Bijlage 2b - BP Theresiakwartier - Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
2.5. Tussenconclusie De beoogde maatregelen leiden niet tot een directe m.e.r.(beoordelings)plicht. Zoals aangegeven in paragraaf 2.1 bestaat voor activiteiten die in de D-lijst van Besluit m.e.r. staan en ónder de drempelwaarde blijven nog wel een verplichting tot een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de voorgenomen activiteit is dus een vormvrije m.e.rbeoordeling benodigd. Voorliggende aanmeldingsnotitie voorziet in een dergelijke beoordeling.
2.6 Procedure en inhoudelijke criteria m.e.r.-beoordeling Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kent weinig procedurevereisten. De m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden in een zo vroeg mogelijk stadium van de voorbereiding van het besluit dat genomen dient te worden. In dit geval betreft het besluit de vaststelling van een bestemmingsplan. De m.e.r.-beoordeling vindt plaats voor de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. Voor een m.e.r.-beoordelingsnotitie bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. Toch is meestal goed in te schatten voor welke thema's er meer informatie benodigd is. Zo is het niet noodzakelijk om alle thema's die gebruikelijk onderzocht worden in een milieueffectrapport in detail te beschouwen. Het gaat bij een m.e.r.-beoordeling vooral om de milieuthema's die de grootste impact hebben op de omgeving én om na te gaan of er 7
(mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Het is niet gebruikelijk om echt een diepgaand onderzoek uit te voeren. De minder belangrijke thema's kunnen dan ook (zeer) beknopt beschreven worden. Immers in de verdere procedure (vergunningprocedure of bestemmingsplanprocedure) wordt naar deze thema's alsnog volwaardig onderzoek uitgevoerd. Voor de milieuthema's die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen dient van te voren nagedacht te worden over de wijze waarop de mogelijke effecten relatief eenvoudig bepaald kunnen worden. Hierbij gaat het vooral over tot welk detailniveau informatie nodig is om een juiste afweging te kunnen maken. Dit houdt in vrijwel alle gevallen geen berekeningen in, maar meer pragmatisch ingestoken werkwijzen. Op basis van voorliggende aanmeldingsnotitie kan het bevoegd gezag (gemeenteraad gemeente Geertruidenberg) beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-plicht. De beslissing om al dan niet een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen wordt verwerkt in de ontwerp bestemmingsplannen en wordt daardoor ook meteen ter inzage gelegd. De criteria vallen uiteen in criteria betreffende :
De kenmerken van het project worden in hoofdstuk 3 beschreven. Hierbij komen naast algemene gegevens van het project, zoals de locatie en de omvang van de voorgenomen activiteit ook zaken aan de orde op het gebied van het productieproces, gebruikte stoffen en technologieën (en de daarvan afgeleide afvalproductie, gebruik van grondstoffen, verontreiniging, hinder en risico's). Bij meer ruimtelijk georiënteerde projecten, bijvoorbeeld woningbouw zijn andere kenmerken, zoals de verkeersaantrekkende werking, van belang. om uitspraken te kunnen doen over (mogelijke) belangrijke nadelige milieueffecten. Ten slotte geldt dat aandacht moet worden besteed aan mogelijke cumulatie-effecten met andere nabijgelegen projecten. Zo zal de oprichting van een varkenshouderij bijvoorbeeld rekening moeten houden met een net vastgestelde bestemmingsplan met daarin 1.000 woningen op circa 500 meter afstand van de beoogde locatie. De plaats van het project wordt in hoofdstuk 4 beschreven. Een voorgenomen activiteit vindt altijd plaats in een bepaalde omgeving, bijvoorbeeld een binnenstedelijk gebied, een historisch veenlandschap of een gebied met hoge ecologische waarden. Deze verschillende 8
gebieden zijn in meer of mindere mate kwetsbaar voor nieuwe activiteiten. In de m.e.r.beoordelingsnotitie kan aan de hand van beleidsdocumenten de informatie over het gebied waarin de voorgenomen activiteit zich bevindt vaak eenvoudig opgezocht worden. Tegenwoordig is deze informatie vaak ook beschikbaar op internet. Het gaat bij het criterium 'plaats van het project' niet alleen om het gebied waarin de activiteit in gelegen is, maar juist ook om aangrenzende gebieden. Zo is het bijvoorbeeld van belang om te weten of er Natura2000 gebieden in de omgeving zijn waarop de activiteit impact kan hebben. De (kenmerken van de) potentiële effecten worden in hoofdstuk 5 beschreven. Waar het bij de criteria 'kenmerken van het project' en 'plaats van het project' vooral gaat om beschrijvingen van de voorgenomen activiteiten en de omgeving gaat het bij de 'kenmerken van de potentiële effecten' juist om de interactie tussen beiden. Hier worden dan ook de effectbeschrijvingen voor de beschouwde milieuthema's weergegeven. Er wordt ingegaan op het bereik van het effect, hiermee wordt bedoeld tot waar is er sprake van significante wijzigingen bijvoorbeeld op het gebied van geluid, lucht en verkeersintensiteiten. Als sprake is van grensoverschrijdende effecten moeten deze apart benoemd worden.
Bij de optredende effecten zowel in het plangebied (dit is het gebied waar de voorgenomen activiteit in gelegen is) als in het studiegebied (dit is het gebied tot waar de effecten als gevolg van de voorgenomen activiteiten kunnen reiken) moet aangegeven worden wat de duur, frequentie en omkeerbaarheid is. Het doel is uiteindelijk om te bepalen of er omstandigheden zijn die kunnen leiden tot (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 bepaald of belangrijke nadelige milieugevolgen uit zijn te sluiten.
9
3. DE KENMERKEN VAN HET PROJECT 3.1. Aard en omvang van het project Onderstaande afbeelding vormt een weergave van het project Het project bestaat uit het amoveren van bestaande bebouwing en opvolgende nieuwbouw van 29 studio’s, 27 appartementen en 16 eengezinswoningen.
afbeelding : project wonen
3.2. Cumulatie met andere projecten De ontwikkeling van het plangebied is een zelfstandig project. Er is geen feitelijke cumulatie met andere projecten. In de omgeving van het plangebied is sprake van een ontwikkeling door Prisma betreffende hun bestaande (woon)zorgcomplex.. Er is geen sprake van fysieke samenhang. De geplande gebouwen beide projecten kennen geen onderlinge samenhang en ook de buitenruimtes worden afzonderlijk van elkaar ontwikkeld. Tussen de projecten is geen sprake van bouwkundig verbindingen. Er is geen sprake van functionele afhankelijkheid tussen de plannen. Beide ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt op basis van separate bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen, worden gerealiseerd door niet aan elkaar gelieerde partijen en ten aanzien van (moment van) de uitvoering hiervan is geen sprake van afstemming of samenhang. Aldus is geen sprake van projectmatige en/of organisatorische samenhang is. Er is ook geen financiële samenhang. Met inachtname van het vorenstaande is bezien of er toch sprake is van (rechtens relevante) cumulatieve effecten tussen beide plannen, die de milieugevolgen beïnvloeden en aldus leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Tussen beide is samenhang te 10
onderkennen in de gebruiksfase (als beide plannen op enig moment gerealiseerd zijn) op het gebied van “verkeersafwikkeling”. Van andere milieu-effecten van beide individuele projecten,die elkaar versterken en die aldus leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is geen sprake. Gezien de beperkte omvang van het aspect verkeersafwikkeling kan ook in geval van een gezamenlijke beschouwing niet worden geconcludeerd dat sprake zal zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Conform uitspraak van 4 maart 2020 van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2020:683) waarin de Afdeling over de cumulatie van stikstof overweegt “dat geen rechtsregel ertoe dwingt om de stikstofdepositie van activiteiten die het voorliggende plan niet mogelijk maakt te betrekken bij de gevolgen van het ter beoordeling staande plan” is een gezamenlijke beoordeling van ontwikkelingen die in andere bestemmingsplannen mogelijk zijn of worden gemaakt niet aan de orde.
