16.03 Droog bos met productie (BIJ12)
pagina 9 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Figuur 3.2: Plangebied ten opzichte van de dichtstbijzijnde natuurgebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Ja Hanteert de provincie een externe werking wat betreft gebieden uit het Natuurnetwerk Nederland?
Nee
X
Betekenis: Indirecte aantasting van natuurgebieden door werkzaamheden in de buurt van die gebieden moet in rekening gebracht worden, met uitzondering van de verspreiding van stoffen via de lucht of het water.
3.2.2 Deelconclusie Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie NoordBrabant hanteert een externe werking als het gaat om het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van een natuurgebied door de geplande werkzaamheden moet in kaart gebracht worden, met uitzondering van verspreiding van stoffen via de lucht of het water. In dit geval is het plangebied op een dergelijke afstand van het dichtstbijzijnde natuurgebied gelegen dat een negatief effect op dat natuurgebied niet verwacht wordt. Het plangebied ligt op circa 550 meter van de Groenblauwe mantel (Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant), waardoor ook hierop geen negatieve effecten worden verwacht.
pagina 10 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
4 Houtopstanden 4.1 Definitie en wetgeving Volgens artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de gedeputeerde staten. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden.
4.2 Waarnemingen en analyse Ja Bevindt er zich een houtopstand binnen het plangebied?
Nee X
4.3 Deelconclusie houtopstanden Er zijn binnen het plangebied geen houtopstanden. Er bestaan dan ook geen verdere verplichtingen aangaande houtopstanden binnen de Wet Natuurbescherming.
pagina 11 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
5 Soortbescherming 5.1 Soortverspreiding Aan de hand van gepubliceerde datasets en literatuuronderzoek is bepaald welke soorten potentieel voorkomen in de directe omgeving van het plangebied. Van elk van deze soorten is dan de status van bescherming volgens de Wet natuurbescherming nagegaan. In de onderstaande paragrafen, die telkens één soortgroep behandelen, is eerst dit opzoekingswerk samenvat. In verspreidingsatlassen, zoals die van de Nederlandse Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), wordt gewerkt met atlasblokken (5 x 5 km) en kilometerhokken (1 x 1 km) om aan te geven welke soorten in de afgelopen jaren zijn waargenomen in het gebied. Een atlasblok bevat 25 kilometerhokken. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok en het atlasblok beslaat, is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied.
Code van het atlasblok waarin het plangebied ligt.
44-35
X-coördinaat van het kilometerhok waarin het plangebied ligt.
121
Y-coördinaat van het kilometerhok waarin het plangebied ligt.
411
5.2 Veldbezoek Tijdens een bezoek aan het plangebied is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen, zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Een Quickscan flora en fauna is een momentopname en geen veldinventarisatie omdat veldinventarisaties meerdere seizoensgebonden opnamerondes inhouden die volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. Het kan dus voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert judgement (beoordeling door experten) en bekende ecologische principes is daarom een inschatting gemaakt over het kunnen voorkomen van beschermde plant- en diersoorten in het plangebied.
Datum van het veldbezoek
24 september 2022
Dagdeel van het veldbezoek
middag
Temperatuur tijdens het veldbezoek
17 ˚C
pagina 12 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Weersomstandigheden tijdens het veldbezoek
bewolkt
Windkracht tijdens het veldbezoek
1 Bft
5.3 Flora 5.3.1 Soortverspreiding In Nederland groeien ca. 80 plantensoorten die een beschermde status hebben op Europese en/of nationale schaal. Deze soorten komen veelal voor in gebieden die beschermd zijn via de Europese habitatrichtlijn maar enkele soorten, zoals bijvoorbeeld de schubvaren, komen ook voor in het stedelijk gebied. Tijdens het veldbezoek is nagegaan of het plangebied geschikt is voor beschermde planten. Ook is de eventuele aanwezigheid van invasieve exoten – planten van elders die een bedreiging vormen voor de inheemse soorten – vastgesteld.
5.3.2 Waarnemingen en analyse Het veldbezoek vond plaats in de herfst, wanneer slechts een deel van de aanwezige planten zichtbaar zijn. Tijdens het veldbezoek zijn er binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Ze zijn er ook niet te verwachten door de stedelijke omgeving. Beschermde soorten komen vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond en in ecologisch omstandigheden die plantendiversiteit stimuleren.
