CConstaterende datGeertruidenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a - VABP Vijfhoevenlaan Raamsdonksveer - Toelichting

Besluitvormende raad 22 december 2022, gemeente GeertruidenbergBij agendapunt: VABP Vijfhoevenlaan - Tuin van Sandoel14.971 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Beoordeling Beschermde gebieden Keur Het plangebied is op basis van de Keur niet gelegen in beschermde gebieden.

Oppervlaktewater en Waterk ering Het plangebied is niet gelegen in of nabij oppervlakte, waterkering en/of bijhorende beschermingszones.

Oppervlakte verdeling bestaand versus nieuw Het plangebied heeft een oppervlakte van 5.563 m2. In de bestaande situatie is iets meer dan 70% hiervan verhard in de vorm van gebouwen of terreinverharding. Het resterende deel is groen ingericht. In de toekomstige situatie is minder dan de helft (half)verhard. In onderstaande tabel zijn de metrages opgenomen. Bestaand (m2) Dakoppervlak gebouw(en)(incl. fietsenstalling) Wegen (vol verharding) Wegen (half verhard) Trottoirs (vol verharding) Parkeerplaatsen (vol verharding)_

Nieuw (m2) 3.473

1.720

1.559 0 1.557 922

1.390 445 1.045 1.062

33

Parkeerplaatsen (half verharding) Groen

0 2.727

638 3.938

Totaal

10.238

10.238

Totaal verhard (half verharding is voor de helft meegerek end)

7.511

5.758,50

In totaal is er sprake van een afname van het verhard oppervlak met 1.752,50 m2. Aangezien er sprake is van een afname van het verhard oppervlak is de gemeente Geertruidenberg bevoegd gezag. Er is op basis van het gemeentelijke beleid geen sprake van een bergingsopgave. Wel dient bij nieuwbouw, waar mogelijk, het hemelwater gescheiden worden verwerkt van het afvalwater. Bij de verwerking van hemelwater wordt de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ als voorkeursvolgorde aangehouden. Concreet betekent dat overtollig hemelwater bij voorkeur lokaal wordt hergebruikt of geïnfiltreerd in de bodem. De uitwerking hiervan volgt in de later aan te vragen omgevingsvergunning bouwen. Er zal ten behoeve van het voorkomen van verslechtering aan het watersysteemkwaliteit en ecologie geen gebruik worden gemaakt van uitlogende bouwmaterialen, zoals zink, koper of andere uitlogende bouwmaterialen.

Conclusie Het aspect waterhuishouding vormt derhalve geen belemmering voor het realiseren van de voorgestane ontwikkeling.

4.8

Flora en fauna

Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten de voorgenomen ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde soorten. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Om inzicht te krijgen in de aanwezige ecologische waarden is door Blom Ecologie een quickscan flora en fauna opgesteld. Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 7 aan dit bestemmingsplan. Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven.

Quickscan flora en fauna Beschermde gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 2,3 km. En het Natuurnetwerk Brabant ligt op een afstand van circa 450 meter. Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Het maken van een kapmelding in het kader van Wet natuurbescherming is derhalve niet van toepassing. Vaatplanten

34

Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). De planlocatie betreft bebouwing met een grasstrook en parkeerplaatsen met daarnaast een bomenlaan van platanen. Op de planlocatie zijn enkel inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: duizendblad, gewone paardenbloem, kluwenhoornbloem, madelief, paarse dovenetel, ronde ooievaarsbek en Robertskruid. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. De aanwezige platanen blijven gehandhaafd. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.

Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen of aanwezigheid aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Door het ontbreken van oppervlaktewater en de ligging van de planlocatie in stedelijk gebied kan de aanwezigheid van de bever op voorhand uitgesloten worden. De bunzing en wezel zijn marterachtigen welke voornamelijk voorkomen in kleinschalige landschappen met voldoende groenstructuren als houtsingels, bosschages, begroeide oevers en struwelen. Oude (konijnen) holen en takkenstappels worden gebruikt als rust- en voortplantingsplaats. Wegens het volledig ontbreken van voorgenoemde structuren en de mate van verharding en verstoring op de planlocatie kan aanwezigheid van verblijfplaatsen en leefgebied van bunzing en wezel uitgesloten worden. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten.

