CConstaterende datGeertruidenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Cultuurhistorische verkenning Keizersdijk-Hoofdstraat

De raad debatteert 12 september 2024, gemeente GeertruidenbergBij agendapunt: Startnotitie Keizersdijk - Hoofdstraat20.734 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Raamsdonksveer Keizersdijk 1-5 en Hoofdstraat 37-39 Negentiende en twintigste eeuw Cultuurhistorische verkenning

BAAC Rapport B-22.0850

1

Auteur: Drs. ing. A.G. Oldenmenger

Geredigeerd conceptrapport 13-2-2023

ISSN:

1873-9350

Redactie:

ir. R.J.W.M. Gruben

Veldwerk:

drs. ing. A.G. Oldenmenger Sanja Veldhuis

Teksten:

drs. ing. A.G. Oldenmenger

Waardering:

ir. R.J.W.M. Gruben drs. ing. A.G. Oldenmenger drs. L. van Hemert S. Veldhuis

DATUM VELDWERK DATUM CONCEPT DATUM DEFINITIEF

16 en 23 januari 2023 13 februari 2023

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of BAAC.

BAAC Bureau voor archeologie en bouwhistorie Graaf van Solmsweg 103, 5222 BS ’s-Hertogenbosch. Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl

Cultuurhistorische verkenning

2

1 1.1

Inleiding

Het belang van monumenten

Sleutelbegrip in iedere cultuurhistorische verkenning, is het begrip monumentwaarde. In deze eerste paragraaf zal dit begrip worden verklaard en de betekenis ervan worden uitgelegd. Het woord Monument is afgeleid van het Latijnse woord Monumentum, waarmee datgene wordt bedoeld, dat doet herinneren.1 In de oudheid gaat het dan hoofdzakelijk om objecten die opzettelijk gemaakt werden om iemand of een gebeurtenis in herinnering te brengen; een grafmonument of een overwinningsmonument. In de Nederlandse taal wordt het woord monument in ieder geval in de zestiende eeuw al gebruikt. Het is in die tijd een aanduiding van schriftelijke getuigenissen en documenten, opgeschreven herinneringen.2 In latere eeuwen raakt de term in zwang voor sinds lange tijd bestaande bouwwerken, gebouwen die herinneren aan de samenleving van weleer. Het zijn gebouwen met een belangrijke historische functie of die exemplarisch zijn voor een indrukwekkend architectonisch tijdsbeeld. Gaandeweg de negentiende eeuw ontstaat daarbij de woordafleiding monumentaal, die aanvankelijk niet zozeer betrekking heeft op de herinnering, als wel op de omvang van nieuw te realiseren gebouwen en bouwdelen. De reden daarvan is vermoedelijk dat monumenten in vroegere tijd vrijwel per definitie groots en indrukwekkend waren. Later neemt de huidige definitie de overhand.

1 http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/monument. 2 M. Philippa e.a.,

3

Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam 2003-2009.

Een monument is in de monumentenwet van 1961 gedefinieerd als een ten minste 50 jaar oud werk, dat van algemeen belang is vanwege de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de volkskundige waarde. De term schoonheid is daarbij een opvallend, subjectief criterium, dat niet los kan worden gezien van de algemeen geaccepteerde architectonische traditie (in publicaties) en de hedendaagse tijdsgeest. Dat laatste besef, zorgde er in 1988 bij de vernieuwing van de monumentenwet, mede voor dat de voorwaarde van een halve eeuw ouderdom, werd geschrapt. In de Erfgoedwet van 2016 wordt een monument gedefinieerd als een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed.3 De aanwijzing van monumenten is decennialang primair de taak van het rijk geweest. Sinds de decentralisatie van de monumentenzorg in 1988, is die verantwoordelijkheid geleidelijk aan steeds meer bij lokale overheden (gemeenten) komen te liggen. Sommige gemeenten maakten hier gretig gebruik van, andere gemeente zien de noodzaak van het aanwijzen van gemeentelijke monumenten tot de dag van vandaag niet in. De aanwijzingsprocedure is in de loop der tijd weinig veranderd. Doorgaans gaat er aan de aanwijzing een inventarisatie- en selectieprocedure vooral. Slechts zelden wordt er diepgaand onderzoek verricht ten behoeve van de toekenning van de beschermde status.

Het woord Waarde wordt in het kader van bouwhistorisch onderzoek gelijkgesteld aan belang of betekenis, waarbij onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen de betekenis voor de mens nu en de betekenis in vroegere tijd. Een waarde is iets waar een persoon of een (deel van een) samenleving betekenis uit put, omwille van een gezamenlijke of individuele identiteit. Belang zou etymologisch zijn voortgekomen uit een inspanning, een gevoel of verlangen om iets te (be)reiken. Uiteraard kennen we het woord waarde ook in economische zin, waarin het in schrift is terug te voeren tot in de tiende eeuw. In een traject van planvorming en plantoetsing is die ogenschijnlijk dubbele betekenis niet altijd even handig, omdat financiële investeringen moeten renderen, en waarde vooral wordt geassocieerd met het maken van winst. Men moet daarbij echter niet vergeten dat de geldelijke waarde in behoorlijke mate wordt bepaald door hoezeer een persoon iets wil hebben (hoeveel betekenis het voor die persoon heeft, zijn of haar identiteit aanspreekt, is er mede bepalend voor hoeveel die persoon bereid is te betalen). Monumentwaarde staat gelijk aan de betekenis van historische zaken voor het collectieve geheugen, de herinnering aan de samenleving/maatschappij in een specifieke tijd.

1.2

Het doel van een cultuurhistorische verkenning

Het toekennen van de juridische status van monument door de minister (rijksmonument) of door het college van burgemeester en wethouders (gemeentelijk monument), heeft als consequentie dat bij verbouwingen getoetst moet worden of de geplande ingrepen niet te veel ten koste gaan van de monumentale waarde van het gebouw. Doorgaans geschiedt de toekenning van de monumentstatus op grond van een redengevende omschrijving, een document van één of twee pagina’s waarin in meer algemene bewoordingen wordt aangegeven waarom een gebouw de status van monument krijgt toebedeeld. De redengevende omschrijving is vrijwel nooit uitgebreid genoeg om een verbouwplan te kunnen toetsen, om de eenvoudige reden dat de informatie over het gebouw daarvoor in kwantiteit en kwaliteit ontoereikend is. Het college (en in sommige gevallen de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) dienen zich dus nader te laten informeren. Dat kan door de eigenaar of betrokken architect, maar dat verdient vanuit het oogpunt van objectiviteit doorgaans niet de voorkeur. In die gevallen wordt de eigenaar van het gebouw gevraagd om een bouw- of cultuurhistorische verkenning op te laten stellen door een onafhankelijk opererende marktpartij.

cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden. (uit: Erfgoedwet 2016) 3

Cultuurhistorische verkenning

4

De bouw- of cultuurhistorische verkenning is dus bedoeld om zowel de eigenaar, de ontwerper als de toetsende instantie te informeren over de bouwgeschiedenis van het gebouw, de object-specifieke eigenschappen van exterieur, interieur en vooral constructies en de monumentale waarden die in het geheel en in de onderdelen waaruit het gebouw is opgebouwd, vertegenwoordigd zijn. Het college laat zich bij de toetsing van plannen adviseren door de plaatselijke monumentencommissie. Het is echter een vrij hardnekkige misvatting dat een monumentencommissie louter is bedoeld om plannen te beoordelen. Een goede monumentencommissie is een gezelschap professionals dat met de initiatiefnemer voor de ontwikkeling van het monument meedenkt en op grond van hun expertise en ervaring suggesties kan doen die zowel het plan als het monument (de monumentwaarde) ten goede komen. Vrijwel altijd is er sprake van een gemeenschappelijk doel: door een kwaliteit hoogwaardige ingreep het monument voor de lange termijn behouden. De bouwhistorische verkenning draagt hier in hoge mate in bij, omdat het kennis overdraagt die voor een succesvol bouwplan onontbeerlijk is en de dialoog tussen eigenaar, planvormer en monumentencommissie bevordert (onder andere door een helder definitieapparaat, waardenstellingen en waarderingsplattegronden).

