CConstaterende datGeertruidenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Noodzakelijke wijzigingen en technische aanpassingen Integrale verordening sociaal domein 2025

De raad besluit 19 juni 2025, gemeente GeertruidenbergBij agendapunt: Integrale verordening sociaal domein gemeente Geertruidenberg 20254.141 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Noodzakelijke wijzigingen/technische aanpassingen Integrale verordening sociaal domein gemeente Geertruidenberg 2025 Onderdeel Wmo Artikel 2.3.2 Aanvraag voor ondersteuning-op-maat Lid 6. Heeft u een levenslange beperking of aandoening en is er geen zicht op verbetering? Dan kijken we of ondersteuning-op-maat voor onbepaalde tijd passend is. Lid 6 is opgenomen in het kader van passend beschikken. Dit betreft o.a. indicaties voor onbepaalde tijd bij cliënten waarvan gesteld kan worden dat zij blijvend ondersteuning, zoals huishoudelijke ondersteuning, zullen ontvangen. Dit vermindert o.a. administratieve lasten en biedt de cliënten meer rust en zekerheid. Gebaseerd op de VNG Handreiking “Verrassend passend”. Artikel 2.3.2 Aanvraag voor ondersteuning-op-maat Lid 7. Wij geven alleen ondersteuning-op-maat, als dat nodig en passend is. U krijg geen ondersteuning als: f. het om vervanging gaat van een voorziening die u van ons kreeg en die technisch nog niet is afgeschreven. Het begrip “normale afschrijvingstermijn” in de huidige verordening is vervangen door “technisch afgeschreven” in de nieuwe verordening. In de praktijk heeft “normale afschrijvingstermijn” onduidelijkheid opgeleverd. Artikel 2.3.3 Eigen kracht en gebruikelijke hulp 1. U komt in aanmerking voor ondersteuning-op-maat als u op eigen kracht geen oplossing kunt vinden voor uw ondersteuningsvraag. 2.

Met eigen kracht bedoelen we datgene wat we in alle redelijkheid van u mogen vragen om tot een verbetering van zelfredzaamheid en het meedoen in de samenleving te komen, of om een oplossing te vinden voor uw behoefte aan beschermd wonen en opvang, en om op die manier ondersteuning-op-maat te voorkomen. 3. De grenzen van redelijkheid worden bepaald door (het ontstaan van) overbelasting en (het ontstaan van) financiële problemen. 4. Kan uw ondersteuningsvraag met gebruikelijke hulp opgelost worden? Dan krijgt u geen ondersteuning-op-maat. Gebruikelijke hulp is hulp die u naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag verwachten van uw partner, echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Bij de beoordeling hiervan houden we, voor zover daartoe aanleiding is, rekening met: a. de samenstelling van de leefeenheid van u en uw huisgenoot of huisgenoten; b. de aard van de relatie tussen u en uw huisgenoten; c. de aard, omvang en de complexiteit van uw ondersteuningsbehoefte; d. de beschikbaarheid en praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van uw huisgenoot of huisgenoten om u te ondersteunen bij zelfredzaamheid en het meedoen in de samenleving; e. hoeveel en welke steun u kreeg van uw huisgenoot of huisgenoten op het gebied van zelfredzaamheid en het meedoen in de samenleving, voorafgaand aan de melding;

1

f.

andere belangrijke omstandigheden van uw huisgenoot of huisgenoten die invloed kunnen hebben op de mogelijkheid om u hulp te bieden bij zelfredzaamheid en het meedoen in de samenleving.

Artikel 2.3.3 is toegevoegd n.a.v. jurisprudentie. In een aantal uitspraken van de CrvB is naar voren gekomen dat gemeenten niet goed in de verordening gedefinieerd hadden wat zij verstaan onder ‘eigen kracht’. Om die reden zijn de begrippen ‘eigen kracht’ en ‘gebruikelijke hulp’ verder uitgewerkt en geduid in de nieuwe verordening. Artikel 3.7.3 Contact met anderen Lid 6. Bij de (elektrisch aangedreven) individuele vervoersvoorziening geldt voor een stallingsplek: a. Er moet een brandveilige stallingsplek beschikbaar zijn. b. U moet meewerken aan het realiseren van een geschikte individuele of collectieve stalling. c. Wij kunnen een aanvraag voor een individuele vervoersvoorziening weigeren als er geen geschikte stallingsplek in of rondom de woning mogelijk is. Lid 6 is opgenomen op basis van het VNG-advies m.b.t. het brandveilig stallen van scootmobielen. Sinds 1 januari 2024 stelt het Besluit bouwwerken leefomgeving dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. En sinds 1 juli 2024 is het expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen. Het handhaven van de regels leidt soms tot onbegrip en mede daarom zijn de regels in de nieuwe verordening opgenomen. Artikel 3.7.6 Sportvoorzieningen 1. Wij vinden het belangrijk dat mensen sporten.