De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel en huismuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden.

De bebouwing is opgetrokken uit stenenmuren met spouw en damwandplaten. Het dak betreft een plat bitumen dak met een metalen daklijst. Aan de zuid-, oost- en noordzijde van de gevels is houten betimmering aanwezig. Onder de metalen daklijst en houten

35

betimmering zijn grote kieren aanwezig welke toegang bieden tot de spouwmuur. Daarnaast zijn aan de zuidzijde van de bebouwing enkele stootvoegen aanwezig (figuur 4). Deze openingen leiden tot open kruipruimtes welke mogelijk geschikt zijn als rust- en verblijfplaats voor vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Gezien het type bebouwing kan de aanwezigheid van een massa winterverblijfplaats niet worden uitgesloten. Echter wordt de aanwezigheid van grootoorvleermuizen en de meervleermuis niet verwacht door de bekende verspreidingsgegevens (meervleermuis), ligging in stedelijk gebied en mate van lichtverstoring (grootoorvleermuizen). Voorafgaand de werkzaamheden dient middels zes veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september de aan- of afwezigheid van vleermuizen worden vastgesteld Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Aannemelijk maakt de bomenrij van platanen aan de noord- en oostzijde deel uit van een belangrijke vliegroute. Deze blijft in de beoogde ontwikkeling behouden en derhalve niet aangetast. Negatieve effecten op vliegroute en foerageergebieden zijn uitgesloten, indien rekening wordt gehouden met lichtverstoring.

In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2011-2021). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie is verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden, tevens ontbreekt het aan oppervlaktewater. Derhalve is het uitgesloten dat amfibieën de planlocatie gebruiken als leefgebied. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2011-2021). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich

36

geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos (NDFF 2011-2021). De grote vos is sterk gebonden aan bosrijke gebieden en parken met voornamelijk kersen en wilgenbomen die functioneren als waardplant. Door het ontbreken van dergelijke habitatkenmerken kan de aanwezigheid van de grote vos uitgesloten worden. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismus, houtduif, koolmees, scholekster en spreeuw. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten.

Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Doordat de bebouwing een plat bitumen dak betreft zijn hier geen geschikte nestlocaties aanwezig voor de huismus, welke de voorkeur geeft aan schuine daken met pannen of in uitzonderlijke gevallen bij afwezigheid van alternatieve nestlocaties onder golfplaten daken. De bebouwing bestaat uit gemetselde muren met daartegen boeiboorden of houten platen. Hierachter zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig (figuur 5). De overige delen betreffen damwandplaten, welke in de zomer snel heet worden. Jongen van de huismus zijn zeer gevoelig voor hoge temperaturen en extreme schommelingen. Hierdoor zijn de damwandplaten ongeschikt als nestlocaties. Daarnaast ontbreekt het in deze delen aan openingen die de huismus toegang kunnen bieden tot open ruimtes. Op circa 100 m ten noorden zijn enkele huismussen waargenomen. In de broedperiode is een broedpaar erg gebonden aan het nest, waardoor in directe omgeving (vaak minder dan 100 m) van een nestlocatie enkele essentiële habitatonderdelen aanwezig moeten zijn. Dit betreffen: voldoende voedsel (hoofdzakelijk zaden en insecten), jaarrond groene heggen, grind, zand en drink- en badwater.

Daarnaast is het van hoog belang dat binnen 5 tot maximaal 10 m van de nestlocaties voldoende dekking aanwezig is. Dergelijke dekking bestaat voornamelijk uit groenblijvende struiken en hagen maar ook andere structuren als begroeide gevels en schuttingen. Voornamelijk voor het broedsucces is deze dekking belangrijk, jonge huismussen zij namelijk erg kwetsbaar voor predatoren en zijn hierdoor afhankelijk van voldoende en goede dekking. Voorgenoemde onderdelen, waaronder structuren die dekking bieden zijn niet aanwezig op de planlocatie (figuur 6). Er is sprake van zeer beperkt foerageergebied; de bomen bieden enkele insecten, maar de omliggende grasstroken worden zeer kort gehouden en de hoge mate van verharding biedt weinig voedsel. Wegens ontbreken van geschikt foerageergebied en voldoende dekking kan aangenomen worden dat op de planlocatie zelf geen nestlocaties aanwezig zijn. De waargenomen huismussen vertoonde enkel binding met omliggende woningen met schuine daken en groene voor- en achtertuinen. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. Aanvullend onderzoek naar aanwezigheid van de huismus is derhalve niet noodzakelijk. Ten gunste van de huismus wordt geadviseerd om in de nieuwe situatie huismusvoorzieningen aan te bieden in de vorm van nestkasten.