1.3

Bouw- en cultuurhistorisch onderzoek

Bouwhistorici analyseren de constructies, de gevels én het interieur van historische gebouwen. Vormen, materialen en bouwtechnieken hebben veelal tijdsgebonden eigenschappen die door de bouwhistoricus worden herkend. Daardoor wordt het voor de bouwhistoricus mogelijk om inzicht te geven in de wijze waarop het pand werd gebouwd, en hoe het daarna door verbouwingen is getransformeerd in het gebouw zoals dat tegenwoordig is. Het is voor de bouwhistoricus niet zo belangrijk hoe iets er uit ziet, als wel waarom iets er uit ziet zoals het er uit ziet, waarbij de kernvraag doorgaans luidt: “Hoe werd dit gemaakt en waarom maakte men het zo?”. Vermoedelijk wordt er al vanaf dat er monumenten zijn, bouwhistorisch onderzoek verricht. In de moderne tijd gebeurde dit aanvankelijk vooral door architecten (in wording) en door lokale historici. De onderzoekdiscipline kreeg een belangrijke impuls als gevolg van de vele herstel- en restauratievraagstukken die zich tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog aandienden. In die periode kwam er de Tijdelijke Wet Monumentenzorg waarin stond dat onroerende zaken vermeld in de Voorlopige lijst der Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst (1908-1933), niet mochten worden gesloopt of veranderd zonder toestemming van de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen.

Het doel van het onderzoek was in die tijd nog louter het vergroten van kennis, en spitste zich vrijwel uitsluitend toe op middeleeuwse bouwkunst. Kennis werd onder andere opgedaan door gebouwen, constructies en bouwsporen in muurwerk in te meten en in (reconstructie)tekeningen uit te werken. In de regel ging het onderzoek gelijk op met archeologisch onderzoek. Niet zelden werd het bouwhistorisch onderzoek in de jaren na de Tweede Wereldoorlog door een archeoloog uitgevoerd. Een specifieke opleiding tot bouwhistoricus bestond lange tijd niet. Bouwhistorici werden tot ongeveer twintig jaar geleden, in de praktijk opgeleid. Een aantal gemeenten bood die mogelijkheid bij hun bouwhistorische diensten. Die opleidingsplaatsen werden doorgaans ingevuld door mensen met een bouwkundige en/of een kunsthistorische opleiding. Technische Universiteiten (met name Delft), gaven de mogelijkheid om te specialiseren in restauratietechniek of bouwhistorie. Pas in 1997 werd in Utrecht gestart met een post-HBO opleiding Bouwhistorie en Restauratie. Het is de tijd waarin ook de eerste Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek worden gepubliceerd. Die richtlijnen werden in 2009 voor het laatst herzien en beschrijven het proces van bouwhistorische onderzoek en de voorwaarden waaraan een deugdelijk onderzoeksrapport dient te voldoen.

Het nut van het bestuderen van constructies, structuren en afwerkingen is voor de bouwhistoricus primair het vergroten van kennis omtrent het bouwen in het verleden. Die kennis is in brede zin

5

noodzakelijk om op verantwoorde wijze met gebouwd erfgoed in Nederland om te gaan. Daarbij valt niet alleen te denken aan restauraties, maar ook aan verbouwingen of constructief herstel. Bouwhistorische kennis zal daarnaast helpen bij het doorgronden van het gebouw. Begrip van hoe een gebouw in het verleden werd ontworpen, welke keuzes er gemaakt werden ten behoeve van de constructie én duiding van de elementen die in en aan het gebouw te vinden zijn, helpen allemaal om de herinnering aan vroegere tijd in leven te houden, voort te laten bestaan. Maar kunnen ook helpen om een bouwprogramma op efficiënte wijze tot ontwerp uit te werken.

Vaak blijft bij een verkenning veel aan het ook van de bouwhistoricus verborgen. Links de situatie vóór ontmanteling, rechts na, met een achttiende-eeuwse balklaag, een negentiende-eeuwse schouw en een voormalige buitengevel (zestiende-eeuws) met daarin dichtgezette vensteropeningen. Voorbeeld: Breestraat 68 in Leiden.

1.4

De beperkingen van een bouw- en cultuurhistorische verkenning De bouwhistorische verkenning wordt in de Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek (2009) gedefinieerd als een bouwhistorische opname op hoofdlijnen. Voor kleine ingrepen in monumenten, kan zo’n verkenning in principe volstaan, maar de beperkingen zijn groot. Zo wordt er doorgaans bij een veldonderzoek ten behoeve van een verkenning geen materiaal verwijderd (geen licht destructief onderzoek). Dat is een probleem voor kennisvergaring én waardering omdat niet duidelijk wordt of er achter huidige afwerklagen (vloerbedekkingen, muurverf, voorzetwanden, verlaagde plafonds) monumentale afwerkingen schuil gaan. Onder een recente vloerbedekking kunnen oude parketvloeren, geoliede ‘kindervoetjes’ of terrazzovloeren onopgemerkt blijven. Voorzetwanden kunnen het zicht ontnemen op verborgen paneeldeuren, wandbespanningen, lambriseringen of zelfs muurschilderingen. Schilderingen kunnen overigens ook heel goed schuil gaan achter witte latex of muurverf.4 Het is dus goed om hier expliciet vermeld te hebben, dat de waardering die in deze rapportage is opgenomen, louter is gestoeld op de onderzoeksgegevens die tijdens de verkenning konden worden verzameld en in deze rapportage is gepresenteerd.

De kans dat tijdens de verkenning monumentale afwerkingen onopgemerkt zijn gebleven, is redelijk groot, vooral bij de gebouwen die sinds circa 1980 niet meer ingrijpend zijn verbouwd. Op basis van ervaring ligt rond 1980 het omslagpunt van verbouwen met behoud van oude(re) lagen naar verbouwen na complete ontmanteling tot op casco. Een bouwhistorische verkenning is een opname op hoofdlijnen (non-destructief) en kent de nodige beperkingen. Een beperking van de voorliggende verkenning is ook dat het een platte weergave in tekst is, van een ruimtelijke structuur. Voor de auteur en de eigenaar van het gebouw is het vrij eenvoudig om de tekst te vertalen naar een drie dimensionaal beeld, voor leden van een monumentencommissie is dat 4 Onder bouwhistorici wordt ingeschat dat een verkenning slechts een tipje van de sluiter van de bouwgeschiedenis wordt

opgelicht. Hoe ouder het object, hoe lastiger het vaak is om voldoende kennis te vergaren binnen de kaders van een verkenning.

Cultuurhistorische verkenning

6

vaak in veel mindere mate het geval. Het is om die reden voor een eigenaar altijd aan te raden om de monumentencommissie in de fase van plantoetsing uit te nodigen voor een rondgang door het gebouw, bij voorkeur ná kennisgeving van de uitkomsten van de bouwhistorische verkenning. In de gevallen dat dat niet tot de mogelijkheden behoort, en er toch behoefte is aan extra verbeelding van het gebouw, kan BAAC de complete fotodocumentatie die tijdens het veldwerk gemaakt is, ter beschikking stellen. Er is een uitvoerige fotodocumentatie gemaakt ten behoeve van deze rapportage. Niet alle veldfoto’s zijn in het rapport opgenomen. De foto’s kunnen u digitaal worden toegestuurd. U kunt een verzoek sturen naar: g.oldenmenger@baac.nl

1.5

Monumentwaarde

1.5.1 De toetsingscriteria en toetsingskader Het bepalen van het belang, de betekenis van een gebouw of object, is inmiddels een primaire taak van de bouwhistoricus. De onderzoeker hanteert daarbij conform de Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek (2009) in principe twee criteria, te weten; de mate van authenticiteit en de mate van zeldzaamheid. De term authentiek is afgeleid van het Latijnse authenticus, wat staat voor ‘met eigen hand voltrekken’, ‘uit eerste hand’ en vindt haar oorsprong als rechtsterm. Binnen het recht wordt het gebruikt als aanduiding van een oorspronkelijk gegeven, op iets dat als echt is vastgesteld of dat een exacte kopie is van het origineel (dat laatste is interessant met het oog op de duiding van het belang van restauratiefasen die gepaard gaan met grootschalige vernieuwing van substantie). Het ontrafelen van de bouwgeschiedenis gaat altijd gepaard met het bepalen van de mate van oorspronkelijkheid van een gebouw als geheel, alsmede van de onderdelen waaruit het is samengesteld. Het is daarbij goed om te beseffen dat de mate van authenticiteit van ieder monument in meer of mindere mate is aangetast, en dat die aantasting doorgaans groter is dan op het eerste oog wordt ingeschat. Het komt vaak voor dat een historische verbouwing als resultaat zowel een aantasting van een bestaande als een toevoeging van een nieuwe betekenislaag heeft.