5.3.3 Deelconclusie
Er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot de flora.
5.4 Vogels 5.4.1 Soortverspreiding Alle niet-exotische, in het wild levende vogels die in Nederland broeden, te gast zijn of doortrekken, in totaal zo’n 290 soorten, zijn beschermd via de Vogelrichtlijn (Brochure MEZ). In de onderstaande tabel zijn de vogelsoorten opgenoemd waarvan de nestplaatsen jaarrond beschermd zijn in de provincie van het plangebied. Het betreft vogels die gebonden zijn aan vaste broedlocaties en daardoor niet kunnen uitwijken naar andere mogelijk geschikte locaties in de omgeving van het plangebied. Omdat het vernietigen of verstoren van hun broedplaatsen in strijd is met de Wet natuurbescherming, is tijdens het veldbezoek nagegaan of deze soorten in het plangebied voorkomen en broeden. Hierbij zijn de verspreidingskaarten opgesteld door het Sovon,
pagina 13 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
geraadpleegd om na te gaan of de soort in de buurt van het plangebied voorkomt (SOVON). Tabel 5.4.1: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in de provincie NoordBrabant Categorie 1 2 3 4
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Jaarrond gebruikte nesten Koloniebroeders – honkvast of gebouwafhankelijk Niet koloniebroeders – honkvast of gebouwafhankelijk Jaarlijkse terugkeer naar nest
steenuil gierzwaluw, huismus, roek grote gele kwikstaart, kerkuil, oehoe, ooievaar, slechtvalk boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief, zwarte wouw
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten bij ecologisch zwaarwegende redenen blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, 5
Honkvast maar flexibel
hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte roodstaart, zwarte specht
5.4.2 Waarnemingen en analyse Tijdens het veldbezoek zijn de onderstaande soorten waargenomen binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied is dus voor deze soorten geschikt als onderdeel van het leefgebied. Tabel 5.4.2: Lijst van de tijdens het veldbezoek waargenomen vogelsoorten Vogelsoort
Latijnse naam
gaai
Garrulus glandarius
huismus
Passer domesticus
huiszwaluw kauw
Aantal
Type waarneming
Nest
1
visueel
nee
1
auditief
nee
Delichon urbicum
6
visueel
nee
Corvus monedula
2
visueel
nee
Foerageer- en leefgebied Uit de bovenstaande waarnemingen en de observaties ter plekke blijkt dat het plangebied geschikt is als foerageergebied voor tuinvogels. Voor akkervogels, bosvogels, moerasvogels, roofvogels, stadsvogels, struweelvogels, watervogels en weidevogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Het plangebied is echter geen essentieel foerageergebied voor de voorkomende soorten omdat er in de buurt van het plangebied alternatief foerageergebied aanwezig is. Voorbeelden zijn de tuinen van omliggende woningen. Ook zal het gebied deels als foerageergebied in gebruik blijven na het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden.
pagina 14 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Natuurgebonden nesten Er zijn geen bomen en struiken aanwezig binnen het plangebied die kunnen dienen als broedgelegenheid. Ook in de directe omgeving van het plangebied kunnen vogels niet nesten. De geplande werkzaamheden zullen dus geen negatieve effecten teweegbrengen voor broedende vogels. Gebouwgebonden nesten Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig zodat het verloren gaan van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vogels is uitgesloten. Huismus In de omgeving van het plangebied is de huismus (Passer domesticus) auditief waargenomen in de struiken aan de overkant van de straat (zie bovenstaande waarnemingstabel). Binnen het plangebied zijn er geen bebouwing of struiken aanwezig waardoor het plangebied geen onderdeel is van de functionele leefomgeving van de huismus. Mogelijk vormen de hagen nabij de oostelijke grens onderdeel van het leefgebied van de huismus. Echter valt een negatief effect op de huismus uit te sluiten omdat deze hagen niet fysiek worden aangetast en omdat er voldoende struwelen in de directe omgeving aanwezig zijn waardoor er geen essentieel leefgebied wordt verstoord. Derhalve is aanvullend onderzoek naar huismus niet aan de orde.
