Bijlage 2 Was-word tabel wijzigingen Algemene plaatselijke verordening Geertruidenberg 2023
Tekst van het document
Bijlage Wijzigingen WAS-WORD tabel Algemene plaatselijke verordening Geertruidenberg 2023 – Inhoudelijke wijzigingen Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bestuursorgaan: de gemeenteraad, het college of de burgemeester, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft. c. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. d. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de geldende bouwverordening in Geertruidenberg; e. college: het college van burgemeester en wethouders f. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Woningwet; g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; i. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. j. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; k. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
Artikel 1:1 Definities In deze verordening en de daarop berustende besluiten wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bestuursorgaan: de gemeenteraad, het college of de burgemeester, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft; c. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. d. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de geldende bouwverordening in Geertruidenberg; e. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; f. college: het college van burgemeester en wethouders; g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Woningwet; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; j. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; k. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; l.
parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens; m. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; n. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
Pagina 1 van 19
o. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, het aantal openbare parkeerplaatsen beperkt, dan wel een belemmering kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; b. hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 3,5 meter breed en 4,5 meter hoog wordt gelaten. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen en andere voorwerpen. 4. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: a. in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente roerende zaken op te slaan of b.
als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente toe te staan of te gedogen dat daar roerende zaken worden opgeslagen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, het aantal openbare parkeerplaatsen beperkt, dan wel een belemmering kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of b. hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 3,5 meter breed en 4,5 meter hoog wordt gelaten. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen en andere voorwerpen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Het college kan als bedoeld in het vierde lid een omgevingsvergunning verlenen als: a. de verkeersveiligheid, eventueel met opleggen van maatregelen wordt beschermd; b. de openbare parkeergelegenheid niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; c. het openbaar groen niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d.
de belangen van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak niet onevenredig worden aangetast. Pagina 2 van 19
activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning. 5. het college kan als bedoeld in het vorige lid een omgevingsvergunning verlenen als: a. de verkeersveiligheid, eventueel met opleggen van maatregelen wordt beschermd; b. de openbare parkeergelegenheid niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; c. het openbaar groen niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. de belangen van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak niet onevenredig worden aangetast. 6. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. het plaatsen van bouwafvalcontainers voor maximaal één week op een openbare parkeerplaats; d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; en e. situatie waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.
6. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. het plaatsen van bouwafvalcontainers voor maximaal één week op een openbare parkeerplaats; d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; en e. situatie waarin wordt voorzien door Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg c. een verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg, zoals bedoeld in artikel 2.2 lid 1 sub e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. een verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; Pagina 3 van 19
2. de vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid en het veilige en doelmatig gebruik van de weg; b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; e. strijd met het geldend bestemmingplan. 3. Het college beslist op de aanvraag om omgevingsvergunning binnen de genoemde termijnen zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de gewenste uitweg wordt verboden. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.