3.3. Gebruik natuurlijke hulpbronnen
Een nieuwe ontwikkeling kan gevolgen hebben voor natuurlijke hulpbronnen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer grondwater wordt ontrokken of grondstoffen in de omgeving worden gedolven (water; bierbrouwerij, klei; baksteenindustrie) of ingeval van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen. Het intensiveren van het centrumgebied van Raamsdonksveer door aanvullende (gestapelde) woonbebouwing heeft geen tot nauwelijks effect op het gebruik van (lokale) natuurlijke hulpstoffen. De ontwikkeling van het Theresiakwartier zal aan de eis van minimaal energieneutraal voldoen. Dat betekent dat de gebouwen minder energie gebruiken dan de wettelijke BENGnorm voorschrijft. Bij het materiaalgebruik wordt bewust rekening gehouden met materialen die minder milieubelastend zijn. In het ontwerp en tijdens de realisatie is er aandacht voor detailleringen zodat een goede balans ontstaat in energiegebruik en comfort. Bij de inrichting van het gebied wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie door het gebied groener in te richten dan het huidige instellingsterrein van Prisma aan de Theresiastraat.
3.4. Produktie van afvalstoffen Er zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen dan huishoudelijke afvalstoffen die vrijkomen bij huishoudens.
3.5. Verontreiniging en hinder Er zijn geen activiteiten binnen het plangebied voorzien die leiden tot verontreiniging en/of een onaanvaardbare mate van hinder dan wel effect hebben op de gezondheid van mens of dier. • Aanlegfase : tijdens de aanlegfase is er mogelijke sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden. • Luchtkwaliteit: Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de een verslechtering van de luchtkwaliteit. Er worden verkeersbewegingen gegenereerd door de bewoners. De 11
•
• • • • •
hoeveelheid woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1500 woningen met 1 ontsluitingsweg uit het Besluit Niet in Betekenende Mate. Geluid wegverkeer: Er worden geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Uit onderzoek is gebleken dat vanwege de aanwezigheid van wegverkeer geen aanleiding bestaat tot het aanvragen van een besluit hogere waarden. Bij alle woningen geldt een goed woonen leefklimaat. Geluid industrielawaai: In of in de directe nabijheid van het plangebied is geen sprake van relevante bedrijvigheid. Geluid omgeving: De ontwikkeling heeft geen geluidoverlast op geluidgevoelige objecten of gebieden tot gevolg. Geur: In het plangebied of in de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen waarvan geurhinder te verwachten is. Geur Omgeving: De ontwikkeling heeft geen geuroverlast op geurgevoelige objecten tot gevolg. Bodem: De ontwikkeling betreft geen bodembedreigende activiteit
3.6. Risico van ongevallen er is met de realisatie van woningen geen sprake van een nieuwe risicobron.
3.7. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betekent een verandering van de hoofdfunctie / bestemming voor het plangebied van maatschappelijk naar de functie wonen. Vanwege de nieuwe woningen is in beperkte mate sprake van intensivering ten opzichte van de huidige situatie. De planontwikkeling zorgt ervoor dat het percentage verhard oppervlak toe- noch afneemt. De verkeersaantrekkende werking zal beperkt toenemen ten opzichte van het voorheen bestaande gebruik. De ontwikkeling zal effect hebben op het oppervlak (kwantiteit) aan buitenruimte. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op het effect van deze kenmerken van het project op natuur en milieu.
12
4. DE PLAATS VAN HET PROJECT 4.1 Inleiding Het effect van een activiteit op het milieu wordt bepaald door de activiteit zelf en door de kwetsbaarheid van het gebied en haar omgeving. De kenmerken van de activiteit zelf zijn in het voorgaande hoofdstuk omschreven. De kwetsbaarheid van een gebied en haar omgeving vraagt om informatie over de ondergrond (o.a. bodem, bodemopbouw, grondwater), netwerken (o.a. natuur, landschap, wegen, water) en het grondgebruik (functies, handelingen). In dit hoofdstuk wordt hierop ingegaan.
4.2. Bestaand grondgebruik Het plangebied – met rode cirkel aangeduid op onderstaande weergave - gelegen binnen het stedelijk gebied van Raamsdonksveer. Binnen het plangebied is geen sprake van bijzondere landschappelijke, natuurlijke of cultuurhistorische waarden die de beoogde ontwikkeling in de weg staan. Het plangebied is voorts niet gelegen binnen of nabij het Natuur Netwerk Brabant.
afbeelding : projectlocatie in relatie tot omgeving
4.3. Natuurlijke hulpbronnen Wat betreft de relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied kan worden gesteld dat geen sprake is van natuurlijke hulpbronnen (van nature voorkomende hulpmiddelen voor economisch gewin zoals grondwater of klei) in het projectgebied of de directe omgeving hiervan die op enige wijze invloed kunnen onder vinden van de voorgenomen activiteit.
13
4.4. Natuur, landschap en omgeving 4.4.1. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) Flora en fauna Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Om te bepalen of er mogelijk beschermde soorten zich binnen het plangebied bevinden en zo ja, welke soorten dat zijn is gekomen tot een Quickscan flora en fauna, zoals neergelegd in de rapportage van Antea Groep d.d 9 juli 2019. Als conclusie wordt in het onderzoek aangegeven dat nader onderzoek naar (de aanwezigheid van) de huismus en de vleermuis noodzakelijk is.