Dit wordt meestal geduid met de term “historische gelaagdheid”, een term die in principe altijd op gespannen voet staat met authenticiteit. Strikt genomen zou van iedere bouwfase afzonderlijk de mate van authenticiteit kunnen worden bepaald daaraan kleeft wel als nadeel dat dit relatief gunstig uitpakt voor een recentere verbouwing (waarvan het resultaat mogelijk nog geheel intact is). Authenticiteit is als zuiver toetsingscriterium lastig te implementeren om vier redenen. De mate van authenticiteit en zeldzaamheid zijn primaire toetsingscriteria. Ten eerste kan de mate van authenticiteit, of misschien beter de verwachting die we daarbij hebben, niet los worden gezien van de ouderdom van een object of de termijn die is verstreken tussen het ten uitvoer brengen van de bouw en de verbouwing(en) tot aan het moment van toetsing. De mate van authenticiteit van een gebouw uit de jaren zestig is bijna per definitie hoger dan de mate van oorspronkelijkheid van een middeleeuws gebouw. Dat wil niet zeggen dat het jongere gebouw met een hogere mate van authenticiteit ook een hoger erfgoedbelang vertegenwoordigt dan een ouder gebouw dat door de tijd heen vaker zal zijn aangepast aan veranderende omstandigheden in tijd. Ten tweede zijn er bouwtypen, boerderijen bijvoorbeeld, waar de continue aanpassing, veelal op meest pragmatische wijze, een essentie van (landelijke) cultuur vormen.

De mate van authenticiteit staat hiermee in feite op gespannen voet. Daarop aansluitend, ten derde dus, kan op de mate van authenticiteit niet worden getoetst zonder daarbij het beschouwingsniveau duidelijk aan te geven. Van een zestiende-eeuwse boerderij zijn de gebinten meestal de enige elementen die terug te voeren zijn op de bouwtijd. De mate van authenticiteit van de gebintconstructie kan daarbij hoog

7

zijn (beschouwingsniveau constructie), maar dat geldt niet voor de mate van authenticiteit van de boerderij als geheel. Wie hier in de zestiende eeuw geboerd heeft, zal bijna niets van de boerderij in huidige hoedanigheid herkennen. Kastelen zijn hiervan ook een voorbeeld, omdat ook dat vrijwel in essentie veranderlijke gebouwen zijn. Wellicht is het beter om de mate van authenticiteit per bouwfase uit te splitsen en niet per gebouwonderdeel, waarbij de betekenis van iedere bouwfase in de bouwchronologie uiteen wordt gezet en aangegeven wordt in welke mate de onderdelen behorende bij die bouwfase in authentieke staat verkeren. Daaraan kleven echter ook nadelen, met name ten aanzien van de samenhang tussen de verschillende bouwfasen en de (bouwkundige) logica die doorgaans aan de basis ligt van die samenhang.

De Richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek uit 2009. Te downloaden via: https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2009/01/01/richtlijnen-bouwhistorisch-onderzoek

Als laatste speelt – zoals hierboven al aangegeven – de bepaling van de mate van authenticiteit een ingewikkelde rol, wanneer er sprake is van reconstructief restauratiewerk en restauraties waarbij met behoud van vorm een materiaalsoort (historische substantie) is vernieuwd. Hoe dient de mate van authenticiteit te worden beoordeeld bij een gevel waarvan de achttiende-eeuwse schuifvensters zijn vernieuwd door materiaal en vorm exact over te nemen? Conform de definitie van authentiek, kan iets dat exact gelijk is aan het origineel, voor authentiek doorgaan. Kan een exacte kopie van een venster worden bestempeld als authentiek of moeten we hier spreken van een toestand die soortauthentiek is. Wanneer de betekenis van een exacte kopie op grond van toetsing op authenticiteit voor een authentiek venster even groot is als voor een soort- of kopie-authentiek vensters, vervalt de grond om het behoud van het authentieke venster na te streven. Door de eigenaar en de monumentenzorg wordt een vervangend onderdeel doorgaans als een minder grote aantasting geduid dan door een bouwhistoricus, omdat deze informatie put uit karaktereigenschappen (bouw- en bewerkingssporen van het onderdeel) die bij vernieuwing onherroepelijk verloren gaat.

Cultuurhistorische verkenning

8

De term zeldzaam is in principe vrij eenvoudig te duiden, het geeft aan dat iets weinig voorkomend is. Gewoonlijk wordt er getoetst of een historisch object, of één van de onderdelen waaruit het is samengesteld, in de huidige tijd nog veel of juist weinig voorkomt. Die historische terugblik is echter niet van oudsher met de term zeldzaam verbonden. Het woord zelden werd in de middeleeuwen gebruikt om in de eigen tijd ongewone of wonderlijke zaken of fenomenen te benoemen en groeide in de zestiende eeuw uit tot zeldzaam, nog steeds met dezelfde betekenis. Het zou goed zijn om in bouwhistorische rapporten aan te geven of bepaalden aspecten van een gebouw in de bouwtijd zeldzaam waren (denk daarbij aan atypische constructies of vroege voorbeelden van een bepaald venstertype), óf dat er sprake is van een fenomeen dat juist na verloop van tijd weinig voorkomend is geworden. Denk daarbij aan een negentiende-eeuwse éénkamerwoning. Iets dat in de huidige tijd zeldzaam is, kan in het verleden een veelvoorkomende standaard zijn geweest. Andersom is ook mogelijk. De relatieve eenvoud van de term zeldzaamheid vertaalt zich niet in een gemakkelijke implementatie tijdens toetsing. Daarbij spelen verschillende factoren een rol.

De belangrijkste complicatie is misschien wel dat bij bouwhistorische verkenningen doorgaans wordt volstaan met een zogenaamde interne waardenstelling waarbij het toetsingskader wordt bepaald binnen de scope van het object. Het moge duidelijk zijn dat toetsing op grond van de mate van zeldzaamheid hier tot problemen leidt, omdat zeldzaamheid een breder toetsingskader vereist. In de richtlijnen wordt aangegeven dat een contextuele waardenstelling al heeft plaatsgevonden bij geregistreerde monumenten. Dat impliceert dat rijk en gemeenten hun monumentenbestand als een gebalanceerde collectie hebben ingericht, wat in de praktijk vaker niet dan wel het geval is. Meestal bestaat een monumentenbestand uit een periodiek gevulde hoeveelheid gedateerde redengevende omschrijvingen, vaak op basis van het exterieur en de meest uiteenlopende waarderingsmethodieken. Actualisatie van monumentenbestanden en het opstellen van collectiebeschrijving met aandacht voor samenhang komt helaas maar zeer sporadisch voor. Ingewikkeld aan de zeldzaamheid is dat het niet los kan worden gezien van ervaring. De mogelijkheden voor onderzoekers om in een kort tijdsbestek een groot referentiekader op te bouwen (heel veel gebouwen te onderzoeken en te zien), zijn beperkt, mede omdat de meeste onderzoeksrapporten met het oog op privacyaspecten niet gepubliceerd worden.

Wat zeker ook lastig is, is de geografische begrenzing van het toetsingskader. Moet er in geval van rijksmonumenten landelijk op zeldzaamheid worden getoetst en bij gemeentelijke monumenten en niet monumenten op regionaal niveau? Kan er überhaupt wel binnen die kaders worden getoetst? Kwantitatieve gegevens ontbreken veelal. Het ontbreken van goede monumentenbeschrijvingen per gemeente doet zich ook hier voelen evenals het uitblijven van onderzoekagenda’s met daaruit voortvloeiende programma’s van eisen. Een expliciete onderzoeksvraag als hoeveel neorenaissance panden zijn in Eindhoven beschermd? zijn in de dagelijkse praktijk een uitzondering.5 Het opbouwen van een breed referentiekader wordt ook bemoeilijkt door het uitblijven van specialisatie binnen het bouwhistorische vakgebied. Met name op het punt van de toetsing van de mate van zeldzaamheid zorgt dat voor moeilijkheden. Het is voor iemand die zich specialiseert in Interbellumboerderijen, in kerken uit de wederopbouwperiode of in fabrieksgebouwen veel gemakkelijker om in relatief korte tijd een deugdelijk referentiekader op te bouwen dan voor een bouwhistoricus die door heel het land van een stoomgemaal, naar een schoolgebouw, een woonhuis en een graansilo trekt. Een bouwhistorische verkenning kent de nodige beperkingen.