b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt aangetast; d. als het groenvoorzieningen in de gemeente aantast; e. als het in strijd is met het geldend bestemmingplan. 3. Het college beslist op de aanvraag om omgevingsvergunning binnen de genoemde termijnen zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de gewenste uitweg wordt verboden. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven 1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Pagina 4 van 19
Bestaande tekst Artikel 2:34B Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven 4. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting: a. waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in de hoofdzaak geringe etenswaren, zoals belegde broodjes, patates frites en snacks, worden verkocht; b. waarin onderwijs wordt gegeven; c. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of– instellingen; d. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of– instellingen; e. die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoerbedrijf; 5. De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
Nieuwe tekst Artikel 2:34B Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven 1. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting: a. waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in de hoofdzaak geringe etenswaren, zoals belegde broodjes, patates frites en snacks, worden verkocht; b. waarin onderwijs wordt gegeven; c. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of– instellingen; d. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of– instellingen; e. die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoerbedrijf; 2. De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:34E Alcoholhoudende drank in voer- en vaartuigen Op vervoermiddelen op of aan de openbare weg of openbaar water, die bestemd zijn voor het vervoer van personen waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt is een medewerker aanwezig die voldoet aan de eis gesteld in artikel 8 lid 3 van de Alcoholwet.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:34F Vrijstelling van proeverijen in een slijtersbedrijf 1. Aan een proeverij in een slijtlokaliteit als bedoeld in artikel 25e van de Alcoholwet, wordt vrijstelling verleend van het verbod in:
Pagina 5 van 19
a. artikel 3, eerste lid van de Alcoholwet, ten aanzien van het horecabedrijf en b. artikel 14, eerste lid van de Alcoholwet ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2. De vrijstelling word verleend als wordt voldaan aan artikel 6 van het besluit van 3 juni 2021, houdende regels ter uitvoering van de Alcoholwet, namelijk: a. in een slijtlokaliteit wordt maximaal één proeverij per dag gegeven en maximaal drie proeverijen per week; b. de kosten voor deelname aan een proeverij zijn voor aanvang van de proeverij door een leidinggevende van het slijtersbedrijf vastgesteld; c. de deelnemers van een proeverij zijn voor aanvang van de proeverij bekend bij een leidinggevende van het slijtersbedrijf; en d. de deur van de slijtlokaliteit is gedurende een proeverij gesloten voor publiek anders dan de deelnemers aan de proeverij. 3. Tijdens een proeverij is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende en alcoholvrije drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse, met uitzondering van alcoholhoudende en alcoholvrije drank die in het kader van die proeverij is verstrekt voor gebruik ter plaatse aan de deelnemers van de proeverij. 4.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid of het woon- en leefklimaat, nadere regels stellen ten aanzien van een proeverij in een slijtlokaliteit, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:34G Aanwijzen alcoholoverlastgebieden [gereserveerd]
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Pagina 6 van 19
Artikel 2:37 Nachtregister 1. De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.
Artikel 2:37 Nachtregister [vervallen]
2. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester voor te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:38a Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: a. camping, recreatiepark of jachthaven: hetgeen hieronder in het maatschappelijk verkeer verstaan wordt; b. de exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een camping, recreatiepark of jachthaven exploiteert op grond van artikel 2:38b; c. de beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen.
Artikel 2:38a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. camping, recreatiepark of jachthaven: hetgeen hieronder in het maatschappelijk verkeer verstaan wordt; b. exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een camping, recreatiepark of jachthaven exploiteert op grond van artikel 2:38b; c. leidinggevende: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:38b Vergunningplicht 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping, recreatiepark of jachthaven te exploiteren. 2. De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; en b. de persoonsgegevens van de beheerder. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is wel van toepassing op dit artikel.
Artikel 2:38b Vergunningplicht 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping, recreatiepark of jachthaven te exploiteren. 2. De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; en b. de persoonsgegevens van de leidinggevende. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is wel van toepassing op dit artikel.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Pagina 7 van 19
Artikel 2:38c Gedragseisen De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Artikel 2:38c Gedragseisen De exploitant en de leidinggevende: a. staan niet onder curatele; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:38d Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien: a. de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in 2:38c gestelde eisen; b. de exploitatie van de camping, het recreatiepark of de jachthaven in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; c. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woonof leefsituatie in de omgeving van de camping, het recreatiepark of de jachthaven of de openbare orde door de exploitatie van de camping, het recreatiepark of de jachthaven op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed; d. de exploitatie van de camping, het recreatiepark of de jachthaven een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen; e. dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.
Artikel 2:38d Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien: a. de exploitant of leidinggevende niet voldoet aan de in 2:38c gestelde eisen; b. de exploitatie van de camping, het recreatiepark of de jachthaven in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; c. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woonof leefsituatie in de omgeving van de camping, het recreatiepark of de jachthaven of de openbare orde door de exploitatie van de camping, het recreatiepark of de jachthaven op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed; d. de exploitatie van de camping, het recreatiepark of de jachthaven een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen; e. dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Pagina 8 van 19
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:53 Bespieden van personen 1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.