37

Daarnaast kan de groeninrichting aangepast worden op geschikt leefgebied voor de huismus. In bijlage 2 is een advies opgenomen voor het plaatsen van huismusnestkasten en de groenaanleg ten behoeve van de huismus. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de bebouwing een bitumen dak betreft werd aanwezigheid van de gierzwaluw niet verwacht. Echter is op 12 juni 2021 tijdens het vleermuisonderzoek door Econsultancy een invliegende gierzwaluw waargenomen. Naar aanleiding hiervan is een gierzwaluwonderzoek in gezet en bleken er twee nestlocaties aanwezig te zijn. Op de planlocatie is, wegens de mate van verharding en verstoring, geen sprake van functioneel leefgebied van uilen- en roofvogelsoorten. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bomen in de directe omgeving en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals kauwen en de scholekster geschikte nestlocaties.

Bij het veldbezoek is een scholekster op het dak van de bebouwing aangetroffen, mogelijk kan een paartje scholeksters op het platte dak nestelen (bijlage 1 figuur 3). Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Conclusie quickscan flora en fauna De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor gebouwbewonende vleermuizen. Er dient derhalve aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aan- of afwezigheid van vleermuizen in de bebouwing. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht, zie hierna) onder de Wet natuurbescherming.

Aanvullend ecologisch onderzoek Uit de quickscan is gebleken dat aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk is naar de verblijfplaatsen naar gebouwbewonende vleermuizen. Er is dan ook een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoed door Econsultancy. Het onderzoek bestond uit diverse veldbezoeken. Het totaal aantal veldbezoeken is vastgesteld op basis van de grootte van de onderzoekslocatie, uitgaande van drie waarnemers per veldronde tijdens de voorjaarsrondes (juni/juli 2021) en twee waarnemers per veldronde tijdens de najaarsrondes (augustus/september 2021). De rapportage is als Bijlage 8 toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Hieronder worden enkel de conclusie weergegeven. Gedurende het vleermuisonderzoek is één zomerverblijfplaats met drie individuen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld aan de noordoostelijk gesitueerde gevel van het pand onder de blauwe dakrand. Ook is er één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis

38

vastgesteld aan de noord-oostzijde van het pand. Er mag vanuit gegaan worden dat deze verblijfplaatsen tevens mogelijk in gebruik zijn als (milde) winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Gedurende alle rondes zijn er foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen op en rond de onderzoekslocatie. Verder zijn aan de noordwestelijk gesitueerde gevel van het pand twee nestlocaties van gierzwaluw aangetroffen. Buiten de onderzoekslocatie zijn verder vier nestlocaties van de gierzwaluw aangetroffen.

Conclusie Flora en fauna Met betrekking tot de voorgenomen plannen ter plaatse van de onderzoekslocatie is er sprake van opzettelijke beschadiging, vernieling en/of verstoring van één zomerverblijfplaats, één paarverblijfplaats en mogelijk (milde) winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Tevens is sprake van opzettelijke beschadiging en/of vernieling van twee nestlocaties van de gierzwaluw. Bij uitvoering van de sloop is er dan ook sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van de uitvoering is (d.d. 30 november 2021) een ontheffing aangevraagd bij de Omgevingsdienst Brabant Noord voor het opzettelijk beschadigen, vernielen en verstoren van één zomerverblijfplaats en één paarverblijfplaats en (milde) winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis (artikel 3.5, lid 2 en lid 4). De ontheffing is tevens aangevraagd voor het opzettelijk beschadigen en vernielen van twee nestlocaties van de gierzwaluw (artikel 3.1, lid 2). Daarnaast zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van de vaste verblijfplaatsen en nestlocaties behouden moeten blijven en schade aan individuen moeten worden voorkomen. De tijdelijke en permanente maatregelen zijn omschreven in het activiteitenplan dat hoort bij de ontheffingsaanvraag.

Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

4.9

Stikstofdepositie

39

Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De uitspraak van de Raad van State betekent dat de PAS niet langer voldoet. Hiermee komt de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar te vervallen. Sinds 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurbeheer in werking getreden. Voor de tijdelijke uitstoot van stikstof als gevolg van sloop- en bouwwerkzaamheden is hierin een vrijstelling opgenomen. Ten aanzien van het nieuwe gebruik kan een toename in stikstofdepositie een negatief effect hebben op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Door middel van een berekening van de AERIUS Calculator kan vastgesteld worden of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 56 appartementen. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De woningen zelf zullen zonder gasaansluiting worden gerealiseerd en zal in de gebruiksfase dan ook geen stikstofuitstoot hebben.

BK bouw – & Milieuadvies heeft een Aerius-berekening uitgevoerd en hiermee inzichtelijk gemaakt of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Deze rapportage is als Bijlage 9 aan het bestemmingsplan toegevoegd. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) van kracht. Hiermee is een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen ingevoerd. Hiermee hoeft vanaf 1 juli 2021 alleen nog de gebruiksfase van een project doorgerekend te worden. Uit de analyse blijkt dat de NOX uitstoot in de toekomstige gebruiksfase 71,2 kg bedraagt. De berekening met de AERIUS calculator, versie 2021, laat zien dat in gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie Er is geen sprake van een negatief effect op de omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Voor dit plan is geen vergunning noodzakelijk voor de Wet natuurbescherming.

4.10

Cultureel erfgoed

Archeologie Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Daarin is bepaald dat bij de vaststelling van bestemmingsplan archeologische waarden in acht moeten worden genomen. In februari 2016 is door de gemeente Geertruidenberg de Archeologische Verwachtingskaart geactualiseerd. Het gemeentelijke archeologiebeleid staat in de Nota archeologie uit 2017. De arcehologische verwachtingen uit dit beleid is onder andere vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan archeologie'. Beoordeling Conform het 'Parapluplan archeologie' heeft het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van het te wijzigen gebied (circa 4.800 m2) een archeologische onderzoeksplicht

40

geldt. Door Transect is dan ook een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd. De rapportage is als Bijlage 10 opgenomen in het bestemmingsplan. Hieronder wordt enkel de conclusie weergegeven. Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is een hoge verwachting opgesteld voor de periode Laat-Paleolithicum . Neolithicum. Het plangebied bevindt zich vermoedelijk op de flank van een dekzandrug. Het dekzand is mogelijk vanaf de vorming ervan een gunstige locatie voor bewoning geweest, totdat deze onder invloed van de stijgende zeespiegel vernatte. Vanaf het moment dat er veenvorming optrad ter plaatse van het plangebied, waarschijnlijk gedurende het Neolithicum, is er geen sprake meer van bewoonbare omstandigheden. Hierom geldt een hoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum . Neolithicum. Gedurende het Neolithicum is het plangebied vernat en heeft veenvorming opgetreden. Door de natte ondergrond is geen sprake van bewoonbare omstandigheden en voor het veen geldt daarom een lage archeologische verwachting. Na de Sint-Elisabethsvloed is het plangebied onder invloed komen te staan van getijden, waarbij een pakket getijdeafzettingen heeft kunnen vormen. Het plangebied bevindt zich midden in een polder, terwijl de bewoning zich concentreerde langs de opgeworpen dijken.