5.4.3 Deelconclusie vogels
Een aantal vogelsoorten benut het plangebied als foerageergebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten en het gebied kan bovendien grotendeels als foerageergebied in gebruik blijven. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Er kunnen geen verstorende werkzaamheden zoals sloop- en bouwwerkzaamheden of verwijdering van beplanting plaatsvinden wanneer er broedende vogels aanwezig zijn in de nabije omgeving. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden tussen begin oktober en half februari worden er eveneens geen nadelige effecten verwacht voor vogels.
5.5 Grondgebonden zoogdieren 5.5.1 Soortverspreiding Onderstaande tabel geeft een overzicht van de in het wild levende grondgebonden zoogdieren die zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied sinds het jaar 2000 (NDFF). Zeezoogdieren, huisdieren, vee en exoten zijn niet opgenomen in de lijst en vleermuizen worden in het volgende deelhoofdstuk behandeld. Er is voor elke soort aangegeven of die op Europese (EU) of nationale (NL) schaal bescherming geniet, of er zorgplicht geldt voor de soort (ZORG) en of de soort vrijgesteld is van bescherming (VRIJ) in de provincie van het plangebied. De laatste kolom
pagina 15 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
(plangebied) vat samen welke beschermde soorten relevant zijn voor het plangebied (***). Deze soorten worden behandeld in de volgende paragrafen. Tabel 5.5.1: Lijst van grondgebonden zoogdieren die voorkomen in de omgeving van het plangebied Nederlandse
Latijnse
soortnaam
soortnaam
aardmuis
Microtus agrestis
bever
Castor fiber
bosmuis
Diergroep knaagdierenwoelmuizen knaagdierenoverige
Apodemus
knaagdieren-ware
sylvaticus
muizen
bruine rat
Rattus norvegicus
bunzing
Mustela putorius
dwergmuis
Micromys minutus
eekhoorn
Sciurus vulgaris
marterachtigen knaagdieren-ware muizen knaagdierenoverige overige
haas
Lepus europaeus
haasachtigen
huismuis
Mus musculus
huisspitsmuis
Crocidura russula
mol
spitsmuizen haasachtigen
knaagdierenwoelmuizen
otter
Lutra lutra
roofdierenmarterachtigen evenhoevigen
capreolus
steenmarter
Martes foina
veldmuis
Microtus arvalis
vos
Vulpes vulpes
wezel
Mustela nivalis
X
X
X
knaagdierenwoelmuizen roofdierenmarterachtigen knaagdierenwoelmuizen roofdierenhondachtigen roofdierenmarterachtigen
*** X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
*** X ***
X
X
X
X
X
X
***
X
overige
Microtus
Myodes glareolus
X
insecteneters-
subterraneus
rosse woelmuis
X
plangebied
X
insecteneters-
woelmuis
Capreolus
X
muizen
ondergrondse
ree
X
knaagdieren-ware
cuniculus Talpa europaea
VRIJ
X
roofdieren-
europaeus
Oryctolagus
ZORG
muizen
insecteneters-
konijn
X
NL
knaagdieren-ware
Erinaceus
egel
EU
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
***
***
***
pagina 16 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Nederlandse
Latijnse
soortnaam
soortnaam
woelrat
Arvicola amphibius
wolf
Canis lupus
Diergroep
EU
knaagdierenwoelmuizen roofdierenhondachtigen
X
NL
ZORG
VRIJ
X
X
X
X
X
plangebied
***
Diergroepen zijn volgens het soortenoverzicht van de Zoogdiervereniging van Nederland ().
5.5.2 Waarnemingen en analyse Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of voortplantings- en/of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen die zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Hieronder wordt de functie van het plangebied voor elke soort die de laatste twintig jaar in de buurt van het plangebied is waargenomen verduidelijkt. Bever Leefgebied
Bevers leven in het overgangsgebied tussen land en water zoals in moerassen, langs beken en bij rivieren en meren. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste voor de bever, waarbij open of rotsige oevers worden gemeden.
Plangebied
Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor de bever door de afwezigheid van oppervlaktewater en natuurlijke schuilplaatsen.