De monumentwaarde is altijd bepaald op grond van de in de rapportage gepresenteerde onderzoeksgegevens. Het is mogelijk dat bij de verkenning monumentale constructies, elementen en afwerkingen verborgen zijn gebleven achter recente(re) afwerkingslagen.

5 Onderzoeksvraag in verband met mogelijke verplaatsing van het gemeentelijke monument Aalsterweg 310.

9

1.5.2 Waardengradaties Bij het opstellen van een waardenstelling schrijven de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek drie categorieën voor: hoge monumentale waarde, positieve monumentale waarde en indifferente monumentale waarde. De betekenis van die gradaties is in de richtlijnen nogal abstract beschreven, over de implicaties (consequenties voor de planvormer en plantoetsers, laten de richtlijnen zich niet uit). - Hoge monumentwaarde wordt omschreven als van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. - Positieve monumentwaarde wordt opschreven als van belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of het gebied. - Onder indifferente monumentwaarde dienen volgens de richtlijnen zaken geschaard te worden die van relatief weinig belang zijn voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. Het onderscheid tussen van cruciaal belang, van belang en van relatief weinig belang, is in de richtlijnen niet gegeven. Er mag vanuit worden gegaan dat de te hanteren toetsingscriteria (de mate van authenticiteit en de mate van zeldzaamheid) een doorslaggevende rol spelen. Zaken die zowel authentiek als zeldzaamheid zouden in dat geval in aanmerking komen voor toekenning van hoge monumentwaarde, zaken die niet authentiek en niet zeldzaam zijn, vertegenwoordigen dan indifferente monumentwaarde.

Dat laat over de zaken met positieve monumentwaarde die wel authentiek maar niet zeldzaam óf wel zeldzaam maar niet authentiek zijn. Dit is ook de basis waarop door BAAC in principe waardengradaties worden toegekend. In de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek wordt niet duidelijk gemaakt wat de praktische implicaties van de waardengradaties voor planvormers en plantoetsers is. In de volgende paragraaf proberen we dat te ondervangen door richting te geven aan de omgang met de verschillende waardencategorieën. Hier willen we uiteenzetten dat ‘positief’ bevestigend is. Het is een “JA, er is sprake van monumentwaarde”. Men zou dit als een basiswaarde kunnen omschrijven. De indicator ‘hoog’ past men doorgaans toe om voor zaken die verheffend zijn, de basis overtreffen. Gesimplificeerd zou men kunnen stellen dat er bij toekenning van hoge monumentwaarde sprake is van een verbijzondering (wederom op grond van de mate van authenticiteit én zeldzaamheid). Het is een “JA, er is sprake van monumentwaarde; dit is bijzonder”. Tenslotte is het goed om opgemerkt te hebben dat indifferente monumentwaarde niet hetzelfde is als geen monumentwaarde. De indicator indifferent geeft aan dat de monumentwaarde ondergeschikt is aan de overige monumentale onderdelen van het object.

Omdat BAAC van mening is dat er in vrijwel alle panden ook zaken aanwezig zijn die in het geheel geen monumentwaarde vertegenwoordigen (denk aan recente vloerbedekkingen, gipsplafonds eigentijds meubilair) wordt in de BAAC-rapportages, in afwijking met de Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek, de categorie ‘geen monumentwaarde’.

1.6

Implementatie van de resultaten van de bouwhistorische verkenning

1.6.1 De consequenties van de toegekende waarden De door de bouwhistoricus vervaardigde rapportage met waardering en waardenstellingen kan gebruikt worden door architecten en planontwikkelaars ter inspiratie voor noodzakelijk geachte ontwikkelingen en door overheden en monumentencommissies om de rapporten en verbouwplannen te toetsen. De kennis over het historische bouwen stelt de bouwhistoricus ook in staat om bij objectgericht onderzoek uitspraken te doen ten aanzien van de monumentale waarde, van het object als geheel en van de onderdelen waaruit het is samengesteld. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek (2009) waarin als toetsingscriteria de mate van authenticiteit en zeldzaamheid zijn genoemd.

Cultuurhistorische verkenning

10

- Hoge monumentwaarde: van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied . (BAAC associeert dit doorgaans met bijzonder of uitzonderlijk omwille van de hoge mate van authenticiteit en zeldzaamheid). Voor onderdelen waaraan hoge monumentale waarde is toegekend, geldt dat deze zaken op louter bouwhistorische gronden absoluut behouden dienen te blijven. Omdat er bij het maken van een kwalitatief hoogwaardig plan dat voldoet aan de huidige voorschriften op het gebied van veiligheid, duurzaamheid en functievereisten meer komt kijken dan alleen het bouwhistorische belang, blijkt het in de praktijk niet altijd mogelijk om zaken die hoge monumentwaarde vertegenwoordigen volledig intact te laten. Dit moet echter wel dégelijk het streven zijn van zowel eigenaar, planvormer en toetsende instanties. Met andere woorden: Bij zaken die hoge monumentwaarde vertegenwoordigen is het behoud een zéér zwaarwegende factor bij de afweging van algemene belangen (de betekenis van het monument voor de samenleving) met de belangen van de eigenaar/ontwikkelaar. Aanpassingen zijn niet ondenkbaar. In eerste instantie moet dan echter worden gedacht aan aanpassingen die de bestaande monumentwaarde ondersteunen: herstel van details, terugbrengen van oorspronkelijke kleurstellingen, het verwijderen van waarde-verstorende elementen of in bepaalde situaties reconstructie.

Indien bij de afweging van alle factoren de conclusie is dat aantasting van delen met hoge monumentwaarde onafwendbaar is, dan geldt dat eigentijdse ingrepen met zorg moeten worden uitgevoerd en dat daarbij de historische toestand van het gebouw maatgevend is. Óf er moet duidelijk aantoonbaar sprake zijn van een duurzame ingreep of toevoeging die voor het monument een wezenlijk, nieuwe betekenislaag geeft die essentieel is voor het voortbestaan van het monument als geheel. Aanpassing van elementen met hoge monumentwaarde kan gevolgen hebben voor de monumentale status van het gebouw als geheel. - Positieve monumentale waarde: van belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. (BAAC beschouwt dit doorgaans als basiswaarde en kent het toe op grond van hoge mate van authenticiteit óf hoge mate van zeldzaamheid). Voor onderdelen waaraan positieve monumentale waarde is toegekend, geldt dat er bij het maken van verbouwplannen, vanuit bouwhistorisch oogpunt, gestreefd moet worden naar behoud er van. Het monumentale belang van deze elementen dient zorgvuldig afgewogen te worden tegen de belangen van de eigenaar/ontwikkelaar en factoren als veiligheid, duurzaamheid en milieuaspecten.

Aanpassingen van positief gewaardeerde onderdelen zijn denkbaar wanneer de aard en de monumentale waarde van het geheel blijven bestaan of worden versterkt en er sprake is van het toevoegen van kwaliteit. Substantiële aantasting van positief gewaardeerde onderdelen kan gevolgen hebben voor de monumentstatus van het gebouw. - Indifferente monumentale waarde: van relatief weinig belang voor de structuur en/of de betekenis van het object als gevolg van een aantasting van de mate van authenticiteit of de veelvoorkomendheid. Vanuit bouwhistorisch oogpunt bestaan er geen zwaarwegende argumenten om het volledige behoud van indifferent gewaardeerde onderdelen na te streven. Wijzigingen behoren doorgaans tot de mogelijkheden, sloop in veel gevallen ook wanneer dat ten goede komt van het behoud van positief en hoog gewaardeerde onderdelen van het gebouw. Reconstructief herstel kan in uitzonderlijke gevallen leiden tot opwaardering van indifferent gewaardeerde onderdelen naar positief (bijvoorbeeld door reconstructie van deuren, vensters en details). - Geen monumentwaarde Vanuit bouwhistorisch oogpunt bestaan er geen argumenten om het behoud van elementen die geen monumentwaarde vertegenwoordigen na te streven.