Voor mensen met een beperking is er soms een voorziening nodig om te kunnen sporten. 2. U kunt een vergoeding krijgen voor aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening. 3. De voorwaarden zijn: a. U kunt aantonen dat u de sport structureel beoefent, bijvoorbeeld met een bewijs van lidmaatschap van een sportvereniging. b. De aanschaf van de sportvoorziening leidt tot meerkosten ten opzichte van de mensen zonder beperking, die dezelfde sport beoefenen. c. De vergoeding kunt u maximaal één keer per vijf jaar krijgen. In de huidige verordening is enkel opgenomen dat een persoonsgebonden budget kan worden toegekend voor de aanschaf en het onderhoud van een sportrolstoel. Het ontbreken van voorwaarden levert in de praktijk weleens onduidelijkheid op voor zowel cliënten als consulenten. In dit artikel worden voorwaarden m.b.t. sportvoorzieningen genoemd. Zoals elders in de verordening genoemd kan van lid 3c afgeweken worden als de situatie van de cliënt zodanig is gewijzigd dat de voorziening niet meer voldoet. Artikel 5.2.1 Geschikte woning Lid 5. Wij onderzoeken of een Blijverslening een oplossing is voor uw probleem. Bent u eigenaar van een koopwoning? Dan kunt u een aanvraag voor een Blijverslening doen om uw woning levensloopbestendig te maken, zodat t u langer zelfstandig kunt blijven wonen.

Een Blijverslening is ook bedoeld voor een zorgvraag die aanpassing van uw woning vereist. Voor de Blijverslening gelden de regels uit de Verordening Blijverslening van de gemeente Geertruidenberg.

2

Tot op heden wordt weinig gebruik gemaakt van de Blijverslening, terwijl dit een oplossing kan zijn voor woningeigenaren. In Lid 5 wordt verwezen naar de Verordening Blijverslening van de gemeente Geertruidenberg om te stimuleren dat actief onderzocht wordt of de Blijverslening een oplossing biedt, voordat een maatwerkvoorziening wordt overwogen. Het aangaan van een hypothecaire lening door de cliënt is echter niet afdwingbaar. Artikel 5.2.2 Afschrijvingsregeling woningaanpassing 1. Verkoopt u als eigenaar een koopwoning? Kreeg u hiervoor eerder een (vaste) bouwkundige woningaanpassing? En verkoopt u de woning binnen vijf jaren na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden? Dan moet u dit schriftelijk melden bij de gemeente. Dit moet u doen binnen één week na het passeren van de akte. 2. Als de afschrijvingsregeling op u van toepassing is, dan staat in de beschikking dat u de Wmomiddelen voor de voorziening gedeeltelijk moet terugbetalen bij verkoop van de woning, zoals bedoeld in het eerste lid. We bepalen in uitvoeringsregels de minimumwaarde van de woningaanpassing waarop de afschrijvingsregeling van toepassing is. 3. De terugbetaling als bedoeld in het tweede lid is: a. voor het eerste jaar 70% van de uitbetaalde verbouwingskosten; b. voor het tweede jaar 60% van de uitbetaalde verbouwingskosten; c. voor het derde jaar 50% van de uitbetaalde verbouwingskosten; d.