Ook op topografische kaarten uit de 16de tot 20ste eeuw ontbreekt bebouwing in het plangebied. Om bovengenoemde redenen geldt een lage archeologische verwachting voor de periode Bronstijd - Nieuwe tijd. Aan de hand van de resultaten van het veldonderzoek is de archeologische verwachting in het plangebied bevestigd. In de ondergrond, vanaf een diepte van 210 tot 330 cm -Mv is dekzand aanwezig. Er is sprake van een dekzandreliëf in het plangebied, aangezien de hoogte van het dekzand varieert tussen de 0,8 en 2,1 m -NAP. De top van het dekzand is nog nagenoeg intact, getuige de sporen van bodemvorming in de top van het dekzand (B-horizont). In het lagere deel van de dekzandrug, in het noorden van het plangebied, is zelfs nog een intacte A-horizont aanwezig. De hoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum. Neolithicum is bevestigd in het plangebied. Op het dekzand zijn getijdeafzettingen en/of veen aanwezig. In het veen ontbreken veraarde niveaus die wijzen op (tijdelijke) bewoonbare omstandigheden. Ook is de top van de getijdeafzettingen niet meer intact aanwezig en was op basis van het bureauonderzoek reeds een lage archeologische verwachting op dit niveau uitgesproken. Advies In het plangebied bestaat het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen en om drie appartementencomplexen te realiseren.

Op basis van onderhavig onderzoek geldt een hoge archeologische verwachting op de top van het dekzand, vanaf een diepte van 210 tot 330 cm -Mv (0,8 - 2,1 m -NAP). In het plangebied zijn twee kelders voorzien waarvoor graafwerkzaamheden tot circa 250 cm -Mv zijn voorzien. Voor beide kelders geldt dat deze op basis van de boringen tot in het archeologisch relevante niveau reiken. In het plangebied zijn daarnaast heipalen voorzien. Een heipalenplan is nog niet bekend. Er wordt geadviseerd om in ieder geval ter plaatse van de kelders een vervolgonderzoek in de karterende fase uit te voeren. Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een karterend booronderzoek. Doel van het onderzoek is de aan- of afwezigheid van een vindplaats op de top van het dekzand vast te stellen. Er wordt geadviseerd het onderzoek conform methode A3 van de Leidraad karterend booronderzoek van de SIKB uit te voeren. Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden ná de sloop van de bestaande bebouwing en gezien de diepteligging van het archeologisch relevante niveau adviseren wij het onderzoek uit te voeren met behulp van een mechanische avegaarboor. Of ter plaatse van de rest van de nieuwbouw, zonder kelders, vervolgonderzoek noodzakelijk is, is afhankelijk van het heipalenplan. Indien de eventuele heipalen kunnen worden geplaatst volgens de richtlijnen in de 'Handreiking archeologievriendelijk bouwen'

41

van de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed (RCE), adviseren wij om geen vervolgonderzoek noodzakelijk te stellen. Op grond van de resultaten van het rapport en bovenstaand advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Geertruidenberg) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Cultuurhistorie De gemeente Geertruidenberg beschikt over een lijst met daarin aangewezen monumenten en andere beeldbepalende panden. Binnen het plangebied zijn deze niet aanwezig. De provincie Noord-Brabant beschikt daarnaast ook over een cultuurhistorische waardenkaart. Hieronder is een uitsnede van deze cultuurhistorische waardenkaart weergegeven. Ook hieruit blijkt dat er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen in of nabij het plangebied aanwezig zijn.

Figuur 4.4 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant (plangebied is paars omlijnd)

Conclusie Het aspect cultureel erfgoed vormt, met in achtneming van het advies en vervolgonderzoek ten aanzien van archeologie, derhalve geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

4.11

Besluit m.e.r.

Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Wanneer een activiteit genoemd is bij onderdeel D van de bijlage, maar onder de drempelwaarde blijft is een vormvrije m.e.r.-beoordeling van toepassing.

42

Beoordeling en conclusie Onderdeel D11.2 zou van toepassing kunnen zijn: "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Er is echter geen definitie gegeven voor een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de aard, de omvang en het ruimtebeslag van belang zijn. In voorliggende situatie wordt een bestaand pand gesloopt en komen er 3 kleinere gebouwen voor in de plaats. De locatie bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied en binnen een bestaande woonwijk. Er is reeds bebouwing aanwezig met een groter grondoppervlak dan in de nieuwe situatie. Er is dan ook sprake van minder ruimtebeslag Onderhavig planvoornemen wordt dan ook niet gezien als stedelijk ontwikkelingsproject. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is derhalve niet aan de orde. Daarnaast zijn de mogelijke (milieu)effecten in navolgende paragrafen beschreven. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van (grote) nadelige milieueffecten.