Dit onderzoek is uitgevoerd en hieruit bleek dat de aanwezigheid van beschermde verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen en huismus binnen de begrenzing van het plangebied uitgesloten is. Nu vaststaat dat met het initiatief kan worden voldaan aan de Wet natuurbescherming is een m.e.r.-beoordeling dienaangaande niet aan de orde Natuur Wat de omgeving van het plangebied betreft is in onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. • • • • • • • •
Beschermd natuurmonument : nee Habitat en vogelrichtlijngebieden : nee Watergebied van internationale betekenis : nee Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS) : Het plangebied ligt buiten het Natuur Netwerk Nederland (voormalige EHS). Er is geen sprake van negatieve effecten op het NNN. Landschappelijk waardevol gebied : Er is geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties. waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden : nee Beschermd monument : nee Belvedère-gebied : nee
De planlocatie is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of NNN. De planlocatie ligt niet in een (beschermings)zone grondwaterwinning. Het dichtstbijzijnde gebied dat onder de bescherming van de Wet natuurbescherming valt is Natura 2000-gebied 'Biesbosch', circa 2,8 kilometer ten noorden van het plangebied. Gezien de aard, omvang en locatie van het voornemen en de afstand en effectbereik ten opzichte van het voornoemde Natura 2000-gebied, is aannemelijk dat significant negatieve effecten van 18 storingsfactoren op voorhand zijn uit te sluiten. 14
Vanwege het effectbereik en de overbelaste situatie, is dit laatste niet het geval voor de stikstofdepositie als gevolg van het voornemen. Aldus is nader onderzoek dienaangaande aan de orde. In de notitie van Tritium Advies BV d,d. 23 december 2020 - gebaseerd op de bijbehorende berekeningen met de AERIUS Calculator wordt geconcludeerd dat er ten gevolge van de beoogde planontwikkeling geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten.
4.4.2. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden. Omdat het onderhavige plangebied is gelegen in de buurt van een Natura 2000-gebied kan niet op voorhand worden uitgesloten, dat de gewenste situatie significante negatieve effecten heeft ten aanzien van stikstofdepositie. Uit voormeld onderzoek door Tritium Advies met toepassing van de Aerius calculator (versie 2020) is echter gebleken, dat voor de realisatiefase en gebruiksfase de stikstofemissie niet leidt tot een significante toename van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (niet boven 0,00 mol/ha/jaar).
4.4.3. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Niet van toepassing 4.4.4. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Het project ligt in een archeologisch gebied. De ter plaatse bestaande dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ blijft aldus gehandhaafd om eventueel in de bodem aanwezig archeologische waarden voor de toekomst te beschermen. In het kader van het bestemmingsplan is voor wat betreft archeologie bureau en veldonderzoek gedaan. Tevens geldt dat als er archeologische resten (vondsten, sporen et cetera) worden aangetroffen bij de grondwerkzaamheden, die op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 gemeld moeten worden bij de Minister van OCW en bij de (afdeling archeologie van de) gemeente. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW 2010, herziening 2016) is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart is het plangebied niet voorzien van een aanduiding. Gelet op de aard en omvang van dit project kan worden geconcludeerd dat het plan geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden in de omgeving.
15
5. KENMERKEN VAN DE POTENTIËLE EFFECTEN 5.1. Inleiding De (vormvrije) m.e.r. beoordeling zal moeten ingaan op de vraag of de ontwikkeling leidt tot belangrijke negatieve gevolgen voor milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. In voorgaande hoofdstukken is beschreven wat de kenmerken van de activiteit is en met welke kwetsbaarheid vanuit het plangebied en de omgeving rekening zal moeten worden gehouden. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van het potentieel effect van de nieuwe ontwikkeling op het plangebied en de omgeving. Conform de Europese criteria wordt daarbij gekeken naar het effectgebied, waarschijnlijkheid en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. Er wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de negatieve effecten. Het is evident dat nieuwe ontwikkelingen ook een positief effect kan hebben op milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. Voorbeelden hiervan zijn het reiniging van de bodem van verontreiniging, het verwijderen van achtergebleven munitie/explosieven en het archeologisch onderzoek of zelfs het blootleggen van cultuurhistorische waarden. Verder zullen investeringen met oog voor duurzaamheid worden gerealiseerd.
5.2. Effectgebied Bij het effectgebied gaat het om de impact van de gevolgen en welk effect, waar waarneembaar is. De nieuwe ontwikkeling heeft, zo blijkt uit voorgaande hoofdstukken, slechts een beperkte invloed op het gebied zelf als ook op de omgeving. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten voor de situatie en de kwaliteit van de ondergrond, de netwerken en het grondgebruik. Wel is er enig effect is te verwachten van de intensivering van het gebied. Daarbij gaat het om de relatie met het omliggende gebied, en de beperkte toename van de verkeersaantrekkende werking met enig effect op het wegverkeer op de omliggende wegen. 5.2.1. Verkeersaantrekkende werking Het verdichten van het plangebied zorgt voor een beperkte toename van het verkeer. De verwachte verkeersaantrekkende werking van de nieuwe ontwikkeling heeft slechts beperkte gevolgen voor de lokale luchtkwaliteit en akoestische situatie ter plaatse. 5.2.2. Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn.
In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Met betrekking tot woningbouw geldt de normering van maximaal 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 16
ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling of 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg. Met het onderhavige bestemmingsplan wordt hieraan voldaan. De invulling van het plangebied valt onder de regeling NIBM. Gelet op de aard van het initiatief en het gebied waarin werkzaamheden zullen plaatsvinden, ligt het niet in de rede dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van een m.e.r.-beoordeling rechtvaardigt. 5.2.3. Geluid In het kader van de Wet geluidhinder en in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bekeken of de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (woningen) binnen de te ontwikkelen locatie kunnen worden gerealiseerd. Als relevante geluidbronnen dient rekening te worden gehouden met het aspect verkeerslawaai. Uit onderzoek in het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan blijkt dat aan de wettelijke voorkeurswaarde kan worden voldaan zodat sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat.
5.2.4. Bodem Het aspect bodem levert geen belemmeringen op voor plangebied.
de ontwikkelingen binnen het
Het Nederlandse milieurecht bevat verder voldoende waarborgen voor een veilige bodemgebruik. Onderdeel van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen is een onderzoek naar de bodemkwaliteit en de Wet bodembescherming bevat een onderzoekplicht voor het uitvoeren van werkzaamheden in (potentieel) verontreinigde grond. Mocht het dus noodzakelijk zijn op of in de verontreinigde bodem werken uit te voeren, dan kan het bevoegde gezag zo nodig zorgen dat daarvoor milieumaatregelen getroffen worden. 5.2.5. Water De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een afname noch voor een toename van verharding t.o.v. de huidige situatie. De effecten op grond- en oppervlaktewaterkwantiteit zijn te verwaarlozen. In het kader van het bestemmingsplan wordt een watertoets uitgevoerd. 5.2.6. Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van een risico-opleverende activiteit met gevaarlijke stoffen. Het kan daarbij gaan om industriële activiteiten, transportroutes of buisleidingen. Op basis van de Risicokaart (www.risicokaart.nl) is beoordeeld of er zich in de nabijheid van het plangebied risicobronnen bevinden.
Daarbij is bekeken of er in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen aanwezig zijn, of er wellicht transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (wegen, spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen) in de nabijheid gelegen zijn en of dat het plangebied gelegen is binnen een zone waarbinnen het risico op een luchtvaartongeval verhoogd is. Dit alles is niet het geval, zodat het aspect externe veiligheid geen invloed heeft op dit bestemmingsplan c.q. deze ontwikkeling. 17
5.2.7. cultuurhistorisch erfgoed De aspecten cultuurhistorie en archeologie zijn hiervoor in paragraaf 4.4.4. beschreven.