Aanvullend onderzoek noodzakelijk?
Nee
Kleine marterachtigen (bunzing en wezel) Leefgebied
De bunzing geeft de voorkeur aan gebieden met oppervlaktewater en voldoende schuilmogelijkheden, zoals heggen, houtwallen, bosranden en natuurlijke oevers. De wezel leeft in open en droge, natuur- en cultuurlandschappen die dekking bieden door middel van bosschages, houtstapels en heggen.
Plangebied
Het plangebied is ongeschikt voor deze soorten vanwege het ontbreken van natuurlijke schuilmogelijkheden en het open karakter van het terrein. Ook zijn er geen sporen aangetroffen zoals holen, vraatsporen of uitwerpselen. In de omgeving van het plangebied is daarnaast geschikter leefgebied aanwezig, zoals de struweelrijke tuinen/percelen ten oosten van het plangebied.
Aanvullend onderzoek noodzakelijk?
Nee
pagina 17 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Eekhoorn Leefgebied
Eekhoorns leven in loofbos, naaldbos of gemengd bos, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos mits er voldoende voedsel aanwezig is.
Plangebied
Het plangebied is ongeschikt als leefgebied van de eekhoorn door de afwezigheid van bomen en voedselbronnen. Derhalve is de aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied uit te sluiten.
Aanvullend onderzoek noodzakelijk?
Nee
Otter Leefgebied
De otter leeft in oeverzones van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. De otter leeft in schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is.
Plangebied
Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor de otter door de afwezigheid van oppervlaktewater en natuurlijke schuilplaatsen.
Aanvullend onderzoek noodzakelijk?
Nee
Steenmarter Leefgebied
De steenmarter komt vooral voor in parklandschap en heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw met oude schuren of gebouwen. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang. De steenmarter gebruikt verblijfplaatsen zoals boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders, kruipruimtes, spouwmuren en onder dakbedekkingen.
Plangebied
Het plangebied is ongeschikt als steenmarter verblijfplaats door de afwezigheid van bebouwing en struwelen. Daarnaast zijn er geen sporen gevonden die duiden op de aanwezigheid van een steenmarter.
Aanvullend onderzoek noodzakelijk?
Nee
Wolf Leefgebied
De wolf leeft bij voorkeur in uitgestrekte open bossen en afgelegen moerasgebieden. Het verspreidingsgebied van de wolf in Nederland is heden beperkt tot enkele gebieden. De wolf wordt verder in Nederland slechts incidenteel zwervend waargenomen.
Plangebied
Er zijn geen waarnemingen van de wolf bekend in de directe omgeving van het plangebied (Waarneming.nl).
pagina 18 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Door het beperkte verspreidingsgebied kan de aanwezigheid van de wolf binnen het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek noodzakelijk?
Nee
In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van omliggende tuinen, akkers en weilanden om als foerageergebied te dienen voor algemeen voorkomende soorten. Het plangebied zal deels beschikbaar blijven als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren. Daarnaast zal de ingreep leiden tot een verbetering van het leefgebied. Er worden immers door de geplande nieuwe aanplanting worden meer schuilplaatsen en voedselbronnen gecreëerd.
5.5.3 Deelconclusie grondgebonden zoogdieren
Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er daarom geen negatieve effecten te verwachten voor grondgebonden zoogdieren.
5.6 Vleermuizen 5.6.1 Soortverspreiding Alle in Nederland voorkomende vleermuizen hebben een beschermde status. Het is verboden hun verblijfplaatsen aan te tasten, hun essentieel foerageergebied te vernietigen of hun vliegroutes te verstoren. Vleermuizen huizen in grotten, in boomholten of in spouwen of zolders van huizen. Ze maken gebruik van vliegroutes om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Hiervoor worden lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen gebruikt. Tijdens het veldbezoek is nagegaan (i) of er op het plangebied locaties zijn die kunnen dienen als winter-, kraam-, paar-, zomer- en/of jaarrondverblijfplaats voor vleermuizen, (ii) of het plangebied geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen en zo ja, (iii) of het essentieel foerageergebied is en (iv) of er essentiële vliegroutes door het plangebied lopen. Onderstaande tabel duidt voor elke in Nederland voorkomende vleermuissoort aan of de soort is waargenomen in de omgeving van het plangebied sinds het jaar 2000 (NDFF) (Tabel 5.6.1 – omgeving plangebied).