Wijzigingen of zelfs sloop behoren zonder voorbehoud omwille van bouwhistorie of de monumentale status tot de mogelijkheden en kan in het geval het verstorende elementen zijn, zelfs een positief effect hebben op de beleving van de monumentale waarde van het complex als geheel.

11

1.6.2 Objectiviteit Omdat de toekenning van monumentwaarde geen exacte wetenschap is, is iedere waardering onderhevig aan subjectiviteit. De mate van authenticiteit is voor een ieder nog wel vrij goed te beoordelen, al speelt wel altijd de vraag op welke niveau er getoetst wordt (op objectniveau, structuurniveau, elementniveau of zelfs afwerkingsniveau) en liggen de verwachtingen ten aanzien van de oorspronkelijkheid bij een wederopbouwpand doorgaans hoger dan bij een woonhuis dat de oorsprong in de zestiende eeuw heeft. Lastiger wordt het al bij de beoordeling van de mate van zeldzaamheid, omdat dit sterk afhangt van het kenniskader waarover de bouwhistoricus beschikt. In de bouwhistorische discipline is er maar weinig kwantitatieve gegevens beschikbaar met betrekking tot bouwhistorische zaken. Bij BAAC stellen we een waardering naar eer en geweten op. De opdrachtgever krijgt een conceptrapport om er voor te zorgen dat wat in het rapport geschreven staat, begrijpelijk en duidelijk genoeg is. Invloed op de waardering heeft de opdrachtgever niet. Tenzij de opdrachtgever kan aantonen dat bij de waardering een vergissing is gemaakt met betrekking tot de mate van authenticiteit of de mate van zeldzaamheid van een element in het gebouw. Evengoed heeft een toetsende instantie geen invloed op de waardering en de waardenstellingen in onze rapportages.

Wél heeft een monumentencommissie de mogelijkheid om van de waardering in de rapportage af te wijken. De commissie kan de zo objectief mogelijke waardering en waardenstellingen van BAAC overnemen óf naast zich neerleggen. Dat laatste dient uiteraard wel door de commissieleden te worden gemotiveerd.

Cultuurhistorische verkenning

12

2

Projectinformatie

2.1 Administratieve gegevens Plaats: Raamsdonksveer Adres: Keizersdijk 1, Keizersdijk 3-5 en Hoofdstraat 37-39 Monumentenstatus: Geen Historische functie: Winkelwoningen en bakkerij Huidige functie: Winkelwoningen en brouwerij Toekomstige functie: Er zijn plannen om de locatie geheel opnieuw te ontwikkelen Type onderzoek: Cultuurhistorische verkenning Datum veldwerk: 16 en 23 januari 2023 Opdrachtgever: Huidige eigenaar Uitvoerende: BAAC ’s-Hertogenbosch Uitvoerders: drs. ing. Geert Oldenmenger (lid BNB) en Sanja Veldhuis

De gebouwen weergegeven op een kaartuitsnede afkomstig van BAGviewer.nl. De geregistreerde bouwjaren (1920, 1930 en 1940) zijn alle onjuist, zo blijkt uit kadastraal onderzoek.

2.2 Programma van Eisen en beperkingen BAAC is gevraagd om een cultuurhistorische verkenning uit te voeren van plangebied Keizersdijk 1-5 en Hoofdstraat 37-39 in Raamsdonksveer. Er bestaan plannen om op deze locatie nieuwbouw te ontwikkelen. De eigenaar is door de gemeente Geertruidenberg gevraagd om een cultuurhistorische verkenning van het gebiedje en de gebouwen daarop, op te laten stellen. Hiervoor heeft BAAC opdracht gekregen. Om inzicht te krijgen in de geschiedenis van deze plek en de bouwgeschiedenis van de panden die er te vinden zijn, is bureauonderzoek (kadastraal onderzoek, raadplegen beeldbanken, opvragen tekeningen in bouwdossiers en grasduinen in historische kranten) uitgevoerd. In aanvulling daarop, vond veldverkenning van de gebouwen en de directe omgeving plaats. Het veldwerk kende enkele

13

beperkingen. De panden worden nog verhuurd. Hierdoor was het niet mogelijk om destructief onderzoek te verrichten (waardoor soms constructies aan het zicht onttrokken bleven). Die beperking heeft geen grote gevolgen gehand voor de waardering van de gebouwen op het terrein. De opdrachtgever was niet in staat om plattegronden te leveren van de thans bestaande toestand. Bij het verduidelijking van beschrijvingen en analyses in deze rapportage wordt derhalve gebruik gemaakt van archieftekeningen en in een enkele geval van veldwerkschetsen. Door het ontbreken van actuele plattegrondtekeningen was het ook niet mogelijk om waarderingskaarten te maken.

De huidige toestand met linksboven de kruising het onderzoeksgebied, ingesloten door recentere, grootschaligere nieuwbouw.

Cultuurhistorische verkenning

14

3

Historische inleiding

Over de vroegste geschiedenis van Raamsdonksveer is niet veel bekend. Het dorp Raamsdonk zou voor het eerst als nederzetting in 1273 zijn genoemd. Het landschap bestond in dit deel van het land in de middeleeuwen hoofdzakelijk uit wildernis en veel moersassen. In de twaalfde eeuw werd begonnen met veenontginning en werden lange smalle kavels ingericht met boerderijen aan de straat. Tijdens de St. Elizabethvloed in 1421 zou alleen de kerktoren van Raamsdonk zijn blijven bestaan, waarna dit dorp een stuk verder van het water opnieuw zou zijn opgebouwd (vermoedelijk de verklaring waarom de kerk buiten de kom is gelegen). Na de vloed werd begonnen met inpolderingen in noordelijke richting en ontwikkelde zich een riet- en griendcultuur die tot in het midden van de negentiende eeuw een bestaansmiddel zou blijven. Bij de zee-overstromingen is met name in de vijftiende eeuw veel jonge zeeklei afgezet op de veengronden. Deze was geschikt voor landbouw. Het dorp Raamsdonk wordt door Terwen rond het midden van de negentiende eeuw een groot en wel bebouwd dorp genoemd dat naast het dorp zelf, enkele buurschappen kent, waaronder Bergen, Sandoel, Broek en het Raamsdonksche veer. Raamsdonksveer wordt in 1580 voor het eerst vermeld. De nederzetting zou de oorsprong vinden in een Kartuizerklooster dat in 1336 werd gesticht ten zuiden van het huidige dorp.

De buurtschap Sandoel zou in het klooster een voedingsbodem voor economische ontwikkeling kunnen hebben gekend. De ringdijk die door het huidige dorp slingert, werd na de Sint Elizabethvloed op initiatief van de kloosterlingen aangelegd tussen 1421 en circa 1500. De dijk verbond het klooster met Sandoel en liep verder via de huidige Grote Kerkstraat, het Heerenplein, de Hoofdstraat en de Prins Hendriksstraat. De dijk doorsneed oudere kavels, zoals op de kadastrale kaart uit 1832 mogelijk nog is op te maken. De dijk is bepalend voor de historische structuur van het huidige Raamsdonksveer. De huizen werden namelijk binnendijks tegen deze dijk aangebouwd. Raamsdonksveer dankt de naam aan het veer van Raamsdonk, over de Donge naar Geertruidenberg. Dat veer werd in 1845 door een brug vervangen. Het veer was toen een stukje noordelijk van de haven te vinden, op afstand van de bebouwing die aan de rivierdijk was gelegen. De ligging aan het water en nabij Geertruidenberg was gunstig voor ontwikkeling van aan het water gerelateerde activiteit. Daaronder scheepswerven, scheepvaart, rietproductie en een pleisterplaats bij het veer. Een ruimtelijke ingreep die van grote invloed is geweest op de ontwikkeling van Raamsdonksveer, is de aanleg van de Route Imperiale II die het middeleeuwse dijklint doorsneed.