5.3 Waarschijnlijkheid De effecten die binnen en buiten het plangebied als gevolg van bestemmingsplan zijn veelal berekende waarden. De berekeningen en het gehanteerde normenstelsel zijn gebaseerd op aannames en zijn maatschappelijk gewogen. De mate waarin daadwerkelijk hinder wordt ervaren hangt ondermeer af van de context en sociaal psychologische factoren. De ontwikkeling voorziet in een nieuwe woonfunctie. Deze activiteiten passen in de bestaande (woon)omgeving. De realisatie van de woongebouwen zal gelijktijdig plaatsvinden.
5.4 Duur, frequentie en omkeerbaarheid De gevolgen voor de lucht- en geluidkwaliteit (duur en frequentie) zijn gekoppeld aan de intensivering van het grondgebruik. De gevolgen voor het milieu zijn niet onomkeerbaar, maar verdwijnen wanneer het grondgebruik weer afneemt. De gevolgen voor de omgeving zijn beperkt. 5.5 Conclusie In dit hoofdstuk is ingegaan op de vraag of de ontwikkeling leidt tot belangrijke negatieve gevolgen voor milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. Het is een beschrijving van het potentieel effect van de nieuwe ontwikkeling op het plangebied en de omgeving. Het potentieel effect van de nieuwe ontwikkeling op het plangebied en de omgeving is beperkt. De impact op de natuurlijke grondstoffen blijkt nihil. De nieuwe ontwikkeling kent geen negatieve effecten op de lucht- en geluidkwaliteit. De luchtkwaliteit blijft bovendien ver onder de geldende grenswaarden. In vergelijking met de huidige situatie is van een toename van de geluidsbelasting vanwege autoverkeer geen sprake. Uit onderzoek blijkt dat aan de geluidvoorkeurswaarden kan worden voldaan. De effecten van het planvoornemen blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving daarvan. De effecten zijn beperkt en de ontwikkeling stuit niet op bezwaren in relatie tot de aangehaalde milieuaspecten.
18
6. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Deze notitie gaat in op de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn vanwege de aard van het voornemen de kenmerken van de omgeving of de impact van het voornemen op de omgeving, die aanleiding geven om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor het nieuwe bestemmingsplan. Het bevoegd gezag zal moeten nagaan of er – op basis van alle relevante (Europese) criteria – belangrijke negatieve gevolgen zijn voor milieu, natuur en cultuurhistorisch erfgoed. De conclusie zal in het uiteindelijke (ontwerp) besluit in de moederprocedure (bestemmingsplan) moeten worden opgenomen. Bij een vormvrije m.e.r. beoordeling gaat het om een toetsing aan de voorkant van het planproces. Deze beoordeling richt zich primair op het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige kwaliteiten binnen het plangebied en de omgeving. Er wordt gekeken naar het effect van een activiteit op het milieu door de activiteit zelf en door de kwetsbaarheid van het gebied en haar omgeving. Conform de Europese criteria wordt daarbij gekeken naar het effectgebied, waarschijnlijkheid en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. In de voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling zijn deze aspecten belicht. Gezien het vorenstaande en op basis van een vergelijking met het plan met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r.
kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met : 1. de kenmerken van het project, 2. de plaats van het project, en 3. de kenmerken van het potentiële effect, sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Voor een aantal milieuaspecten is echter zeker aandacht nodig om de beoogde aanpassingen op een voor de ruimtelijke ordening en het milieu verantwoorde manier uit te voeren. Zulks zal in het bestemmingsplan nader worden beschreven en daar waar nodig in de regels worden geborgd. In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Op grond van het ontbreken van belangrijke nadelige milieugevolgen en met het treffen van passende maatregelen (o.a.
al in het kader van het bestemmingsplan), is de conclusie gerechtvaardigd dat “belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten” en dat een volledige m.e.r.-procedure, en daarmee het opstellen van een MER, niet nodig is.
19
Verkennend- en nader bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek Brejaartstraat te Raamsdonksveer (2010/123/NL-01, versie 0)
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
Verkennend- en nader bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek
in opdracht van Rezidenz De heer G. Loevendie Parklaan 81 B 5613 BB EINDHOVEN betreffende locatie Brejaartstraat documentkenmerk 2010/123/NL-01 versie 0 vestiging Prinsenbeek datum 11 februari 2021
opgesteld door:
gecontroleerd door:
N. (Nicole) Lammers
S. (Stan) Francken
Projectleider bodem
Projectleider bodem
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies.
Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid T.
Tritium Advies is gevestigd in:
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Neer >> Nuenen >>
I.
www.tritium.nl
Prinsenbeek >> Rijkevoort
KvK-nr.
17108024
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
Samenvatting In opdracht van Rezidenz heeft Tritium Advies een verkennend- en nader bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie Brejaartstraat te Raamsdonksveer. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Dit geldt voor de koopwoningen die in het noordelijk deel van het plangebied gerealiseerd gaan worden. Voor de nieuwbouw van de zorginstelling in het zuidelijk deel van het plangebied is de aanleiding de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen. Hier hoeft geen bestemmingswijziging plaats te vinden. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende deellocaties onderscheiden:
deellocatie A :
gehele onderzoekslocatie, onverdacht;
deellocatie B :
voormalige ondergrondse tank (4.000 liter), verdacht;
deellocatie C :
voormalige ondergrondse tank buiten onderzoekslocatie (10.000 liter), verdacht;
deellocatie D :
gedempte watergang (4x), verdacht.
Zintuiglijk zijn tijdens de uitvoering van de boorwerkzaamheden in de boven- en ondergrond plaatselijk bijmengingen met puin en kolengruis waargenomen. In de ondergrond werd plaatselijk een matige carbolineumgeur waargenomen en plaatselijk een volledige puinlaag waargenomen. Deellocatie A: gehele onderzoekslocatie Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met kwik, lood, nikkel, minerale olie, PAK en PCB. In de ondergrond zijn lichte verontreinigingen aangetoond met koper, kwik, lood, nikkel, zink, minerale olie, PAK en PCB. Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. De aangetoonde lichte verontreinigingen zijn in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Deellocatie B: voormalige ondergrondse tank (4.000 liter) In de ondergrond ter plaatse van de voormalige tank is plaatselijk (boring B01) een zwakke oliewaterreactie waargenomen. De ondergrond ter plaatse is in een traject van 1,50 tot 2,50 m-mv sterk verontreinigd met minerale olie. De bodemlaag van 2,80 - 3,00 m-mv blijkt licht verontreinigd te zijn met minerale olie. Het grondwater ter plaatse is niet verontreinigd met minerale olie. De omvang van de sterke verontreiniging met minerale olie was niet bekend.
Derhalve is direct een nader bodemonderzoek uitgevoerd.