Artikel 2:53 Bespieden van personen [gereserveerd]
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats; b. buiten de bebouwde kom op een verharde weg; c. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; 2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a en b niet geldt. b. Het college kan plaatsen buiten de bebouwde kom aanwijzen waar de eigenaar of de houder van een hond verplicht is uitwerpselen op te ruimen. 3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. 4. De eigenaar of houder van een hond is verplicht op het eerste verzoek van een toezichthouder zoals bedoeld in artikel 6:2 van deze verordening, aan te tonen dat hij een middel bij zich heeft waarmee hij de uitwerpselen van zijn hond onmiddellijk kan verwijderen. 5. Het gestelde in het eerste lid onder a en b en in het vierde lid geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of een sociale hulphond laat begeleiden.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats; b. buiten de bebouwde kom op een verharde weg; c. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide. 2. Het college kan plaatsen aanwijzen: a. waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a en b niet geldt; b. buiten de bebouwde kom waar de eigenaar of de houder van een hond verplicht is uitwerpselen op te ruimen. 3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. 4. De eigenaar of houder van een hond is verplicht op het eerste verzoek van een toezichthouder zoals bedoeld in artikel 6:2 van deze verordening, aan te tonen dat hij een middel bij zich heeft waarmee hij de uitwerpselen van zijn hond onmiddellijk kan verwijderen. 5. Het gestelde in het eerste lid onder a en b en in het vierde lid geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of een sociale hulphond laat begeleiden.
Pagina 9 van 19
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:64 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 2:64 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: c. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; d. binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:73a Carbidschieten 1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:73a Carbidschieten 1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Pagina 10 van 19
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor de volgende collectieve festiviteiten: a. De zeven dagen waarop carnaval wordt gevierd; b. Koningsnacht; c. De twee dagen waarop de kermis plaatsvindt; d. De twee dagen waarop de Veerse dag plaatsvindt; e. De twee dagen waarop Rondje den Berg plaatsvindt; f. De twee dagen waarop de Dollemansdagen plaatsvindt; en g. Oudejaarsavond- en nacht. 3. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Tijdens het van toepassing zijn van een collectieve festiviteit, mag het geluidsniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel. 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek. Controle op of berekening van de geluidniveaus moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. 8.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk om 01.30 uur te worden beëindigd.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor de volgende collectieve festiviteiten: a. De zeven dagen waarop carnaval wordt gevierd; b. Koningsdag en -nacht; en c. Oudejaarsavond en nieuwjaarsnacht. 2. In afwijking van het eerste lid gelden de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening ook niet in de kern waar een van onderstaande activiteiten plaatsvindt: a. de vrijdag en zaterdag van de kermis; b. De vrijdag en zaterdag van de Veerse Dag; c. de twee dagen van Rondje den Berg; en d. de twee dagen van de Dollemansdagen. 3. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 4. Tijdens het van toepassing zijn van een collectieve festiviteit, mag het geluidsniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel. 5. De geluidswaarde als bedoeld in het vierde lid is inclusief onversterkte muziek. Controle op of berekening van de geluidniveaus moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. 6.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk om 01.30 uur te worden beëindigd.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19,
Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen Pagina 11 van 19
2.
3. 4.
5.
6.
7.
8.
2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Tijdens het van toepassing zijn van een incidentele festiviteit, mag het geluidsniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel 00.00 uur – 01.30 uur 01.30 uur tot sluitingstijd LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 60 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 45 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 80 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 65 dB(A) 45 dB(A) De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek. Controle op of berekening van de geluidniveaus moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening uiterlijk om 01.30 uur beëindigd.
2.
3. 4.
5.
6.
7.
8.