pagina 19 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Tabel 5.6.1: Lijst van in Nederland voorkomende vleermuizen met aanduiding van hun type verblijfplaatsen en hun voorkomen in de omgeving van het plangebied Nederlandse soortnaam
Latijnse soortnaam
Verblijfplaatsen zomer: gebouwen, bomen
Omgeving plangebied
Baardvleermuis
Myotis mystacinus
Bechsteins vleerrmuis
Myotis bechsteinii
Bosvleermuis
Nyctalus leisleri
Brandt’s vleermuis
Myotis brandtii
Bruine grootoorvleermuis
Plecotus auritus
Franjestaart
Myotis nattereri
gebouwen, bomen
nee
Gewone dwergvleermuis
Pipistrellus pipistrellus
gebouwen
ja
Grijze grootoorvleermuis
Plecotus austriacus
gebouwen
nee
Grote rosse vleermuis
Nyctalus lasiopterus
bomen, rotsspleten
nee
Ingekorven vleermuis
Myotis emarginatus
zomer: gebouwen
nee
Grote hoefijzerneus
winter: groeven, bunkers, kelders zomer: bomen
nee nee
winter: grotten gebouwen, bomen
nee
zomer: gebouwen
nee
winter: groeven, grotten, bunkers zomer: gebouwen, bomen
nee
winter: ondergrondse ruimten
winter: gebouwen, groeven
Rhinolophus
zomer: zolders, grotten
ferrumequinum
winter: grotten
Laatvlieger
Eptesicus serotinus
gebouwen
Meervleermuis
Myotis dasycneme
Mopsvleermuis
Barbastella barbastellus
Rosse vleermuis
Nyctalus noctula
Ruige dwergvleermuis
Pipistrellus nathusii
Tweekleurige vleermuis
Vespertillo murinus
Vale vleermuis
Myotis myotis
Watervleermuis
Myotis daubentoni
zomer: gebouwen winter: bunkers, groeven zomer: gebouwen, bomen winter: grotten, bunkers, kelders bomen zomer: gebouwen winter: gebouwen, bomen zomer: gebouwen
nee ja ja nee ja ja nee
winter: grotten, kelders, gebouwen zomer: gebouwen, bomen
nee
winter: grotten, groeven, kelders zomer: bomen, zolders, bunkers
nee
winter: ondergrondse ruimten
Informatie via Vleermuis.net (Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN)).
5.6.2 Waarnemingen en analyse Verblijfplaatsen Gebouwbewonende vleermuissoorten Er is geen bebouwing aanwezig binnen het plangebied waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kan worden uitgesloten.
pagina 20 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Boombewonende vleermuissoorten Er groeien geen bomen binnen het plangebied waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kan worden uitgesloten. Foerageergebied Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn, zoals de omliggende tuinen van woningen en de omliggende weilanden. Bovendien zal het binnen het plangebied aanwezige foerageergebied deels behouden blijven. Vliegroutes Binnen het plangebied zijn geen lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals hoge heggen en houtwallen aanwezig die dienst kunnen doen als vliegroutes voor vleermuizen.
5.6.3 Deelconclusie vleermuizen
Er zijn binnen het plangebied geen locaties aangetroffen die mogelijk geschikt zijn als vaste verblijfplaats voor gebouw- of boombewonende vleermuizen. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de geplande werkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten.