Deze belangrijke verkeersader vormde lange tijd één van de levensaders voor het dorp. Het dorp groeide nu niet meer alleen langs de middeleeuws dijk, er was ook ontwikkeling mogelijk langs de kruisende hoofdroute. Aanvankelijk werd die mogelijkheid nog wat beperkt door de schootsvelden van het Lunet (alleen houten bebouwing was hier toegestaan).

15

4

Kadastraal onderzoek

4.1 De kadastrale minuut Een dankbaar uitgangspunt voor ieder cultuurhistorisch onderzoek, vormt de kadastrale minuut waarin de kadastrale situatie omstreeks 1832 is opgetekend. Wanneer de we kadastrale minuut van de gemeente Raamsdonk raadplegen en hierop het huidige plangebied projecteren, dan zien we dat het plangebied twee percelen volledig omvat, namelijk perceel 170 en perceel 174. Binnen de grenzen van het plangebied is een deel van perceel 169 ingesloten en een heel klein stukje van perceel 175. De percelen die in deze periode bebouwing kennen, zijn percelen 169 en 170. Met behulp van de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel (OAT) is te achterhalen wie de eigenaren daarvan waren én waarvoor ze werden gebruikt.

Detail van de kadastrale minuut met van west naar oost het oude dijklint dat van noord naar zuid wordt doorsnede door de rond 1810-1815 aangelegde Route Imperiale II van Parijs naar Amsterdam. Die weg zorgde er in één keer voor dat Raamsdonksveer aan een zeer belangrijke (handels)route kwam te liggen. Op de kaart is ook de haven te zien. In het verleden heeft Raamsdonksveer werven en visserij gekend. Aan het dijklint waren ook verschillende boerderijen te vinden. De bebouwing in het dorp is te vinden aan weerszijden van de haven én aan zuidzijde van de dijken.

Verder zien we op de kadastrale minuut de weg van Amsterdam naar Parijs weergegeven, de huidige Keizersdijk en Prins Bernhardstraat. Deze weg is aangelegd in 1810-1815. De opdracht daartoe werd gegeven door Napoleon, als onderdeel van de Route Imperiale II. Deze zeer belangrijke weg werd onder leiding van koning Willem I voltooid. Op de minuut is goed te zien hoe de weg een oude percelering doorsnijdt. Met name bij de percelen aan de huidige Prins Bernhardstraat. Van de huizen aan de straat, waarvan de oriëntatie samenhang vertoont met deze belangrijke verkeersader, is aannemelijk te maken dat de bouw ervan ná 1810 plaatsvond. Verder willen we nog wijzen op het pleintje dat aan de kruising van wegen is te zien op de minuut. Deze ruimte zal vermoedelijk ook pas met de aanleg van de Route Imperiale (of vlak daarna) zijn ontstaan.

Cultuurhistorische verkenning

16

Details van de kadastrale minuut, met in het plangebied twee panden op L-vormige grondslag.

Perceel 169 is in 1832 in bezit van Adriaan van den Kieboom. Het is omschreven als huis en erf. Er wordt verwezen naar kadastrale legger 271, waarop we kunnen zien welke percelen in het dorp nog meer in het bezit zijn van deze Kieboom en welk beroep hij uitoefent. Van den Kieboom blijkt kleermaker te zijn en heeft in Raamsdonk alleen perceel E169 in zijn bezit. Dit maakt aannemelijk dat het huis zijn woonhuis is en dat hij er zijn beroep uitoefent. In de legger is ook opgetekend dat hij het huis en erf op 29 juni 1841 verkoopt (R 419). Wie de koper is, is in legger 1110 (1) vastgelegd. Op dit perceel bevindt zich nu Hoofdstraat 37-39. De oriëntatie van het pand, maakt aannemelijk dat het van ná 1810 dateert.

17

Perceel 170 is in de OAT vermeld als huis en erf. Het is in bezit van Johannes Blom, met verwijzing naar legger 37. In de legger is opgetekend dat tapper Johannes Blom eigenaar is, samen met Johanna Krols, die de weduwe is van Johannes Blom. Ook dit is het enige bezit van de eigenaren in Raamsdonk. Dat Jan Blom tapper is, doet vermoeden dat het huis van Krols en Blom als café wordt gebruikt. Gelet op de locatie, aan de belangrijkste verkeerskruising in het dorp, is dat eveneens aannemelijk. In de legger is opgetekend dat er in 1850 wordt belast, maar dat er niet wordt veranderd. In 1858 vindt er vereniging plaats. Daarbij wordt een nieuw perceelnummer toegekend (E1211) en verwezen wordt naar legger 1073 (5). Op dit perceel bevindt zich nu Keizersdijk 1. De oriëntatie van het pand, maakt aannemelijk dat het van ná 1810 dateert. Perceel 174 is in de OAT omschreven als erf in bezit van Jacobus Gerrit Knaap die bouwman (boer) van beroep is en er wordt verwezen naar legger 296. Knaap bezit ook nabijgelegen percelen 173 (moeras) en percelen 175-177 die hij als hooiland gebruikt. De boerderij van Knaap staat op perceel E341. Dat is een perceel aan de overzijde van de kruising, daar waar het in 2009 gebouwde winkelen appartementencomplex Prins Hendrikstraat 2-4 staat. Zijn bezit gaat in 1844 over, legger 1237 (1).

Op dit perceel (en een deel van perceel 169) is nu Keizersdijk 5 te vinden. 4.2 De kadastrale ontwikkeling van Hoofdstraat 37-39 Aan de hand van kadastrale hulpkaarten, kadastrale veldtekeningen én kadastrale legger is een goed beeld te vormen van de ontwikkeling van perceel E169 en het huis van Adriaan van den Kieboom. Na verkoop in 1841 komt het huis in bezit van de winkelier Leendert Cové (Covée). In de kadastrale legger wordt een belasting in het jaar 1842 genoemd. Ook staat het jaartal 1875 vermeld, en dat er in dat jaar een kadastrale meting plaatsvindt. Het perceelnummer wijzigt in E1935. Op een kadastrale hulpkaart uit 1875 is zichtbaar gemaakt wat er in dat jaar gebeurt. Het huis krijgt aan de achterzijde een grote, L-vormige aanbouw. Na die verbouwing is het nog steeds omschreven als huis & erf. In 1893 vindt opnieuw hermeting door het kadaster plaats. Er zijn geen hulpkaarten beschikbaar van deze hermeting. Het perceelnummer wijzigt in H732. Vermoedelijk wordt er verbouwd, want de omschrijving van de opstallen luidt vanaf dat moment huis, schuur en erf. In 1904, het pand heeft dan huisnummer 237, wordt het perceel gescheiden. Op dat moment heeft Cové/Covée ook de huizen op de percelen H738 (huisnummer 268) en H739 (huisnummer 267) in zijn bezit.

Details van kadastrale hulpkaarten waaruit kan worden opgemaakt dat er in 1874 werd vergroot aan de achterzijde en dat in 1907 (vrijwel volledige) nieuwbouw plaatsvond. Op de kaart is de oude contour van het pand in blauw aangegeven. Er ontstaat met de nieuwbouw een nieuwe rooilijn waardoor een oudere ‘bocht’ in de Hoofdstraat is komen te vervallen.

Cultuurhistorische verkenning

18

De kadastrale legger laat zien dat alle drie de huizen overgaan in bezit op koopvrouw Johanna Cové. In 1906 vindt scheiding plaats en gaan de drie huizen in eigendom over op bakker Hendrik Cornelis Cové en enkele familieleden. Hendrik Cornelis, die een groot aantal bezittingen in de gemeente Raamsdonk heeft, besluit de bestaande bebouwing grotendeels te slopen en nieuw te bouwen. In de kadastrale legger is vermeld 1907 gedeeltelijke sloping en herbouw. We beschikken ook over een hierbij behorende kadastrale hulpkaart. De oude en nieuwe situatie verschillen zoveel van elkaar, dat we betwijfelen of de aanduiding gedeeltelijke sloping juist is. Wellicht dat er een stukje achtergevel overeind is gebleven, veel meer kan het niet geweest zijn. Interessant aan de herbouw van het pand, is dat er een nieuwe rooilijn wordt geïntroduceerd, waardoor de voorgevel van het nieuwe pand in lijn komt te liggen met het linker buurpand. Het huis krijgt hierdoor de typische wigvorm. Het perceel krijgt het nieuwe perceelnummer H1871. Dit perceel wordt in 1917 gescheiden. Het huis komt in bezit van de koopman Cornelis Huibert Timmerman (een familielid) en is nog steeds omschreven als huis, schuur en erf. Het is het enige bezit van Timmerman op dat moment. In 1919 doet hij het pand van de hand.