voor het vierde jaar 40% van de uitbetaalde verbouwingskosten; e. voor het vijfde jaar 30% van de uitbetaalde verbouwingskosten. In alle gevallen min het bedrag dat u al aan eigen bijdragen via het CAK betaalde. De afschrijvingsregeling woningaanpassing (artikel 5.2.2) is aan de nieuwe verordening toegevoegd. Met bouwkundige woningaanpassingen zijn vaak grote bedragen gemoeid. Bij het aanpassen van een koopwoning heeft de gemeente niet de zekerheid dat aanpassing van woning (langdurig) aan iemand met een beperking of probleem ten goede komt. In de afgelopen jaren zijn er enkele casussen geweest waarbij de aangepaste woning na relatief korte tijd is verkocht. Om verspilling van gemeenschapsgeld te voorkomen, kiezen we ervoor om een afschrijvingsregeling te gebruiken. Hiermee anticiperen we op het wetsvoorstel ‘Vervanging abonnementstarief Wmo 2015’. Hierin is vooralsnog de mogelijkheid voor gemeenten opgenomen om van de eigenaar van een woning een vergoeding te vragen als die woning in waarde is gestegen door een maatwerkvoorziening (antispeculatiebeding). In de nieuwe verordening kiezen we niet voor een anti-speculatiebeding, maar voor een afschrijvingsregeling, omdat dat beter uitvoerbaar is. Bij een anti-speculatiebeding houdt de gemeente rekening met de waarde en waardevermeerdering van de woning.

Bij een afschrijvingsregeling wordt de hoogte van de terugbetaling bepaald door de tijd tussen de toekenning van de voorziening en de verkoop, en de kosten van de voorziening. Artikel 6.3 Persoonsgebonden budget Artikel 6.3.1 Voorwaarden T.o.v. de huidige verordening zijn de voorwaarden voor het verkrijgen van een persoonsgebonden budget aangescherpt en verder uitgewerkt. Er wordt o.a. beschreven dat de pgb-vaardigheid wordt getoetst aan de hand van de 10-puntenlijst “Pgb-vaardigheid” van het Ministerie van VWS en er wordt benoemd waarvoor het pgb wel en niet ingezet kan worden. Artikel 6.3.2 Professionele hulp of niet-professionele hulp Lid 9. De met het pgb ingekochte professionele ondersteuning vanuit de Wmo voldoet minimaal aan de kwaliteitseisen voor gecontracteerde aanbieders van vergelijkbare ondersteuning. Professionele aanbieders moeten minimaal voldoen aan de volgende criteria: a. Ingeschreven staan in het handelsregister; 3

b. adequaat opgeleid personeel in dienst hebben; c. een VOG van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers) kunnen tonen; d. beschikken over een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem dat voldoet aan landelijke eisen; e. een verklaring betalingsgedrag belastingdienst kunnen tonen; f. een afschrift van de meest recente jaarrekening of in het geval van een ZZP’er een balans en een winst- en verliesrekening kunnen tonen; g. verzekerd zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid. In de nieuwe verordening zijn kwaliteitseisen toegevoegd voor professionele ondersteuning die met een pgb ingekocht wordt. In de huidige verordening is opgenomen dat de kwaliteitseisen geen betrekking hebben op de kwaliteit van de voorziening die een cliënt met een pgb inkoopt. We zijn als gemeente echter verantwoordelijk voor het bieden van kwalitatief goede ondersteuning. Tevens moet de ondersteuning doelmatig, veiligheid en cliëntgericht zijn. Vanuit de uitvoering is nadrukkelijk aangegeven dat het wenselijk is om aan de hand van criteria de kwaliteit van pgb-aanbieders te kunnen toetsen. Artikel 6.3.3 Hoogte en tarief pgb Wmo Lid 6.

De hoogte van het pgb voor niet-professionele hulp voor huishoudelijke ondersteuning (Wmo) is ten minste gelijk aan het uurloon van de hoogste periodiek, behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Lid 7. De hoogte van het pgb voor niet-professionele hulp voor individuele begeleiding (Wmo) is gelijk aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Op basis van jurisprudentie is de hoogte van het tarief voor niet-professionele hulp aangepast. Artikel 6.4 Wat is de bijdrage in de kosten? In de huidige verordening is de bepaling opgenomen dat indien de voorziening een woningaanpassing betreft, gedurende maximaal 36 maanden een eigen bijdrage in rekening wordt gebracht. Deze bepaling is verwijderd. Voor alle maatvoorzieningen geldt dat een eigen bijdrage wordt betaald zolang er gebruik gemaakt wordt van de voorziening of totdat de kostprijs is betaald. Hiermee anticiperen we tevens op het wetsvoorstel ‘Vervanging abonnementstarief Wmo 2015’. Lid 7.