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
Deellocatie C: voormalige ondergrondse tank (10.000 liter) De tank is vlak buiten de locatiegrens aan de noordzijde gelegen. De grond en het grondwater nabij deze tank blijken niet verontreinigd te zijn met olie gerelateerde producten. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een instromende grond- of grondwaterverontreiniging. Deellocatie D: gedempte watergangen (4 st.) Ter plaatse van één voormalige watergang zijn in de ondergrond matige bijmengingen met puin en kolengruis aangetroffen (boring 08) en zwakke bijmengingen met puin en een matige carbolineumgeur waargenomen (boring 09). Deze waarnemingen duiden mogelijk op dempingsmateriaal. Uit de analyseresultaten blijkt de ondergrond ter plaatse van boring 08 licht verontreinigd te zijn met kwik, lood, zink, PAK en minerale olie. De ondergrond ter plaatse van boring 09 is licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink, minerale olie en PAK. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Ter plaatse van de overige voormalige watergangen is geen voormalige slootbodem of dempingsmateriaal aangetroffen. Tevens is de bodemopbouw niet afwijkend van de bodemopbouw op de rest van de onderzoekslocatie.
Nader bodemonderzoek Tijdens het nader bodemonderzoek zijn de aard en omvang van de verontreiniging met minerale olie ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank (4.000 liter) afdoende vastgesteld. Op grond van de PID-metingen en de analyseresultaten is de omvang van de verontreiniging afgeleid. De verontreiniging is aanwezig over aan oppervlakte van maximaal 18 m2 en is aanwezig in de bodemlaag van 1,5 tot 2,5 m-mv. Het sterk verontreinigd bodemvolume wordt derhalve geraamd op maximaal 18 m3. De verontreiniging is afkomstig van de voormalige ondergrondse tank en is waarschijnlijk ontstaan voor 1987. Gezien de mate en omvang van de verontreiniging in de grond kan worden afgeleid dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Verkennend asbestonderzoek In de grond is op de gehele locatie zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve mag worden geconcludeerd dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht Conclusie Voor de sterke (spot) verontreiniging met minerale olie geldt dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en formeel geen saneringsplicht geldt. Bij de voorgenomen herontwikkeling van de locatie dient wel rekening te worden gehouden met de sterke verontreiniging met minerale olie. Geadviseerd wordt de sterk verontreinigde grond ten tijde van de herontwikkeling separaat te verwijderen en af te voeren naar een erkende verwerker. Geadviseerd wordt om een BUS-melding of een plan van aanpak op te stellen om de aangetoonde verontreiniging te saneren. De aangetoonde lichte verontreinigingen leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en het voorgenomen gebruik van de locatie en vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de afgifte van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit.
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
Inhoudsopgave pagina Samenvatting 1.
Inleiding
1
2.
Vooronderzoek
2
2.1
Locatiegegevens
3
2.2
Eerder uitgevoerd onderzoek
4
Tabel 2.3: eerder uitgevoerd onderzoek
4
2.3
Bodemopbouw
6
2.4
Terreinverkenning
7
2.5
Conclusies vooronderzoek
7
3.
Onderzoeksstrategie
8
3.1
Onderzoeksstrategie verkennend onderzoek
8
3.2
Onderzoeksstrategie nader onderzoek
9
3.2.1 Conceptueel model
9
3.2.2 Onderzoeksvragen
10
3.2.3 Onderzoeksstrategie
10
4.
Uitvoering
11
4.1
Kwalibo
11
4.2
Maaiveldinspectie
11
4.3
Inspectiegaten en boorwerk
12
4.4
Bemonstering grondwater
13
4.5
Analyses
14
5.
Analyseresultaten
17
5.1
Toetsingskader
17
5.2
Asbest
19
5.3
Overige parameters grond
19
5.4
Grondwater
21
6.
Verontreinigingssituatie
22
6.1
Oorzaak en gevalsdefinitie
22
6.2
Toetsing conceptueel model
22
7.
Conclusie en aanbevelingen
23
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
Bijlagen aantal pagina's (excl. voorblad) 1.
kadastrale kaart
1
2.
situatietekening
1
3.
profielbeschrijvingen
11
4.
analyseresultaten asbest
16
5.
analyseresultaten overige parameters grond
35
6.
analyseresultaten grondwater
7
7.
toetsingstabellen grond
10
8.
toetsingstabellen grondwater
2
9.
foto’s onderzoekslocatie
3
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
1.
Inleiding
In opdracht van Rezidenz heeft Tritium Advies een verkennend- en nader bodemonderzoek en een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie Brejaartstraat te Raamdonksveer. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkelingen. Tritium Advies heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. Kwalibo Op een deel van de werkzaamheden die in het voorliggende rapport worden beschreven is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor deze kwaliteitsborging zijn onderdelen van het onderzoek onder Kwalibo uitgevoerd. Indien dit het geval is, dan is dit bij het betreffende onderdeel expliciet vermeld. Onderdelen zonder vermelding van Kwalibo, zijn niet onder Kwalibo uitgevoerd.
pagina 1 van 24
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
2.
Vooronderzoek
Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (oktober 2017). Voor het vooronderzoek is gedeeltelijk gebruik gemaakt van de gegevens die zijn aangeleverd door de opdrachtgever. De overige geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 2.1. Tabel 2.1: overzicht geraadpleegde bronnen tijdens vooronderzoek vooronderzoek type
“aanleiding A” opstellen hypothese milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van bodemonderzoek
categorie
bron
geraadpleegd datum
contactpersoon
13-10-2020
n.v.t.
internet kadastrale gegevens
kadastralekaart.com Kadaster online
actuele terreinsituatie
BAG Viewer – Kadaster Google Maps
historische gegevens bodeminformatie
Topotijdreis WKO tool Nederland Omgevingsrapportage Noord-Brabant grondwatertools
15-12-2020
dinoloket Gemeente Geertruidenberg
14-12-2020
Mevrouw J. Rijpma- Veltkamp
opdrachtgever
12-10-2020
De heer G. Loevendie (Rezidenz)
overig informatie en bodemonderzoeken locatie
De terreinverkenning is voorafgaand aan het veldwerk uitgevoerd. De resultaten van de terreinverkenning zijn weergegeven in hoofdstuk paragraaf 2.4.
pagina 2 van 24
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
2.1
Locatiegegevens
Een overzicht van de locatiegegevens is weergegeven in tabel 2.2. Tabel 2.2: overzicht onderzoekslocatie actuele locatiegegevens adres straat
Brejaartstraat
huisnummer
-
plaats
Raamsdonksveer
kadastraal gemeente
Raamsdonk
sectie
H
nummer
6421
locatie Oppervlak onderzoekslocatie
totaal circa 15.764 m2
huidig gebruik
huisvesting zorginstelling
voormalig gebruik
bebouwd circa 7.000 m2
De locatie kende voor de jaren ’60 een agrarisch gebruik. In de jaren ’60 werd een ziekenhuis gerealiseerd. Medio jaren ’90 is het ziekenhuis gesloopt. Vervolgens is de huidige bebouwing gerealiseerd en heeft de locatie haar huidige gebruik gekregen.