43

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de aanwezige en toekomstige waarden en karakteristieken van het plangebied. De voorgenomen ontwikkelingen, dienen - voor zover ruimtelijk relevant en mogelijk - juridisch vertaald te worden. Het aangewezen planologische instrument hiervoor is het bestemmingsplan. In navolgende paragrafen komt de juridische planbeschrijving aan bod, waarbij allereerst de hoofdopzet van het bestemmingsplan wordt beschreven en daarna de inleidende regels en de bestemmingsregels aan bod komen.

5.2

Toelichting op de planregels

Een bestemmingsplan bestaat uit planregels en de verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het plangebied en de omliggende gebieden. De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Deze volgorde is gebaseerd op de indeling zoals deze is voorgeschreven in de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012). In het eerste hoofdstuk ('Inleidende regels') worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen beschreven, die voor de leesbaarheid en de uitleg van het plan van belang zijn. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Daarnaast staat in dit hoofdstuk de wijze van meten, die aangeeft hoe oppervlakte, hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. In het daaropvolgende hoofdstuk ('Bestemmingsregels') wordt ingegaan op de bestemming en het gebruik (zie paragraaf 6.3).

Daarna volgt het hoofdstuk ('Algemene regels') waar wordt ingegaan op de algemene regels, zoals algemene ontheffingsregels, algemene wijzigingsregels en procedureregels die op vrijwel alle bestemmingen van toepassing zijn. Hoofdstuk 4 ('Overgangs- en slotregels') gaat in op het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bouwwerken en de citeertitel van het plan, zoals die overgenomen moeten worden uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

5.3

Toelichting op bestemmingen

In de planregels zijn de bestemmingen opgenomen. In deze paragraaf volgt een toelichting op de in dit bestemmingsplan voorkomende bestemmingen. Groen Binnen deze bestemming is ruimte voor groenvoorzieningen, bermen en beplantingen, (ongebouwde) parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, (ondergrondse) afvalverzamelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen voor langzaamverkeer. Verkeer

44

Binnen deze bestemming is ruimte voor voorzieningen voor wegen, voet- en fietspaden, ongebouwde parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, ondergrondse afvalverzamelvoorziening en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ten behoeve van een gebouwde fietsenstalling is een specifieke aanduiding opgenomen met bijhorende maatvoering. Wonen Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn de appartementgebouwen toegestaan. Op de verbeelding zijn bouwvlakken aangegeven, waarbinnen de hoofdgebouwen moeten worden gerealiseerd. Daarnaast is het maximaal aantal wooneenheden als ook de maximale bouwhoogte op de verbeelding aangegeven. In de regels zijn nadere bebouwingsregels voor hoofdgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde aangegeven. Verder zijn binnen deze bestemming tuinen, erven en verhardingen ten dienste van de bestemming toegestaan. Waarde-Archeologie Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden. Het gaat hier om hoge archeologische (verwachtings)waarden. Bouwen en het uitvoeren van grondwerkzaamheden is toegestaan mits de bodem niet dieper geroerd wordt dan 1,90 m-mv. Indien de bodemverstoring de vrijstellingsgrens van 1,90 m-mv overschrijdig is aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Het bevoegd gezag is bevoegd deze bestemming te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te verwijderen.

45

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m².

Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Een exploitatieplan is niet nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. Conclusie Middels het afsluiten van een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer is het verhaal van de kosten anderszins verzekerd. Een exploitatieplan is dan ook niet aan de orde.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.1 van het Bro is vastgelegd dat tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet worden gepleegd met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarbij zijn met name genoemd het waterschappen en diensten van provincie en Rijk. Ten aanzien van bekendmaking van het plan is artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Voorts is in artikel 3.1.6 van het Bro bepaald dat de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg in de toelichting van het plan moeten worden beschreven.

Participatie omgeving Participatie wordt een belangrijke pijler onder de toekomstige Omgevingswet. Derden moeten in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorbereiding van beleids- en besluitvorming.