5.7 Amfibieën, reptielen en vissen 5.7.1 Soortverspreiding Amfibieën en reptielen Onderstaande tabellen geven een overzicht van de in het wild levende amfibieën en reptielen die zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied sinds het jaar 2000 (NDFF). Exoten zijn niet opgenomen in de lijst. In de laatste kolom (plangebied) worden de relevante, beschermde soorten die in de volgende paragrafen behandeld worden, aangeduid met ***. Tabel 5.7.1: Lijst van amfibieën die voorkomen in de omgeving van het plangebied Nederlandse soortnaam bastaardkikker of middelste groene kikker bruine kikker
Latijnse soortnaam
EU
NL
ZORG
VRIJ
Pelophylax kl. esculentus
X
X
X
Rana temporaria
X
X
X
plangebied
pagina 21 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Nederlandse soortnaam
Latijnse soortnaam
NL
ZORG
VRIJ
gewone pad
Bufo bufo
EU
X
X
X
kleine watersalamander
Lissotriton vulgaris
X
X
X
meerkikker
Pelophylax ridibundus
X
X
X
plangebied
EU = op Europese schaal beschermd; NL = op nationale schaal beschermd; ZORG = zorgplicht van toepassing; VRIJ = vrijgesteld van bescherming in de provincie van het plangebied
In de afgelopen 20 jaar zijn er volgens de NDFF geen waarnemingen bekend van reptielen in de directe omgeving van het plangebied. Vissen Van de in Nederland voorkomende vissoorten zijn er twee soorten Europees en acht soorten nationaal beschermd. Deze soorten zijn veelal afhankelijk van zuiver water en speciale omgevingscondities. Tijdens het veldwerk is nagegaan of er in het plangebied geschikt oppervlaktewater aanwezig is voor deze soorten.
5.7.2 Waarnemingen en analyse Amfibieën Volgens de NDFF zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieën in de omgeving van het plangebied in de afgelopen 20 jaar. Reptielen In de afgelopen 20 jaar zijn er volgens de NDFF geen waarnemingen bekend van reptielen in de directe omgeving van het plangebied. Vissen Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid van (beschermde) vissen kan derhalve worden uitgesloten.
5.7.3 Deelconclusie amfibieën, reptielen en vissen
Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten, zoals bijvoorbeeld de gewone pad en de bruine kikker, zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor deze soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen.
pagina 22 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
5.8 Ongewervelden 5.8.1 Soortverspreiding Meer dan vijftig soorten insecten, onder andere vlinders, libellen en kevers, zijn wettelijk beschermd in Nederland. Daarnaast genieten sommige weekdieren, zoals mossels, ook bescherming. Veelal stellen deze soorten bijzondere eisen aan hun habitat en komen ze dus voor op specifieke plaatsen, zoals bijvoorbeeld poelen met helder water of graslanden met bloemrijke vegetatie. Tijdens het veldbezoek is nagegaan of het plangebied geschikt is voor beschermde ongewervelden.
5.8.2 Waarnemingen en analyse Beschermde soorten ongewervelden zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Aan de specifieke eisen die deze soorten stellen aan hun leefgebied is binnen het plangebied niet voldaan. Door de afwezigheid van oppervlaktewater en de aanwezige beplanting is het plangebied voor veel soorten niet geschikt.
5.8.3 Deelconclusie ongewervelden
Er zijn geen negatieve effecten te verwachten van dit planvoornemen met betrekking tot ongewervelde fauna.
5.9 Invasieve exoten 5.9.1 Soortverspreiding Exoten zijn uitheemse dier- en plantensoorten die na het jaar 1500 door toedoen van de mens terecht gekomen zijn in Nederland terwijl ze er oorspronkelijk niet voorkwamen. Sommige van deze exotische soorten vormen een bedreiging voor de Nederlandse inheemse soorten. Deze exotische soorten worden invasieve exoten genoemd. Ze hebben weinig tot geen natuurlijke vijanden in Nederland en zijn veelal moeilijk te bestrijden. Er zijn in Nederland meer dan 2000 exotische soorten waarvan er een 150 als invasieve exoot negatieve effecten hebben op de biodiversiteit, de ecosystemen en zelfs de economie van Nederland. Op Europese schaal werd een lijst opgesteld van 68 soorten schadelijke exotische dieren en planten waarvoor de lidstaten verplicht zijn populaties op te sporen, te beheren en te verwijderen. Tijdens het veldbezoek is nagegaan of er binnen of in de directe omgeving van het plangebied invasieve exoten voorkomen.
pagina 23 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
5.9.2 Waarnemingen en analyse Er werden geen soorten waargenomen binnen het plangebied waarvoor de Europees exotenverordening geldt. Verder zijn er ook geen soorten waargenomen die in Nederland actief bestreden moeten worden.