Toekomstig gebruik
gedeeltelijk wonen met tuin en gedeeltelijk blijft het gebruik onveranderd
dempingen, ophogingen,
gedempte watergang (4x)
bijmengingen met puin bodembedreigende activiteiten en calamiteiten
In het verleden zijn 2 ondergrondse olietanks (4.000 L en 10.000 L) aanwezig geweest die volgens de opdrachtgever medio jaren ’90 verwijderd zijn. De tank van 10.000 liter ligt net over de grens buiten de onderzoekslocatie.
PFAS
Op 8 juli 2019 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het ‘tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ van toepassing verklaard. Door het wijdverbreide gebruik en door emissies en incidenten worden poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) inmiddels in Nederland (en breder in de wereld), niet alleen bij puntbronnen, maar ook als diffuse verontreinigingen in bodem, grondwater en oppervlaktewater aangetoond. Derhalve zijn de bovengrond (tot 1,0 mmv) en geroerde bodems verdacht op PFAS.
Bijzonderheden
De onderzoekslocatie is niet gelegen in een boringsvrije zone of waterwingebied.
Terreinsituatie bebouwing
huisvesting zorginstelling
maaiveld
braak, verhard
verhardingen
installaties
bebouwing:
naar verwachting beton
overig:
klinkers
zie ‘bodembedreigende activiteiten en calamiteiten’
omgeving gebruik belendende percelen
wonen met tuin, openbare weg, begraafplaats
bodembedreigende activiteiten
Grote Kerkstraat 27: brandstoftank (ondergronds)
en calamiteiten
De kadastrale kaart van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in bijlage 1. Een situatietekening is weergegeven in bijlage 2. Foto’s van de onderzoekslocatie zijn toegevoegd in bijlage 9. De ligging van de locatie is weergegeven in figuur 2.1.
pagina 3 van 24
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
Figuur 2.1: luchtfoto onderzoekslocatie
2.2
Eerder uitgevoerd onderzoek
Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn in het verleden meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. Voor zover relevant voor deze offerte is een overzicht van deze rapporten weergeven in de navolgende tabel. Tabel 2.3: eerder uitgevoerd onderzoek nr.
titel
locatie
opgesteld door
kenmerk
datum
onderzoekslocatie 1.
indicatief onderzoek
Pasteur Ziekenhuis
Bos Witteveen
Rad 2.1 VEE/OS
11-1991
2.
aanvullend onderzoek
Pasteur Ziekenhuis
Bos Witteveen
Rad 2.1/16/4104
12-1991
3.
verkennend onderzoek
Grote Kerkstraat
Inpijn- Blokpoel
MB-0517
02-02-1994
4.
bodemonderzoek olietank
Brejaartstraat
Alex Stewart Environmental
9033-R
17-10-1994
5.
opdracht afgraven grond
SL 1712
16-01-1995
611820/MB
20-02-1995
Services B.V. Calis en van Gendt architekten bv 6.
correspondentie
Advokatenkantoor Van Mierlo
directe omgeving 7.
verkennend onderzoek
8.
verkennend onderzoek
Grote Kerkstraat 39
onbekend
onbekend
01-01-1999
Rasenberg Milieutechniek
onbekend
05-03-2009
Uit de documenten in de voornoemde tabel blijkt het volgende.
pagina 4 van 24
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
Ad 1 en 2 Het doel van het onderzoek was nagaan of de grond en het grondwater verontreinigd waren. Op de locatie waren twee ondergrondse olietanks aanwezig. De olietanks waren voor zever bekend nooit gekeurd. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden werden in de grond zintuiglijk puin en kooldeeltjes aangetroffen. Uit de analyseresultaten bleek dat in de bovengrond plaatselijk lichte verontreinigingen met lood en kwik werden aangetoond. Bij een zwarte verkleuring bij de olietank op een diepte van 1,20-1,30 m-mv werd analytisch geen minerale olie aangetoond. Het grondwater bleek licht verontreinigd te zijn met chroom, benzeen, tolueen en xylenen en plaatselijk matig verontreinigd met arseen. Bij de gemeente was niet bekend dat er arseenspots voorkwamen in het grondwater. Nader onderzoek werd aanbevolen om vast te stellen of de aangetroffen concentratie arseen in het grondwater het gevolg was van een zeer lokale verontreinigingsbron, of wellicht van natuurlijke oorsprong was. Aanvullend grondonderzoek werd niet noodzakelijk geacht. Uit het aanvullend onderzoek [2] kon geconcludeerd worden dat in de onderzochte grondmonsters geen arseen werd aangetroffen in gehaltes boven de detectiegrens. In het grondwater werd arseen aangetoond tussen de a en b waarde. In de noordwestelijke peilbuis was het gehalte arseen kleiner dan de detectiegrens.
In de zuidoostelijke peilbuis was het gehalte arseen lager dan de A-waarde. Geconcludeerd werd dat het aangetroffen arseengehalte een lokaal fenomeen betrof en dat er geen aanleiding was tot het nemen van maatregelen. Ad 3 Aanleiding voor het onderzoek was het realiseren van een voorziening voor geestelijk gehandicapten. Doel was het vaststellen van de kwaliteit van de bodem. Opgemerkt werd dat er geen ondergrondse olietank aanwezig was geweest. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden werd wel een (niet meer in gebruik zijnde) bovengrondse tank waargenomen. In de bovengrond werd een lichte verontreiniging met PAK en zink aangetoond. Het grondwater was licht verontreinigd met EOX en de fenol-index. Geconcludeerd werd dat er sprake was van een aanvaardbare situatie betreft de toekomstige ontwikkelingen. Ad 4 t/m 6 Het bodemonderzoek [4] werd uitgevoerd rond de reeds verwijderde ondergrondse olietank (hbo). Het onderzoek werd uitgevoerd om inzicht te krijgen in de kwaliteit van het grondwater rond te tank (ten behoeve het bouwrijp maken van de grond). In de ondergrond werd rond de grondwaterstand een lichte tot sterke oliegeur waargenomen. Het grondwater bleek na het uitvoeren van een analyse licht verontreinigd te zijn met minerale olie. Een grondwatersanering was niet noodzakelijk.