De eigen bijdrage kan gepauzeerd worden als u langer dan zes weken niet thuis aanwezig bent en de ondersteuning-op-maat niet gebruikt, bijvoorbeeld bij opname in een zorginstelling, bij vakantie of als de aanbieder de ondersteuning-op-maat langer dan zes weken niet levert. Dan kan de eigen bijdrage na zes weken op pauze worden gezet. Dit geldt alleen voor ondersteuning-op-maat in de vorm van een dienst. Het pauzeren van de eigen bijdrage is niet mogelijk als u een andere voorziening heeft waarvoor u een eigen bijdrage betaalt. Met lid 7 nemen we bestaande criteria op over het al dan niet pauzeren van de eigen bijdrage. In de praktijk komen er vragen over dit onderwerp binnen als bijvoorbeeld de huishoudelijke hulp is uitgevallen of als de cliënt zelf op vakantie gaat. Lid 7 schept duidelijkheid voor zowel consulent als cliënt. Hiermee anticiperen we tevens op het wetsvoorstel ‘Vervanging abonnementstarief Wmo 2015’.

4

Artikel 12.2 Inkoop en aanbesteding Lid 3. Wij kunnen een aanbieder uitsluiten als deze geregistreerd staat bij het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ). Lid 3 spreekt voor zich. We zijn als gemeente verplicht aangesloten bij het IKZ.

Onderdeel Jeugd Reikwijdte Jeugdhulp In de praktijk wordt vaak een oneigenlijk beroep gedaan op jeugdhulp (In de verordening: ondersteuning-op-maat). Het niet honoreren van een dergelijk verzoek is soms lastig omdat in de verordening niet is opgenomen wanneer wat wel en niet onder ondersteuning-op-maat in het kader van de jeugdhulp verstaan wordt. In de nieuwe verordening (Hoofstuk 4.4 en 4.5) hebben we dit beschreven zodat we ook sterker staan bij bezwaren. 4.4 Ondersteuning-op-maat [Jeugdwet] 1. Wij kunnen in ieder geval de volgende ondersteuning-op-maat bieden: a. Ondersteuning bij het dagelijkse leven en persoonlijke verzorging; b. Respijtzorg; c. Ambulante behandeling van ontwikkelingsproblematiek; d. Ambulante behandeling van psychische/psychiatrische problematiek; e. Diagnostiek en ambulante behandeling van Ernstige Dyslexie (ED); f. Ambulante behandeling van problematiek door verstandelijke beperking; g. Verblijfszorg; h. Jeugdzorg Plus; i. Pleegzorg; j. Crisisinterventie. 2. Vervoer van de jeugdige van en naar de ondersteuning-op-maat voor zover: a. dit noodzakelijk is vanwege een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid (artikel 2.3, tweede lid van de Jeugdwet). In de afweging over welke voorziening wordt toegekend gaan we uit van de mate van zelfredzaamheid van de jeugdige en de ouders en de eigen kracht (hoofdstuk 2). b.

de regionale inkoopafspraken hier niet in voorzien; 3.Wij kunnen uitvoeringsregels stellen over de voorwaarden waaronder een ondersteuning-op-maat

voor vervoer wordt toegekend.

4. Ondersteuning-op-maat is niet vrij toegankelijk. U heeft een besluit van ons nodig of een verwijzing van een huisarts, jeugdarts of medisch specialist. 4.5 Geen ondersteuning-op-maat De onderstaande voorzieningen worden niet gezien als ondersteuning-op-maat en worden dus niet door ons toegekend, tenzij de voorzieningen noodzakelijk zijn voor het behalen van het beoogde effect van een jeugdhulpverleningstraject: 1. Alle ondersteuningsvormen die horen bij de Wet passend onderwijs (niet limitatief): - Meting cognitief niveau; - Klassenobservaties; - Trainingen in sociale vaardigheden; - Interventies voor klassenmanagement (zoals Taakspel en Beter bij de Les); - Schrijfoefeningen; 5

- Ondersteuning bij ernstige lees-, spellings- en/of rekenproblemen; - Ondersteuning bij hoogbegaafdheid; - Logopedisch onderzoek; - Diagnostiek en behandeling van niet-ernstige dyslexie en dyscalculie; - Begeleiding van leerkrachten en stagebegeleiding; - Hulp bij plannen van schoolwerk; - Huiswerkbegeleiding/ trainen van executieve functies. 2. Alle ondersteuningsvormen die horen bij algemene voorzieningen en/ of kunnen worden uitgevoerd door de Toegang of de Jeugdgezondheidszorg. 3. Alle ondersteuningsvormen die geboden worden ten behoeve van de Kinderopvang. 4. Gemeentelijke regelingen die vanwege financiële problemen benut kunnen worden voor kinderen en jongeren om deel te nemen aan een sport, dans, muziek, beeldende kunst of theater. 5. Alle ondersteuningsvormen die alleen gericht zijn op de eigen problematiek van ouders. 6. Alle ondersteuningsvormen die vergoed worden door een (aanvullende) zorgverzekering. 7. Diergeleide interventies. Eigen kracht In de huidige verordening jeugdhulp wordt wel het begrip eigen kracht benoemd. De CRvB bepaalde op 29 mei 2024 in 3 uitspraken dat de gemeenten in de verordening moeten regelen wat onder eigen kracht in de Jeugdwet (artikel 2.3. Jeugdwet) wordt verstaan. Dus een duidelijke omschrijving. In de nieuwe verordening is daarom opgenomen (in overleg met juristen van Stimulansz en WBO): 2.7.5 Eigen kracht [Jeugdwet] 1.