5.9.3 Deelconclusie invasieve exoten
Binnen het planvoornemen zijn er geen verplichtingen aangaande invasieve exoten.
pagina 24 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
6 Conclusies 6.1 Beschermde gebieden en soorten Onderstaande tabel bundelt de conclusies in verband met gebiedsbescherming en
Natuurnetwerk Nederland
Houtopstanden
Planten
Vogels
Grondgebonden zoogdieren
Vleermuizen
Amfibieën
Reptielen
Vissen
Ongewervelden
Invasieve exoten
Zorgplicht
Natura 2000
soortbescherming uit de hoofdstukken 3, 4 en 5.
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
Aanvullende maatregelen / aanpassingen Overtreding wet natuurbescherming Aanvullend
X
X
onderzoek Advies
X
Legenda: X
Wettelijk verplicht Niet te verwachten
X
Te verwachten
X
Noodzakelijk
X
Relevant Niet relevant
pagina 25 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
6.2 Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek inzake gebiedsbescherming bestaat uit een AERIUS-berekening. Hiermee wordt bepaald of de voorgenomen plannen bijdrage aan een toename in stikstofdepositie op de omliggende Natura-2000 gebieden.
6.3 Zorgplicht 6.3.1 Definitie zorgplicht Voor alle in het wild levende plant- en diersoorten en voor hun directe leefomgeving geldt een zorgplicht (Wet Natuurbescherming – artikel 1.11). Met deze zorgplicht worden naast de nationaal en Europees aangewezen beschermde soorten en gebieden ook algemenere overige inheemse soorten beschermd. De zorgplicht houdt in dat men handelingen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten; -
achterwege laat;
-
indien achterwege laten niet passend is, maatregelen neemt om nadelige gevolgen te voorkomen;
-
indien die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Het is wettelijk verplicht invulling te geven aan deze zorgplicht.
6.3.2 Negatieve effecten voorkomen – algemene maatregelen Bij de uitvoering van sloop- en bouwprojecten kunnen werkzaamheden veelal niet achterwege gelaten worden. Het is daarbij verplicht om maatregelen te nemen en daarmee de nadelige gevolgen op inheemse plant- en diersoorten te beperken of te voorkomen. Nadelige gevolgen kunnen veelal voorkomen worden door te werken in de minst-kwetsbare periode, zoals buiten de winterslaap, voortplantingstijd en periode van afhankelijkheid van jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle soortgroepen gelijk. In het algemeen geldt de periode van half oktober tot eind november als ‘veilige’ periode voor alle diergroepen. Dit is de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn en de mogelijkheid hebben om zich te verplaatsen. Bovendien zijn de jongen uit het laatste legsel van late broeders zoals de houtduif dan ook uitgevlogen (Vogelbescherming Nederland). Daarnaast kunnen negatieve gevolgen op algemeen voorkomende soorten beperkt worden door tijdens de werkzaamheden zodanig te werken dat dieren het plangebied kunnen verlaten zodat verwonding of doding van individuen wordt voorkomen.
Voorbeelden zijn: de werkzaamheden in de richting van een vluchtgebied uitvoeren, de werkzaamheden langzaam opstarten en/of langzaam werken zodat dieren de tijd hebben om het plangebied te ontvluchten, voorafgaand aan de start van werkzaamheden verstoring creëren zodat dieren uit het plangebied vluchten. Een voorbeeld om negatieve gevolgen op de aanwezige vegetatie te voorkomen is het beschermen van bomen om zo beschadiging van de stammen te voorkomen.
pagina 26 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
Verder worden negatieve gevolgen op inheemse fauna beperkt door werkzaamheden zo veel mogelijk overdag uit te voeren. Bij gebruik van verlichting dient deze zo geplaatst te worden dat enkel de werkzaamheden gericht verlicht worden. Lichtverstrooiing kan vermeden worden door het gebruik van kappen.