46

Om de buurt tijdig te betrekken bij deze ontwikkeling hebben 3 participatie overleggen plaatsgevonden, namelijk op 17 juni 2021, 1 december 2021 en 11 janauri 2022. Tijdens deze bijeenkomsten hebben verschillende bewoners hun mening gegeven. Een positief punt dat veel werd genoemd, is dat het plan de buurt vergroend, doordat er open ruimtes tussen de gebouwen ontstaan. Daarnaast zijn er ook zorgen geuit: De toenemende hoogte (4 bouwlagen) en de appartementen brengt de privacy, vrije uitzicht en inval van daglicht in het geding. Er is gekeken naar de afstanden en de te realiseren gebouwen ten opzichte van omliggende woningen. Gebouw B staat op een dusdanige afstand dat hier de privacy niet in het geding is. Ook uit de studie naar schaduwwerking blijkt dat deze niet optreedt. Gebouw C is wat opgeschoven, zodat er een grotere afstand ontstaat er er ruimte komt om een groenstrook met bomenrij toe te voegen. Hiermee wordt ook aan deze zijde de privacy gewaarborgd. Naar aanleiding van de opmerkingen over de hoogte is de hoogte van gebouw C met één bouwlaag verlaagd, de maximale bouwhoogte van dit gebouw wordt 10 meter i.p.v. 13 meter.

De parkeerdrukte neemt sterk toe in deze en omliggende straten. Echter blijkt aan de hand van de plannen dat te weinig parkeergelegenheid is gerealiseerd is in het verleden. Op de huidige tekeningen is het aantal parkeerplaatsen niet toereikend voor het aantal woningen en bewoners. Daarnaast komt de veiligheid van de kinderen in het geding door het sterk toenemende aantal auto's in de straten. Voor de nieuwe ontwikkeling moet worden voldaan aan de parkeernormen. Er is een parkeerbalans opgesteld (Bijlage 1). Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de parkeernormen en dat de parkeerdruk af zal nemen ten opzichte van de bestaande situatie.

Onduidelijkheid bestaat over het bestemmingsplan van het voetbalveld gelegen aan de Varenstraat. De angst bestaat dat het tekort aan parkeergelegenheid op termijn ten koste zal gaan van 'groen' en speelruimte voor de kinderen. Het voetbalveldje aan de Varenstraat heeft in het bestemmingsplan Raamsdonksveer-zuid de bestemming 'groen'. Ook maakt het trapveldje geen onderdeel uit van het plangebied en blijft dus in de huidige vorm behouden.

Conclusie Omwonende zijn vroegtijdig betrokken bij de voorbereiding van de plannen. Het plan is op diverse punten aangepast om tegemoet te komen aan de opmerkingen naar aanleiding van de ingekomen reacties

Vooroverleg Op 19 juli 2022 heeft het college van B&WE besloten in te stemmen met het ontwerpbestemmingsplan. eerder is het bestemmingsplan voor vooroverleg aangeboden aan de vooroverlegpartners. Het ontwerpbestemmingsplan is ter vooroverleg aangeboden aan de vooroverlegpartners zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De betreffende vooroverlegpartners zijn Provincie Noord-Brabant, Waterschap Brabantse Delta, Rijkswaterstaat, Tennet, GasUnie en BrabantWater. Vanuit de vooroverlegpartners ontwerpbestemmingsplan.

zijn

geen

reacties

ontvangen

op

het

Zienswijzen

47

Na het wettelijk vooroverleg wordt dit bestemmingsplan gedurende zes weken ter visie gelegd als ontwerpbestemmingsplan. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid om zienswijzen op het plan in te dienen. De zienswijzen worden samengevat en van commentaar voorzien. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college de raad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 18 augustus tot en met 28 september 2022 ter inzage gelegen. In de periode zijn er drie zienswijzen tegen het plan binnen gekomen. De ingekomen zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassingen aan het bestemmingsplan. De reactienota op de binnengekomen zienswijzen is als Bijlage 11 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan.

Beroep Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Geertruidenberg&id=3227015d-3c38-439a-8dd0-82670994fc3d