U komt pas in aanmerking voor een individuele voorziening als u zelf geen oplossing kunt vinden voor uw ondersteuningsvraag binnen uw eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder verstaan wij: • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, als dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en als hierdoor geen grote problemen in het gezin ontstaan; • ondersteuning vanuit het sociale netwerk 2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 3.

Om vast te stellen of sprake van gebruikelijke hulp is beoordelen wij of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Wij houden daarbij rekening met: a. de leeftijd van de jeugdige; b. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft; c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; d. de mate van planbaarheid van de hulp; e. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; We kunnen hier uitvoeringsregels over opstellen. 4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp geven wij geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Een (tijdelijke) kan er zijn als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet

6

kunnen geven. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 5. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Wij beoordelen of we van ouders mogen verwachten dat ze deze hulp geven (lid 1). 6. Bij de beoordeling bij bovengebruikelijke hulp houden wij rekening met: a. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; b. de mate van planbaarheid van de hulp; c. zijn ouders in staat zelf hulp te bieden; d. hoe gaan ouders om met de problemen van de jeugdige; e. welke verplichtingen hebben de ouders; f. het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; g. de woonsituatie; h. de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden; i. is er een sociaal netwerk? Wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen; j. andere persoonlijke omstandigheden van de jeugdige en ouders. Als a t/m j niet tot problemen leiden bij het verlenen van de hulp door de ouders verstrekken wij geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 7.

Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor ondersteuning bij de nodige hulp aan de jeugdige dan verwachten wij van hen dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning van het sociale netwerk valt onder eigen kracht. Wij verstrekken hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 8. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de hulp (deels) vergoedt, dan verwachten wij van ouders dat zij deze aanspreken. Wij verstrekken dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het deel dat niet vergoed wordt.

Onderdeel Sociale Zaken 3.4.11 Nazorg Gaat u aan het werk en stopt uw uitkering? Dan nemen wij na drie maanden contact met u op. Wij kijken samen of u nog iets nodig heeft om aan het werk te blijven. Dit is nieuw (eerder niet opgenomen in de re-integratieverordening), maar wenselijk om te komen tot duurzame uitstroom. Zo houden we vinger aan de pols en hebben we eerder in beeld of er (doordat men is gaan werken) op bepaalde levensdomeinen mogelijk knelpunten zijn en ondersteuning nodig is. 3.4.12 Ondersteuning bij leer-werktraject 1. Bent u tussen de zestien en 27 jaar en dreigt u uit te vallen op school? Wij kunnen dan ondersteuning bieden met een leer-werktraject om alsnog een startkwalificatie te halen (artikel 10f van de Participatiewet). 2. De duur van de begeleiding is niet langer dan de duur van het leer-werktraject. Tijdens dit traject zijn er tussentijdse evaluaties. We kijken dan of begeleiding nog nodig is.

7

Hierover is eerder niets opgenomen in de (regionale) re-integratieverordening. De verplichting hiertoe volgt uit de wet. Gezien de volledigheid opgenomen in deze nieuwe omgekeerde verordening. 9.2.2 Geen schuld en verjaring Lid 1 Wij verlagen uw uitkering niet als: b. als uw gedrag meer dan drie maanden geleden plaatsvond. Dit is in de huidige Afstemmingsverordening een termijn van 1 jaar. Het is niet zinvol om een inwoner een jaar nadat het gedrag heeft plaatsgevonden alsnog te korten op de uitkering. Voor het realiseren van gedragsverandering is het wenselijk dat de termijn tussen het gedrag en de maatregel niet te groot is. Een termijn van drie maanden is dan passender. 9.2.3