6.3.3 Negatieve effecten voorkomen – soortgerichte maatregelen Vestiging pionierssoorten Het plangebied bevindt zich binnen het verspreidingsgebied van de oeverzwaluw. De oeverzwaluw is een echte pionierssoort die zich snel kan vestigen. De soort broedt in kolonieverband in zelf gegraven gangen in steile zandwanden (Vogelbescherming Nederland). Om vestiging van oeverzwaluwen binnen het plangebied te voorkomen, dient het bouwterrein zo te worden ingericht dat het gebied niet aantrekkelijk wordt voor deze soort. Wanneer gronddepots gecreëerd worden, is het noodzakelijk dat de wanden afgevlakt worden of bedekt worden om te voorkomen dat de oeverzwaluw zich in het zanddepot gaat vestigen. De rugstreeppad is een beschermde amfibiesoort die zich voortplant in ondiepe (vaak tijdelijk) oppervlaktewater dat snel opwarmt (RAVON). Om vestiging van rugstreeppadden binnen het plangebied te voorkomen, dient het ontstaan van poeltjes of plassen binnen het plangebied in het voortplantingsseizoen (april-september) van de rugstreeppad te worden voorkomen. Een andere optie is (wanneer het plangebied in de huidige situatie nog niet geschikt was) het afzetten van het plangebied met een amfibieënscherm.
6.3.4 Acties bij aantreffen beschermde soorten Indien er tijdens de werkzaamheden, ondanks voorgenomen maatregelen, toch beschermde soorten of broedgevallen binnen het plangebied zijn gevestigd dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd en dient een ecologisch deskundige te worden ingeschakeld. Hiermee kan schade en verstoring van deze individuen zo veel mogelijk worden voorkomen en wordt er geen overtreding op de Wet natuurbescherming gemaakt.
6.4 Eindconclusie •
Om eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten dient een stikstofberekening te worden gemaakt.
•
De omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen.
•
Om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd.
•
Om vestiging van oeverzwaluwen binnen het plangebied te voorkomen, dient het ontstaan van steile zandwanden vóór en tijdens het broedseizoen van de oeverzwaluwen (maart - juni) te worden voorkomen.
•
Om vestiging van rugstreeppadden binnen het plangebied te voorkomen, dient het ontstaan van poeltjes of plassen binnen het plangebied in het voortplantingsseizoen (april - september) van de rugstreeppad te worden voorkomen.
•
Voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.
pagina 27 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
6.5 Advies 6.5.1 Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente.
6.5.2 Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van de Checklist Groen Bouwen opgesteld door Vogelbescherming Nederland en de Zoogdiervereniging (Checklist Groen Bouwen). Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over.
pagina 28 van 29
documentkenmerk: 2205/099/CW-02, versie 1
7 Literatuurlijst Aanpak Stikstof. Nederland (Rijksoverheid Nederland, Den Haag, Nederland). [Online] aanpakstikstof.nl. BIJ12. Natuur en Landschap (BIJ12, Utrecht, Nederland). [Online] bij12.nl. Brochure MEZ. Ministerie van Economische Zaken - Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen versie 1.3 (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag, Nederland). [Online] Checklist Groen Bouwen. (Vogelbescherming Nederland en Zoogdiervereniging Nederland, Zeist en Nijmegen, Nederland). [Online] checklistgroenbouwen.nl. Natura 2000. Natura 2000 in Nederland (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag, Nederland). [Online] natura2000.nl. NDFF. Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) - Verspreidingsatlas (Nijmegen, Nederland). [Online] verspreidingsatlas.nl. Netwerk Groene Bureaus. Brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging (NGB, Odijk, Nederland). [Online] netwerkgroenebureaus.nl/. Perceelloep. Kadasterkaart Nederland (Geoloep, Groningen, Nederland). [Online] perceelloep.nl. RAVON. Soorten (Nijmegen en Amsterdam, Nederland). [Online] ravon.nl. SOVON. Vogelinfo. Informatie per soort. (Nijmegen, Nederland). [Online] sovon.nl. Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN). Vleermuis.net. [Online] vleermuis.net. Vogelbescherming Nederland. Vogelgids (Zeist, Nederland). [Online] vogelbescherming.nl. Zoogdiervereniging.
Zoogdiersoorten (Zoogdiervereniging Nederland, Nijmegen, Nederland). [Online] zoogdiervereniging.nl.
pagina 29 van 29