Details van kadastrale hulpkaarten waaruit kan worden opgemaakt dat het pand in 1925 aan de achterzijde ontdaan wordt van een L-vormige bouwmassa en dat er in 1941 aan de achterzijde een nieuw, klein bouwvolume wordt opgetrokken.

De koper is de Credietvereeniging ‘de Hanzebank’ gevestigd in Den Bosch. Er vindt volgens de kadastrale legger een inwendige verandering plaats in 1920. Daarna is er niet langer sprake van huis, schuur en erf, maar van huis, fabriek en erf. In 1925 wordt het eigendom alweer van de hand gedaan Kort is het in bezit van Cornelis de Bruijn en consorten en is er weer sprake van een schuur in plaats van een fabriek. In 1926 verkopen zij door aan Johannes Josephus Willemzoon Simonis, die bakker is (zoals Cové dat ook was). Simonis mag dan wel bakker zijn, hij laat in Raamsdonk ook veel slopen, herbouwen en verbouwen tussen 1915 en 1918, zo blijkt uit de kadastrale legger. Het pand op de hoek van de Hoofdstraat en de Keizersdijk wordt ontdaan van de schuur (hulpkaart uit 1925), waarna het perceelsnummer wijzigt in H2743, huis en erf. Er is sprake van gedeeltelijke sloping in de legger. Dit perceel wordt in 1937 in veiling gebracht. Theodorus Elisius Simonis is kort eigenaar en verkoopt in datzelfde jaar nog door aan Wilhelmus Adrianus van den Wassenberg met broers en zusters. Zij laten aan de achterzijde een kleine aanbouw verrijzen (hulpkaart 1941). In 1942 doen zijn volgens het kadaster afstand (vermoedelijk van een stuk grond, al is dit niet op een kadastrale hulpkaart te zien). Het perceelnummer verandert in H2994. In 1949 is er sprake van schenking.

19

De weduwe van Hubertus Henricus van den Wassenberg, Wilhelmina de Wijs (woonachtig in Tilburg) wordt de nieuwe eigenaar. Zij verkoopt het huis en erf in 1955 aan de Jamin N.V. uit Rotterdam. Deze krijgt ook perceel H2744 in bezit. Aan de hand van het bovenstaande, in combinatie met de stijlkenmerken van de gevels van het pand Hoofdstraat 37-39, kunnen we stellen dat dit pand in 1907 in opdracht van bakker Cové is gebouwd op de plaats van een ouder huis. 4.3 De kadastrale ontwikkeling van Keizersdijk 1 Keizersdijk 1 heeft nog ongeveer dezelfde L-vormige grondvorm als het pand dat we op de kadastrale minuut van 1832 zien weergegeven. Mogelijk staat er dus nog substantie van dit oude pand overeind. Johannes Blom is eigenaar. Hij is tapper, wat aannemelijk maakt dat zijn pand als café in gebruik is. Op de minuut zien we dat er sprake is van een klein steegje tussen het pand van Jan Blom en het buurpand van Kieboom. Een kadastrale hulpkaart uit 1849 toont aan dat er in dat jaar ook ten noorden van het pand een pad is ontstaan. Bij die gelegenheid wordt perceelnummer E170 vervangen door E1211. In 1858 vindt vereniging plaats. Het pand gaat over in handen van de weduwe van Johannes Blom (Johanna Krols en haar kind) en schipper Jan Blom. Het huis zou in 1838 al zijn belast. In 1870 is sprake van successie.

Het eigendom gaat over op Adriana Blom (weduwe van Johannes Stoeldraaijer), die winkelierster is van beroep. In 1875 vindt er een kadastrale meting plaats waarbij het perceelnummer wijzigt in E1934. Er is dan sprake van een huis en erf. In omvang stelt dit erf weinig voor. Het huis wordt in 1878 verkocht.

Details van kadastrale hulpkaarten waarop Keizersdijk 1 is weergegeven.

Het huis komt in eigendom van Franciscus Josephus Willemszoon Simonis en consorten. Simonis is verwer van beroep. Zijn kinderen zijn mede-eigenaar, zijn broer vermoedelijk ook, zo kan uit de kadastrale legger worden opgemaakt. Het huis heeft nummer 109. In 1893 vindt hermeting plaats en krijgt het perceel het nummer H731 (het nieuwe huisnummer is 236). Josephus Gerarduszn van Aalst wordt de nieuwe eigenaar. Hij is kleermaker en koopman van beroep. Zijn kinderen zijn medeeigenaar. Later ook zijn weduwe Maria de Jongh. De kadastrale legger vermeldt dat het pand in 1911 wordt herbouwd. Er werd daarbij geen nieuwe hulpkaart vervaardigd, wat het aannemelijk maakt dat de herbouw op oude fundamenten of met gebruikmaking van oude opstanden werd uitgevoerd. Kort daarna, in 1917, vindt al een inwendige verandering plaatst. In 1919 volgt scheiding en komt het huis in bezit van kleermaker Gerardus Josephus van Aalst. In 1926 is sprake van ruiling. Het perceelnummer wijzigt in H2744. Op de bijbehorende kadastrale hulpkaart uit 1925 kunnen we zien dat het pandje aan de achterzijde ietsjes is vergroot. Die vergroting werd mogelijk na herbouw van het buurpand (Hoofdstraat 37-39) in 1907 en vond vermoedelijk al vóór 1925 plaats. In 1955 vindt scheiding plaats en is het pand bezit van administrateur Josephus Franciscus Johannes van Aalst en

Cultuurhistorische verkenning

20

later zijn weduwe Adriana Johanna Wilhelmina Maria Kolsteren. Zij verkoopt in 1957, waarna Jamin eigenaar wordt. Hierna wordt het kadaster overgebracht op een losbladig systeem dat niet verder is verkend. Aan de hand van het bovenstaande kunnen we aannemelijk maken dat Keizersdijk 1 in 1911 herbouwd werd in opdracht van kleermaker/koopman Josephus Van Aalst. De bouwhistorische verkenning heeft duidelijk gemaakt dat bij de herbouw enkele gevels overeind zijn gebleven en wellicht ook de bestaande kapconstructie overeind bleef. 4.4 De kadastrale ontwikkeling van Keizersdijk 3-5 Het perceel waar Keizersdijk 3-5 op zou worden gebouwd, perceel E174, is in 1832 nog vrij van bebouwing en in gebruik als (boeren)erf door Jacobus Gerrit Knaap. Dat verandert in 1852, zo blijkt uit een kadastrale hulpkaart uit dat jaar. In 1850 vindt splitsing plaats, zo is uit de kadastrale legger op te maken. Nieuwe eigenaar wordt de Landbouwer Thomas Sagt, die ook de boerderij van Knaap overneemt. Hij verkoopt het erf in 1850. Mattijs Blom, tapper van beroep, is degene die besluit om op het erf bebouwing te stichten. Hij laat een huis bouwen dat in 1853 belast wordt. Het kadasternummer verandert hierbij in E1216. Bakker (later landbouwer) Huibert Adriaanszoon de Bruijn bezit huis en erf. Hij bezit veel gronden en panden in de gemeente.

In 1875 is er sprake van bijbouw op het genoemde perceel, in 1893 volgt hermeting door het kadaster. Het perceelnummer gaat over in H1933. In 1912 gaat hij over tot verkoop. Op dat moment is het huis genummerd 235.

Details van kadastrale hulpkaarten waarop de ontwikkeling van Keizersdijk 3-5 is weergegeven. Deze kaarten hebben betrekking op een thans niet meer bestaande voorganger.