2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Tijdens het van toepassing zijn van een incidentele festiviteit, mag het geluidsniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel 00.00 uur – 01.30 uur 01.30 uur tot sluitingstijd LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 60 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 45 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 80 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 65 dB(A) 45 dB(A) De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek. Controle op of berekening van de geluidniveaus moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening uiterlijk om 01.30 uur beëindigd. Pagina 12 van 19
9. Het college kan gebieden of categorieën aanwijzen waarvoor de in lid 1 beschreven vrijstelling niet geldt.
9. Het college kan gebieden of categorieën aanwijzen waarvoor de in lid 1 beschreven vrijstelling niet geldt.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:6a (Geluid)hinder in de open lucht [gereserveerd]
Artikel 4:6a (Geluid)hinder in de open lucht 1. Het is verboden buiten een inrichting in de open lucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).
Artikel 5:1 Definities [vervallen, opgenomen in artikel 1:1]
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Pagina 13 van 19
Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter binnen de bebouwde kom te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 07.00 uur tot 19.00 uur. 3. Het verbod is niet van toepassing voor nader door het college aan te wijzen plaatsen. 4. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd, die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden, waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is wel van toepassing op dit artikel.
Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter binnen de bebouwde kom te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 07.00 uur tot 19.00 uur. 3. Het verbod is niet van toepassing voor nader door het college aan te wijzen plaatsen. 4. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd, die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden, waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen [gereserveerd]
Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen [vervallen]
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:38 Detectorverbod 1. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor ter voorkoming van verstoring van het bodemarchief een detectorverbod geldt. Deze aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt. 2. Het is verboden zich anders dan met vergunning van het college met een metaaldetector te bevinden op de onder lid 1 bedoelde terreinen. 3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op degene aan wie ingevolge de Monumentenwet 1988 een opgravingsvergunning is verstrekt.
Artikel 5:38 Detectorverbod 1. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor ter voorkoming van verstoring van het bodemarchief een detectorverbod geldt. Deze aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt. 2. Het is verboden zich anders dan met vergunning van het college met een metaaldetector te bevinden op de onder lid 1 bedoelde terreinen, behoudens het bepaalde in lid 4. 3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op degene aan wie ingevolge de Monumentenwet 1988 een opgravingsvergunning is verstrekt. 4. Het is toegestaan om zich zonder de in lid 2 genoemde vergunning met een metaaldetector te bevinden op de in dat lid genoemde terreinen, mits: a. dit niet plaatsvindt in het beschermd stadsgezicht van Geertruidenberg en evenmin op gronden die eigendom zijn van de gemeente Geertruidenberg; Pagina 14 van 19
b. hiervoor schriftelijke toestemming is gegeven door de grondeigenaar, en deze toestemming op verzoek van een medewerker van de gemeente c.q. toezichthouder direct getoond kan worden; c. geen diepere bodemverstoring plaatsvindt dan in de bovenste 30 cm van de bodem; d. geen sprake is van het met behulp van metaaldetectie uit de grond halen van archeologische resten op een archeologisch monument; e. niet wordt opgegraven op een terrein waar een opgraving door een certificaathouder of universiteit plaatsvindt; f. er geen sprake is van metaaldetectie onder water c.q. van magneetvissen; g. vondsten die worden gedaan met behulp van een metaaldetector overeenkomstig de wet (par 5.4 Erfgoedwet) als archeologische toevalsvondsten worden gemeld. In de provincie Noord-Brabant kan deze melding gedaan worden bij het Provinciaal Meldpunt Bodemvondsten. Ook dient de gemeente hiervan onmiddellijk op de hoogte te worden gesteld, via de beleidsmedewerker monumentenzorg. Na de melding dient gelegenheid te worden geboden de archeologische resten in het veld te onderzoeken en te documenteren. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 1. De ‘Algemene Plaatselijke Verordening Geertruidenberg 2019’ wordt ingetrokken. 2. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.
Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 1. De ‘Algemene Plaatselijke Verordening Geertruidenberg 2021’ wordt ingetrokken. 2. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking, met uitzondering van de artikelen [ INVULLEN], die treden tegelijk met de Omgevingswet in werking.
Pagina 15 van 19
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: APV Geertruidenberg 2021.
Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: APV Geertruidenberg 2023.
Pagina 16 van 19
Toelichting Algemeen Door de APV jaarlijks te herzien worden de laatste wetswijzigingen en jurisprudentie verwerkt in de APV, zodat deze up-to-date is. Het uitgangspunt voor deze actualisatie vormt de zomerwijziging model-APV opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Artikelen 1:1, 2:10, 2:12, 2:32, 2:34B, 2:34G, 2:37, 2:53, 2:58, 2:64, 5:1, 5:8, 5:10 en 6:6 Deze artikelen zijn overgenomen conform VNG-model. Het gaat hierbij om redactionele of grammaticale wijzigingen. Zij behoeven geen afzonderlijke toelichting. Artikelen 2:38A tot en met D In deze artikelen is het woord “beheerder” gewijzigd in “leidinggevenden”, zodat deze nu beter aansluit op de definitie van de Alcoholwet. Artikel 2:34E Artikel 25g van de Alcoholwet biedt de mogelijkheid om bij gemeentelijke verordening te bepalen dat op een vervoermiddel (zoals een bierfiets, partyboot of anders) een medewerker aanwezig is die in het bezit is van een diploma sociale hygiëne. Met deze verplichting wordt gewaarborgd dat in ieder geval één persoon op of in het vervoermiddel nuchter is. Met de ontwikkeling van de Dongeoevers en het havengebied, is het noodzakelijk om overlast van “party” boten, te beperken. Normaliter is de NVWA belast met het toezicht op de naleving alcoholwetgeving op vervoermiddelen.
Als dit artikel opgenomen is in de APV dan is de burgemeester bevoegd om handhavend op te treden. Artikel 2:34F Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten te houden buiten de dagen en tijden dat een slijtersbedrijf regulier geopend is voor publiek. Hierbij moet de winkeltijdenwet- en verordening in acht worden genomen. In het artikel worden voorwaarden beschreven waar een slijtersbedrijf zich aan moet houden, zoals ook benoemd in het Alcoholbesluit van 3 juni 2021. Artikel 2:50A In april 2020 heeft het Aanjaagteam Ondermijning, bestaande uit de VNG, enkele gemeenten en RIECS een handreiking gepubliceerd over de APV en ondermijning. Naast het toepassen van het wettelijk instrumentarium op grond van de wet Bibob en de Opiumwet, is de APV ook een belangrijk juridisch document dat ingezet kan worden als instrument in de (bestuurlijke) aanpak van ondermijning. De APV wordt veelvuldig toegepast bij samenscholing, drugsoverlast op straat, wapenbezit, drankgebruik, evenementen, exploiteren van een horecabedrijf en dergelijke. Destijds hebben meerdere gemeenten het artikel omtrent het verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties toegevoegd aan de APV. Nu blijkt uit de uitspraak van de hoge raad op 24 december 2012 dat dit artikel verwijderd moet worden uit de APV, omdat het in strijd is met artikel 7.3 van de Grondwet.
Uitspraak van de hoge raad op 24-12-2021; zaak ECLI:NL:PHR:2021:1028 Beklag, beslag ex art. 94 Sv op jas (gilet) met logo van motorclub onder klager t.z.v. verdenking van overtreding van art. 2:50a APV Haarlem. 1. Moet raadkamer (inhoudelijk) beslissen op verweer dat zich situatie voordoet dat strafbepaling waarop verdenking is gegrond, onverbindend is? 2. Verbindendheid art. 2:50a.1 APV Haarlem. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BL2823 m.b.t. summier karakter van onderzoek in raadkamer n.a.v. klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv en m.b.t. bij de beoordeling van klaagschrift van beslagene dat is gericht tegen beslag ex art. 94 Sv te hanteren maatstaven. Namens klager is aangevoerd dat inbeslagneming heeft plaatsgevonden o.g.v. verdenking dat art. 2:50a.1 APV Haarlem is overtreden maar dat deze strafbaarstelling wegens o.m. strijd met Grondwet onverbindend is. Daarmee is (uitzonderlijke) vraag aan de orde of raadkamer moet beslissen op verweer dat zich de situatie voordoet dat de strafbepaling waarop de verdenking is gegrond, onverbindend is.
Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat (i) als de strafbaarstelling onverbindend is, geen sprake meer kan zijn van de aan die inbeslagneming ten grondslag liggende verdenking en de verbeurdverklaring niet zal kunnen worden bevolen, zodat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert, en (ii) een oordeel over de (on)verbindendheid van een strafbepaling niet is verweven met waarderingen van feitelijke aard. Dat betekent dat raadkamer moet Pagina 17 van 19
beslissen op verweer dat inhoudt dat de strafbepaling waarop de verdenking is gegrond, onverbindend is. Het summiere karakter van klaagschriftprocedure van art. 552a Sv staat aan deze specifieke plicht niet in de weg. Wel heeft oordeel in klaagschriftprocedure een voorlopig karakter, in die zin dat rechter die later in strafzaak oordeelt over hetgeen aan verdachte tlgd. wordt, niet is gebonden aan oordeel van raadkamer dat wordt gegeven n.a.v. een in beklagprocedure gevoerd verweer. Rb heeft niet (inhoudelijk) beslist op verweer dat art. 2:50a.1 APV Haarlem onverbindend is. Ad 2. HR haalt relevante overwegingen aan uit HR:1992:ZC9136 en RVS:2010:BN1135 m.b.t. inhoud en beperkingssystematiek van art. 7.3 Grondwet. Art. 2:50a.1 APV Haarlem verbiedt op openbare plaatsen of in voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar kleding en goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken vertonen (of daarmee sterke gelijkenis hebben) van organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege werkzaamheid of doel in strijd met openbare orde.
Uit de toelichting op deze APV-bepaling blijkt dat ermee is beoogd in de publieke ruimte uiterlijk vertoon dat bestaat in het zichtbaar hebben van goederen en dat verband houdt met verboden en ontbonden organisaties, strafbaar te stellen. Door op deze wijze het, in art. 7.3 Grondwet gewaarborgde, recht te beperken om in vrijheid de inhoud van te openbaren gedachten of gevoelens te bepalen en daaraan door het zichtbaar maken van kleding en goederen uiting te geven, brengt APV-bepaling een beperking aan die niet in gemeentelijke verordening mag worden aangebracht. Art. 2:50a.1 APV Haarlem is daarom onverbindend. Volgt vernietiging en terugwijzing. Artikel 2:73A Voor de coronapandemie was het schieten van Carbid verboden, behalve op 31 december tussen zonsopgang en zonsondergang buiten de bebouwde kom. Daarnaast had de burgemeester de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen, buiten deze periode. Hiervan werd door het Dongemondcollege gebruik van gemaakt om Carbidschieten als educatief onderdeel te laten zijn van de natuurkundelessen. Doordat er een landelijk vuurwerkverbod gold tijdens de coronapandemie, is dit artikel gewijzigd. Gemeenten waren bang dat burgers carbidschieten als alternatief gingen gebruiken, wat de politieke gedachtegang van het vuurwerkverbod teniet deed.
Met het gewijzigde artikel in 2021 was er alleen nog maar een mogelijkheid om ontheffing aan te vragen op 31 december. Dit betekende dat het educatief schieten met Carbid niet meer mogelijk was. Om carbidschieten voor educatieve wijze weer toe te kunnen staan, is het artikel aangepast. Artikel 4:2 en 4:3 Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een ‘vroege vogels’-toernooi. Deze regeling is van toepassing op alle type A- en Binrichtingen die onder het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen. De gemeente kan dit beperken tot bijvoorbeeld alleen horecabedrijven. De bevoegdheid om te bepalen de geluidsnormen niet van toepassing zijn bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve manifestaties. De gemeente heeft de mogelijkheid om maximaal 12 keer per jaar een incidentele festiviteit te laten plaatsvinden.