Ingangsdatum en periode verlaging

Lid 2 1. Soms verlagen wij de uitkering niet of maar voor een deel, omdat we deze beëindigen. Dan leggen wij het overgebleven deel van de verlaging alsnog op als u binnen drie maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering krijgt. Dit is in de huidige Afstemmingsverordening een termijn van zes maanden. De termijn van 3 maanden geeft meer harmonisatie in de gehanteerde termijnen. 9.2.5 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen (geüniformeerde verplichtingen voor arbeidsinschakeling) Lid 1. Wij verlagen de uitkering voor één maand als u een arbeidsverplichting niet goed nakomt (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm. Dit is in de huidige Afstemmingsverordening een periode van 1 of 2 maanden. Dit is juridisch niet correct. Er moet wettelijk een keuze worden gemaakt tussen de duur. Er dient gekozen te worden voor 1 duur (dus 1 of twee maanden) en niet 2 verschillende. Indien dit nu moet worden toegepast dient het meest gunstige voor de inwoner te worden gekozen en dat is dan één maand. Lid 2. De verlaging verdelen we in gelijke stukken over maximaal twee maanden bij bijzondere omstandigheden. In de huidige Afstemmingsverordening staat dit wat complex beschreven met verschillende methodes. Dit is op deze wijze eenduidiger en duidelijker.

9.2.6a Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen Participatiewet (niet- geüniformeerde verplichtingen voor de arbeidsinschakeling) Lid 3 In afwijking van het tweede lid kunt u een waarschuwing krijgen bij gedrag van de eerste of tweede categorie. 9.2.6b Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen (niet- geüniformeerde verplichtingen voor arbeidsinschakeling) Lid 2, onder d. in afwijking van het tweede lid kunt u een waarschuwing krijgen bij gedraging van de eerste of tweede categorie. 8

In de huidige Afstemmingsverordening is deze optie niet opgenomen. In de praktijk gebeurde dit al vaker om niet altijd direct een verlaging te hoeven toepassen. De tekst betreft een kan-bepaling. Het is dus niet altijd een waarschuwing, verlagen blijft ook mogelijk. 9.2.7 Te weinig besef van verantwoordelijkheid 1. Volgens de wet bent u zelf verantwoordelijk voor de kosten van uw leven. U moet zorgen dat u zo weinig mogelijk bijstand nodig heeft. Heeft u bijstand nodig, terwijl u dat kon voorkomen? Dan heeft u te weinig besef van verantwoordelijkheid voor uw levensonderhoud. Dat geldt bijvoorbeeld als u: a. eigenlijk recht had op een andere regeling of uitkering, maar door uw schuld deze regeling of uitkering niet (meer) krijgt; b. vermogen te snel opmaakte of er iets van heeft betaald dat niet echt nodig was. 2. De gemeente verlaagt uw uitkering als u te weinig inzet of verantwoordelijkheid laat zien voor uw levensonderhoud. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald. Dit is het benadelingsbedrag. 1. a. b. c.

De verlaging duurt een maand en is: 30% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag tot € 4.000,-; 100% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000,-; 30% van de uitkeringsnorm, als het benadelingsbedrag niet vast te stellen is.

4. De gemeente verlaagt de uitkering met 100% voor een maand als u een uitkering aanvraagt, als u door eigen toedoen betaald werk niet behield. 5. De gemeente kan bijstand in de vorm van een lening verstrekken, op het moment dat u door toepassing van lid 2 van dit artikel geen of te weinig geld heeft voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. In de huidige Afstemmingsverordening is een minder concrete invulling gegeven aan verlagen bij te weinig besef van verantwoordelijkheid. Met dit artikel wordt het concreter ingevuld. Ook de hoogte en de duur van de verlaging worden zo concreet ingevuld. De duur van de verlaging is zo ook meer in overeenstemming met de andere verlagingen in dit hoofdstuk. 9.2.11 Herhaling (recidive) De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, voor dezelfde gedraging, opnieuw wordt verlaagd. Als u binnen twaalf maanden nogmaals dezelfde gedraging vertoond, volgen wij voor de volgende verlaging van uw uitkering de wet. Dit wordt daardoor 2 maanden. In de huidige verordening is dit 2 of 3 maanden. De termijn van 2 maanden sluit beter aan op de wettelijke bedoeling, zoals ook is toegelicht bij artikel 8.2.5 lid 1.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Geertruidenberg&id=9999aea7-2e4d-4021-832c-295a44710fef