Op 14 mei 1925 verkoopt Cornelis de Bruijn e.a. aan Johannes Josephus Simonis (bakker) het perceel H1871 ((Hoofdstraat 37-39) en wordt perceel 731 (Keizerstraat 1) samengevoegd met perceel H2290 (Keizerstraat 3-5). Het vormt de opmaat voor de sloop van bestaande bebouwing op de plaats van het huidige Keizerstraat 3-5 inclusief bijgebouw. Dit kan onder andere opgemaakt worden uit de kadastrale legger van Simonis (4601), waarop perceel H2742 is vermeld als bouwterrein, een terrein dat een samenvoeging is van (delen van) drie oudere percelen. Als stichtingsjaar van nieuwbouw wordt dienstjaar 1927 vermeld. Gewoonlijk betekent dat, dat er een jaar eerder werd gebouwd, dus in 1926. Kadastrale veld- en hulpkaarten maken dat aannemelijk. De legger meldt ook wat er werd gebouwd, namelijk twee huizen met erf en bakkerij.

21

Details van kadastrale hulpkaarten waarop de ontwikkeling van Keizersdijk 3-5 is weergegeven. Deze kaarten hebben betrekking op een thans niet meer bestaande voorganger.

Veldkaart uit 1917 toont aan dat J.J. Simons een huis laat slopen (perceel H730). Hij laat gelijktijdig Hoofdstraat 33-35 bouwen. Links de veldkaart met daarop de bakkerij van Simonis (1927).

De bakkerij komt in de plaats van een bestaand gebouw dat voor het eerst te zien is op de kadastrale hulpkaart uit 1859. De kadastrale legger laat zien dat landbouwer Jan Pieter Dorrenboom op de kop van het perceel dat op de kadastrale minuut nog als moeras wordt aangemerkt, een schuur laat oprichten, die hij direct daarna verkoopt aan Huibert de Bruijn. Het moeras word gecultiveerd, waarna belasting over de grond moet worden betaald (expiratie vrijdom). Die schuur wordt, zo blijkt uit kadastrale hulpkaarten, verschillende malen verbouwd en dus daarna gesloopt. In 1943 worden de huizen en de bakkerij kadastraal gesplitst. Keizersdijk 3 wordt H3090 en blijft nog in eigen bezit. Keizersdijk 5 H3091 wordt verkocht en ook de bakkerij wordt van de hand gedaan. Keizersdijk komt in handen van hotelhouder Adam Johannes Maria Lambregts, die het als woning gebruikt. Hij heeft een hotel aan de Smidstraat (H3013). Het huis wordt in 1967 gescheiden en wordt daarna in 1975 verkocht aan Albert Timmermans, die fabrikant voor horecabedrijven is. Hij heeft vijf jaar eerder Keizersdijk 5 al in handen gekregen. Hierna wordt het kadaster overgebracht op een losbladig systeem dat niet verder is verkend.

Cultuurhistorische verkenning

22

Details van kadastrale hulpkaarten waarop de ontwikkeling van Keizersdijk 3-5 is weergegeven. Op de kaart uit 1926 is de huidige bebouwing voor het eerst weergegeven.

In 1943 blijft Keizersdijk 5 met de bakkerij nog in handen van de familie Simonis. Wilhelmus Julius Maria Simonis staat te boek als brood- en banketbakker en er is opgetekend dat hij in Keizersdijk 5 woonachtig is. Leendert de Man, eveneens brood- en banketbakker, neemt de woning en de bakkerij van Simonis over. Hij is uit Hillegom afkomstig. Er is sprake van stichting in 1957 (er wordt een garage en bergplaats gebouwd), verbouw in 1960 en verkoop in 1970. Zoals gesteld is de nieuwe eigenaar Albert Timmermans. Hij koopt wat omschreven is als huis, garage, bakkerij, erf en bergplaats. Aan de hand van het bovenstaande kunnen we stellen dat Keizersdijk 3-5 in 1926 gebouwd werd in opdracht van bakker Johannes Josephus Simonis, die daaraan voorafgaande oudere bebouwing uit 1853 liet slopen. Simonis liet een huis met bakkerij bouwen. Later kwamen daar nog een garage en berging bij. Het huis is gesplitst.

Overzicht van de kadastrale ontwikkeling aan de hand van hulpkaarten.

23

5

Keizersdijk 1

5.1 De bouwgeschiedenis Het is aan de hand van gegevens in het kadaster aannemelijk dat Keizersdijk 1 in 1911 gebouwd werd in opdracht van kleermaker/koopman Josephus Van Aalst. Tijdens de bouwhistorische verkenning zijn er echter aanwijzingen dat het pand in 1911 niet geheel nieuw werd gebouwd, maar dat er ingrijpend werd verbouwd. Zijgevels en achtergevel zijn vrijwel zeker nog grotendeels negentiende-eeuws. Hieraan is de kadastrale minuut uit 1832 te koppelen. Op die kaart staat namelijk al een pand getekend. De oudste bouwtekening die we van het pand hebben kunnen traceren, dateert uit 1909. De tekening toont het te verbouwen woonhuis van J. van Aalst. Van het pand is de begane grond in bestaande toestand weergegeven alsmede de voorgevel, de linker zijgevel en twee doorsneden (een dwarsdoorsnede en een langsdoorsnede). De wijzigingen zijn in rode kleur aangegeven, niet duidelijk te zien op onderstaande afbeelding. Van Aalst wil een tochtportaal maken en een eigenaardige knik in de linkerzijgevel teniet doen, door het pand naar links uit te bouwen. De plattegrond toont een L-vormige begane grond. Er zijn twee kamers aan de straat, onderling gescheiden door middel van een wand met suitedeuren. De grote kamer links moet een tochtportaaltje achter de voordeur krijgen en rechtsachter vermoedelijk een kast. Vanuit de grote kamer is het binnenplaatsje toegankelijk.

In de achtergevel is hier een negenruits venster te zien. De kleine kamer heeft een stookplaats tegen de rechter zijgevel. De ruimte heeft geen buitendeuren en ontvangt alleen via de voorgevel daglicht. De functie van de kleine ruimten aan de achterzijde van het pand, is niet gegeven. Mogelijk gaat het om een toilet en om bedsteden.

Tekening uit 1909, vermoedelijk de dan bestaande toestand. In de bouwvergunning is sprake van vernieuwing van het pand.

Cultuurhistorische verkenning

24

De voorgevel heeft drie zesruits vensters onder een strekse boog. Ook de voordeur is onder een strekse boog getekend. De gevel heeft een plint en een kroonlijst. Opvallend is dat de dakkapel niet in lijn ligt met de voordeur van het pand. We zien op het mansardedak twee schoorstenen, terwijl we in plattegrond alleen tegen de rechter zijgevel een stookplaats zien getekend. De dwarsdoorsnede laat de constructie van het mansardedak zien. Hoewel in de bouwvergunning sprake is van enkele aanpassingen, is vermoedelijk besloten om het pand wat ingrijpender te vernieuwen, onder andere met een nieuwe voorgevel en linker zijgevel.

Tekening uit 1911 wanneer een café op de begane grond wordt vergroot door de bar in een deel van de open gang (binnenplaats) in te richten.

In 1911 wordt er opnieuw door Van Aalst een bouwvergunning aangevraagd. De tekening toont in plattegrond de bestaande en de te maken toestand voor het linkerdeel van de begane grond. Op de plattegrondtekening van de bestaande toestand is te zien dat de grote kamer links in gebruik is als café. De bar is links tegen de voorgevel gesitueerd en de binnenplaats is getekend als open gang. In

25

de langsdoorsnede zien we in de achtergevel een achterdeur, een zesruits venster en een vierruitsvenster, welke laatste op de tekening uit 1909 nog niet was te zien. In de te maken toestand zien we dat een deel van de achtergevel wordt gesloopt, zodat in een deel van de open gang een nieuwe bar kan worden gemaakt. Van Aalst vraagt in 1915 opnieuw een bouwvergunning aan. De tekening uit 1915 (de Eerste Wereldoorlog is aan de gang) behelst het opdelen van het pand in twee woningen. Wij zijn er niet zeker van dat dit plan ook daadwerkelijk ten uitvoer is gebracht. We zien een plattegrond van de bestaande toestand, met de ruimte voor de bar uit 1911. Op de plattegrond staat ook de keuken achter het huis verbeeld. De keuken zal al hebben bestaan, maar er zal eerder geen noodzaak tot verbeelding zijn geweest. We zien op de plattegrond ook een buitenprivaat getekend, vrijstaand van het huis.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Geertruidenberg&id=ba7255da-fe4a-4eac-9d56-d0ff960e3952