Wij hanteren al jaren 8 incidentele festiviteiten. Daarnaast kan de gemeente een aantal collectieve festiviteiten aanwijzen waarbij de geluidsnormen zoals benoemd zijn in het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn. In de APV kan de gemeente voorwaarden opnemen als de termijn van kennisgeving, het geluidniveau en de tijdsduur met als doel geluidhinder te voorkomen en/of beperken. De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De raad kan het grondgebied van de gemeente in de verordening bijvoorbeeld verdelen naar verschillende dorpskernen of wijken. Op dit moment mogen bedrijven in Pagina 18 van 19
alle kernen extra geluid produceren als er een evenement plaatsvindt in een andere kern. Hierdoor ontstaat er onnodig overlast in een andere kern, dat voorkomen had kunnen worden door onderscheid te maken tussen collectieve festiviteiten die voor de gehele gemeente gelden zoals carnaval of koningsdag en collectieve festiviteiten gericht op 1 kern zoals de kermis. Artikel 4:6A Dit is een standaard facultatieve bepaling uit het VNG model en betreft om situaties buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Ook hiervoor geldt dat er een uitzondering geldt voor de gevallen waarin de bepaling een regeling geeft voor activiteiten waarop ook de Wet Milieubeheer ziet. Dit artikel is opgenomen omdat er veel overlastklachten binnenkomen bij de boa’s en handhaving omtrent grootschalige privéfeesten in een dusdanige manier, dat het professioneel is opgezet. Deze feesten geven een dusdanige overlast aan omwonenden, waarbij op dit moment weinig op gehandhaafd kan worden. Artikel 5:38 Via art. 5:38 van de APV en het bijbehorende aanwijzingsbesluit geldt al meer dan 10 jaar een metaaldetectorverbod voor heel het gemeentelijke grondgebied. Dit is zo geregeld om schatgraven te voorkomen en omdat schatgraverij wettelijk verboden is en in het algemeen niet bijdraagt aan kennis over archeologie.
In dat kader kan aan amateur-archeologen, die aantoonbaar bijdragen aan kennis over archeologie wel een vergunning worden verleend. De afgelopen jaren zijn er enkele personen geweest met het verzoek of zij in de gemeente hobbymatig mogen zoeken met een metaaldetector, zonder dat zij amateur-archeoloog zijn en als zodanig bijdragen aan kennis over archeologie. Later dan het genoemde APV-verbod is de Erfgoedwet (2016) in werking getreden. Daarin is geregeld, dat het opgraven van archeologische voorwerpen met behulp van metaaldetectie tot maximaal 30 cm onder het maaiveld toegestaan is, met een aantal uitzonderingen, voorwaarden die mede door de gemeente zijn te bepalen. Een uitzondering kan zijn dat sprake is van historische gebieden (bijv. archeologisch monument, beschermd stadsgezicht). Er zijn momenteel geen locaties in de gemeente bekend waar zoeken met een metaaldetector in deze zin onveilig kan zijn (kans op munitie). In 2020 werd door de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed gemeld, dat de afgelopen vier jaar in Nederland door 750 metaaldetector-zoekers bijna 75.000 archeologische vondsten zijn gemeld, en dat deze tot nieuwe historische inzichten hebben geleid. De rijksdienst heeft ook aangegeven, dat magneetvissen niet is toegestaan.
De in de Erfgoedwet genoemde uitzondering op het opgravingsverbod voor zoeken en graven met een metaaldetector geldt alleen op het land en niet in het water. In de voorgestelde regeling is dit verwerkt. Na afstemming met onze archeologische adviseur bij het Monumentenhuis stellen wij voor om het genoemde metaaldetectorverbod in de APV aan te passen, zodat het meer aansluit op het vermelde in de Erfgoedwet, op de behoefte bij personen om hobbymatig met een metaaldetector te zoeken en op een bijdrage aan archeologische kennis door vondstmeldingen in dat kader.
Pagina 19 van 19