Vanwege de geurafwijkingen was het mogelijk dat in de grond de interventiewaarde wel werd overschreden. Er werd geadviseerd de grond van 1,50-2,50 m-mv af te graven. Er diende 60 m3 grond te worden afgevoerd. Het KIWA certificaat was afgegeven. Het bleek echter dat de grond onvoldoende gesaneerd was.
pagina 5 van 24
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
Ad 7 Aanleiding voor het onderzoek was de geplande aan- en verkoop van het perceel. Doel was nagaan of de bodem en/ of het freatisch grondwater verontreinigd waren met stoffen die schadelijk konden zijn voor de volksgezondheid of het milieu in het algemeen. De puin- en koolashoudende grond was matig tot sterk verontreinigd met zink, matig verontreinigd met lood en licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, nikkel en minerale olie. Het gehalte EOX werd licht verhoogd aangetoond ten opzichte van de detectiegrens. De bovengrond was matig verontreinigd met PAK. Het grondwater was licht verontreinigd met arseen. Op basis van de sterke verontreinigingen met zware metalen en PAK diende een nader onderzoek uitgevoerd te worden. Ad 8 Aanleiding voor het onderzoek was het in procedure brengen van nieuwe bestemmingsplannen. Doel was het in beeld brengen van de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Uit de analyseresultaten bleek dat de bovengrond matig verontreinigd was met zink en licht verontreinigd was met barium, cadmium, kwik, lood, PAK en PCB. De ondergrond bleek matig verontreinigd te zijn met zink en licht verontreinigd met barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, nikkel en PAK. Het grondwater was licht verontreinigd met barium en naftaleen. De verontreiniging met zware metalen was te realteren aan de aanwezigheid van puin op de locatie.
De aangetroffen matige verontreiniging met zink gaf aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek naar de mate en omvang van de verontreiniging. Tevens werd aanbevolen om in een nader onderzoek vast te stellen of er sprake was van asbest in het puinhoudende materiaal.
2.3
Bodemopbouw
Tabel 2.4: bodemopbouw en geohydrologie bodemopbouw maaiveldhoogte
1,32 m+NAP
deklaag
dikte
3m
samenstelling
hoofdzakelijk zandige klei en midden en fijn zand
doorlatendheid
matig
1e watervoerende pakket
dikte
17 m
samenstelling
hoofdzakelijk midden en grof zand
doorlatendheid
goed
geohydrologie freatisch grondwater 1e watervoerende pakket
stijghoogte
1,0 m+NAP
stromingsrichting
noordwestelijk
stijghoogte
onbekend
stromingsrichting
noordwestelijk
waterhuishouding oppervlaktewater
niet aanwezig
grondwaterbeschermingsbied/
De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone.
boringsvrije zone Grondwateronttrekking
Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving vindt zover bekend geen grondwateronttrekking plaats.
pagina 6 van 24
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
2.4
Terreinverkenning
Voorafgaand aan de monstername is een terreinverkenning uitgevoerd. Hierbij zijn geen bijzonderheden geconstateerd. De resultaten van de terreinverkenning hebben dan ook geen aanleiding gegeven om de onderzoeksstrategie aan te passen.
2.5
Conclusies vooronderzoek
Op basis van het vooronderzoek worden de in de navolgende tabel vermelde deellocaties onderscheiden. Tabel 2.5: deellocaties deel-
omschrijving
locatie A.
afmeting/
hypothese
motivatie
onverdacht
geen aanwijzing voor
aantal gehele onderzoekslocatie
15.764 m2
verdachte stoffen geen
verontreiniging B. C.
voormalige ondergrondse tank
4.000 liter
verdacht
lekkage/ morsing
m.o., btexsn
voormalige ondergrondse tank
10.000 liter
verdacht
lekkage/ morsing
m.o., btexsn
4 st.
verdacht
net buiten onderzoekslocatie D.
gedempte watergang
mogelijk verontreinigd dempingsmateriaal
asbest (bij puin), zware metalen, PAK
Opmerkingen bij de tabel: m.o.
:
minerale olie;
btexsn
:
aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen) en naftaleen;
PAK
:
polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
Asbest Het is vooralsnog onbekend of op en nabij de locatie handelingen met asbest zijn uitgevoerd in een mate dat hierdoor een bodemverontreiniging met asbest kan zijn ontstaan. Indien tijdens uitvoering van het veldwerk asbestverdachte materialen of bijmengingen met puin worden aangetroffen, wordt met de opdrachtgever overlegd over de eventuele uitvoering van een asbestonderzoek. PFAS De bovengrond en geroerde bodems in heel Nederland zijn verdacht op het (diffuus) voorkomen van PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen). Deze verbindingen zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. De stoffen zijn door mensen gemaakt vanwege hun specifieke eigenschappen, zoals brandwerendheid en vuil- en waterafstotendheid. Zij worden al decennia gebruikt in industriële processen en in vele producten. Ze worden gebruikt in allerlei alledaagse toepassingen, zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Aangenomen kan worden dat verontreinigingen met PFAS welke veroorzaakt zijn door diffuse verspreiding, over het algemeen geen risico’s met zich meebrengen (uitgaande van de risicogrenzen zoals opgenomen in de rapportage ‘risicogrenzen PFOA voor grond en grondwater’ met kenmerk 2018-0060 van het RIVM). Voor hergebruik van grond zijn in het geactualiseerde ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ (d.d.
2 juli 2020) striktere regels opgesteld waardoor voorafgaand aan hergebruik van grond wel onderzoek nodig is. Omdat het vooralsnog onbekend is, of bij de herontwikkeling grond van de locatie wordt afgevoerd of elders buiten de locatie wordt hergebruikt, is geen onderzoek naar PFAS verricht.
pagina 7 van 24
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
3.
Onderzoeksstrategie
3.1
Onderzoeksstrategie verkennend onderzoek
Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1 (april 2016). De te volgen strategie is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 3.1: strategie verkennend bodemonderzoek (15.764 m2) strategie 1)
boorwerk
asfalt- of
(diepte in m-mv)
betonboringen
boringen
peilbuizen
analyses 2)
(diameter)
grond
grondwater
-
7 x NEN-g
3 x NEN-gw
-
2 x m.o., btexsn 3)
1 x NEN-gw 6)
2
deellocatie A: gehele onderzoekslocatie (15.764 m ) ONV-NL
18 x (0,5)
3
5 x (2,0) deellocatie B: voormalige ondergrondse tank (4.000 liter) VEP-OO
1 x (3,0)
1 6)
deellocatie C: voormalige ondergrondse tank net buiten onderzoekslocatie (10.000 liter) MW-1
-
1 6)
-
1 x m.o., btexsn 3)
1 x NEN-gw 6)
-
-
- 5)
-
deellocatie D: gedempte watergang (4 st.) 12 x (2,0) 4)
MW-2
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: ONV-NL
:
MW-1
:
onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie, niet lijnvormig; het onderzoek dat naar de voormalige ondergrondse tank net buiten de onderzoekslocatie wordt uitgevoerd op basis van een maatwerkstrategie. Om uit te sluiten of er sprake is van een instromenede grond- of grondwaterverontreiniging wordt één boring met peilbuis op de erfgrens nabij de ondergrondse tank geplaatst;
MW-2
:
het onderzoek naar de gedempte watergangen wordt uitgevoerd op basis van een maatwerkstrategie, waarbij een raai van 3 boringen haaks op een gedempte watergang geplaatst wordt;
VEP-OO 2)
:
onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtanks.
verklaring analyses: NEN-g
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en minerale olie);
NEN-gw
:
pakket NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie);
3)
m.o.
:
minerale olie;
btexsn
:
aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen) en naftaleen.
vanwege de mogelijke aanwezigheid van vluchtige verbindingen worden van de meest verdachte laag van de grond ongeroerde monsters genomen (steekbussen).
4)
de boringen worden waar mogelijk gecombineerd uitgevoerd met de boringen ten behoeve van deellocatie A.
5)
vooralsnog zijn voor de gedempte watergangen geen analyses voorzien. Indien tijdens de veldwerkzaamheden zintuiglijk bijmengingen in de grond worden aangetroffen die duiden op deze gedempte watergangen, worden in overleg aanvullende analyses uitgevoerd.
6)
De peilbuizen en de grondwateranalyses voor de deellocaties B en C worden gecombineerd uitgevoerd met deellocatie A. In totaal worden 3 peilbuizen bemonsterd en geanalyseerd.
Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn heterogeen verdeeld over de onderzoekslocatie bijmengingen met puin in de bodem aangetroffen. Puin van onbekende herkomst en kwaliteit dient als asbestverdacht te worden beschouwd. De bodem is derhalve direct aanvullend onderzocht op de aanwezigheid van asbest.
pagina 8 van 24
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
Het verkennend bodemonderzoek asbest is uitgevoerd conform de NEN 5707+C2 (december 2017). De te volgen strategie is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 3.2: strategie verkennend asbestonderzoek strategie 1)
veldwerkzaamheden maaiveldinspectie
inspectiegaten
analyses inspectiegaten
(0,3 x 0,3 m,
tot onderzijde
0,5 m-mv)
verdachte laag 2)
deellocatie A: gehele onderzoekslocatie (15.764 m2) VED-HE
2 richtingen,
24
6
5 x asbest in grond
stroken 1,5 m Opmerkingen bij de tabel op de vorige pagina: 1)
verklaring strategie: VED-HE
:
onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming.
2)
de gaten worden uitgevoerd tot aan de onderzijde van de verdachte laag met een maximum van 2 meter. Indien blijkt dat vanaf een bepaalde diepte het graven van gaten niet meer mogelijk is, worden boringen uitgevoerd met een diameter van tenminste 12 cm.
De analyses worden door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd. De grond- en grondwatermonsters worden conform AS3000 voorbewerkt.
3.2
Onderzoeksstrategie nader onderzoek
Gedurende de uitvoeringsfase van het verkennend bodemonderzoek, zoals beschreven in de navolgende paragrafen, is bij boring B01 (1,5-2,5 m-mv) een sterke verontreiniging met minerale olie aangetoond. Voor deze aangetoonde verontreiniging is direct een nader onderzoek uitgevoerd. Het nader onderzoek wordt uitgevoerd volgens de NTA 5755 ‘Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging’ (Nederlandse Normalisatie-Instituut, juli 2010).
3.2.1
Conceptueel model
Op basis van de gegevens in hoofdstuk 2 en 3 is voor het nader onderzoek het volgende conceptueel model opgesteld. “In de bodem is plaatselijk een sterke verontreiniging met minerale olie aangetoond. De oorzaak en de omvang van deze verontreiniging zijn nog niet bekend.”
pagina 9 van 24
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
3.2.2
Onderzoeksvragen
Op basis van de aanleiding en het doel van het onderzoek, de gegevens in hoofdstuk 2 en het conceptueel model zijn voor het nader onderzoek de volgende onderzoeksvragen geformuleerd. Tabel 3.3: onderzoeksvragen vraag 1.
wat is de omvang van de sterke bodemverontreiniging met minerale olie ter plaatse van boring B01?
2.
is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging?
3.
is de onderzoekslocatie zonder sanering van de bodem geschikt voor het voorgenomen gebruik van de locatie?
3.2.3
Onderzoeksstrategie
De uit te voeren werkzaamheden zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 3.4: strategie nader bodemonderzoek doel
horizontale afperking 3) verticale afperking
boorwerk
asfalt- of
(diepte in m-mv)
betonboringen
analyses
boringen
peilbuizen
(diameter)
grond
4 x (2,5)
-
-
4 x m.o., H
grondwater -
- 2)
-
-
1 x m.o., H
-
Opmerkingen bij de tabel: 1)
2)
verklaring strategie: m.o.
:
minerale olie;
H
:
Humus (organische stof).
Voor de verticale afperking is geen boring opgenomen maar wordt gebruik gemaakt van de monsters van de reeds uitgevoerde boring B01.
pagina 10 van 24
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
4.
Uitvoering
4.1
Kwalibo
Op de veldwerkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor dit onderzoek zijn de werkzaamheden uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) conform protocollen 2001 (versie 6.0, 1 februari 2018), 2002 (versie 6.0, 1 februari 2018) en 2018 (versie 6.0, 1 februari 2018) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. In de navolgende tabel zijn de namen van de erkende veldwerkers weergegeven, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk hebben uitgevoerd. Tabel 4.1: erkende veldwerkers Tritium Advies veldwerker
datum uitvoering
nummers
12-01-2021,
maaiveld
maaiveldinspectie Joris Mathijssen, Victor Loderus
13-01-2021 boorwerkzaamheden (protocol 2001) Dorus Straatman, Rik van der Steen
21-12-2020
1 t/m 3, 10 t/m 18, 23, 28 t/m 31, B01, B02
Dorus Straatman, Victor Loderus
22-12-2020
4 t/m 9, 19 t/m 22, 24 t/m 27, 32
12-01-2021
31, 32, B01
monstername grondwater (protocol 2002) Joris Mathijssen, Victor Loderus inspectiegaten (protocol 2018) Rolf Liebregts, Rik van der Steen
12-01-2021
AG01 t/m AG16, AG18
Rik van der Steen
13-01-2021
AG17, AG19 t/m AG28
Joris Mathijssen
01-02-2021
AG29, B04
Conform BRL-SIKB 2000 zijn de veldwerkzaamheden getoetst op partijdigheid. De uitvoerder van het veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als dat van een onafhankelijk onderzoeksbureau.
4.2
Maaiveldinspectie
Het maaiveld van de locatie was tijdens de maaiveldinspectie deels bedekt met vegetatie en deels verhard. Vanwege de toestand van het maaiveld wordt de efficiëntie van de maaiveldinspectie geschat op < 50% en is daarmee onvoldoende om een uitspraak te kunnen doen over de kwantitatieve hoeveelheid asbest op het maaiveld. Tijdens de maaiveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld.
pagina 11 van 24
documentkenmerk: 2010/123/NL-01, versie 0
4.3
Inspectiegaten en boorwerk
De locaties van de inspectiegaten, boringen en peilbuizen zijn weergegeven in bijlage 2. Tijdens de uitvoering van het veldwerk zijn enkele boringen gestaakt in verband met een in handkracht ondoordringbare laag. Verder deden zich geen belemmeringen of bijzonderheden voor. De bij de werkzaamheden vrijkomende grond is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn de in de navolgende tabel weergegeven waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 3. Tabel 4.2: waarnemingen en bijzonderheden inspectiegat